CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Heesch, D'n Berg_toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 19 juni 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan D’n Berg, Heesch14.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Heesch, D’n Berg

Gemeente Bernheze

Datum: 23 april 2024 Projectnummer: 210218.01 ID: NL.IMRO.1721.BPWBDenBergHEE-VG01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 8

3

Beleidskader

11

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

11 13 14

4

Milieu- en omgevingseffecten

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Geur Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Spuitzones Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Magneetveldzonering

17 18 19 19 22 23 24 25 26 30 34 35 36 37 40

5

Juridische aspecten

41

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

41 42

6

Uitvoerbaarheid

45

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

45 45

Bijlagen − Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking − − − − − − − − − −

Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodem- en asfaltonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 6: Ontheffing Wet Natuurbescherming Bijlage 7: Watertoets Bijlage 8: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 9: Parkeeronderzoek Bijlage 10: Omgevingsdialoog Bijlage 11: Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In het zuiden van de kern Heesch bevinden zich 34 sociale rijwoningen verdeeld over twee woonblokken. De blokken zijn omsloten door de Ophoviusstraat, de Sonniusstraat, de Basilius van Bruggestraat en de Adrianus VI Straat. De woningen zijn verouderd en voldoen niet meer aan de wensen en eisen van nu. Zo zijn de woningen niet ‘levensloopbestendig’ te benoemen, voldoen de woonruimtes niet maar aan de huidige woonwensen en zijn de woningen ook niet duurzaam. Daarnaast is er een groeiend te kort aan duurzame en betaalbare huurwoningen. Ook is er een toename in de behoefte van woningen voor 1 à 2 persoonshuishoudens, die momenteel in beperkte mate een plek in het plangebied kunnen vinden. Daarom bestaat het voornemen om hier door middel van sloop-nieuwbouw maximaal 77 woningen te realiseren. Het zal gaan om maximaal 63 appartementen en 14 rijwoningen. De ontwikkeling staat bekend als ‘D’n Berg’. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘De kommen van Bernheze’, aangezien de ontwikkeling niet past binnen de huidige bestemmingen, bouwvlakken en maatvoeringen. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de zuidrand van de kern Heesch. Aan de noord- en oostzijde zijn hoofdzakelijk woningen aanwezig. Ten zuiden liggen agrarische gronden met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden. Ten westen zijn een bos, speeltuin en dierenweide gelegen. Het betreft het bosrijke D’n Berg wat gezien wordt als het groene hart van Heesch. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is op de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven.

Globale ligging plangebied (rode arcering) ten opzichte van de kern Heesch (bron: pdokviewer.pdok.nl).

3

Globale begrenzing plangebied (rode arcering) (bron: pdokviewer.pdok.nl).

1.3

Geldend bestemmingsplan Op dit moment geldt voor het plangebied het bestemmingsplan ‘De kommen van Bernheze’, zoals vastgesteld op 1 juni 2011 door de gemeenteraad van Bernheze. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemmingen ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’. Daarnaast geldt er de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’.

Uitsnede van de juridisch-planologische situatie met daarop het plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: pdokviewer.pdok.nl).

4

Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, wandel- en fietspaden, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige doeleinden en parkeer-, speelen groenvoorzieningen. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. Onder voorwaarden zijn ook aan huis verbonden beroepen toegestaan. Het bestaande aantal woningen is uitsluitend toegestaan in bouwvlakken en moeten voldoen aan de geldende maximale goot- en bouwhoogte. In dit geval is dat respectievelijk 6 en 9 meter. Als gevolg van de aanduiding ‘aaneengebouwd’ zijn alleen aaneengesloten woningen toegestaan. Waarde - Archeologie 3 De voor ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Met deze dubbelbestemming is onder andere geregeld dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen met een oppervlakte die meer bedraagt dan 2.500 m2 en die dieper reiken dan 40 centimeter onder het maaiveld.

De beoogde woningbouwontwikkeling past niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan, omdat de beoogde woningen niet binnen de bestaande bestemmingen, bouwvlakken en bouwhoogtes passen. Daarmee is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie Historische context Het plangebied was rond 1900 een agrarisch perceel ten zuidwesten van het dorp Heesch. Ten westen van de locatie ligt een klein glooiend gebiedje met bos en heidevelden. Ten zuidwesten ligt het buurtschap De Lage Wijst. Ook is de waterloop ten zuiden van de locatie al rond 1900 zichtbaar. Na de oorlog breidt de kern Heesch flink uit, in eerste instantie aan de lintbebouwing waaraan het is ontstaan. Daarna wordt er begonnen aan een uitbreidingswijk bij de Kruishoek. De uitbreiding vindt vooral plaats in zuidelijke richting. In de jaren ‘60 worden de woningen die nu op de locatie staan gebouwd. Hiervoor wordt een nieuw orthogonaal stratenpatroon aangelegd. Deze vierkante bouwblokken contrasteren met de omliggende buurt, die grotendeels is ontwikkeld langs het meer natuurlijke patroon van de oorspronkelijke landwegen. De uitbreiding bestaat uit drie woonblokken, waarvan de twee zuidelijke blokken deel uitmaken van het plangebied. Het heidegebied ten westen van de locatie krijgt een meer bosachtig karakter, zoals D’n Berg vandaag de dag ook is. In latere jaren is het plangebied meer aan de kern vastgegroeid, door de komst van nieuwe woonwijken. Op enige afstand is ten westen ook het bedrijventerrein De Beemd ontwikkeld. Hierdoor heeft de locatie binnen Heesch een meer centrale ligging gekregen.

Historische kaarten Heesch (1900, 1955, 1965 en 2019) met daarop het plangebied globaal blauw omlijnd (bron: topotijdreis).

6

Omgeving Het plangebied maakt onderdeel uit van de kern Heesch binnen de gemeente Bernheze. De locatie ligt aan de zuidrand van Heesch op ongeveer 15 minuten van het centrum. Het centrum wordt gevormd door het historische lint waar zich horeca en winkelgelegenheden bevinden. Nabij dit lint bevindt zich de Misse, een plein waaraan vele voorzieningen te vinden zijn, waaronder het gemeentehuis van Bernheze, cultureel centrum De Pas, en de bibliotheek. Direct grenzend aan het plangebied ligt D’n Berg, het voornaamste groene gebied binnen Heesch. Op deze glooiende en bosrijke plek zijn een speeltuin en dierenweide te vinden. Het landschap direct ten zuiden van Heesch bestaat uit oude esdek gronden, landbouwgrond ontstaan door eeuwenlange ophoging met mest, bosstrooisel en plaggen. Een historische waterloop stroomt zuidwaarts van de locatie, en sluit aan op de Graanloop en de Grote Wetering. Aan deze waterloop bevindt zich ook het oude buurtschap De Lage Wijst. De woningen in de omgeving van het plangebied hebben allen een ruime voortuin. Op sommige plekken is deze kwaliteit nog aanwezig, maar op andere plekken zijn de voortuinen verrommeld met hoge erfafscheidingen en bijgebouwen. Aan de Adrianus VI Straat, de zuidrand van het plangebied, staan een viertal vrijstaande woningen die uitkijken op het open landschap.

Het plangebied Het plangebied zelf bestaat uit 34 sociale rijwoningen verdeeld over twee woonblokken. De woonblokken worden gescheiden door de Leonardus van Veghelstraat. De woningen zijn gebouwd in de jaren ’60 en voldoen niet meer aan de huidige eisen en wensen van de gebruikers. De huidige straatinrichting is vrijwel volledig versteend. Het beeld wordt bepaald door asfalt en tegels, omdat openbaar groen ontbreekt. Hierdoor is de nabijheid van D’n Berg niet voelbaar.

Huidige situatie Leonardus van Veghelstraat met de te slopen bebouwing (bron: Google Maps).

7

2.2

Toekomstige situatie De verouderde bebouwing binnen het plangebied voldoet niet meer aan de wensen en eisen onder meer op het gebied van duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Daarom vindt sloop-nieuwbouw plaats, waarbij het aantal woningen zal toenemen. Het uitgangspunt van de ontwikkeling is om te voorzien in een toekomstbestendige, duurzame en klimaatadaptieve woonomgeving met daarbinnen ruimte voor sociale huurwoningen. De ontwikkeling gaat uit van het realiseren van een nieuw woonblok met grondgebonden woningen in het zuiden die aansluiten op de hier aanwezige koopwoningen. In het noordelijk plandeel is ruimte voor appartementen beoogd. Door compact te bouwen wordt ruimte vrij gemaakt voor openbaar groen. Ook wordt de weg die in de huidige situatie het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied scheidt opgeheven.

Stedenbouwkundig plan (bron: SAB).

8

Alle woningen zijn beoogd voor de sociale huursector. Het zal gaan om maximaal 77 woningen, verspreid over 63 appartementen en 14 rijwoningen. Het appartementengebouw zal bestaan uit maximaal drie bouwlagen, eventueel gecombineerd met een halfverdiepte parkeervoorziening. De grondgebonden woningen bestaan uit één laag met kapconstructie. Deze woningen hebben een brede beukmaat, zodat de woningen levensloopbestendig ingericht kunnen worden. Dit betekent dat de woningen in ieder geval beschikken over een slaap-, bad- en woonkamer op de begane grond. Het appartementengebouw zal beschikken over een lift waardoor ook de appartementen zijn te kwalificeren als levensloopbestendig. Het appartementengebouw krijgt aan de westzijde een iets terugliggende ligging ten opzichte van de huidige bebouwing zodat er ruimte is voor extra groen in de Ophoviusstraat. Het gebouw krijgt twee algemene ingangen met een lift en zal deels twee lagen en deels drie bouwlagen hebben. De exacte vormgeving en invulling van het gebouw moet verder worden uitgedacht richting de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen, maar in het stedenbouwkundig plan is nu voorzien in het uitgangspunt dat de woningen op de begane grond aan de noord- en westzijde de entree aan de straatzijde hebben en een eigen tuin aan de binnenzijde.

De woningen op de begane grond aan de oost- en zuidzijde hebben de entree aan de binnenzijde met een terras aan de groenzone. Via een portiek en galerij aan de binnenzijde kunnen de woningen op de verdiepingen bereikt worden. De woningen op de verdiepingen zijn allen naar buiten georiënteerd en beschikken over een balkon. Op de begane grond is in drie van de vier hoeken in het stedenbouwkundig plan ruimte gereserveerd voor bergingen en scootmobiels. Het appartementengebouw wordt, voornamelijk aan de zuid- en oostzijde omzoomd door een openbare groenzone. Ook wordt een bomenrij langs de Ophoviusstraat, Basilius van Bruggestraat en de Sonniusstraat aangeplant. Hiermee wordt ingezet om het plangebied in verbinding te brengen met D’n Berg. De groenzone dient ook als ontmoetingsplek voor de bewoners en verbindingsroute naar D’n Berg. Daarnaast is hier ruimte voor waterberging. In het stedenbouwkundig plan is een deel van de parkeerbehoefte voorzien op het binnenterrein van het appartementengebouw. Verder is in de zuidwesthoek van het plangebied ruimte gereserveerd voor haaksparkeren. Achter deze parkeerplaatsen wordt voorzien in een voetpad zodat op een prettige en veilige manier naar de centrale groenzone en D’n Berg kan worden gelopen. Langs de Basilius van Bruggestraat worden nieuwe haaksparkeerplaatsen gemaakt die met groene hagen worden omringd.

Ook langs de Sonniusstraat wordt ter hoogte van het appartementengebouw voorzien in nieuwe haaksparkeerplaatsen, die ook worden aangekleed met groene hagen. Aan de zijde van de Ophoviusstraat wordt ter hoogte van het appartementengebouw voorzien in enkele langsparkeerplaatsen. Met deze nieuwe parkeerplaatsen geldt dat op deze plekken parkeren op de rijbaan niet noodzakelijk is. Voor een klein resterend deel van de parkeervraag blijft dit mogelijk wel noodzakelijk en geldt dat hiervoor ruimte is in de bestaande openbare ruimte. Het gepresenteerde stedenbouwkundig plan sorteert voor op de verwachting dat bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen de gemeente Bernheze nieuw parkeerbeleid heeft vastgesteld met lagere parkeernormen. Met de normen uit het nieuwe

9

parkeerbeleid is het mogelijk om het parkeren op de hiervoor beschreven manier te realiseren. Mocht onverhoopt het nieuwe parkeerbeleid niet worden vastgesteld, zal de parkeersituatie op een andere manier moeten worden opgelost. Daarbij zal het niet mogelijk zijn om al het parkeren op maaiveldniveau op te lossen, waardoor in dit bestemmingsplan de mogelijkheid wordt geboden om een ondergrondse/halfverdiepte parkeervoorziening onder het appartementengebouw te realiseren. Het appartementengebouw zal dan wat hoger komen te liggen en een maximum bouwhoogte van 11,7 meter hebben. De bergingen en scootmobielruimtes zullen dan ook halfverdiept gerealiseerd worden, waardoor de verwachting is dat een groter deel van het appartementengebouw uit twee bouwlagen zal bestaan. Het parkeren op het binnenterrein van het appartementengebouw zal dan komen te vervallen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt middels sloop-nieuwbouw een woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt, die qua aard en schaal aansluit bij de omgeving. Het gebied krijgt daardoor een kwaliteitsimpuls. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling ruimtelijk en functioneel gezien past binnen de kenmerken en karakteristieken zoals die in het plangebied en haar omgeving voorkomen.

10

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het plangebied centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. Verouderde bebouwing wordt herontwikkeld ten behoeve van maximaal 77 nieuwbouwwoningen in verschillende typologieën, waarbij aandacht is voor betaalbaarheid, levensloopbestendigheid en duurzaamheid. Daarbij is aansluiting gezocht met de kenmerken en karakteristieken van de omgeving, zoals beschreven in paragraaf 2.2.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

11

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte Toetsing Het plangebied bevindt zich in het radarverstoringsgebied van de Vliegbasis Volkel. Omwille van het ongestoord functioneren van radar- en communicatieapparatuur op de vliegbasis is er rond de vliegbasis een cirkel met een straal van 15 nautische mijl (= 27,8 km), gemeten vanaf de positie van de radar, een radarverstoringsgebied opgenomen. Binnen dit radarverstoringsgebied dient voor ieder obstakel, hoger dan 65 m +NAP, te worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Binnen het plangebied worden geen objecten gerealiseerd met een hoogte boven 65 m +NAP. Daarnaast geldt voor de daaromheen liggende ring uitsluitend bouwhoogtebeperkingen voor windmolens. Het radarverstoringsgebied legt, aangezien er geen bebouwing van deze hoogte mogelijk wordt gemaakt, daarom geen beperkingen op aan bebouwing binnen het plangebied.

Het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel wordt door het plan derhalve niet belemmerd. Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling binnen de gestelde kaders van het Barro past. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan die voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een kern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Voorliggend plan voorziet in de sloop van 34 woningen en de realisatie van maximaal 77 woningen. Dit

12

resulteert in een netto toevoeging van maximaal 43 woningen. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking 1 opgesteld. Uit deze toets wordt geconcludeerd dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Tevens is aangetoond dat deze ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor het verzorgingsgebied. Deze behoefte kan worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Brabantse Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De basisopgave binnen de Omgevingsvisie is het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast bevat de visie ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het gaat om de volgende kernwaarden: − meerwaarde-creatie; − technische en sociale innovatie; − kwaliteit boven kwantiteit; − steeds beter; − proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. Toetsing Met voorliggende ontwikkeling worden twee woonblokken met 34 sociale rijwoningen aan de zuidrand van Heesch gesloopt en vervangen door in totaal 77 nieuwe sociale huurwoningen. De huidige woningen voldoen niet meer aan de eisen en wensen van nu. De herontwikkeling voorziet in een kwaliteitsimpuls, passend binnen de stedenbouwkundige en functionele kenmerken van (de omgeving van) het plangebied. Zo wordt de omgevingskwaliteit ter plaatse verbeterd door meer ruimte voor groen te bieden.

Tevens is de ontwikkeling voorzien in bestaand stedelijk gebied, waardoor aangesloten wordt bij het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Verder levert de herontwikkeling een bijdrage aan de verduurzaming van de bebouwde omgeving door niet duurzame woningen te vervangen met moderne woningen die aan de duurzaamheidseisen van deze tijd voldoen. Zo wordt er onder andere gasloos en levensloopbestendig ontwikkeld. Dit maakt dat voorliggende ontwikkeling aansluit bij de ambities en kernwaarden uit de Brabantse Omgevingsvisie.

1

SAB (2023). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Heesch, D’n Berg. Projectnummer: 210218.01. 11 augustus 2023. 13

3.2.2

Omgevingsverordening Noord-Brabant In de Brabantse Omgevingsvisie hebben provinciale staten de visie op de fysieke leefomgeving verwoord. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn de ambities uit de visie vertaald in regels voor functies en activiteiten in de fysieke leefomgeving. Toetsing Met de beoogde herontwikkeling worden 43 woningen toegevoegd binnen het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied betreft een herstructureringslocatie binnen de bebouwde kom van Heesch, gemeente Bernheze. Nieuwbouw van woningen vindt bij voorkeur plaats binnen het Stedelijk gebied en wordt mogelijk gemaakt op grond van artikel 5.55 van de Omgevingsverordening. De beoogde woningbouw ter plaatse van het plangebied is een passende ontwikkeling binnen de bebouwde kom. Door gebruik te maken van een inbreidingslocatie binnen het Stedelijk gebied, is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Conclusie Voorgenomen plan is in lijn met het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Bernheze 2040 De Omgevingsvisie Bernheze 2040 is de integrale visie op de fysieke leefomgeving van de gemeente. De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. In deze uitwerking worden de opgaven naar ambities en doelen vertaald. De vijf thema’s zijn: 1 Gezonde leefomgeving 2 Leefbare kernen 3 Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit 4 Vitale en duurzame landbouw en economie 5 Kwaliteit landschap en erfgoed Toetsing Met de beoogde herontwikkeling wordt ingespeeld op het thema ‘leefbare kernen’. De gemeente wil leefbare kernen creëren, waar het fijn wonen is met een goede leeftijd mix aan mensen. De gemeente wil dit doen door innovatief, groen en compact te bouwen en te ondernemen. De kernen staan voor een forse opgave en om in het grote woningtekort te voorzien, heeft de gemeente in de woondeal een enorme bouwopgave afgesproken. Betaalbare en duurzame woningen zijn de uitdaging, zeker met het oog op dat meer huishoudens uit minder personen bestaan. Tegelijkertijd moet worden geanticipeerd op demografische veranderingen, zoals de sterke vergrijzing in de plattelandsgebieden. De gemeente wil daarnaast ook de identiteit en het groene karakter van de kernen versterken. Veranderingen moeten hieraan bijdragen. De gemeente wil voor woningbouwopgaven inbreiden, maar niet ten koste van de identiteit en het groen.

Daar waar niet voldoende tempo gemaakt kan worden in het bouwen, wordt uitgeweken naar de kernranden. Gezondheid, groen, klimaat, landschap, bodem en water zij sturend voor het bepalen van de locatie en de inrichting.

14

Met de beoogde herontwikkeling wordt gebruik gemaakt van een inbreidingslocatie. Ingespeeld wordt op de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte. Daarmee wordt bijgedragen aan de ambities en doelen zoals gesteld in de gemeentelijke omgevingsvisie. 3.3.2

Woonvisie 2022-2026 De gemeenteraad van de gemeente Bernheze heeft op 16 december 2021 de Woonvisie 2022-2026 vastgesteld. Met deze visie werkt de gemeente aan de ambitie dat iedereen goed moet kunnen wonen binnen de gemeente. ‘Samen door’ speelt hierbij een belangrijke rol, dit betekent dat in het algemeen de gemeente haar doelen samen met de gemeenteraad, burgers, ondernemers en maatschappelijke partners wil bereiken. Specifiek voor wonen betekent dat onder andere: − woningbouw betaalbaar, duurzaam, genoeg en passend bij de vraag; − voortzetten actief woningbouwbeleid; − blijven bouwen in alle kernen; − speciale aandacht voor senioren op de woningmarkt, door bestaande woningen levensloopgeschikt te maken; − inzetten op de realisatie van betaalbare en ook levensloopbestendige huur- en koopwoningen. Betaalbaarheid van woningen is één van de belangrijkste aandachtspunten.

Hiermee bedienen we starters, jonge gezinnen en senioren; − gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de leefomgeving en bewust zijn van de mogelijkheden tot verduurzaming (en de eventuele mogelijkheden tot subsidie op dat gebied); − bestaande woningvoorraad verduurzamen; − ruimte voor andere en vernieuwende woningbouwconcepten en woonvormen (‘tiny houses’, flexwoningen, inzet vrijkomende agrarische bestemmingen (VAB’s) of maatschappelijk vastgoed, projecten met vernieuwende aanpak zoals een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) gericht op duurzaamheid, voor ouderen en/of jongeren); − (CPO) en Individueel Particulier Opdrachtgeverschap (IPO) blijven prominent op de agenda; − ruimte voor inbreidings- en uitbreidingslocaties met aandacht voor duurzaamheid en klimaatadaptatie; − aandacht voor bijzondere doelgroepen. We moeten oplossingen vinden voor mensen die echt in de knel zitten en met spoed een woning zoeken; − beschermd wonen en wonen met zorg blijft een belangrijk aandachtspunt, waarbij we ons beleid in overleg met sociale en maatschappelijke partners nader vorm gaan geven. In de komende 10 jaar wil de gemeente Bernheze 1.800 woningen realiseren. Op de korte termijn, de periode tot en met 2026, gaat het om 1.160 woningen. De helft daarvan is beoogd binnen de kern Heesch, namelijk 580 woningen.

In de woonvisie wordt tevens opgemerkt dat de opgave voor sociale huurwoningen voornamelijk ligt binnen de grotere kernen Heesch, Heeschwijk-Dinther en Nistelrode. Daarbij komt dat 20 tot 25 procent van de woningen een levensloopbestendig karakter krijgt.

15

Toetsing Met het onderhavig plan worden middels sloop-nieuwbouw 63 appartementen en 14 rijwoningen mogelijk gemaakt. Met deze herontwikkeling wordt een kwaliteits- en duurzaamheidsimpuls gegeven aan het gebied. Zo wordt een sterk versteende omgeving opnieuw ingericht met veel ruimte voor openbaar groen. De woningen zijn allen in het sociale huursegment beoogd, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de ambitie om de sociale huurvraag zoveel mogelijk in de grote kernen te verzorgen. Verder worden de woningen levensloopbestendig ingericht, waardoor deze tevens geschikt zijn voor senioren. Dit maakt dat het plan voldoet aan de ambities die gesteld zijn de Woonvisie. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

16

4 4.1

Milieu- en omgevingseffecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’.

Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Voor de beoogde woningbouwontwikkeling is gekeken naar de mogelijke milieueffecten. De ontwikkeling wordt gekwalificeerd als de uitwerking van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 77 woningen. Het totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 11.000 m2. Hiermee blijft het plan ver onder de indicatieve drempelwaarden en kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn

17

betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project; − de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling2 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Enkel voor wat betreft archeologie en natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten. Er kan echter worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodem- en asfaltonderzoek3 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat de bovengrond licht verontreinigd is met PCB. In de ondergrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Verder is het grondwater plaatselijk licht verontreinigd met barium. Het asfalt van de Leonardus van Veghelstraat is teerhoudend, maar onder de verharding is geen funderingsmateriaal aangetroffen. Het terrein is daarmee op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Er hoeft voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan geen nadere beschouwing plaats te vinden. Wel stelt het regionale bodembeleid zoals opgenomen in het Nota bodembeheer 2019 - 2024 dat wanneer een bodemonderzoek voor de sloop wordt uitgevoerd er na de sloop in het kader van de bouwaanvraag voor nieuwbouw, een beperkt aanvullend verkennend bodemonderzoek van de bovengrond tot 0,5 m-mv ter plekke van de gesloopte gebouwen dient te worden uitgevoerd. Dit ter controle of additionele bodemverontreiniging als gevolg van de sloopactiviteiten is ontstaan.

Tijdens het aanvullende bovengrond onderzoek dient op asbest te worden onderzocht vanwege de sterk verweerde asbestverdachte golfplaten op de daken van de verschillende bijgebouwen. Wanneer er toch sprake is van de aanleg van een parkeergarage onder het appartementengebouw dan dient op de grond die daarbij vrijkomt een in situ partijkeuring

2

SAB (2023). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Heesch D’n Berg. Projectnummer: 210218.01. 11 augustus 2023.

3

De Klinker (2023). Verkennend bodem- en asfaltonderzoek. Bouwplan Heesch. Rapportnummer: K2320182. 28 augustus 2023. 18

AP04 inclusief PFAS te worden uitgevoerd. Dit om de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond te bepalen. Het aanvullend bovengrondonderzoek kan eventueel worden gecombineerd met de in situ partijkeuring en zal te zijner tijd uitgevoerd worden. Via een voorwaardelijke verplichting is vastgelegd dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw moet worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Op deze manier is de uitvoering van het aanvullend bovengrondonderzoek juridisch-planologisch geborgd. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.3

Geluid De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterrein. Toetsing Met voorliggend plan is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. In de omgeving van het plangebied is de gezoneerde 60 km/uur Leliestraat aanwezig. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 4 uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de omliggende 30 km/uur wegen meegenomen. Uit het onderzoek volgt dat er geen overschrijdingen plaats vinden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 53 dB, exclusief aftrek artikel 110g Wgh. Op basis van deze onderzoeksresultaten vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de ontwikkeling en is sprake van een goed woonen leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.4

Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, 4

SAB (2023). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Heesch, D’n Berg. Projectnummer: 210218.01. 25 augustus 2023. 19

uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.

Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 77 woningen mogelijk. Dit is een dusdanig beperkte ontwikkeling waardoor het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Na raadpleging van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) wordt geconcludeerd dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen onder de grenswaarden liggen.

20

Dit is in navolgende tabel en kaarten weergegeven. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM2,5)

Achtergrondconcentratie (2021) 14,0 µg/m3 17,5 µg/m3 10,5 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Stikstofdioxide en fijnstof huidige situatie meetpunt ’t Dorp, Bernheze (Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).

Uitsneden luchtkwaliteit 2021 in en rondom Heesch waarbij het plangebied globaal met een ster is aangeduid. Hieruit volgt dat ter hoogte van het plangebied

geen sprake is van een dreigende overschrijding van de grenswaarden van 40,0 μg/m3 bij NO2 en PM10 en 25,0 μg/m3 bij PM2,5. (bron: Atlas Leefomgeving)

De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

21

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) 5 als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied ligt aan de zuidrand van de kern Heesch waar de woonfunctie overheersend is. Tevens ligt het plangebied niet direct aan hoofdinfrastructuur. Om die reden is het plangebied, op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, aan te merken als een 'rustige woonwijk’. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan leidt tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. In het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Er hoeft daarom niet onderzocht te worden of de functie in het plangebied hinder veroorzaakt voor omliggende functies. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld. Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? In de directe omgeving (200 meter) is een aantal hinderveroorzakende functies aanwezig. Het gaat om een voetbalvereniging en een tweetal nutsvoorzieningen. Uit navolgende tabel volgt dat voldaan kan worden aan de richtafstanden voor deze functies.

Daarom wordt aangenomen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied en dat omliggende functies niet in hun functioneren worden geschaad door de ontwikkeling.

5

VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 22

Bestemming Bedrijf

Bedrijf

Sport

Omschrijving VNG

Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: - < 10 MVA Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: - < 10 MVA Veldsportcomplex (met verlichting)

Richtafstanden in meters (rustige woonwijk)

Gemeten Afstand

Geur 0

Stof 0

Geluid 30

Gevaar 10

± 70 m

0

0

30

10

± 100 m

0

0

50

0

± 70 m

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.6

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing De dichtstbijzijnde veehouderij is gevestigd op het adres Grolderseweg 9 en ligt op circa 650 meter afstand van het plangebied. Tussen de veehouderij en het plangebied zijn reeds geurgevoelige objecten aanwezig, waardoor de ontwikkeling geen invloed heeft op de vergunde en planologische rechten van de veehouderij. Verder is op navolgende afbeelding te zien dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een ‘goed’ tot ‘zeer goed’ omgevingsklimaat wat betreft het aspect geur. Op basis van deze uitgangspunten zijn er ook geen negatieve effecten te verwachten vanuit het perspectief van volksgezondheid in relatie tot veehouderijen.

23

Achtergrondbelasting geur juni 2023 met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (bron: odzob).

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

4.7

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Algemeen Besmetting kan optreden door inademing van besmet stof van stallen, weilanden, ruwe wol en dierenhuiden, door direct contact met besmette dieren en door het nuttigen van besmette rauwe melk of onvoldoende verhit besmet vlees. Met name het verwaaien van ingedroogde en op weilanden uitgereden mest zou zorgen voor verspreiding van bacteriën naar de mens. Het ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid heeft, vooruitlopend op een landelijk toetsingskader, de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld. Toetsing Aan de hand van het stappenplan 2.0 uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is beoordeeld of nadere advisering van de GGD wenselijk is. 1 Endotoxine ‘richtafstand’ tussen veehouderij en plangebied Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld op sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen (200 meter) en pluimveehouderijen (500 meter). Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

24

2 Toename emissie voor geur, fijnstof of ammoniak De ontwikkeling betreft de sloop van bestaande woningen en de bouw van nieuwe woningen. Als gevolg van deze ontwikkeling is geen sprake van emissie voor geur, fijnstof en ammoniak. 3 Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan De te realiseren woningen liggen in de bebouwde kom van Heesch. Er is ter plaatse geen sprake van een overbelasting wat betreft geur. Het leefklimaat ter plaatse als gevolg van de achtergrondbelasting kan als ‘goed’ tot ‘zeer goed’ worden geschouwd. 4 Aanwezige diersoorten binnen een veehouderij In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen. 5 Afstanden veehouderijen In een straal van 2 kilometer zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Er zijn eveneens geen pluimveebedrijven binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied terug te vinden. Tot slot zijn er ook geen andere veehouderijen op een afstand van 250 meter aanwezig. 6 Mestbe- of verwerking Er is in de omgeving van het plangebied geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 7 Ongerustheid bij omwonenden Uit de klachtenregistratie van de gemeente is geen ongerustheid aanwezig/bekend. Op basis van de toets aan het stappenplan wordt geconcludeerd dat nabij het plangebied geen veehouderijen zijn gelegen die zorgen voor een verhoogd gezondheidsrisico.

Een nadere advisering van de GGD is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.8

Spuitzones Algemeen Bij woningbouwontwikkelingen geldt dat rekening moet worden gehouden met spuitzones als gevolg van de teelt van gewassen (akkerbouw, fruiteelt e.d.). Dit is een zone die moet worden aangehouden ten opzichte van de gronden waarop gewassen worden gehouden en waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze zone is bedoeld om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen voor gevoelige functies en om de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf niet te beperken. De omvang van deze spuitzones is niet wettelijk verankerd, maar uit jurisprudentie is een vuistregel gegroeid, dat een afstand van minimaal 50 meter moet worden aangehouden tussen de agrarische gronden met open teelten en de gevoelige functie.

25

Toetsing In de directe omgeving van het plangebied zijn geen agrarische gronden aanwezig. De richtafstanden die bij een spuitzonering horen worden gerespecteerd, waardoor geen belemmeringen vanwege de spuitzonering verwacht hoeven te worden. Conclusie Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.9

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: − Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). − Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). − Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe

26

veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer groepsrisico verantwoorden? Bron Wanneer groepsrisicoverantwoording? Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen (Bevb) Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording dient een toelichting te worden gegeven op artikel 12 lid 1 onder a, b, f en g van het Bevb. Weg, spoorweg of Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk bebinnenwater (Bevt) sluit wordt genomen.

Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz. Toetsing Dit plan voorziet in de toevoeging van nieuwe kwetsbare objecten. Raadpleging van de Signaleringskaart EV wijst uit dat in de omgeving van het plangebied meerdere risicobronnen aanwezig zijn. Het gaat om twee LPG-tankstations, Rijksweg A59, A50 knooppunt Paalgraven-Zeeland en spoortraject ‘s -Hertogenbosch-Nijmegen. Het LPG-tankstation aan ’t Dorp is echter in de huidige situatie niet meer aanwezig. Het plangebied ligt verder buiten het invloedsgebied van het andere tankstation en de Rijksweg A59.

27

Uitsnede Signaleringskaart EV (locatie rood gemarkeerd) (Bron: ODBN).

Het plangebied ligt op circa 3,2 kilometer afstand van knooppunt Paalgraven-Zeeland. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GT4 vervoerd. GT4 heeft een invloedsgebied van > 4.000 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van een toxisch scenario. Het spoortraject ‘s-HertogenboschNijmegen (traject 64B.1) ligt op circa 3,7 km afstand. Over dit spoortraject worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie D4 (zeer giftige vloeistoffen) vervoer. D4 heeft een invloedsgebied van > 4.000 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan ook hier worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Deze is navolgend gegeven.

28

Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: − goed te alarmeren is: In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. − goed te schuilen is: Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie.

Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden.

29

− goed te ontvluchten is: Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De Veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=6cbaa4d2-6fd3-47be-b5a3-d662078cff4b