CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA Sint Servatiusstraat - Balledonk Heeswijk-Dinther - Archeologisch vooronderzoek

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Bindend advies BOPA Sint Servatiusstraat - Balledonk Heeswijk-Dinther *6.691 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase

Sint Servatiusstraat , Heeswijk-Dinther Gemeente Bernheze B&G rapport 851

Colofon Projectnummer Auteur(s) Redactie Versie Status

16850809/38054 Drs. N.C.F. Groot, Dr. A.W.E. Wilbers Dr. A.W.E. Wilbers 1.4 Definitief

Autorisatie Dr. A.W.E. Wilbers Goedkeuring Drs. Anne-Marie Visser

Opdrachtgever

Senior Prospector

16-12-2009

Monumentenhuis Brabant te Geertruidenberg

04-02-2010

Croonen Adviseurs Stefan van Kessel Postbus 435 5240 AK Rosmalen

© Becker & Van de Graaf bv Noordwijk, februari 2009 ISSN 1879-3711 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

SAMENVATTING: In opdracht van Croonen Adviseurs heeft archeologisch adviesbureau Becker & Van de Graaf bv in december 2009 een archeologisch bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase uitgevoerd aan de St. Servatiusstraat, gemeente Bernheze. Bernheze is gelegen in een landschap van dekzandruggen. De regio is bewoonbaar geweest vanaf het einde van de laatste ijstijd, het Laat-Paleolithicum. Een vuurstenen bijl uit het Neolithicum en aardewerk en munten uit de Romeinse tijd wijzen op menselijke aanwezigheid/bewoning voorafgaand aan de stichting van de dorpen Heeswijk en Dinther. Vanaf de Middeleeuwen is het oorspronkelijke maaiveld door bemesting opgehoogd, zodat rond het dorp voornamelijk hoge enkeerdgronden aanwezig zijn. Het oppervlak daterend van voor het ontstaan van het plaggendek, is derhalve afgedekt. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden in het plangebied archeologische waarden vanaf het Laat-Paleolithicum verwacht. Deze kunnen worden aangetroffen aan de basis van het plaggendek en in de top van de C-horizont, vanaf tenminste 50 cm beneden maaiveld. Direct vanaf het maaiveld kunnen eventueel resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. e Op de beschikbare historische kaarten uit de 19 eeuw zijn echter geen aanwijzingen te vinden dat het plangebied bebouwd is geweest.

Het is zeer waarschijnlijk dat het plangebied in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd tot aan de jaren ’20 van de vorige eeuw een agrarische functie had. Het booronderzoek heeft aangetoond dat de bodemopbouw verstoord is tussen 105 tot 180 cm onder het maaiveld. Op basis van de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te (laten) voeren.

INHOUDSOPGAVE:

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ............................................................... 4 1. INLEIDING ........................................................................................................................................ 5

1.1. Aanleiding ............................................................................................................................... 5 1.2. Doel- en vraagstelling van het onderzoek............................................................................... 5 1.3. Ligging van het plangebied ..................................................................................................... 5 2. BUREAUONDERZOEK .................................................................................................................... 7

2.1. Werkwijze ................................................................................................................................ 7 2.2. Geologie, geomorfologie en bodem ........................................................................................ 7 2.3. Bekende archeologische waarden .......................................................................................... 8 2.4. Historisch landgebruik ............................................................................................................. 9 2.5. Conclusie bureauonderzoek en verwachtingmodel .............................................................. 10 3. VELDONDERZOEK ........................................................................................................................ 11

3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet ........................................................................ 11 3.2. Werkwijze .............................................................................................................................. 11 3.3. Resultaten ............................................................................................................................. 11 3.4. Interpretatie ........................................................................................................................... 12 4. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 13

4.1 Beantwoording vraagstelling .................................................................................................. 13 4.2. Aanbevelingen ...................................................................................................................... 13 4.3. Betrouwbaarheid ................................................................................................................... 14 LITERATUUR EN KAARTEN ............................................................................................................. 15 LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN .................................................................................. 16

BIJLAGEN 1. Topografische kaart 2. Archis-informatie 3. Overzicht Archismeldingen 4. Boorlocatiekaart 5. Boorbeschrijvingen 6. Periodentabel 7. Historische kaart 1811-1832 8. Historische kaart 1899 9. Historische kaart 1956

Administratieve gegevens van het plangebied Toponiem

Sint Servatiusstraat

CIS-code

38054

Plaats

Heeswijk-Dinther

Gemeente

Bernheze

Kadastrale aanduiding

Heeswijk sectie C 5250; 4486; 3931; 3439; 2513; 2606; 5573

Provincie

Noord-Brabant

Coördinaten Centrum Hoekpunten

161027/406675 (Centrum) 160977/ 406725 (NW); 161087/406686 (NO); 161069/ 406624 (ZO); 161027/ 406668(ZW) 2

Oppervlakte plangebied

6000 m

Opdrachtgever

Croonen Adviseurs Contactpersoon: S. van Kessel Postbus 435 5240 AK Rosmalen Tel: 073-5233999

Uitvoerder

Becker & Van de Graaf bv Contactpersoon: dr. A.W.E. Wilbers Postbus 126 2200 AC Noordwijk (ZH) Tel: 071-3326888 e-mail: awilbers@beckerenvandegraaf.nl

Bevoegde overheid

Gemeente Bernheze Tom Langendijk De Misse 6 Postbus 19 5384 ZG Heesch t.langendijk@bernheze.org

Beheer en plaats van documentatie

Becker & Van de Graaf, Noordwijk

Uitvoeringsdatum veldwerk

1-12-2009

4

1. Inleiding 1.1. Aanleiding In opdracht van Croonen Adviseurs heeft archeologisch onderzoeksbureau Becker & Van de Graaf bv in december 2009 een archeologisch bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) verkennende fase door middel van boringen uitgevoerd aan de St. Servatiusstraat in HeeswijkDinther, gemeente Bernheze. De aanleiding voor dit onderzoek is de voorgenomen herinrichting van het perceel (realisatie tot nieuwbouw) en het vigerende gemeentelijk overheidsbeleid. Het initiatief heeft betrekking tot het bouwen van een supermarkt met twee woonlagen en parkeerkelder. Graafwerkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling zullen zorgen voor een bodemverstoring tot een diepte van maximaal 2,5 m beneden maaiveld. De kans bestaat dat eventueel aanwezige 1 archeologische waarden hierdoor verstoord dan wel vernietigd zullen worden. 1.2. Doel- en vraagstelling van het onderzoek De doelstelling van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Hieruit voortvloeiend wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het doel van het veldonderzoek is het aanvullen en vaststellen van de gespecificeerde verwachting, die gebaseerd is op het bureauonderzoek.

Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. Om deze doelstelling te kunnen realiseren, wordt op de volgende vragen een antwoord gegeven (Den Engel 2009): •

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?

•

Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?

•

Zijn er archeologische waarden aanwezig in het plangebied?

•

Wat is de diepteligging van eventueel aanwezige archeologische resten?

•

Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?

•

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden?

Het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.1 (Centraal College van Deskundigen 2006). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar bijlage 6. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van afkortingen en begrippen). 1.3. Ligging van het plangebied De ligging van het onderzochte gebied, ofwel het plangebied, is globaal weergegeven in bijlage 1. Het plangebied ligt in Heeswijk-Dinther, ten zuidoosten van de kruising van vier straten, nl. de Hoofdstraat, St. Servatiusstraat, Droevendaal en Plein 1969. De exacte ligging en contouren van het plangebied zijn weergegeven in bijlage 4. Ten tijde van het veldonderzoek kende het plangebied

1

Vooralsnog zijn de directe en indirecte verstoring van eventuele archeologische waarden door heiwerkzaamheden onduidelijk. Derhalve wordt verstoring door heiwerkzaamheden buiten beschouwing gelaten.

5

verschillende typen gebruik. Het noordoostelijk deel was in gebruik als klein plantsoen. Zowel ten zuiden als van ten oosten van dit plantsoen lagen twee terreinen braak. Verder oostelijk van het plantsoen was een deel in gebruik als woongebied met een huis en een tuin. Zowel ten oosten als ten zuidenoosten van dit laatste perceel is een supermarkt met bijbehorende bestrate parkeergelegenheid gesitueerd.

6

2. Bureauonderzoek 2.1. Werkwijze Er is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie NoordBrabant en van de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) en het Archeologisch Informatie Systeem (Archis II) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Aanvullende historische informatie is verkregen uit beschikbaar historisch kaartmateriaal, waaronder het e Minuutplan van begin 19 eeuw (watwaswaar.nl) en een topografische kaart van 1900 (Uitgeverij Nieuwland 2005). Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en de geomorfologische kaarten van Nederland gebruikt (Stichting voor Bodemkartering 1982; Stichting voor Bodemkartering/Rijks Geologische Dienst 1982). Voor informatie over het reliëf in en rondom het plangebied is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN; www.ahn.nl). Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit beschikbare achtergrondliteratuur (zie literatuurlijst). Er is voor het onderzoek geen gebruik gemaakt van historisch archiefmateriaal of luchtfoto’s. 2.2. Geologie, geomorfologie en bodem 2.2.1. Ontstaansgeschiedenis landschap Het gebied van Heeswijk is gelegen in de Roerdal Slenk, ook wel de Centrale Slenk genoemd.

De Roerdal Slenk is een laaggelegen gebied in Noord-Brabant dat gesitueerd is tussen de Peelhorst of Peelrandbreuk (grofweg de lijn Roermond-Deurne-Uden-Lith) en de Kempenhorst (grofweg de lijn Luyksgestel-Gilze en Rijen-Oosterhout). Tektonische krachten hebben deze Centrale Slenk gevormd, waarbij de aangrenzende horsten omhoog werden gedrukt, terwijl tegelijkertijd het tussenliggende gebied (de slenk) daalde (Berendsen 2005, De Mulder et al. 2003). De slenk is sinds het VroegTertiair (ongeveer 65 miljoen jaar geleden) opgevuld met een pakket, voornamelijk riviersediment, van 1400 meter dik. Vanaf ongeveer het Midden-Pleistoceen (ongeveer 850.000 jaar geleden) stroomden de Rijn en Maas niet meer door de Roerdal Slenk en kon er, voornamelijk door de wind, een pakket terrestrisch sediment worden afgezet van ongeveer 35 meter dik (Schokker 2003). De bovenste meters van dit pakket bestaat voornamelijk uit door de wind meegevoerde (eolische) zanden en welke hier zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (120.000 tot 10.000 jaar geleden). De afzetting van deze dekzanden ging in verschillende fases, waarbij in tijden van verminderde aanvoer 2 bodemvorming kon optreden.

In de periode tussen ongeveer 40.000 en 30.000 jaar geleden (een minder koude periode van het Weichselien, Hengelo en Denekamp interstadialen) was in grote delen van de slenk een vochtig open landschap aanwezig met permafrost condities en hier en daar ondiep open water. In deze situatie werd zelfs het fijnste door de wind verplaatste materiaal ingevangen en ontstond een één tot twee meter dikke laag leem. Deze leemlaag staat bekend als het laagpakket van Liempde (onderdeel van de formatie van Boxtel; zie Schokker 2003; Schokker et al. 2003) maar wordt 3 ook wel Brabants leem genoemd. Tussen 30.000 en 10.000 jaar geleden is er op de leemlagen, in verschillende fases, nog een dik pakket dekzand afgezet. Daarnaast komen in de slenk kleine beekdalen voor waarin kleiige sedimenten werden afgezet of soms veenvorming optrad.

2

Een voorbeeld hiervan is de zogenaamde laag van Usselo, een bodem die is gevormd gedurende het Allerød, een warmere periode tussen 12.000 en 11.000 jaar geleden. 3 De term Brabants leem wordt algemeen gebruikt om ondiepe voorkomens van een pakket leem in de Brabantse dekzanden aan te duiden, ongeacht of deze van eolische, fluviatiele, lacustriene of mariene oorsprong zijn.

7

Vooral in de laatste fases van het Weichselien (Vroege- en Late-Dryas) is het dekzand opgeblazen in grote zuidwest – noordoost lopende dekzandruggen (Berendsen 2005). Gedurende het Holoceen is lokaal op deze dekzandruggen het zand door ontbossing weer mobiel geworden en zijn uitgestrekte stuifzandgebieden ontstaan (Berendsen 2005, Mulder et al. 2003).

2.2.2. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied in zijn geheel in bebouwd gebied waardoor geen accurate beschrijving van de landschappelijke eenheid gegeven kan worden. Extrapolerend op basis van de landschappelijke eenheid welke direct ten zuiden aan het plangebied grenst en zich ten westen en oosten van Heeswijk en Dinther uitstrekt kan worden aangenomen dat het plangebied gesitueerd is op een dekzandrug, al dan niet met een oud landbouwdek. Een dekzandrug met al dan niet een oud landbouwdek is een terreinverheffing met een flauwe helling, die grotendeels onder arctische omstandigheden door de wind is gevormd en waar later door de mens vruchtbaar materiaal is opgebracht om de akkeropbrengsten te verbeteren. Archeologische onderzoeken in de zandgebieden van Nederland hebben uitgewezen dat dekzandkopjes en –ruggen, met name in de nabijheid van stromend water, een aantrekkelijke locatie vormden voor menselijke bewoning. Hierop is bewoning mogelijk vanaf het Laat-Paleolithicum.

2.2.3. Bodem Volgens de bodemkaart ligt het westelijke vijfde deel van het plangebied in bebouwd gebied en hierom was accurate beschrijving niet mogelijk. De rest van het plangebied ligt op een hoge zwarte enkeerdgrond, van leemarm en zwak lemig fijn zand met grondwatertrap VII. Enkeerdgronden zijn gronden met een onvergraven humeuze bovengrond die dikker is dan 50 cm. Een dergelijk (opgebracht) humeus dek wordt ook wel een plaggendek genoemd. Dit dek is ontstaan door het langdurig bemesten van arme zandgronden met potstalmest, bestaande uit een mengsel van plaggen, dierenmest en huisafval. Door deze methode bleef een akker in deze nutriëntarme e omgeving langdurig vruchtbaar. Deze methode werd in hoofdzaak toegepast vanaf de 13 eeuw en in e sommige gevallen reeds vanaf de 11 eeuw. Door de continue bemesting raakte de omgeving rondom de akkers ontgrond, terwijl het akkercomplex zelf tot een meter of meer verhoogd kon raken. Grondwatertrap VII wil zeggen dat het grondwater in de zomer dieper dan 120 cm onder maaiveld ligt en in de winter dieper dan 80 cm onder maaiveld. Dit is een relatief lage waarde en toont aan dat de bodem geschikt is (geweest) voor akkerbouw. Door de lage grondwaterstanden zal de conservering van met name organische resten slecht zijn. 2.3.

Bekende archeologische waarden Het plangebied staat op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden aangegeven als een gebied als deels zijnde bebouwd en deels als een gebied met een hoge trefkans voor archeologische waarden. Deze waardering is gebaseerd op de ligging van het terrein in deels de bebouwde kom, deels op een enkeerdgrond. Om deze redenen heeft het op de CHW van Noord-Brabant deels geen waarde en deels een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde. De classificatie bebouwd wil zeggen dat door menselijke activiteiten zoals woningbouw en de aanleg van riolering de natuurlijke bodem en de grondwaterspiegel grotendeels verstoord zijn en er niet meer op landschappelijke gronden een verwachting kan worden gegeven. De locatie en een overzicht van de hieronder beschreven archeologische gegevens is terug te vinden in bijlagen 2 en 3.

2.3.1. Onderzoeksmeldingen Ten eerste zijn er in het dorp verschillende booronderzoeken uitgevoerd. Ca. 75 m ten noorden van het plangebied is er door Synthegra geboord. De bodemopbouw bleek hier grotendeels verstoord en er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen (onderzoeksmelding 25624). Daarnaast is op een afstand van ca. 675 m naar het noordoosten is door Vestigia een booronderzoek uitgevoerd

8

waarbij aan de oppervlakte Laatmiddeleeuws en Nieuwe tijd aardewerk gevonden werd, maar niet in de boringen zelf (onderzoeksmelding 11343). Hierna is door Archol op hetzelfde terrein een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, waarbij alleen karrensporen uit de Nieuwe tijd en aardewerk uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is gevonden (onderzoeksmelding 13901). De Grontmij heeft op een afstand van ca. 775 m ten noordoosten geboord. Deze locatie bleek compleet verstoord te zijn (onderzoeksmelding 9551). Voor een gebied 175 m ten noorden van het plangebied is een bureauonderzoek verricht door ArchAeo. Op basis van deze studie werd vervolgens boren aangeraden alsmede het bezoeken van het bouwarchief voor verstoringsdieptes van de bestaande bebouwing (onderzoeksmelding 21068).

2.3.2. Waarnemingen Op een afstand van ca. 600 m ten noordoosten van het plangebied ligt een waarneming betreffende een aantal opgravingen door H. Janssen van de gemeente Den Bosch en de plaatselijke heemkundekring op het terrein van het voormalige Huis Ter Wyer. Hier zijn een gracht, waterputten e en twee fases van een groot adellijk huis aangetroffen, gebouwd in fases tussen 1358 en de 17 e eeuw. Het is in de jaren 50 van de 20 eeuw afgebroken (waarneming 43743). Daarnaast zijn veel metaaldetectoronderzoeken en veldkarteringen ten zuiden van het plangebied uitgevoerd door de plaatselijke heemkundekring. Hierbij zijn tussen de loop van het rechtgetrokken riviertje de Aa en de Hoofdstraat/St. Servatiusstraat, op een afstand van ca 600-700 m ten zuiden en zuidoosten van het plangebied, meerdere vondsten gedaan uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Late Middeleeuwen. Deze waarnemingen zijn meestal globaal in een weiland of akker geplaatst. Waarneming 413505 op ca. 600 m ten zuiden betreft aardewerk uit alle perioden tussen de IJzertijd en de late Middeleeuwen, een bronzen IJzertijd fibula en een Neolithische vuurstenen bijl. De andere waarneming op dezelfde plaats (413507) betreft aardewerk uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen, twee zilveren munten uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen en vuursteen uit het Meso- of Neolithicum.

Waarneming 52951 betreft aardewerk uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen, vuurstenen artefacten uit het Mesolithicum of Neolithicum en twee zilveren en bronzen fibula’s uit de Romeinse tijd op ca. 650 m ten zuidwesten van het plangebied. Waarnemingen 43741 en 43742 betreffen twee glazen kralen gedateerd tussen de Bronstijd en de Late Middeleeuwen op ca. 625 m ten zuiden van het plangebied. Ca. 625 m ten zuidoosten van het plangebied zijn meerdere stuks Middeleeuws riembeslag, twee Laatmiddeleeuwse munten, twee bronzen Romeinse fibula’s, een Laatmiddeleeuwse fibula en een glazen La Tené armband gevonden (waarneming 404673). Op dit perceel liggen ook de waarnemingen 44199 (Romeinse munt) en 404388 (negen Romeinse munten). Van dit perceel komt ook een verhaal uit Archis dat iemand een twintigtal Romeinse munten gevonden heeft. De waarde van de munten was niet hoog (assen etc.) waardoor het niet als muntschat geregistreerd is maar eerder als depositie, al dan niet ritueel. 2.4. Historisch landgebruik De planlocatie is gelegen in het dorp Dinther, direct naast de grens met het dorp Heeswijk. Beide dorpen zijn in 1969 samengevoegd, samen met een stukje van de het dorp Loosbroek. Zowel Heeswijk als Dinther zijn gelegen op een grote nw-zo georiënteerde zandrug die ondoorbroken strekt van Veghel tot bijna aan het dorp Middelrode. Hier langs is de grote beek de Aa gesitueerd.

Het wordt aangenomen dat dorpen Dinther en Heeswijk zijn ontstaan in de buurt van een doorwaadbare plaats in de beek. Dinther wordt als nederzetting voor het eerst vermeld in 1139 als Dinthre. De locatie Heeswijk wordt als eerste vermeld door een verwijzing naar het kasteel van Almericus van Heeswijk in 1159. Het dorp Dinther alsmede Heeswijk hebben een lintbebouwing langs de centrale straat die beide dorpen doorsnijdt. De planlocatie is gelegen op ongeveer gelijke afstand, 500 meter, van de dorpskern van Heeswijk en die van Dinther. Uit de historische kaarten (bijlage 6/7) blijkt dat het plangebied tussen 1811-32 en 1916 in gebruik was als bouwland. Pas in 1928 staat de eerste bebouwing vermeld. Dan staan er van links naar rechts twee huizen/boerderijen en een schuur. Deze opstelling blijft gehandhaafd tot en met de kaart van 1978. Op de kaart van 1988 staat alleen het tweede huis in de rij nog vermeld, ten westen

9

hiervan ligt de tuin, ten oosten weiland. Ter plaatse van dit weiland is tegenwoordig een supermarkt met een parkeerplaats aanwezig. 2.5. Conclusie bureauonderzoek en verwachtingmodel Heeswijk-Dinther is gelegen in een landschap van dekzandkoppen. Dit gebied is bewoonbaar geweest vanaf het eind van de laatste ijstijd, het Laat-Paleolithicum. Een vuurstenen bijl uit het Neolithicum en aardewerk en munten uit de Romeinse tijd bewijzen de aanwezigheid van mensen voorafgaand aan de stichting van het middeleeuwse dorp. Vanaf de Middeleeuwen is het oorspronkelijke maaiveld door bemesting opgehoogd, zodat rond het dorp voornamelijk enkeerdgronden aanwezig zijn. Het oppervlak daterend van voor het ontstaan van het plaggendek, is derhalve afgedekt. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat in het plangebied archeologische waarden vanaf het Laat-Paleolithicum kunnen worden aangetroffen aan de basis van het plaggendek, tenminste 50 cm –mv. Direct vanaf het maaiveld kunnen eventueel resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. Vanwege de ligging aan de historische hoofdweg tussen Heeswijk en Dinther is er een kans dat er historische bebouwing aanwezig is. In het gebied tussen de Aa en de St.

Servatiusstraat is meerdere malen IJzertijd en Romeins materiaal gevonden, waardoor tevens het plangebied een kans heeft op laat prehistorische en middeleeuwse bewoning. e

Op de beschikbare historische kaarten uit de 19 eeuw zijn echter geen aanwijzingen te vinden dat het plangebied bebouwd is geweest. Het is zeer waarschijnlijk dat het plangebied in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd tot aan de jaren ’20 van de vorige eeuw een agrarische functie had. Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen is een veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd om de opbouw en intactheid van de bodem na te gaan alsmede de exacte geomorfologische ligging van het plangebied vast te stellen.

10

3. Veldonderzoek 3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is om de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en waar nodig aan te passen. Tijdens het veldonderzoek wordt vastgesteld waar de oorspronkelijke bodemopbouw intact is gebleven en waar niet. Daarnaast wordt vastgesteld of het bodemprofiel en eventuele archeologische indicatoren aanleiding geven te veronderstellen dat archeologische resten aanwezig kunnen zijn in het plangebied. Het veldonderzoek bestaat uitsluitend uit een booronderzoek. Van een veldkartering is afgezien vanwege de bebouwing en tevens dichte begroeiing van het plangebied. 3.2. Werkwijze In het plangebied aan de St. Servatiusstraat zijn 5 boringen gezet (bijlagen 3 en 4). Deze boringen zijn zo goed mogelijk evenredig verdeeld over het plangebied. Drie boringen hadden een diepte van 2,0 m en 2 boringen, ter plaatse van de toekomstige parkeergarage, een diepte van 3,0 meter. Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 10 cm. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) met behulp van een veldcomputer en het programma Boormanager van I.T. Works. De locaties van de boringen (xen y-waarden) zijn ingemeten vanuit de perceelsgrenzen.

De hoogtes van de boringen (z-waarden) zijn bepaald aan de hand van het AHN. De opgeboorde monsters zijn door middel van zeven in het veld onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals aardewerk, baksteen, vuursteen, huttenleem en bot). Hierbij is gebruik gemaakt van een zeef met een maaswijdte van 3 mm. 3.3. Resultaten 3.3.1. Lithologie, geologie en bodemopbouw De bodem in het plangebied bestond uit matig fijn, matig siltig zand wat in deze regio de samenstelling is van het dekzand. In de beide diepe boringen 4 en 5 werd op een diepte vanaf 200 cm onder maaiveld sterk zandige leem aangetroffen (ongeveer 6,0 m NAP). Dit leempakket is waarschijnlijk onderdeel van het Laagpakket van Liempde. In alle boringen was de bodemopbouw van het dekzandpakket ernstig verstoord. Oorspronkelijk zou er volgens het bureauonderzoek hoogst waarschijnlijk een enkeergrond aanwezig zijn geweest, hiervan werden echter niet meer dan verstoorde resten aangetroffen. In boringen 1 en 2 bestond de bovenste 65 tot 80 cm van de bodemopbouw uit opgebracht zand ten behoeve van de aanleg van de parkeerplaats van de supermarkt. Deze opgebrachte zandlagen bevatten stukjes baksteen en beton en hadden een gevlekte kleur.

Onder de opgebrachte lagen was in deze boringen een donkerbruine matig humeuze zandlaag aanwezig (30 tot 35 cm dik)) waarvan wordt aangenomen dat het om een restant van de oorspronkelijke bouwvoor gaat. Deze bouwvoor zal zijn aangebracht toen het terrein nog in gebruik was als akker- of weiland. Ook in deze bouwvoor werden resten van beton aangetroffen waardoor ook deze laag verstoord is. De overgang tussen de oude bouwvoor en de Chorizont (moedermateriaal) was in beide boringen zeer abrupt en daarnaast was in boring 1 ook de Chorizont tot een diepte van 180 cm onder maaiveld gevlekt door vergraving. In boring 2 reikte de verstoring tot de onderzijde van de oude bouwvoor, een diepte van 110 cm. In boringen 3, 4 en 5 was geen ophoogpakket aanwezig maar ook hier was de oorspronkelijke bouwvoor duidelijk verstoord door graafwerkzaamheden. In boring 3 bevatte de humeuze bouwvoor plastic en in boringen 4 en 5 stukjes grind, baksteen en ander puin. Ook bij boringen 3, 4 en in mindere mate 5 was de overgang naar de C-horizont erg abrupt. Daarnaast reikte ook in deze boringen de verstoringen tot ver in de C-horizont, in boring 3 tot 140 cm –mv, in boring 4 tot 150 cm – mv en in boring 5 tot 105 cm –mv.

11

3.3.2. Archeologische indicatoren In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen anders dan welke wijzen op de recente verstoring van de bodemopbouw (baksteen, beton, plastic en dergelijke). 3.4. Interpretatie De bovenste twee meter van de bodemopbouw in het plangebied bestaat uit dekzand waardoor op grond van het bureauonderzoek mag worden aangenomen dat het plangebied op een dekzandrug ligt. Oorspronkelijk zal in het plangebied een enkeerdgrond aanwezig zijn geweest, ontstaan als gevolg van eeuwenlang gebruik als landbouwgrond. Ondanks dat van deze enkeergrond nog wel resten zijn waargenomen, dikke humeuze zandlagen direct op de C-horizont, zijn de bodems in de boringen veelal tot diep in de C-horizont verstoord door recente graafwerkzaamheden. Verstoringsdieptes variëren van 105 cm tot 180 cm –mv, ofwel tot een diepte tussen 7,9 en 6,4 m NAP. Vanwege deze diepe verstoringen mag worden aangenomen dat de kans op intacte archeologische waarden binnen het plangebied zeer klein zijn. De archeologische verwachting voor het plangebied wordt daarom op grond van de bevindingen van het veldonderzoek bijgesteld naar laag.

12

4. Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Croonen Adviseurs zijn in december 2009 een archeologisch bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) (door middel van boringen) uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied aan de St. Servatiusstraat in Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze. Op basis van het bureauonderzoek werd rekening gehouden met mogelijke resten vanaf het LaatPaleolithicum. Het veldonderzoek heeft echter uitgewezen dat de bodems in de boringen veelal tot diep in de C-horizont verstoord zijn door recente graafwerkzaamheden. Vanwege deze diepe verstoringen achten wij dat de kans op het aantreffen van intacte archeologische waarden binnen het plangebied zeer klein. 4.1 Beantwoording vraagstelling •

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?

Heeswijk-Dinther is gelegen in een landschap van dekzandkoppen. Het dorp is zelf gelegen op een lange dekzandrug. Vanaf de Middeleeuwen is het oorspronkelijke maaiveld door bemesting opgehoogd, zodat rond het dorp voornamelijk enkeerdgronden aanwezig zijn. •

Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?

In het plangebied bestaat de bovenste twee meter van de bodemopbouw uit dekzand, wat op grond van het bureauonderzoek mag worden verbonden met een dekzandrug. Ondanks dat van een oorspronkelijk aanwezige enkeergrond nog wel resten zijn waargenomen, nl. dikke humeuze zandlagen direct op de C-horizont, zijn de bodems in de boringen veelal tot diep in de C-horizont verstoord door recente graafwerkzaamheden. De waargenomen verstoringsdieptes variëren van 105 cm tot 180 cm –mv, ofwel tot een diepte tussen 7,9 en 6,4 m NAP. •

Zijn er archeologische waarden aanwezig in het plangebied?

Vanwege deze diepe verstoringen mag worden aangenomen dat de kans op het vinden van intacte archeologische waarden binnen het plangebied zeer klein zijn. •

Wat is de diepteligging van eventueel aanwezige archeologische resten?

Niet van toepassing. •

Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?

Op grond van het landschap alsmede onderzoeksresultaten uit de directe omgeving werd vooraf rekening gehouden met eventuele archeologische resten vanaf het Laat-Paleolithicum. Omdat de bodem tot diep in de C-horizont verstoord is, wordt de archeologische verwachting voor het plangebied bijgesteld naar laag. De kans op het aantreffen van archeologische waarden in situ is derhalve zeer klein. •

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden?

De kans op het aantreffen van intacte archeologische waarden is klein en derhalve leiden graafwerkzaamheden niet tot bedreiging van het bodemarchief. 4.2. Aanbevelingen Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat de bodem van het plangebied verstoord is tot zelfs in de C-horizont. Op basis van de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.

13

NB. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Bernheze. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. Becker & Van de Graaf bv wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. 4.3. Betrouwbaarheid Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet gegarandeerd worden. Indien archeologische waarden worden aangetroffen dienen deze conform de Monumentenwet 1988, artikel 53, bij het Rijk gemeld te worden.

14

Literatuur en kaarten ANWB, 2005: ANWB Topografische Atlas Noord-Brabant 1:25.000, Den Haag. 3

Berendsen, H.J.A., 2005 (1997): Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’s, Assen. Centraal College van Deskundigen, 2006: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.1, Gouda. SIKB, 2008: Archeologische standaard boorbeschrijving, Archeologie Leidraad, Gouda. Engel, H. van den 2009: Plan van aanpak. St. Servatiustraat in Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, Noordwijk (Intern rapport, Becker & Van de Graaf). Mulder, E.F.J. de/ M.C. Geluk/ I.L. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten. Stichting voor Bodemkartering / Rijks Geologische Dienst, 1977: Geomorfologische kaart van Nederland, 1:50.000, 51 Eindhoven, Wageningen / Haarlem. Stichting voor Bodemkartering, 1976: Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, blad 45 Oost ‘sHertogenbosch, Wageningen. Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment. Roer Valley Graben, south-eastern Netherlands. Nederlandse Geografische Studies 314. Schokker, J., H.J.T. Weerts, W.E. Westerhoff, H.J.A. Berendsen & C. den Otter., 2003 Introduction of the Boxtel Formation and implications for the lithostratigraphy of the Netherlands. Submitted to: Netherlands Journal of Geosciences/Geologie en Mijnbouw. Uitgeverij Nieuwland, 2005: Grote Historische topografische Atlas, ± 1905, Noord-brabant, schaal 1:25.000, Tilburg.

www.watwaswaar.nl: Minuutplan 1811-1832, Zuid-Waddinxveen, Zuid-Holland, sectie C, blad 04, (http://www.watwaswaar.nl). www.ahn.nl: De Actuele Hoogtekaart van Nederland, (http://www.ahn.nl/kaart). www.bodemloket.nl

15

Lijst van afkortingen en begrippen Lijst van Afkortingen AHN Actueel Hoogtebestand Nederland AMK Archeologische Monumenten Kaart ARCHIS Archeologisch Informatie Systeem ASB Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode B&W Burgemeester en Wethouders CHW Cultuur-Historische Waardenkaart Fig. Figuur GHG Gemiddeld hoogste grondwaterstand GLG Gemiddeld laagste grondwaterstand IVO Inventariserend Archeologisch Onderzoek IKAW Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie -mv beneden maaiveld (het landoppervlak) NAP Normaal Amsterdams Peil RACM Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (voormalig RACM) SIKB Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer

Verklarende woordenlijst antropogeen

Ten gevolge van menselijk handelen (door mensen veroorzaakt/gemaakt).

ARCHIS-melding

Elke melding bij het centraal informatiesysteem (ARCHIS).

conservering

Mate waarin grondsporen, anorganische en organische archeologische resten bewaard zijn.

dekzand

Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een ‘dek’ (Formatie van Boxtel).

Edelmanboor

Een handboor voor bodemonderzoek.

enkeerdgronden

Dikke laag met donkere, min of meer rulle grond, met organische en anorganische bestanddelen die ontwikkeld is op zandgrond onder invloed van de mens; worden veelal aangetroffen op grote akkergronden.

eolisch

Door de wind gevormd, afgezet.

Holoceen

Jongste geologisch tijdvak dat nog steeds voortduurt (vanaf de laatste IJstijd: ca. 8800 jaar voor Chr.).

horizont

Kenmerkende laag binnen de bodemvorming.

humeus

Organische stoffen bevattend; bestaande uit resten van planten en dieren in de bodem.

ijzeroer

IJzeroxidenhydraat, een ijzererts dat vooral in vlakke landstreken, in dalen en moerassige gebieden op geringe diepte voorkomt.

in situ

Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren.

laag

Een vervolgbare grondeenheid die op archeologische of geologische gronden als eenheid wordt onderscheiden.

leem

Grondsoort die wordt gekenmerkt door een samenstelling van meer dan 50% silt, minder dan 50% zand en minder dan 25% klei

16

lithologie

Wetenschap die zich bezighoudt met de beschrijving en het ontstaan van de sedimentaire gesteenten.

meanderen

(van rivieren of beken) Zich bochtig door het landschap slingeren.

plaggendek

Oud verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemesting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht.

plangebied

gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen

Pleistoceen

Geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende IJstijden). Na de laatste IJstijd begint het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.).

podzol

Bodem met een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag (Bhorizont). Het proces van het uitlogen van de E-horizont en de vorming van een B-horizont door inspoeling van amorfe humus en ijzer wordt podzolering genoemd.

Saalien

Voorlaatste glaciaal, waarin het landijs tot in Nederland doordrong (vorming stuwwallen), ca. 200.00-130.000 jaar geleden.

Weichselien

Geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte), ca. 120.000-10.000 jaar geleden.

17

Bijlage 1: Topografische kaart

Bijlage 1: Topografische kaart

406000

407000

º

0 161000

500 m 162000

Legenda Plangebied

Bijlage 2: Archis-informatie bron: Archis II (RCE).

Archeologische informatie

geraadpleegd via archis2 en de website van de RCE 160000

161000

162000

36367

401980

(

! !45978

405483

11343 13921 25624

407000

407000

9551

43743

! 21068

!

35914

35525 33273 36694 45977 405387 ! ! 11345 34096 13924

38054 413507

52951

! 413505 !

36522 25755 404673

! 404388

412437

43741

! 43742

!

44199 412413

!

412415

!

406000

406000

!!

50364

!5165 160000

Legenda

monumenten

( vondstmeldingen ! waarnemingen Plangebied onderzoeksmeldingen

161000 IKAW

Terrein van archeologische betekenis

lage trefkans (water)

Terrein van archeologische waarde

middelhoge trefkans (water)

Terrein van hoge archeologische waarde

hoge trefkans (water)

Terrein van zeer hoge archeologische waarde

lage trefkans

Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd

water middelhoge trefkans ongekarteerd

0

185

370

740 Meter

hoge trefkans zeer lage trefkans

162000

!

-

Bijlage 3: Overzicht Archismeldingen Waarnemingen Nummer Omschrijving 43741 43742 43743 44199 52951 413505 413507 404388 404673

Glazen kraal Glazen kraal Nederzetting-moated site Munt Aardewerk; vuurstenen artefacten; twee zilveren en bronzen fibula’s Vuurstenen bijl ; Aardewerk; bronzen fibula; Vuursteen; aardewerk; zilveren munten Negen munten; Riembeslag; munten; drie fibula’s; en glazen armband

Tijdvak Bronstijd-Late Middeleeuwen Bronstijd-Late Middeleeuwen Nieuwe tijd Romeins Meso- of Neolithicum; IJzertijd, Romeinse tijd ; Middeleeuwen Neolithicum; IJzertijd tm. de late Middeleeuwen Meso- of Neolithicum; Romeinse tijd; Middeleeuwen Romeins Romeins-Middeleeuwen

Monumenten Nummer Omschrijving 5165 Terrein van hoge archeologische waarde

Onderzoeksmeldingen Nummer Uitvoerder 9551 Grontmij 11343 Vestigia 13901 Archol ArchAeo 21068 25624 Synthegra 36207* Becker & Van de Graaf * dit onderzoek. bron: Archis II (RCE).

Jaar 2005 2001 2005 2007 2007 2009

Tijdvak Vroege-Late Middeleeuwen

Bijlage 4: Boorlocatie-kaart

Bijlage 4: Boorlocatiekaart

º

!

Hoo

fd s tr a a t

5

St .

v at iu

ve n da al

Ser

s s tr

!

aat

41 39A

Dr o e

406700

.

39 4

1

.

3

.

. Balledonk 2

406600

.

0 161000

50 m 161100

Legenda .

Boorpunten Huizen Plangebied

Bijlage 5: Boorbeschrijvingen

Boring:

1

Boring:

2

Boring:

3

Datum:

1-12-2009

Datum:

1-12-2009

Datum:

1-12-2009

X:

161074

X:

161075

X:

161016

Y:

406685

Y:

406648

Y:

406675

Maaiveld [m NAP]:

8,6

Maaiveld [m NAP]:

9

Maaiveld [m NAP]:

7,8

GWS:

180

GWS:

170

GWS:

150

Opmerking:

Opmerking:

cm NAP

0

860

840

Opmerking:

cm NAP

berm Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, donkerbruin, tuinaarde

0

900 890

50

850

Zand, matig fijn, matig siltig, licht geelbruin, omg ro onderin

795

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, sporen beton, donkerbruin, bha

100

760

Zand, matig fijn, matig siltig, geelwit, omg br gevlekt bhc

0

780

Zand, matig fijn, matig siltig, sporen baksteen, zwak betonhoudend, zwak puinhoudend, grijsgeel, omg gevlekt

Zand, matig fijn, matig siltig, donker geelbruin, omg gevlekt

50

cm NAP

berm Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin, tuinaarde

50

820

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donkerbruin, bha 100

690

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, bruin, omg

100 790

670

Zand, matig fijn, matig siltig, sporen roest, licht geeloranje, bhcg

Zand, matig fijn, matig siltig, bruingeel, omg gevlekt

760

150

berm Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, sporen plastic, donkerbruin, omg

150

750

640

Zand, matig fijn, matig siltig, geel, bhc 150

Zand, matig fijn, matig siltig, grijsgeel, bhc

Zand, matig fijn, matig siltig, witgeel, bhc 680

Zand, matig fijn, matig siltig, witgeel, bhc 200

660

590

200

700

200

580

Zand, matig fijn, matig siltig, witgeel

Projectcode: 16850809/38054

Boring:

4

Boring:

5

Datum:

1-12-2009

Datum:

1-12-2009

X:

160973

X:

160989

Y:

406675

Y:

406714

Maaiveld [m NAP]:

7,9

Maaiveld [m NAP]:

8,1

GWS:

160

GWS:

160

Opmerking:

Opmerking:

cm NAP

0

790

cm NAP

braak Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, sporen baksteen, zwak puinhoudend, matig grindhoudend, donkerbruin, opg omg

0

810

gazon Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, donkerbruin, bha

770

50

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak baksteenhoudend, sporen grind, zwak roesthoudend, bruin, omg gevlekt bse

50 730

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, donker bruingrijs, bha

100

100

705

680

Zand, matig fijn, matig siltig, grijswit, bhc ro2 onderaan

Zand, matig fijn, matig siltig, witgeel, omg br gevlekt 660

Zand, matig fijn, matig siltig, sporen grind, grijs, gevlekt 150

640

Zand, matig fijn, matig siltig, geelwit, bhc

150

595

615

Leem, sterk zandig, lichtgrijs

200

Leem, sterk zandig, matig roesthoudend, grijsoranje

200

590

Leem, sterk zandig, grijs, 2 humeuze bandjes

250

250 530

300

510

Projectcode: 16850809/38054

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen

ongeroerd monster

zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

overig bijzonder bestanddeel

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

Legenda afkortingen Archeologische Boorbeschrijving (conform ASB 2008) Percentages en Mediaan Klasse Zandmediaan Uiterst fijn 63-105 µm Zeer fijn 105-150 µm Matig fijn 150-210 µm Matig grof 210-300 µm Zeer grof 300-420 µm Uiterst grof 420-2000 µm Nieuwvormingen (1=spoor, 2=weinig, 3=veel) Afkorting Nieuwvormingen FEC IJzerconcreties FFC Fosfaatconcreties FOV Fosfaatvlekken MNC Mangaanconcreties ROV Roestvlekken VIV Vivianiet VKZ Verkiezeling ZAV Zandverkittingen Bodemkundige interpretaties Code Bodemkundige interpretaties BOD Bodem BOV Bouwvoor ESG Esgrond GLE Gleyhorizont HIN Humusinspoeling INH Inspoelingshorizont KAT Katteklei KBR Klei, brokkelig LOO Loodzand MOE Moedermateriaal OMG Omgewerkte grond OPG Opgebrachte grond OXR Oxidatie-reductiegrens POD Podzol RYP Gerijpt TKL Top kalkloos TRP Terpaarde UIT Uitspoelingshorizont VEN Vegetatieniveau VNG Gelaagd vegetatieniveau VRG Vergraven

Bodemhorizont Code Bodemhorizont BHA A-horizont BHAB BHAC BHAE BHB BHBC BHC BHE BHEB BHO BHR

AB-horizont AC-horizont AE-horizont B-horizont BH-horizont C-horizont E-horizont EB-horizont O-horizont R-horizont

Omschrijving Minerale bovengrond Overgangshorizont Overgangshorizont Overgangshorizont Inspoelingshorizont Overgangshorizont Uitgangsmateriaal Uitspoelingshorizont Overgangshorizont Strooisellaag Vast gesteente

Sedimentaire karakteristiek, laaggrens Afkorting Afmeting Klasse overgangszone BDI ≥ 3,0 - < 10,0 cm Basis diffuus BGE ≥ 0,3 - < 3,0 cm Basis geleidelijk BSE < 0,3 cm Basis scherp Kalkgehalte Code Kalkgehalte CA1 Kalkloos CA2 Kalkarm CA3 kalkrijk Archeologische indicatoren (1=spoor, 2=weinig, 3=veel) Code Omschrijving AWF Aardewerkfragmenten BST Baksteen GLS Glas HKB Houtskoolbrokken HKS Houtskoolspikkels MXX Metaal OXBO Onverbrand bot OXBV Verbrand bot SGK Gebroken kwarts SLA Slakken/sintels SVU Vuursteen SXX Natuursteen VKL Verbrande klei VSR Visresten

Bijlage 6: Periodentabel

Bijlage 7: Historische kaart 1811-1832

Bijlage 7. Kadastrale minuukaart 1811-32

Rev. Datum Naam

Legenda

±

Plangebied

0

Omschrijving

Goed gek.

HvdE Historische situatie

Bron: www.watwaswaar.nl 150 Meter

Schaal

1:5000

Formaat

A4

Bijlage 8: Historische kaart 1899

Bijlage 8. Topografische kaart 1899

Rev. Datum Naam

Legenda

±

Plangebied

0

Omschrijving

Goed gek.

HvdE Historische situatie

Bron: www.watwaswaar.nl 150 Meter

Schaal

1:5000

Formaat

A4

Bijlage 9: Historische kaart 1956

Bijlage 9. Topografische kaart 1956

Rev. Datum Naam

Legenda

±

Plangebied

0

Omschrijving

Goed gek.

HvdE Historische situatie

Bron: www.watwaswaar.nl 150 Meter

Schaal

1:5000

Formaat

A4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=f31f3069-78f0-4c00-86fa-38f4f0ffa6bf