BOPA Sint Servatiusstraat 11-13-15 - BIJLAGE 4.1 - Aanvullend onderzoek vleermuis
Tekst van het document
Aanvullend onderzoek ecologie Sint Servatiusstraat 11-15 te Heeswijk Dinther Aanvullend onderzoek ecologie naar vleermuizen in het kader van de Omgevingswet
Colofon Status:
Definitief
Project:
2024-0618
Datum:
30 oktober 2024
Samensteller:
ing. E. Snoeijink
Collegiale toets:
ing. M. van Rijnen
Opdrachtgever:
Wintraecken Advies
Contactpersoon:
D. Wintraecken
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel
4
1.3
Beschrijving plangebied
5
1.4
Voorgenomen werkzaamheden
6
1.5
Mogelijk aanwezige soorten
6
1.6
Juridisch kader
6
2 Methode onderzoek
8
2.1
Theoretisch kader
8
2.2
Praktische uitvoering
9
2.3
Materialen en aanvullende onderzoeksmethodes
10
2.4
Veldbezoeken
10
2.5
Specifieke omstandigheden
10
3 Resultaten
11
3.1
Vleermuizen
11
3.2
Overige vogelsoorten
12
3.3
Soorten Specifieke zorgplicht
12
3.4
NDFF
12
4 Conclusie
13
4.1
Vleermuizen
13
4.2
Overige vogelsoorten
13
4.3
Soorten Specifieke zorgplicht
13
4.4
Samenvatting
13
4.5
Vervolgstappen
13
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Aan de Sint Servatiusstraat 11-15 te Heeswijk-Dinther (provincie Noord-Brabant) is een woonperceel met een vervallen woning en 5 bijgebouwen gesitueerd (figuur 1.1). De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te slopen ten behoeve van de realisatie van 18 nieuwbouw woningen. Ook wordt de vijver op de planlocatie gedempt.
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Sint Servatiusstraat 11-15 in Heeswijk Dinther.
Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Omgevingswet (Ow) is een quickscan Natuur uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Van Beurden, 2024). Op basis van de quickscan Natuur kon de aanwezigheid van nestlocaties van vleermuisverblijfplaatsen niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Wintraecken Advies heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.
1.2
Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn vleermuizen aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?
4
1.3
Beschrijving plangebied De planlocatie is gelegen aan de Sint Servatiusstraat 11-15 te Heeswijk-Dinther (figuur 1.1 en 1.2). De planlocatie beschikt over 6 gebouwen welke in de beoogde ruimtelijke ingreep worden gesloopt. Hieronder wordt per gebouw een beschrijving gegeven, waarbij de nummering correspondeert uit figuren 1.1. 1.
De woning is opgebouwd uit gemetselde muren met een luchtspouw en een zadeldak bekleed met dakpannen. De woning beschikt niet over een dakbeschot. De woning is in vervallen staat, waarbij delen van het dak zijn ingestort en raamwerk is ingeslagen. 2. De aanbouw is opgebouwd uit bakstenen muren met luchtspouw en een plat bitumen dak. 3. Het bijgebouw is opgebouwd uit bakstenen muren met luchtspouw. Het bijgebouw beschikt over een zadeldak met dakpannen. Er is geen sprake van een dakbeschot. 4. Het bijgebouw bestaat uit bakstenen muren met luchtspouw en een dak met stormpannen. Het bijgebouw beschikt niet over een dakbeschot. 5. Het bijgebouw bestaat uit gemetselde muren met luchtspouw en beschikt over een plat bitumen dak. 6. Het bijgebouw is opgebouwd uit bakstenen muren met een luchtspouw. Het dak beschikt over golfplaten zonder dakbeschot. Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Natuur (Van Beurden, 2024).
Figuur 1.2 De bebouwing in het plangebied betreffen een vervallen woning en 5 bijgebouwen. Alle gebouwen worden in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gesloopt.
5
1.4
Voorgenomen werkzaamheden Wintraecken Advies is voornemens om de bebouwing in het plangebied te slopen ten behoeve van de realisatie van 18 nieuwbouw woningen. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • slopen van 6 gebouwen: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • dempen van vijver: graaf- en dempwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie 18 nieuwbouw woningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
1.5
Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Natuur (Van Beurden, 2024) is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn (tabel 1.1). In tabel 1.2 wordt de potentie naar vleermuissoort en type verblijfplaats gespecificeerd. Tabel 1.1
Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten (Van Beurden, 2024).
Soortgroep
Onderzoek nodig
Bescherming
Mogelijke functie plangebied
Ja
HR
Verblijfplaatsen in gebouwen
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën, reptielen en vissen Insecten en ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
Tabel 1.2
Overzicht van de potentie voor vleermuissoorten en type verblijfplaatsen (Van Beurden, 2024).
Vleermuissoort
1.6
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Juridisch kader De soortenbescherming van het onderdeel Natuur binnen de Omgevingswet valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) en de nationaal beschermde soorten (Bal art. 11.54). De bescherming van de gierzwaluw en huismus valt onder de Vogelrichtlijn. Binnen de Vogelrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen soorten waarvan het leefgebied en de nestplaats jaarrond beschermd zijn en overige broedvogels waarvan de nestplaats en het leefgebied enkel beschermd zijn tijdens de broedperiode. Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden:
6
Ow, art. 5.1 Lid g: Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: een floraen fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt aangewezen welke schadelijke handelingen hiermee worden bedoeld. Bal, art. 11.46 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid b: Het opzettelijk verstoren van dieren als genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; Lid d: Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn.
7
2 Methode onderzoek 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor vleermuizen geldt het meest actuele Vleermuisprotocol (momenteel NGB, 2021) als richtlijn. Blom Ecologie voert de soortgerichte aanvullende onderzoeken uit conform de meest actuele onderzoeksprotocollen en -richtlijnen. De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform het meest actuele Vleermuisprotocol. Tabel 2.1
Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in het meest actuele Vleermuisprotocol.
Soort Cat. 5 vogels Algemene broedvogels
Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen
Type
Periode
Omschrijving De nesten van cat. 5 soorten en andere algemene broedvogels worden meegenomen gedurende de overige veldbezoeken.
Nest
Kraam
15 mei t/m 15 juli
Zomer
15 april t/m 15 aug.
Paar
15 aug. t/m 30 sep.
Minimaal 2 veldbezoeken per type verblijfplaats na zonsondergang of voor zonsopkomst. Veldbezoeken kunnen gecombineerd worden uitgevoerd. Inventariseren van in- en uitvliegende individuen alsmede gedrag indicatief voor een verblijfplaats (o.a. baltsende dieren).
8
2.2 Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoekswijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, aanvullende onderzoeksmethodes. Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen het onderzoeksgebied wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities het onderzoeksgebied (gevels/daken/dakranden met potentie) het meest efficiënt en strategisch kan worden onderzocht. De strategische punten, looproutes en zichtlijnen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van obstructies, struiken/bomen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Tevens zijn deze afhankelijk van de te onderzoeken soortgroep. Binnen de kaders van het Vleermuisprotocol (tabel 2.1) is de onderzoekswijze vormvrij. Afhankelijk van omstandigheden zoals de relatieve potentie, ervaring, moment van onderzoek het aantal onderzoekers, en dergelijke, worden door de diverse onderzoeksbureaus op verschillende wijze onderzoek uitgevoerd. Aangezien de te onderzoeken soorten veelal voorkeur hebben voor bepaalde type verblijfsplaatsen en leefgebied wordt door Blom Ecologie reactief onderzoek uitgevoerd.
Dit type onderzoek houdt vast aan strategische punten, looproutes en zichtlijnen waarbij het geobserveerde gedrag van de te onderzoeken soort en de lokale omstandigheden leidend zijn voor de keuze van de strategische punten of looproute en de verblijfsduur per punt. Middels korte looproutes worden alle potentieel aanwezige verblijfplaatsen in korte tijd bezocht. De strategische punten worden bepaald op locatie voorafgaand aan de start van een onderzoek door een visuele beoordeling op de actuele potentie voor de soort in kwestie. Deze punten kenmerken zich door goed overzicht binnen het onderzoeksgebied en zicht op zoveel mogelijk potentiële in- of uitvliegopeningen. Het aanvullend onderzoek vleermuizen wordt uitgevoerd door een combinatie van strategische punten en looproutes. Tijdens het eerste veldbezoek (zowel in het voorjaar als najaar) worden strategische punten ingenomen. Op het moment dat er sprake is van uitvliegende vleermuizen beweegt de onderzoeker zich in tegenovergestelde richting (dus de vleermuis tegemoet) naar het volgende strategische punt om zo een eventueel tweede of daaropvolgende uitvliegend individu, en uiteindelijk zo mogelijk de kolonieverblijfplaats, te lokaliseren. Hierbij blijft de nadruk op de woningen die binnen het plangebied vallen.
De blik van de onderzoeker blijft constant op de te onderzoeken gevels om mogelijk uitvliegende individuen te kunnen waarnemen. Tijdens de vervolgonderzoeken wordt per veldbezoek strategische punten ingenomen waar op dat moment de hoogste trefkans is, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van de waarnemingen die gedurende eerdere veldbezoeken zijn gedaan. Voor alle onderzoeken geldt dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden. Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en andere omstandigheden. Het aantal factoren dat bepaalt waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route zijn niet of nauwelijks definieerbaar. De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van het meest actuele Vleermuisprotocol, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment. De personele inzet van ieder veldbezoek is afhankelijk van het type onderzoek, de ervaring van de waarnemers en de potentie van het plangebied.
Alle veldwerkers van Blom Ecologie zijn bedreven en ervaren in onderzoeken in urbaan gebied. Het onderzoek is er niet op gericht om met volledige zekerheid alle mogelijke nesten en/of verblijfplaatsen te vinden of de aanwezigheid hiervan volledig uit te sluiten. Hiervoor zou een onderzoeksinspanning geleverd moeten worden die de onderzoeksprotocollen ver overstijgt. Van de geleverde onderzoeksinspanning wordt beoordeeld dat deze voldoende is zoals dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer gevraagd kan worden. Met het uitgevoerde onderzoek worden derhalve resultaten geleverd die een goed beeld bieden van de aantallen individuen en de actieve nesten en/of verblijfplaatsen op die momenten binnen het onderzoeksgebied. 9
Naast het uitgevoerde veldonderzoek wordt ook het eerder uitgevoerde bureauonderzoek geactualiseerd. Hiervoor wordt de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opnieuw geraadpleegd om te checken of externe personen of partijen waarnemingen hebben gedaan die relevant zijn in voorliggend project. Hiervoor wordt een check gedaan op waarnemingen die relevant zijn in kader van de beoogde ruimtelijke ingreep wat betreft locatie (binnen circa 100 m van de planlocatie) en soortgroepen. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d. 25 oktober 2024.
2.3 Materialen en aanvullende onderzoeksmethodes Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een batdetector, type Petterson D-200x/D-240x. Deze type zijn heterodyne en D-240x heeft een time expansion functie. De time expansion functie maakt het mogelijk de geluidopnames te vertragen waardoor nauwkeurige analyse van de hoogfrequent geluiden uitgevoerd kunnen worden. Geluidswaarnemingen zijn eventueel opgenomen met een opnameapparaat, bijvoorbeeld Roland type R-07 of een Batlogger type M. Indien inventarisatie in het veld niet mogelijk was zijn geluiden geanalyseerd met behulp van de Elekon software BatExplorer versie 2.2 of recenter. De data die wordt verzameld in het soortgericht aanvullend onderzoek wordt ingevoerd en opgeslagen in de VeldwerkApp, een applicatie die Blom Ecologie specifiek voor dit type onderzoeken heeft laten ontwikkelen. In de VeldwerkApp worden de omstandigheden van het veldbezoek, beeldmateriaal en onderzoeksresultaten in een hoog detailniveau verwerkt. De onderzoekers hebben ook direct toegang tot de resultaten van eerdere veldbezoeken om eerder gedane (onzekere) waarnemingen te kunnen valideren.
2.4 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie of externe ter zake deskundig ecologen onder verantwoordelijkheid van Blom Ecologie. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabel (tabel 2.2). Tabel 2.2
Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek.
Veldbezoek
Functie
Vleermuis 1
Kraam + zomer
Vleermuis 2
Aantal
Datum
Zon
Tijd
Weersomstandigheden
1
23-05-2024
21:36
21:30-00:15
7/8, droog, 1 Bft, 17˚C
Kraam + zomer
1
31-05-2024
05:27
02:20-05:35
3/8, droog, 1 Bft, 13˚C
Vleermuis 3
Kraam + zomer
1
27-06-2024
22:01
21:50-00:40
6/8, droog, 1 Bft, 21˚C
Vleermuis 4
Paar
1
22-08-2024
20:48
22:55-01:10
6/8, droog, 2 Bft, 20˚C
Vleermuis 5
Paar
1
12-09-2024
20:01
21:10-23:20
3/8, droog, 2 Bft, 10˚C
pers.
2.5 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten en Vleermuisprotocol. Tijdens het onderzoek was er, voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan, geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.
10
3 Resultaten 3.1
Vleermuizen Tijdens de onderzoeksrondes zijn in totaal een tweetal soorten waargenomen in het onderzoeksgebied (tabel 3.1). Waargenomen soorten betreffen de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De meest waargenomen soort betrof de gewone dwergvleermuis. Tabel 3.1
Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken in het onderzoeksgebied.
Veldbezoek
Vleermuis 1
Vleermuis 2 Vleermuis 3 Vleermuis 4 Vleermuis 5
Soort
Aantal individuen
Gedrag en verblijfplaatsen
Gewone dwergvleermuis
4
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
10
Overvliegend
Laatvlieger
3
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
2
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
3
Overvliegend
Laatvlieger
1
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
3
Overvliegend
Laatvlieger
1
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
1
Overvliegend
Gedurende het vleermuisonderzoek zijn geen vleermuisverblijfplaatsen vastgesteld. Gedurende het vleermuisonderzoek is geen essentiële vliegroute en/of essentieel foerageergebied vastgesteld. Op basis van het vleermuisonderzoek wordt de bomenlaan ten zuidoosten en de boom op de planlocatie frequent gebruikt als foerageergebied. Verder zijn er meerdere vleermuizen waargenomen die van het noorden van de planlocatie naar het zuiden overvliegen (figuur 3.1). Op basis van het aantal waargenomen individuen is de aanwezigheid van een veel gebruikte vliegroute uitgesloten. De werkzaamheden hebben geen invloed op een mogelijke vliegroute (Van Beurden, 2024). De resultaten van het vleermuisonderzoek onderschrijven deze beoordeling.
11
Figuur 3.1 Overzicht van het foerageergebied en de vliegroute op de planlocatie.
3.2 Overige vogelsoorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. De volgende vogelsoorten zijn gedurende de veldbezoeken waargenomen: houtduif, merel, roodborst en zanglijster. Deze waarnemingen bestaan uit overvliegende, rustende of foeragerende vogels. Er zijn geen nesten of verblijfplaatsen van deze soorten waargenomen. De locatie van nesten kan van jaar tot jaar verschillen, waardoor de aanwezigheid van algemene broedvogels voor komende jaren niet kan worden uitgesloten. Nesten van algemene broedvogels zijn beschermd gedurende het broedseizoen. Het broedseizoen loopt indicatief van 15 maart t/m 15 juli. Werkzaamheden die mogelijk nesten van algemene broedvogels aantasten dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. In het plangebied is geen sprake van nesten van cat. 5 vogels die worden weggenomen.
3.3 Soorten Specifieke zorgplicht Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op aanwijzingen van aanwezigheid van soorten op de planlocatie welke vallen onder de Specifieke zorgplicht. Dit betreffen Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten. Tijdens de uitgevoerde onderzoeken zijn geen soorten aangetroffen welke vallen onder de Specifieke zorgplicht.
3.4 NDFF Tijdens het raadplegen van de NDFF (2019-2024) zijn geen waarnemingen aangetroffen die aanvullend zijn op voorliggende onderzoeksresultaten en relevant zijn binnen voorliggend project.
12
4 Conclusie 4.1
Vleermuizen In de periode mei-september 2024 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied aan de Sint Servatiusstraat 11-15 te Heeswijk Dinther. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn op de planlocatie geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tevens maakt het plangebied (in beperkte mate) onderdeel uit van het leefgebied, maar is er geen sprake van het wegnemen van essentiële onderdelen van het leefgebied. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een schadelijke handeling als bedoeld onder Bal artikel 11.37 lid b (verstoren vleermuizen) en lid d (wegnemen verblijfplaatsen).
4.2 Overige vogelsoorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in het plangebied. Er zijn geen nesten van vogelsoorten aangetroffen binnen het plangebied. Er is voor cat. 5 vogelsoorten geen sprake van nestlocaties en derhalve ook geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om schadelijke handelingen te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
4.3 Soorten Specifieke zorgplicht Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op aanwijzingen van aanwezigheid van soorten op de planlocatie welke vallen onder de Specifieke zorgplicht. Dit betreffen Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten. Tijdens de uitgevoerde onderzoeken zijn geen soorten aangetroffen welke vallen onder de Specifieke zorgplicht. Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.
4.4 Samenvatting Er zijn geen nestlocaties of vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen in het onderzoeksgebied.
4.5 Vervolgstappen Voor de uitvoering van de ingreep is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig (tabel 4.1). Er gelden in het kader van Omgevingswet onderdeel natuur geen verdere vervolgstappen.
13
Bronvermelding Van Beurden, B.P.G., 2024. Quickscan Natuur Sint Servatiusstraat 11-15 te Heeswijk-Dinther. Oriënterend onderzoek in het kader van de Omgevingswet. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. NGB, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, 2021. Vleermuisprotocol, versie januari 2021.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
14
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 15