BOPA De La Sallestraat 10 Heesch - Bijlage 4 Ecologische Quickscan Omgevingswet
Tekst van het document
Voor de actieve soortbescherming is afstemming met andere provincies noodzakelijk zodat nationale doelstellingen kunnen worden bereikt. Vogellijst Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd in het kader van de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 Bal). De nesten van vogels zijn beschermd als ze door de vogels in gebruik zijn, zowel in als buiten de gangbare broedperiode (15 maart tot 15 juli). De meeste vogels maken elk jaar een nieuw nest of zijn in staat een nieuw nest te maken. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd waardoor de verbodsbepalingen van artikel 11.37 Bal het gehele jaar van toepassing zijn (zie Kader 6, Jaarrond beschermde vogelnesten en Tabel 2). De wetgever verstaat onder verblijfplaatsen
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.
5
van vogels ook nesten en holtes waar de vogels ook buiten de broedtijd regelmatig verblijven alsmede essentiële rustlocaties.
• • • •
Uitzetten dieren Voor de soorten die vallen onder de beschermingsregimes van artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 Bal geldt dat er vergunning kan worden verleend voor het overtreden van de verbodsbepaling “vangen”. Dit kan noodzakelijk zijn wanneer voor een bepaalde ingreep de aanwezige beschermde soorten uit het plangebied verwijderd moeten worden teneinde het doden of verwonden van de soorten te voorkomen. Wanneer de soorten buiten het betreffende aaneengesloten leefgebied uitgezet worden zal mogelijk ook een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden voor artikel 11.61, lid 1 Bal: het verbod om zonder omgevingsvergunning dieren of eieren van dieren uit te zetten. Wanneer er sprake is van een verplaatsing op korte afstand binnen het leefgebied van de betreffende soort dan is het aanvragen van een vergunning niet noodzakelijk.
Beschermde houtopstanden Het onderdeel Houtopstanden is beschreven in Afdeling 11.3 van het Bal. In artikel 11.111 Bal zijn de bepalingen met betrekking tot het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden opgenomen. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder dit tenminste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor de kap te melden bij het bevoegd gezag. Een houtopstand wordt in de wet gedefinieerd als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dezelfde grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Wanneer de herbeplanting na 3 jaar niet succesvol is moet de beplanting die niet is aangeslagen vervangen worden. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op • houtopstanden die een totale oppervlakte hebben van minder dan 1000 vierkante meter; • rijbeplantingen die bestaan uit 20 of minder bomen;
• •
• •
•
houtopstanden op erven of in tuinen; fruit, noten of vruchtbomen; windschermen om boomgaarden; naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen; kweekgoed; beplantingen van wilgen of populieren langs (water-)wegen of in een enkele rij geplant langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand ter bevordering van de overblijvende houtopstand; Beplantingen bestaande uit populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa. op houtopstanden die binnen de bebouwingscontour houtkap vallen.
De provincie kan maatwerkregels opstellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer middels een maatwerkvoorschrift van de herbeplantingsplicht kan worden afgeweken. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Omgevingswet beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Waar de grens van deze contour ligt wordt door de gemeente vastgelegd in het omgevingsplan. Binnen de bebouwingscontour houtkap geldt meestal een kapverbod op grond van de algemene plaatselijke verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan
Vergunning, gedragscode of vrijstelling Het is mogelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen voor een flora- en fauna-activiteit waarbij verbodsartikelen worden overtreden met betrekking tot beschermde soorten. Er kan alleen een vergunning verleend worden als er aan drie criteria is voldaan: • Er is geen alternatieve bevredigende oplossing mogelijk; • Er moet sprake zijn van een wettelijk belang behorend bij het artikel dat overtreden wordt;
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.
6
• Er mag geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de populatie plaatsvinden. Gedragscode Het is niet altijd nodig om een omgevingsvergunning aan te vragen wanneer er gevolgen voor beschermde planten- en diersoorten optreden. Er zijn verschillende soorten vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk onder de Omgevingswet. Er hoeft geen vergunning aangevraagd te worden indien strikt en aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode (Artikel 11.45, 11.53 en 11.59 Bal). Een gedragscode geeft aan op welke wijze een initiatiefnemer flora- en fauna-activiteiten of activiteiten met betrekking tot houtopstanden uit kan voeren zonder negatieve effecten op (beschermde) soorten of natuurwaarden. Bij de uitvoer van flora- en fauna-activiteiten waarbij er gebruikt gemaakt wordt van een gedragscode geldt een meldingsplicht bij de provincie waar de werkzaamheden uitgevoerd worden. Op de website van RVO is een overzicht van alle goedgekeurde gedragscodes te vinden. Alle onder de Wet natuurbescherming goedgekeurde gedragscodes blijven geldig onder de Omgevingswet en zullen t.z.t. worden omgezet zodat ze voldoen aan de beleidseisen van de Omgevingswet. Vrijstelling Naast de gedragscode is ook een vrijstelling van de vergunningsplicht mogelijk onder een programma of omgevingsverordening.
Ook in de omgevingsregeling (Or) staan vrijstellingen vermeld. Onder bepaalde voorwaarden hoeft voor de uitvoer van bepaalde activiteiten dan geen omgevingsvergunning aangevraagd te worden.
Een programma wordt vastgesteld door een gemeente, waterschap, provincie of het Rijk, samen met het gezag dat normaliter de omgevingsvergunning voor de betreffende flora en fauna activiteit zou verlenen. Een vrijstelling onder een programma kan betrekking hebben op: • De inrichting, gebruik, beheer en instandhouding van een Natura 2000-gebied. • Het verminderen van de belasting die schadelijke factoren hebben op Natura 2000-gebieden. • Het versterken van populaties, habitats van soorten of het ontwikkelen of beschermen van natuurlijke habitats zowel binnen als buiten Natura 2000 (bijvoorbeeld een soortenmanagementplan). De omgevingsverordening wordt vastgesteld door provincies en bevat alle regels voor de fysieke leefomgeving. Een omgevingsverordening kan bijvoorbeeld een vrijstelling bevatten voor schade of overlast veroorzakende dieren die niet in de omgevingsregeling vermeld staan. De omgevingsregeling bevat de regels voor het bestrijden van een aantal specifieke schadeveroorzakende soorten door grondgebruikers die niet opgenomen zijn in de omgevingsverordening.
Daarnaast is in deze regeling een vrijstelling (artikel 4.31 Or) opgenomen om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren in het kader van: • bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; • bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw; • bestendig gebruik; of • ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden inclusief het gebruik van dit gebied. Deze vrijstelling geldt enkel voor een beperkt aantal soorten van artikel 11.54 Bal. Zie Tabel 3 voor een overzicht voor de vrijgestelde soorten per provincie. Wanneer er gewerkt wordt onder bovengenoemde vrijstelling(en) geldt nog altijd dat de zorgplicht onverminderd van kracht blijft.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.
7