CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA De La Sallestraat 10 Heesch - Bijlage 4 Ecologische Quickscan Omgevingswet

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 9 september 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Bindend advies BOPA De La Sallestraat 10 in Heesch9.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

© 2024 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87

Btwnr

NL 820598215B01

IBAN

NL46 TRIO 0198 4486 00

Tekst: Veldonderzoek: Foto’s: Foto voorblad:

De La Sallestraat 10 achterkant gebouw

Projectnummer: Wijze van citeren:

2024-080

In opdracht van: Contactpersoon:

Kragten

Datum: Ondertekening: Paraaf:

3 mei 2024

2024. Ecologische Quickscan Omgevingswet. De La Sallestraat Heesch. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2024-080.

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

Inhoud

1

2

3

Aanleiding ..................................................... 1

6.1

Gebiedsbescherming .................................. 15

1.1

Situatie .......................................................... 1

6.2

Houtopstanden ........................................... 15

1.2

Beschrijving van het plangebied ................... 1

6.3

Soortbescherming ...................................... 15

1.3

Probleemstelling ........................................... 1

6.3.1

Maatregelen soortbescherming ........ 15

1.4

Geldigheid onderzoek ................................... 2

6.3.2

Nader onderzoek beschermde soorten 17

Onderzoeksmethode ...................................... 5 2.1

Literatuuronderzoek ..................................... 5

7

2.2

Veldonderzoek .............................................. 5

Bijlage A. Wettelijk kader .......................................1

2.3

Effectenanalyse ............................................. 5

Omgevingswet........................................................ 1

Gebiedsbescherming ...................................... 6

Zorgplicht ............................................................... 1

3.1

Natura 2000-gebieden .................................. 6

Literatuurlijst ............................................... 18

Specifieke zorgplicht Natura 2000 (artikel 11.6 Bal) ..................................................................... 2

3.1.1

Effectbeoordeling Natura 2000 ........... 6

3.1.2

Conclusie Natura 2000 ......................... 7

Specifieke zorgplicht Flora- en fauna-activiteit (artikel 11.27 Bal) ............................................... 2

Natuurnetwerk Brabant (NNB) ..................... 7

Natura 2000-gebieden ........................................... 2

Conclusie NNB .................................................... 7

Voortoets ........................................................... 2

4

Houtopstanden .............................................. 8

Passende beoordeling ........................................ 3

5

Soortbescherming .......................................... 9

ADC-toets ........................................................... 3

3.2

5.1

Vaatplanten................................................... 9

Soortbescherming .................................................. 3

5.2

Grondgebonden zoogdieren ......................... 9

Vogelrichtlijn (artikel 11.37, lid 1 Bal) ................ 3

5.3

Vleermuizen ................................................ 10

Habitatrichtlijn (artikel 11.46, lid 1 Bal) ............. 4

5.3.1 5.4

Effectbeoordeling vleermuizen.......... 11

Andere soorten (artikel 11.54, lid 1 Bal) ............ 5

Vogels.......................................................... 11

Actieve soortbescherming ................................. 5

5.4.1

6

Effectbeoordeling vogels ................... 12

Vogellijst ............................................................. 5

5.5

Vissen .......................................................... 12

Uitzetten dieren ..................................................... 6

5.6

Amfibieën .................................................... 13

Beschermde houtopstanden .................................. 6

5.7

Reptielen ..................................................... 13

Vergunning, gedragscode of vrijstelling ................. 6

5.8

Ongewervelden ........................................... 13

Gedragscode ...................................................... 7

5.9

Rode Lijst en HR Bijlage II & V ..................... 13

Vrijstelling........................................................... 7

Vervolgstappen ............................................ 15

Natuurnetwerk Nederland (NNN) .......................... 8

1 Aanleiding

1.1

Situatie

Kragten heeft opdracht gekregen voor het opstellen van het TAM-IMRO omgevingsplan voor de locatie De La Sallestraat 10 Heesch. Het voornemen bestaat om de bestaande bebouwing te verbouwen en nieuw aanbouwen te realiseren. Daarnaast wordt de tuin opnieuw ingericht. Deze activiteit heeft mogelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten en is daarom een flora- en fauna-activiteit. Daarbij is er ook kans op het overtreden van verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde dieren en planten. Daarnaast kan de activiteit een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en is dan een Natura 2000activiteit. Ook kunnen er effecten zijn op het Natuurnetwerk Nederland en op beschermde houtopstanden. In Bijlage A vindt u meer informatie over de Omgevingswet. Voorafgaand aan de activiteit is een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijke voorkomen van beschermde natuurwaarden middels een Ecologische Quickscan Omgevingswet (Quickscan). Het doel van dit onderzoek is om te onderzoeken of door de activiteit en de werkzaamheden die in dat kader worden uitgevoerd een overtreding van de Omgevingswet kan worden verwacht. En zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn om de activiteit in overeenstemming met de huidige wet- en regelgeving uit te voeren? In onderliggend rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toetsing beschreven.

1.2

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied bestaat uit de tuin en de huidige bebouwing op het perceel aan de De La Sallestraat 10 te Heesch.

In Figuur 1.1 en Afbeelding 1.1 t/m 1.12 is een impressie weergegeven van het plangebied en de directe omgeving.

1.3

Probleemstelling

Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of vergunningsaanvraag in het kader van de Omgevingswet geeft een Ecologische Quickscan antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten en is een Voortoets noodzakelijk? • Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland te verwachten en is een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk? Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten1 en/of beschermde functies van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen activiteit en de in dat kader benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen middels preventieve maatregelen? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk nader onderzoek naar beschermde soorten uit te voeren? Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande activiteit in overeenstemming met de Omgevingswet uit te voeren

1

Beschermde soorten: alle onder de Omgevingswet beschermde soorten in de provincie Noord-Brabant.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

1

voor wat betreft het aspect natuur. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de activiteit in overeenstemming met de Omgevingswet uit te voeren?

1.4

Geldigheid onderzoek

Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve

veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. Dit rapport gaat in op de effecten van de activiteit zoals beschreven in paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de activiteit kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden. Soms is de precieze uitvoering van de werkzaamheden ten tijde van de Quickscan nog niet bekend en wordt daarom gewerkt met verschillende scenario’s waarbij de effecten op bepaalde soorten of gebieden kunnen variëren.

Figuur 1.1 | Plangebied en omgeving.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

2

Afbeelding 1.1 | Tuin met gazon en enkele struiken.

Afbeelding 1.2 | Tuin met verharding.

Afbeelding 1.3 | Potentiële vleermuisverblijfplaats.

Afbeelding 1.4 | Tuin met verharding.

Afbeelding 1.5 | Dak huis met onder dakpannen potentie voor huismussen.

Afbeelding 1.6 | Spleet met een potentiele vleermuisverblijfplaats.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

3

Afbeelding 1.7 | Voorkant gebouw net buiten plangebied

Afbeelding 1.8 | Voorkant gebouw

Afbeelding 1.9 | Groene tuin met een grote boom waarin broedvogels kunnen nestelen.

Afbeelding 1.10 | Groene tuin met veel struikgen.

Afbeelding 1.11 | Stootvoeg met toegang tot spouw, potentiële verblijfplaats voor vleermuizen.

Afbeelding 1.12 | Achterkant gebouw.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

4

2 Onderzoeksmethode

De onderzoeksvragen worden beantwoord door het doen van literatuur- en veldonderzoek. Vervolgens wordt een toetsing uitgevoerd aan de natuur gerelateerde bepalingen in de Omgevingswet. Er wordt gekeken naar het voorkomen van beschermde soorten en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden of houtopstanden. Vervolgens wordt gekeken of de voorgenomen activiteit negatieve gevolgen op deze soorten, natuurgebieden of houtopstanden veroorzaakt. Het uitvoeren van de Quickscan is gedaan door een ecologisch deskundige2 die specifieke ervaring heeft met dit type onderzoeksgebied. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.

2.1

Literatuuronderzoek

Voor het literatuuronderzoek naar beschermde gebieden, soorten en houtopstanden is o.a. gebruik gemaakt van informatiebronnen beschikbaar gesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Provinciale Omgevingsvisie. Daarnaast zijn verspreidingsgegevens uit het archief van Bureau Viridis, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt van minimaal de laatste 10 jaar. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 7. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten. Daarnaast is ook specifiek literatuuronderzoek verricht naar het voorkomen van soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn en Rode-Lijstsoorten. Voor literatuuronderzoek naar houtopstanden is gebruik gemaakt van bestaande digitale kaarten van de bebouwingscontour houtkap van de betreffende gemeente. 2

Zoals bedoeld in Art. 7.197j lid 2a van de Or, d.w.z. een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring, die ecologisch advies versterkt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van situaties, habitats en soorten.

2.2

Veldonderzoek

Bureau Viridis heeft op 10-04-2024 een veldbezoek uitgevoerd. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is. Tijdens het onderzoek is de relevante directe omgeving van het plangebied eveneens onderzocht op de potentie voor beschermde soorten. Op deze manier zijn de uitstralingseffecten van de activiteit bepaald. Naast beschermde soorten is er ook specifiek gelet op soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn, RodeLijstsoorten en de aanwezigheid van geschikt habitat voor te verwachten soorten van deze lijsten binnen het plangebied. Tot slot is tijdens het veldbezoek ook aandacht uitgegaan naar invasieve exoten3. Het veldbezoek kan ook worden beschouwd als eerste veldbezoek in het kader van aanvullend onderzoek naar de huismus.

2.3

Effectenanalyse

De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de activiteit mogelijk verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in de voorliggende rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen (preventie) of verzachten (mitigatie). Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft, wordt dit aangeven in de toetsing.

3

Invasieve exoten zijn uitheemse soorten die schadelijk zijn voor inheemse natuur. Dit betreffen zowel soorten die opgenomen zijn in de EU-exotenverordening (Unielijst) als andere invasieve soorten zoals Japanse duizendknoop en watercrassula.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

5

3 Gebiedsbescherming

In dit hoofdstuk wordt bescherming van gebieden – namelijk, Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland – welke voor een initiatiefnemer van belang is behandeld. Bescherming van deze gebieden is geregeld in de Omgevingswet, echter zijn Natura 2000-gebieden vanuit het Rijk vastgesteld en NNN door de provincie in de Provinciale Structuurvisie.

kunnen zijn. In deze toetsing worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op een afstand van 13 kilometer (Figuur 3.1).

Naast de gebiedsbescherming geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.2 Omgevingswet) voor de gehele fysieke leefomgeving. Ook de niet-beschermde gebieden vallen hier dus onder. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Bij elke project dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht, zie ook Bijlage A.

3.1.1 Effectbeoordeling Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is geen sprake. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie.

3.1

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Hierbij zijn er specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd per gebied. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kunnen mogelijk leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer dergelijke effecten mogelijk kunnen worden verwacht, dient door middel van een Voortoets op voorhand getoetst te worden wat de effecten van een project tijdens de uitvoerfase en gebruiksfase zijn op de ter plaatse aangewezen habitattypen en -soorten. Indien het niet mogelijk is om significante negatieve effecten op voorhand uit te sluiten is er sprake van een vergunningsplicht en moet een ‘Passende beoordeling’ uitgevoerd worden. Dit is afhankelijk van of de plannen wel of niet van significant negatieve invloed

4

ECLI:NL:RVS:2022:3159

Na de tussenuitspraak van de Raad van State van 2 november 20224 inzake het Porthos-project is de partiële bouwvrijstelling, welke van kracht was sinds juli 2021, komen te vervallen. Op 16 augustus 20235 heeft de Raad van State geoordeeld dat het Porthos-project wél doorgang kan vinden omdat significante gevolgen van de depositie van stikstof kunnen worden uitgesloten. In één provincie (Noord-Brabant) is inmiddels een bouwvrijstelling weer in werking getreden, onder de voorwaarden dat er geen sprake is van depositie in de gebruiksfase en dat het onderbouwd is met een voldoende gedegen ecologische Voortoets waarin rekening is gehouden met specifieke lokale omstandigheden. In de andere provincies geldt dit vooralsnog niet. Voor voorliggend project geldt dat een toename van de stikstofdepositie op voorhand is uit te sluiten. De verkeerstoename na ingebruikname van de nieuwe bebouwing is uiterst minimaal en de afstand tot Natura 2000-gebieden zodanig groot, dat geen effecten zijn te verwachten.

5 ECLI:NL:RVS:2023:3129

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

6

3.1.2 Conclusie Natura 2000 Het is niet noodzakelijk om een Voortoets in het kader van het Natura 2000-gebied Rijntakken en Bossche Broek uit te voeren.

3.2

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Het NNB is een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de aangewezen gebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNB. De planologische verankering van het NNB vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Een ‘Nee, tenzij’-

toets dient te worden uitgevoerd wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het NNB plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden en/of een bestemmingsplanwijziging moet worden doorgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden als gevolg van de voorgenomen maatregelen. Conclusie NNB Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’toets niet nodig omdat de gebieden die onder het NNB vallen buiten de invloedssferen van de werkzaamheden liggen (Figuur 3.1).

Figuur 3.1 | Ligging van het plangebied (pijl) ten opzichte van beschermde gebieden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

7

4 Houtopstanden

In de Omgevingswet is de bescherming van houtopstanden opgenomen. Voor bepaalde houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving) geldt een meldings- en herplantingsplicht. Een houtopstand is beschermd als het een eenheid van bomen of struiken betreft met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit voorafgaand te melden bij de provincie. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. De bovenstaande bescherming geldt echter niet voor houtopstanden op erven of in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstboom, kweekgoed, bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en houtopstanden binnen de - bij besluit van de gemeenteraad - vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden bovenstaande regels niet.

De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer een afwijking van de herbeplantingsplicht wordt toegestaan middels een maatwerkvoorschrift. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Omgevingswet beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Waar de grens van de “bebouwingscontour houtkap” ligt wordt bepaald door de gemeenteraad. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan. Binnen het plangebied worden geen houtopstanden geveld en daarom geldt voor dit project geen meldings- of herbeplantingsplicht

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

8

5 Soortbescherming

Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 11.37 Bal); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal); • Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande activiteit. Dit houdt onder andere verband met de bescherming van nesten, verblijfplaatsen, voortplantingsbiotoop en een verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor beschermde soorten en gebieden is er ook een specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) die naast beschermde soorten ook geldt voor Rode-Lijstsoorten en soorten van de bijlage II en V van de Habitatrichtlijn. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van schade aan in het wild levende soorten.

In de paragrafen over specifieke soortgroepen worden enkel de strikt beschermde soorten besproken, soorten die onder deze specifieke zorgplicht vallen worden in paragraaf 5.9 Rode Lijst en HR Bijlage II & V behandeld. Soorten die zowel strikt beschermd zijn als onder de specifieke zorgplicht vallen worden enkel in paragraaf 5.9 behandeld wanneer de bescherming van habitat niet onder de soortbescherming al geborgd is (algemene broedvogels). Hieronder worden de resultaten van het literatuur- en veldonderzoek per soortgroep besproken. Voor elke soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder wordt beschreven of er negatieve effecten op beschermde soorten worden verwacht en of er, indien van toepassing, preventieve maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.

5.1

Vaatplanten

Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde vaatplanten in de omgeving bekend te zijn: Kartuizer Anjer (Dianthus carthusianorum), Kluwenklokje (Campanula glomerata). Kartuizeranjer is bekend op een agrarisch perceel op circa één km afstand van het plangebied. Hoogstwaarschijnlijk is de soort hier aangeplant of verwilderd, aangezien deze plant maar enkele groeiplaatsen in Nederland heeft ver van Heesch vandaan. Daarnaast komt kartuizeranjer voornamelijk voor op schraal grasland en kalkgrasland. Het plangebied bevat echter een voedselrijk gazon en daarom geen geschikte standplaats voor deze soort. Het voorkomen van Kartuizeranjer binnen het plangebied kan daarom uitgesloten worden. Kluwenklokje komt voor in een woonwijk in Oss op drie km afstand van het plangebied. Net zoals kartuizeranjer is deze plant hoogstwaarschijnlijk aangeplant. Van nature komt deze plant voor in Zuid-Limburg en het rivierengebied, elders is deze plant aangeplant of verwilderd. Op basis van de natuurlijke verspreiding van deze soort kan het natuurlijk voorkomen binnen het plangebied worden uitgesloten. →

5.2

In het plangebied komen geen beschermde vaatplanten voor.

Grondgebonden zoogdieren

Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren in de omgeving bekend te zijn: Eekhoorn (Sciurus vulgaris), Steenmarter (Martes foina). Daarnaast is er een aantal beschermde soorten die provinciaal zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen, namelijk bosmuis (Apodemus sylvaticus) en egel (Erinaceus europaeus). Hiervoor kan mogelijk wel de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal) gelden, zie hiervoor paragraaf 5.9. Eekhoorn komt voor in de zuidelijke helft van Heesch grenzend aan een bomenpark en houtwallen in

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

9

agrarisch gebied. Het plangebied heeft te weinig oppervlakte en er is onvoldoende aansluiting op het leefgebied van de soort. Aanwezigheid van verblijfplaatsen binnen het plangebied is daarom uit te sluiten. Steenmarter is in de afgelopen 10 jaar één keer waargenomen in Heesch. Hoewel binnen het plangebied enkele bomen en struiken staan, is binnen de ondergroei onvoldoende dekking aanwezig voor de steenmarter. Wegens het ontbreken van boomholten, dekking en rommelhoekjes kunnen verblijfplaatsen van de steenmarter worden uitgesloten. Het plangebied vormt daarom geen essentieel leefgebied, de soort zal zich alleen incidenteel via het plangebied verplaatsen. →

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis zijn vleermuissoorten die doorgaans in gebouwen verblijven. Franjestaart zit doorgaans in bomen maar wordt incidenteel ook in gebouwen aangetroffen. Binnen het plangebied zijn gebouwen aanwezig met een spouw en stootvoegen die toegang geven tot deze spouw (Afbeelding 5.1). Daarnaast zijn enkele kieren aanwezig rond bijvoorbeeld dakgoten en houten onderdelen van de constructie. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en franjestaart kunnen daarom niet worden uitgesloten in het plangebied.

In het plangebied komen geen beschermde grondgebonden zoogdieren voor.

5.3

Vleermuizen

Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde vleermuizen in de omgeving bekend te zijn: Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), Laatvlieger (Eptesicus serotinus), Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), franjestaart (Myotis nattereri). Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Er zijn vleermuizen die hun verblijfplaats doorgaans in gebouwen hebben, zoals gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die hun verblijfplaats meestal in bomen hebben, zoals rosse vleermuis en watervleermuis. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomeren winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.), terwijl een soort als de rosse vleermuis jaarrond verblijft in bomen (in holten, spleten en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders, maar verblijft in de zomerperiode in boomholten. Vleermuizen hebben in Nederland meestal hun verblijfplaats in gebouwen of bomen. Binnen het plangebied en de directe omgeving van het plangebied zijn zowel gebouwen als bomen aanwezig.

Afbeelding 5.1 | Stootvoeg met toegang tot de spouw.

Franjestaart en gewone grootoorvleermuis zijn vleermuissoorten die naast in gebouwen ook in bomen verblijven. In het plangebied zijn verschillende bomen geinspecteerd op de aanwezigheid van geschikte holtes, spleten en loszittend schors. Hierbij zijn geen potentiele verblijfplaatsen aangetroffen, waardoor verblijfplaatsen in bomen binnen het plangebied uitgesloten kunnen worden. De bomen hoeven daarom niet onderzocht worden op vleermuizen. →

In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in de spouw, tussen betimmering en onder de dakpannen van het gebouw aanwezig.

Vliegroutes en foerageergebied Vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen worden niet in directe zin door de wet beschermd. Echter zijn zij wel van belang voor het functioneren van verblijfplaatsen; het verdwijnen van vliegroutes en foerageergebied kan daardoor indirect resulteren in het

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

10

verlaten van verblijfplaatsen. Wanneer deze functies van groot belang zijn voor vleermuizen, of zij niet makkelijk gebruik kunnen maken van gebieden met eenzelfde functie (alternatieven) spreken we van essentiele vliegroutes of essentieel foerageergebied. Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen, worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid. Hoewel het plangebied lijnvormig is, staat het plangebied in een woonwijk vol met lijnvormige structuren. Daarnaast blijft ook de structuur van het pand zelf bestaan. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Het is uitgesloten dat er essentieel foerageergebied aanwezig is in het plangebied. In de omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de tuinen en het gemeentelijke groen rondom het plangebied. →

Het plangebied kan als foerageergebied of vliegroute door vleermuizen gebruikt worden, echter heeft het geen essentiële functie vanwege voldoende alternatieven.

5.3.1 Effectbeoordeling vleermuizen In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw aanwezig. Negatieve effecten op vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet uit te sluiten door de activiteit. Er is dan sprake van overtreding van art. 11.46 van het Bal. Nader onderzoek naar vleermuizen (volgens het Vleermuisprotocol 2021) is nodig om de aanof afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een vergunning aan te vragen.

→

→

5.4

Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen kunnen niet worden uitgesloten. Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw is noodzakelijk.

Vogels

Voor vogels wordt in de uitwerking van de Omgevingswet onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is onderzocht of jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn in het gebouw, de tuin en bomen. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), gierzwaluw (Apus apus), grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), havik (Accipiter gentilis), huismus (Passer domesticus), kerkuil (Tyto alba), ooievaar (Ciconia ciconia), ransuil (Asio otus), roek (Corvus frugilegus), slechtvalk (Falco peregrinus), sperwer (Accipiter nisus), steenuil (Athene vidalii) en wespendief (Pernis apivorus).

Deze vogelsoorten nestelen bijvoorbeeld onder daken (huismus en gierzwaluw) op hoge gebouwen (slechtvalk), in hoge bomen of nestpalen (ooievaar), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) en in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil). In het plangebied zijn de bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van nesten. Deze zijn niet binnen het plangebied en de directe omgeving aangetroffen, waardoor nestlocaties van deze soorten kunnen worden uitgesloten. Huismus broedt in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

11

groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Er zijn tijdens het veldbezoek huismussen waargenomen net buiten het plangebied, aan de westzijde van de bebouwing. Hier zijn op twee plaatsen huismussen waargenomen die nestindicerend gedrag vertoonden (roepen vanuit de dakgoot en nu en dan onder de dakpannen duiken). De aanwezigheid van nestlocaties van huismus binnen het plangebied is daarom niet uitgesloten.

Afbeelding 5.2 | Het dak in combinatie met de tuin dienen als geschikt leef- en broedgebied voor de huismus.

Gierzwaluw broedt in Nederland veelal in stedelijk gebied. Hierbij nestelt de soort in kolonieverband in daken van woningen of oude gebouwen. De meest gebruikte nestlocaties zijn gelegen op daken onder scheefliggende of kapotte dakpannen, nokpannen, gaten en kieren onder de dakrand en dakkapellen - bijvoorbeeld daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms gaten in muren, kunstmatige nestkasten of nestpannen, ventilatieschachten en gaten achter regenpijpen gebruikt. Een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond is één van de vereisten waar elke nestlocatie aan voldoet. Hoogte heeft altijd voorkeur boven vergelijkbare lager gelegen potentiële nestlocaties. Daarnaast is in daken een hellingshoek van tenminste 45 graden vereist om de gierzwaluw de mogelijkheid te geven om uit te vliegen. In het pand zijn verschillende kieren en gaten aangetroffen die een potentiële broedlocatie voor gierzwaluw kunnen vormen. →

Algemene broedvogels In het plangebied kunnen algemene broedvogels zoals merel (Turdus merula) en houtduif (Columba palumbus) tot broeden komen in de begroeiing in de tuin en kauw (Corvus monedula) en spreeuw (Sturnus vulgaris) kunnen in de gebouwen. →

In het plangebied komen mogelijk algemene broedvogels tot broeden.

5.4.1 Effectbeoordeling vogels Huismus en gierzwaluw hebben mogelijk nestlocaties binnen het plangebied en daarom kan de activiteit negatieve effecten hebben op deze soort, met als gevolg overtreding van artikel 11.37 van het Bal. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om hierin meer inzicht te krijgen. Algemene broedvogels kunnen tot broeden komen in het gebouw en in de groene elementen van de tuin. In gebruik zijnde nesten zijn beschermd onder de Omgevingswet. Wanneer er werkzaamheden worden uitgevoerd terwijl er nesten in gebruik zijn, kunnen negatieve effecten optreden. Om deze effecten te voorkomen, dienen preventieve maatregelen te worden uitgevoerd (paragraaf 6.3.1). →

→ → →

5.5

De werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw. Onderzoek naar nestlocaties van huismus en gierzwaluw in het gebouw is noodzakelijk. Nesten van algemene broedvogels worden mogelijk vernield als gevolg van de activiteit. Preventieve maatregelen – zoals werken buiten het broedseizoen – zijn noodzakelijk, deze worden beschreven in paragraaf 6.3.1.

Vissen

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Beschermde vissen zijn daarom in het plangebied uitgesloten. →

In het plangebied zijn geen beschermde vissen aanwezig.

In het gebouw kunnen jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw aanwezig zijn.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

12

5.6

Amfibieën

Op basis van de NDFF (2024) komt de kamsalamander (Triturus cristatus), een beschermde soort amfibie, in de omgeving van het plangebied voor. Daarnaast is er een aantal beschermde soorten die echter provinciaal zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen. Hiervoor kan wel mogelijk de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal) gelden, zie hiervoor paragraaf 5.9. Kamsalamander komt ten noorden van de A59 op één kilometer afstand van het plangebied voor. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied kan daarom niet fungeren als voortplantingshabitat voor kamsalamander. De A59 en een deel van de woonwijk tussen het plangebied en het voortplantingswater vormen een barrière voor kamsalamander, waardoor het plangebied niet zal worden gebruikt als winterhabitat door de deze soort. Het voorkomen van de kamsalamander in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. →

In het plangebied zijn geen beschermde amfibieën aanwezig.

5.7

Reptielen

Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde reptielen in de omgeving bekend te zijn: levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) en muurhagedis (Podarcis muralis). Muurhagedis is in 2021 waargenomen in Heesch op 300 m afstand van het plangebied. Echter, deze soort komt binnen Nederland alleen van nature voor in de omgeving van Maatricht. De twee waarnemingen in 2021 betreffen dus uitgezette dieren, waardoor de beschermingsstatus vervalt. Levendbarende hagedis komt ten oosten van het plangebied voor in het Arboretum Heesch en ten westen van het plangebied in de Geffense Bosjes. Het plangebied bestaat enkel uit verharding en gazon, daarom zijn geen natuurlijke overgangssituaties of potentiële schuilplaatsen voor de levendbarende hagedis aanwezig. →

In het plangebied zijn geen beschermde reptielen aanwezig.

5.8

Ongewervelden

Op basis van de NDFF (2024) blijken de volgende beschermde ongewervelden in de omgeving bekend te zijn: Grote vos (Nymphalis polychloros) en teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) Grote vos is waargenomen ten oosten van het plangebied in het Arboretum Heesch en ten westen van het plangebied in de Geffense Bosjes. Het plangebied zelf bevat niet de juiste boomsoorten en er zijn geen dekkende elementen aanwezig, waardoor hier geen voortplanting en overwintering van de grote vos kan plaatsvinden. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor deze soort. Teunisbloempijlstaart is waargenomen ten westen van het plangebied in de Geffense bosjes. Tijdens het veldbezoek zijn er geen waardplanten van de teunisbloempijlstaart aangetroffen binnen het plangebied. Dit wil niet zeggen dat er geen waardplanten aanwezig zijn binnen het plangebied, aangezien sommige pas later in het jaar vindbaar zijn. De tuin wordt echter intensief onderhouden en (on)kruiden worden verwijderd, waardoor de kans klein is dat er waardplanten aanwezig zijn. Het plangebied vormt daarom geen voortplantingshabitat voor de teunisbloempijlstaart. →

5.9

In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig.

Rode Lijst en HR Bijlage II & V

In artikel 11.27 van het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen die – naast voor strikt beschermde soorten – ook geldt voor soorten van de Rode Lijst en soorten die voorkomen in bijlage II en V van de Habitatrichtlijn. Op basis van de NDFF en waarnemingen die tijdens het veldbezoek zijn gedaan is vastgesteld welke soorten in of in de directe omgeving van het plangebied voorkomen (zie Tabel 5.1). Op basis van aanwezigheid van geschikt habitat van de soort en de specifieke werkzaamheden is vervolgens bepaald of er nadelige gevolgen optreden ten aanzien van exemplaren van deze soorten en hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. Uit het literatuur- en veldonderzoek blijkt dat er meerdere soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt binnen het plangebied aanwezig zijn of verwacht kunnen worden. Voor deze soorten zijn daarom

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

13

6 Vervolgstappen

Tijdens de Ecologische Quickscan Omgevingswet is op verschillende ecologische aspecten getoetst of er sprake is van overtreding van verbodsartikelen. Om overtreding te voorkomen dienen verschillende vervolgstappen genomen te worden, welke in dit hoofdstuk verder uitgelegd worden.

6.1

Gebiedsbescherming

In de Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Bossche Broek’ zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig op een afstand van 13 en 16 kilometer. Een gedegen ecologische Voortoets waarin rekening is gehouden met specifieke lokale omstandigheden in deze gebieden wordt echter niet noodzakelijk geacht. De veranderingen in het plangebied zijn minimaal en de afstand tot de Natura 2000-gebieden zodanig groot, dat effecten op voorhand met zekerheid zijn uitgesloten.

6.2

Houtopstanden

Er worden geen houtopstanden geveld waar de regels van de Omgevingswet op van toepassing zijn. Aangezien het plangebied binnen de door de gemeente Bernheze vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt, geldt hier de APV. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning dient te worden aangevraagd bij de gemeente, indien er bomen moeten worden gekapt. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.

6.3

Soortbescherming

Uit de Quickscan blijkt dat er verschillende beschermde soorten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de activiteit te verwachten zijn. Voor deze soorten zijn er nog geen maatregelen vast te stellen die het optreden van negatieve effecten geheel voorkomen. Er is daarom nader onderzoek nodig om vast te stellen of de soorten inderdaad aanwezig zijn, zo nodig gevolgd door een vergunningsaanvraag. Het betreffen de volgende soorten/functies: • Gebouwbewonende vleermuizen – verblijfplaatsen • Gierzwaluw – Nestlocatie

•

Huismus– Nestlocatie

6.3.1 Maatregelen soortbescherming Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau. Algemene maatregelen • De werkzaamheden dienen mogelijk te worden begeleid door een ecologisch deskundige (indien vleermuizen of nestplaatsen van huismus en gierzwaluw aanwezig zijn). • Er moet indien huismus, gierzwaluw of vleermuizen aanwezig zijn een ecologisch werkprotocol worden opgesteld waarin alle te nemen maatregelen worden vastgelegd. Dit ecologisch werkprotocol moet op locatie aanwezig zijn en onder alle betrokken partijen bekend zijn. Dit kan pas na afronding van alle onderzoeken en verkrijgen van een eventuele vergunning. • Werkzaamheden moeten aantoonbaar conform dit protocol worden uitgevoerd. • Mochten er zich gedurende de activiteit ten aanzien van beschermde soorten onvoorziene omstandigheden voordoen, dan wordt direct contact opgenomen met de ecologisch deskundige. Zorgplicht In de Omgevingswet is op twee verschillende manieren een zorgplicht uitgewerkt. De eerste behelst een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving (Artikel 1.6 Omgevingswet). Dit houdt in dat eenieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt en doet wat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd om negatieve effecten te verminderen.

Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor Rode-Lijstsoorten en soorten van bijlage II en V van de Habitatrichtlijn. Deze zorgplicht is opgenomen in artikel 11.27 van het Bal. Hierbij geldt eveneens dat de initiatiefnemer voldoende zorg dient te dragen voor het voorkomen of beperken van negatieve gevolgen op deze soorten en daarnaast ook hun habitat. Hierbij

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

15

dient nagegaan te worden welke nadelige gevolgen optreden en dienen alle passende preventieve maatregelen getroffen te worden om nadelige gevolgen te voorkomen en wordt nagegaan of deze maatregelen het beoogde effect hebben. Deze zorgverplichtingen gelden te allen tijde bij het uitvoeren van een activiteit, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren te worden uitgevoerd. • Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. • Werk vanuit het midden van het plangebied naar de rand, of werk langzaam in één werkrichting zodat verstoorde dieren de mogelijkheid hebben om het plangebied te verlaten. Draag er tevens zorg voor dat de richting waarin de dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. • Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is. De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht.

Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel. • Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden. Daarnaast zijn vanwege de specifieke zorgplicht met betrekking tot de volgende soorten aanvullend nog maatregelen noodzakelijk. • Bruin blauwtje: Behoud zoveel mogelijk ooievaarsbek in de tuin. Mocht dit niet mogelijk zijn, graaf deze planten uit en herplant ze op een open plek in de omgeving. • Boerenzwaluw: Behoud zoveel mogelijk groen en laat inheemse kruiden staan. Dit trekt insecten aan, wat dient als voedsel voor de boerenzwaluw • Huiszwaluw: Idem en behoud wanneer mogelijk bomen waar veel korstmossen op groeien of overweeg enkel overhangende takken weg te halen.

• Huismus: Behoud van zoveel mogelijk groenblijvende struiken in de tuin. Nestlocaties worden nog aanvullend onderzocht omdat de nesten van huismus jaarrond beschermd zijn. Algemene broedvogels Veel broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd wanneer deze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Soorten die tot broeden kunnen komen in of nabij het plangebied zijn o.a. roodborst, winterkoning, boomkruiper, spreeuw, merel en houtduif. Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 11.37 lid 1 van het Bal te voorkomen. • Er kunnen in het plangebied algemene vogels tot broeden komen. Deze vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode; • De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd; • Het is niet mogelijk om een omgevingsvergunning te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode.

Voor verlaten nestplaatsen geldt dit niet; • Het is in dit kader aan te bevelen om de werkzaamheden voor zover dat mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren; • Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken en/of het plangebied broedvrij te houden, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige (Bijlage D) gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedende vogels; • Wanneer er geen vogels nestelen kan er begonnen worden met de werkzaamheden. Bij aantreffen van een broedgeval in het plangebied wordt een rustzone afgezet door een ecologisch deskundige en wordt de locatie met rust gelaten tot de jongen zijn uitgevlogen. Er mogen geen werkzaamheden in de directe zone rond een nest plaatsvinden. De omvang van deze zone wordt door de begeleidend ecoloog bepaald. Eventueel kan er met schermen gewerkt worden die visuele verstoring

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

16

7 Literatuurlijst

Bat Habitat Key. (2018). Bat Roosts in Trees. A guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Exeter: Pelagic Publishing. Bejder, L., Samuels, A., Whitehead, H., Finn, H., & S., A. (2009). Impact assessment research: use and misuse of habituation, sensitization and toler-ance in describing wildlife responses to anthropo-genic stimuli. Marine Ecology Progress Series 395, pp. 177-185. Bos, F. M. (2006). De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidae, Papilionidea.- Nederlandse Fauna 7. Leiden, Nederland: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K., & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren – Natuur van Nederland 12. Leiden: Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden. Creemers, C. &. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Society. Dietz, C., Von Helversen, O., & Nill, D. (2011). Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Gill, J. (2007). Approaches to measuring the effects of human disturbance on birds. Ibis 149, pp. 914.

Kleukers, R., Nieukerken, E. v., Odé, B., Willemse, L., & Wingerden, W. v. (1997). De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). -

Nederlandse Fauna 4. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. NDFF. (2024). Uitvoerportaal Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/ Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. (2012). De Nederlandse libellen (Odonata) Nederlandse Fauna 4. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Na-turalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. Netwerk Groene Bureaus. (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/wer ken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Netwerk Groene Bureaus. (2023). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2023). Opgehaald van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/wer ken-aankwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/prot ocollen-vis-amfibie-reptiel-vogel Sovon Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Leiden: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Inver-tebrate Survey – Nederland. Sovon Vogelonderzoek Nederland. (2018). Vogelatlas van Nederland. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

18

Specifieke zorgplicht Natura 2000 (artikel 11.6 Bal) Wanneer iemand6 een activiteit uitvoert die nadelige gevolgen kan hebben op Natura 2000 gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden dan is diegene aanvullend op de algemene zorgplichtbepalingen eveneens verplicht om voorafgaand aan uitvoer een studie uit te (laten) voeren naar mogelijke verslechterende of significant verstorende effecten van de activiteit op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Wanneer dergelijke gevolgen niet kunnen worden uitgesloten moeten passende preventieve maatregelen genomen worden om de effecten te voorkomen en wordt tijdens en na het verrichten van de activiteit nagegaan of de maatregelen het beoogde effect hebben. Indien dit niet het geval is moet de activiteit worden gestaakt en moeten passende herstelmaatregelen worden uitgevoerd. Specifieke zorgplicht Flora- en fauna-activiteit (artikel 11.27 Bal) Wanneer iemand een activiteit uitvoert die nadelige gevolgen kan veroorzaken op beschermde en niet-beschermde soorten7 en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats spreekt de wet over een ‘flora- en fauna-activiteit’. In deze situatie is diegene die de activiteit initieert verplicht voorafgaand aan het uitvoeren van die activiteit na te gaan of er op de locatie van de activiteit of in de nabijheid daarvan aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van de soorten.

Naast de wettelijk beschermde soorten genoemd heeft deze soortbescherming ook betrekking op dieren en planten genoemd in de rode lijsten en in bijlagen II en V van de Habitatrichtlijn. Als nadelige gevolgen op mogelijk aanwezige soorten voorafgaand niet kunnen worden uitgesloten dan moet worden onderzocht welke gevolgen de activiteit heeft en moeten passende preventieve maatregelen worden getroffen om de effecten te voorkomen. Ook wordt tijdens en na het verrichten van de activiteit nagegaan of de maatregelen het beoogde effect hebben. Indien dit niet het geval is moet de activiteit worden gestaakt en moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Het onderzoek naar de effecten heeft betrekking op de betreffende dieren van die soorten, maar ook hun nesten, foerageerplaatsen, 6 een rechtspersoon of natuurlijke persoon die een activiteit of

ingreep wil uitvoeren

voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren, of voor planten van die soorten.

Natura 2000-gebieden De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 11, Afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er mogelijk sprake van een noodzakelijke aanvraag van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit en dient een Habitattoets uitgevoerd te worden. In een Habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; • Voortoets; • Passende Beoordeling; • ADC-toets. Voortoets Middels de Voortoets (artikel 11.6 Bal) wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden.

De Voortoets bestaat uit een beschrijving van het plan of project, de te verwachten effecten binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en een analyse of daarbij (mogelijkerwijs) sprake is van significante effecten. In deze analyse mogen mitigerende en compenserende maatregelen niet meegenomen worden (zie Kader 3, Preventieve, mitigerende en compenserende maatregelen). Indien niet kan worden uitgesloten dat er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen

7

Soorten van de rode lijsten en Bijlagen II en V van de Habitatrichtlijn

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Ecologische Quickscan Omgevingswet, De La Sallestraat Heesch.

2

Andere soorten (artikel 11.54, lid 1 Bal) Dit verbod geldt voor nationale soorten die zijn vastgelegd in Bijlage IX behorend bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: e. Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de Bijlage IX, onderdeel A. f. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren bedoeld onder a, en g. Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen Voor vaatplanten van vaatplanten van de , genoemd in de Bijlage IX, onderdeel B.

Een omgevingsvergunning voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 11.54 Bal kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de aanvraag (zie “Omgevingsvergunning, gedragscode of vrijstelling”) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 8.74l, lid b: 1° ter bescherming van de wilde flora of fauna en instandhouding van natuurlijke habitats; 2° ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom; 3° in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4° voor onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of de daartoe benodigde kweek; 5° op selectieve wijze een aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben. 6° in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, inclusief het gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7° ter voorkoming van schade of overlast, inclusief schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8° voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband

met veelvuldig veroorzaakte schade of de maximale draagkracht van het gebied; 9° voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10° in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11° in het kader van het bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12° in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of 13° in het algemeen belang. Actieve soortbescherming Naast de passieve soortbescherming zijn provincies wettelijk verplicht om habitats en soorten te beschermen middels Provinciale taken voor de fysieke leefomgeving (artikel 2.18 Ow) en de Actieve soortbescherming (artikel 3.57 Bkl). In het kader van deze actieve bescherming moeten de provincies maatregelen nemen voor het beschermen, instandhouden of herstellen van biotopen en leefgebieden alsmede de in het wild voorkomende plant en diersoorten. In dit kader kunnen zij bijvoorbeeld besluiten de lijst met beschermde soorten uit te breiden en/of gebieden aan te wijzen waarvoor een extra inspanning nodig is om de staat van instandhouding van populaties te behouden of te herstellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=9e2b7f5b-fa2a-4c44-914e-2df843bb572b