CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BIV Vormvrije mer-beoordeling

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22R, Bedafse Hoeve, Vorstenbosch' *6.101 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Bedafse Hoeve

Colofon Aanmeldnotitie vormvrije plan m.e.r.- beoordeling Bedafse Hoeve Rapportnummer: 2018.0301 Datum: 30 april 2025 Projectlocatie Lendersgat 15 5476 VR Vorstenbosch Opdrachtnemer Reland Adviseurs BV Bezoekadres: Mgr. Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland 0850431949 info@reland.nl

© april 2025 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

INHOUD HOOFSTUK 1 Inleiding .............................................................................................................................3 1.1

Aanleiding .................................................................................................................................3

1.2

Beoogde ontwikkeling ...............................................................................................................3

HOOFSTUK 2 Besluit milieueffectrapportage ...........................................................................................5 2.1

Algemeen ..................................................................................................................................5

2.2

Activiteit en drempelwaarden ....................................................................................................5

2.3

Vormvrije m.e.r.-beoordeling .....................................................................................................6

HOOFSTUK 3 Kenmerken van het project ...............................................................................................7 3.1

Omvang van het project ............................................................................................................7

3.2

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ...................................................................................7

3.3

De productie van afvalstoffen ....................................................................................................7

3.4

Verontreiniging en hinder ..........................................................................................................7

3.5

Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën ....................7

HOOFSTUK 4 Plaats van het project........................................................................................................9 4.1

Ligging van het plangebied .......................................................................................................9

4.2

Het bestaand en beoogde grondgebruik ...................................................................................9

4.3

Natuurlijke hulpbronnen ......................................................................................................... 11

4.4

Opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu ..................................................................... 11

HOOFSTUK 5 Kenmerken van het potentiële effect .............................................................................. 12 5.1

Overzicht dieren en emissies ................................................................................................. 12

5.2

Natura 2000-gebieden ........................................................................................................... 12

5.3

Natuurnetwerk Brabant (NNB) ............................................................................................... 13

5.4

Luchtkwaliteit .......................................................................................................................... 14

5.5

Geur ....................................................................................................................................... 17

HOOFSTUK 6 Conclusie ....................................................................................................................... 21 Bijlage 1 Resultaten AERIUS-berekening Bijlage 2 Berekening voorgrondbelasting geur Bijlage 3 Berekening achtergrondbelasting geur

3

HOOFSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. In deze aanmeldnotitie zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en gebundeld weergegeven. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage.

1.2

Beoogde ontwikkeling De initiatiefnemer heeft de ambitie om ter plekke van Lendersgat 15 een natuurinclusieve boerderij te exploiteren met ruimte voor educatie, recreatie, horeca en ondersteunende detailhandel. Op de agrarische gronden zullen granen en cultuurgewassen worden geteeld. Naast de kudde schapen zullen er ook paarden worden gehouden (opfok en africhting). Het combineren van de natuurgrazers en de paarden biedt verbreding voor de bedrijfsvoering en is een recreatieve meerwaarde voor het bedrijf en het cultuurlandschap (hooien van het land en begrazen van weides). Ten behoeve van de bedrijfsvoering is het noodzakelijk om een nieuwe bedrijfswoning te realiseren. Conform het tijdelijke omgevingsplan van Bernheze is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ zoals vastgesteld op 8 oktober 2014 vigerend en rust er op het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Leefgebied struweelvogels’, waarvan op een deel een bouwvlak met de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ is gelegen. Daarnaast rust er op het noordelijke deel van het plangebied de enkelbestemming ‘Natuur’. Op een zeer beperkt stuk van het plangebied ligt tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. In 2018 is een aparte bestemmingsplanprocedure doorlopen, waardoor de koppeling tussen het bouwvlak aan Lendersgat 18 en het bouwvlak een Lendersgat 15 is opgeheven.

Tevens is in die procedure de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ opgenomen voor het bouwvlak ter plaatse van het bouwvlak aan Lendersgat 15. De bestemmingen en aanduidingen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ zijn voor de rest ongewijzigd gebleven. Uit de twee vigerende bestemmingsplannen is een aantal conclusies te trekken. Ter plaatse van Lendersgat 15 is sprake van een agrarisch bouwvlak, waardoor op die plek een agrarisch bedrijf geëxploiteerd mag worden. In het bestemmingsplan is een mogelijkheid opgenomen om het bouwvlak te vergroten tot maximaal 1,5 hectare. Daarnaast is het mogelijk om via een afwijkingsprocedure 500 m² aan nevenactiviteiten

4

De locatie biedt dan ook potentie voor de gewenste functies, maar kan niet zonder procedure worden uitgevoerd. Bovendien is de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning niet rechtstreeks mogelijk Om bovenstaande redenen wordt een nieuw juridisch kader voorgesteld dat alleen via een buitenplanse(omgevingsplan) procedure kan worden gerealiseerd.

5

HOOFSTUK 2.1

2 Toetsing Omgevingsbesluit

Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Omgevingsbesluit is vastgelegd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffect rapport verplicht is. In bijlage V zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.- beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van bijlage V m.e.r.- beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend omgevingsplan die de activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r.-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van bijlage V en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht. Staat een activiteit niet in bijlage V dan geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht.

2.2

Activiteit en drempelwaarden De activiteit betreft het oprichten van een natuur-inclusieve boerderij met ruimte voor educatie, recreatie en horeca. Ter plaatse zullen paarden en schapen worden gehouden. Deze ontwikkeling kan (deels) worden onderverdeeld onder ‘installaties voor intensieve veehouderij’ zoals vermeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder A1. Als blijkt dat meer dieren kunnen worden gehouden dan de genoemde aantallen is een Milieueffectrapport noodzakelijk. In onderstaande tabel is per diercategorie de grensnorm weergegeven en de hoeveelheid dieren welke er maximaal worden gehouden. Diercategorie Mesthoenders Hennen Mestvarkens Zeugen

Grensnorm 85.000 60.000 3.000 900

Aantal dieren 0 0 0 0

Tabel 1 Dieraantallen beoogde situatie t.o.v. grensnormen m.e.r.

Het oprichten van nieuwe woningen kan worden onderverdeeld onder ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van winkelcentra of parkeerterreinen’ zoals vermeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder J11. Er geldt geen mer-plicht maar wel een m.e.r.-beoordelingsplicht voor ontwikkelingen welke betrekking hebben op:

6

• • •

een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aangesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

In dit geval wordt er één bedrijfswoning gerealiseerd en wordt met de dieraantallen onder de bovengenoemde drempelwaarden gebleven aangezien er circa 850 schapen en 28 paarden gehouden zullen worden. Uit toetsing aan artikel 16.36, lid 3 en 5 Omgevingswet volgt dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor onderhavig project valt onder mogelijkheid 2 zoals hierboven beschreven. Het besluit bevat namelijk wél een activiteit uit kolom 3 van bijlage 5 van het Omgevingsbesluit [A1] installaties voor intensieve veehouderij en [J11] stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Maar er wordt niet voldaan aan de drempelwaarden die zijn vastgelegd in kolom 2 (gevallen waarin de m.e.r.-plicht geldt). Er kan derhalve worden volstaan met een plan-m.e.r. beoordeling, indien voldaan wordt aan de onderdelen a en b van artikel 11.1 lid 2 zoals hierboven beschreven. De wijziging van het omgevingsplan heeft betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente Bernheze en het betreft een kleine wijziging van de regels van het ‘gemeentebrede’ omgevingsplan. In dit geval wordt dan ook eerst een plan-m.e.r. beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn.

De regels over het uitvoeren van een plan-m.e.r.-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit.

2.3

Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije plan-m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een informele plan-m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage II van de SMBrichtlijn. De regels over het uitvoeren van een plan-m.e.r.-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit. Het betreft de volgende drie algemene criteria met elk hun sub criteria: • kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; • plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; • kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.

7

HOOFSTUK 3.1

3 Kenmerken van het project

Omvang van het project Het omgevingsplan ‘Bedafse Hoeve’ voorziet in de herontwikkeling van het perceel aan Lendersgat 15 te Vorstenbosch. Het projectgebied bedraagt circa 1,5 hectare waarbinnen in de beoogde situatie verschillende activiteiten plaatsvinden. Met de herontwikkeling wordt voorzien in een natuur-inclusieve boerderij met ruimte voor educatie, recreatie en horeca. Hierbij worden dieren gehouden zoals opgenomen in de tabel in paragraaf 2.2.

3.2

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen verandert niet als gevolg van de voorgestane ontwikkeling. Dit onderdeel geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.

3.3

De productie van afvalstoffen De afvalstromen zullen tot een minimum worden beperkt. Door de bedrijfsvoering met betrekking tot het natuur-inclusief houden van dieren, ontstaat enkel vaste mest. Deze mest zal regelmatig worden verwijderd en verspreid over de omliggende gronden. Vrijkomende afvalstoffen worden afzonderlijk binnen de inrichting opgeslagen en worden afgevoerd uit de inrichting. Eventueel afval (overtollig materiaal) dat ontstaat tijdens de aanleg van de beoogde situatie, zullen worden afgevoerd naar een erkend afvalinzamelaar.

3.4

Verontreiniging en hinder Tijdens de bouw van bebouwing binnen het projectgebied kan er wellicht enige hinder zijn in de vorm van geluid en trillingen. Het bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van een dergelijke realisatie zal zich moeten houden aan de algemene weten regelgeving en de geldende milieuwetgeving. Daarnaast kunnen (nieuwe) bedrijven voor hinder zorgen voor omliggende functies. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de gewenste ontwikkeling niet voor onevenredige hinder zorgt.

3.5

Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Binnen de inrichting kunnen onvoorziene situaties of calamiteiten ontstaan. Hiervoor dienen veiligheidsmaatregelen te worden getroffen om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Hieronder zijn mogelijk calamiteiten beschreven. Uit paragraaf 5.12 blijkt dat omliggende risicovolle inrichtingen, transportassen en buisleidingen geen belemmering vormen voor de gewenste ontwikkeling. • Stroomuitval Het is mogelijk dat de stroom binnen het bedrijf uitvalt. Doordat de stallen alle natuurlijk geventileerd zijn, heeft dit geen gevolgen voor het welzijn van de dieren. Voor bijvoorbeeld het horecagedeelte zou dit enige gevolgen kunnen hebben. Echter zal er in het geval van stroomuitval een noodstroomaggregaat worden ingeschakeld zodat de

8

(noodzakelijke) apparatuur weer kan worden gebruikt. Stroomuitval zal er dan ook niet voor zorgen dat het welzijn van de dieren en de mensen in het gedrag zal komen. • Brand Het bouwplan dient te worden goedgekeurd op het gebied brandveiligheid. De bebouwing zal dan ook worden voorzien van goedgekeurde installaties en er dient sprake te zijn van een vluchtplan. Daarnaast dient het personeel op de hoogte te zijn van dit vluchtplan, instructies en de maatregelen om de bezoekers en dieren zo goed en snel mogelijk in veiligheid te brengen. • Ongevallen Om het voorkomen van bedrijfsongevallen zo veel mogelijk te beperken zullen maatregelen worden getroffen. Zo gelden voor de machines welke gebruikt worden voor de bedrijfsvoering specifieke voorschriften. Alvorens de machines in gebruik worden genomen dienen de gebruikers op de hoogte te zijn op welke manier de machines zo veilig mogelijk kunnen worden bediend. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat het werken met deskundig personeel de kans op ongevallen beperkt. • Dierziekten Het kan voorkomen dat er zich binnen het bedrijf of bij een bedrijf elders in Nederland een dierziekte uitbreekt. In dat geval zal het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) afkondigen om verspreiding van de ziekte zo veel mogelijk te voorkomen.

Mocht dit geval zich voordoen, zal het vervoeren van dieren binnen een bepaalde zone (rondom de smethaard) worden verboden. Binnen het bedrijf zullen de aanwezige dieren gehuisvest blijven op de percelen of stallen waar ze op dat moment liggen. Gezien de omvang van de bedrijfsbebouwing en de percelen zal dit geen negatieve invloed hebben op het dierwelzijn.

9

HOOFSTUK 4.1

4 Plaats van het project

Ligging van het projectgebied Het projectgebied is gelegen aan Lendersgat 15 te Vorstenbosch en heeft betrekking op de percelen die kadastraal bekend staan als Gemeente Nistelrode, sectie G, nummers593, 594 en 595. De totale oppervlakte is circa 1,5 hectare. In figuur 1 is het projectgebied op een luchtfoto weergegeven. De locatie ligt op de kruising Lendersgat – Leeghandseweg en grenst aan de Maashorst, specifiek de Bedafse Bergen. De Maashorst is niet alleen een natuur-, maar ook een cultuurlandschap. De Maashorst is een groot aaneengesloten gebied dat bestaat uit agrarische gronden, kleine nederzettingen en natuurgebieden. De Maashorst ligt op het grondgebied van de gemeenten Landerd, Oss, Bernheze en Uden. Tussen Uden en Vorstenbosch zijn de “Bedafse Bergen” gelegen. De ‘Bedafse Bergen’ is een stuifduinengebied en daardoor een uniek landschap met een grote aantrekkingskracht. Veel mensen gaan er wandelen, fietsen of recreëren. Het projectgebied grenst aan de Bedafse Bergen.

Figuur 1 Plangebied (rood gearceerd) met bijbehorende gronden blauw gearceerd

10

4.2

Het bestaand en beoogde grondgebruik Binnen het projectgebied zijn in de huidige situatie een ligboxstal en sleufsilo’s gelegen. Daarnaast ligt er 8 hectare landbouwgrond aansluitend aan de ligboxenstal. Het projectgebied is grotendeels onbebouwd. Vergunning is aanwezig voor de huisvesting van melkkoeien, jongvee en paarden. Er is een revisievergunning Wet milieubeheer verleend d.d. 15-05-2001 en een gedeeltelijke intrekking van het veebestand d.d. 03-01-2012. In onderstaande tabel is de vigerende situatie weergegeven, waarbij tevens de emissies voor ammoniak, geur en fijnstof zijn weergegeven.

Vergunde situatie Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem Code Diercategorie Aantal Omschrijving dieren stalsysteem

Ammoniak

Geur

Fijnstof

ouE/sec/ dier

OdourUnits totaal

Gram/dier/ Totaal jaar gram/jaar

n.v.t.

n.v.t.

170

11.560

Overig

HA2.100

Rundvee; 68 fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar Jongvee 24

NH3- NH3 norm emissie totaal 6,2 421,6

Overig

4,4

105,6

n.v.t.

n.v.t.

38

912

HL1.100

Paarden

Overig

5,0

65

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

HA6.100

13

Totaal

592,6 kg NH3

12.472 gram PM10/jaar

0,00 Odour Units

Met betrekking tot de gewenste ontwikkeling vindt er een wijziging plaats in het aantal dieren en diersoorten. Om deze dieren te kunnen houden zal een aanvraag omgevingsvergunning Milieu Belastende Activiteit (MBA) voor het houden van schapen worden aangevraagd en een melding MBA (voor het houden van paarden) worden ingediend. In onderstaande tabel zijn de gewenste dieraantallen weergegeven. Het betreft een zogenaamde of-of situatie voor het huisvesten van schapen of zoogkoeien/jongvee.

Aantallen dieren, stalsysteem Code Diercate gorie

Vergunning aanvraag: optie 1 diercategorie en Ammoniak Omschrijving stalsysteem

NH3norm

Fijnstof

HL1.100

Paarden

12

Overig

5,0

NH3 emissie totaal 60

HKL.100

Jonge paarden Schapen

16

Overig

2,1

33,6

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

840

Overig

0,7

588

7,8

6.552

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

681,6 kg NH3

HB1.100

Aantal dieren

Geur ouE/sec/ dier

OdourUnits totaal

Gram/dier/ Totaal jaar gram/jaar

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

6.552 Odour Units

0 gram PM10/jaar

11

Vergunning aanvraag: optie 2 Ammoniak Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem NH3 Code Diercategorie Aantal Omschrijving NH3emis dieren stalsysteem norm sie tota al HA4.100 Zoogkoeien 68 Overig 4,1 278,8

Geur

Fijnstof

ouE/sec/ dier

OdourUnits totaal

Gram/dier/ Totaal jaar gram/jaar

n.v.t.

n.v.t.

86

5.848

HA2.100

Jongvee

64

Overig

4,4

281,6 n.v.t.

n.v.t.

38

2.432

HL1.100

Paarden

12

Overig

5,0

60

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

HL2.100

Jonge paarden

16

Overig

2,1

33,6

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

654 kg NH3

0 Odour Units

8.280 gram PM10/jaar

De wijzigingen in diercategorieën en -aantallen zorgen tevens voor een wijziging in de emissies voor ammoniak, geur en fijnstof ten opzichte van de vigerende situatie. Uit onderstaande tabel blijkt dat het initiatief een (minimale) stijging in de emissie van ammoniak en een daling in de emissie van fijnstof tot gevolg heeft. Daarnaast worden er in de beoogde situatie, in tegenstelling tot de huidige situatie, dieren met een geuremissiefactor gehouden. Hierdoor zal de geuremissie afkomstig van de planlocatie toenemen. Verschil huidige en beoogde situatie Huidige situatie Beoogde situatie (maximaal optie 1 of 2)) Verschil

4.3

Ammoniak 592,6 kg NH3 681,6 kg NH3

Geur 0,00 Odour Units 6.552 Odour Units

Fijnstof 12.472 gram PM10/jaar 8.280 gram PM10/jaar

+ 89 kg NH3

+ 6.552 Odour Units

- 4.192 gram PM10/jaar

Natuurlijke hulpbronnen Ter plaatse van het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel een effect hebben op het project.

4.4

Opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmerd.

12

HOOFSTUK

5 Kenmerken van het potentiële effect

Hieronder wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Voor de rapportages van uitgevoerde milieuonderzoeken en een uitvoerige beschrijving van onderstaande milieuaspecten, wordt echter verwezen naar hoofdstuk 5 van de plantoelichting ‘Bedafse Hoeve’.

5.1

Overzicht dieren en emissies in de beoogde situtie (of-of situatie) Overzicht optie 1 Dierenaantallen

Ammoniakemissie Geuremissie Fijnstofemissie Overzicht optie 2 Dierenaantallen

Ammoniakemissie Geuremissie Fijnstofemissie

5.2

• • •

12 paarden 16 jonge paarden 840 schapen

681,6 kg NH3 6.552 Odour Units 0 gram PM10/jaar

• 68 zoogkoeien • 64 jongvee • 12 paarden • 16 jonge paarden • 654 kg NH3 0 Odour Units 8.280 gram PM10/jaar

Natura 2000-gebieden De planlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen natuurgebied behorende bij Natura 2000 betreft ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ op een afstand van 17 kilometer ten westen van het plangebied (figuur 2). Dit natuurgebied ligt ver buiten het invloedsgebied van het plan wat betreft de storingsfactoren die bij de eventuele bouw van bebouwing kunnen vrijkomen. Voorbeelden hiervan zijn verdroging, geluid- en lichtverstoring.

13

Figuur 2 Ligging plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden

In het kader van het planspoor is de referentiesituatie de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie, direct voorafgaande aan de vaststelling van het omgevingsplan. Ter onderbouwing hiervan de dieraantallen uit de gecombineerde opgave 2024 en de heffing Diergezondheidsfonds schapen 2024 aangeleverd. Hierin zijn onderstaande dieraantallen opgenomen: Dieraantallen Gecombineerde opgave 2024 en dierenartsentelling 2024 Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem

Ammoniak

Code

Diercode omgevingsregeling

Dier categorie

Aantal dieren

Omschrijving stalsysteem

NH3norm

HB1.10 0 HL1.10 0

HB1.100 HL1.100

Schapen Volw. Paarden

833 9

Overig Overig

0,7 5,0

NH3 emissie totaal 583,1 45

HL2.10 0

HL2.100

Jonge paarden

2

Overig

2,1

4,2

Totaal

632,3

Gezien het gegeven dat er in de beoogde situatie (optie 1) ten opzichte van de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie er sprake is van een minimale toename in ammoniakemissie ten gevolge van de wijziging in te huisvesten dieraantallen (681,6 kg – 632,3 kg = 49,3 kg) en de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden is er geen significant negatief effect te verwachten als gevolg van stikstofdepositie. Middels een AERIUS berekening is het verschil in stikstofdepositie tussen de vigerende en beoogde situatie inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie. In onderstaande tabel zijn de resultaten weergegeven. De invoergegevens en resultaten van de AERIUS berekening zijn bijgevoegd in bijlage 1 van deze aanmeldnotitie.

14

5.3

Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. De planlocatie is niet binnen een gebied behorende bij het NNB gelegen (figuur 4). In de omgeving van het plangebied zijn wel verschillende gebieden behorende bij het NNB gelegen.

Figuur 3 Resultaten AERIUS-berekening

15

Figuur 4 Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant

5.4

Luchtkwaliteit Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) maatgevend voor de luchtkwaliteit bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen. Hierin staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 2.1 en 2.1a stellen samen met artikel 2.3 t/m 2.8 de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In artikel 5.51-5.53 is de toepassing hiervan uiteengezet. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. NIBM De ontwikkeling van woningen is NIBM als de omvang onder een vastgelegde grens ligt. Of een ontwikkeling NIBM is hangt af van het aantal woningen en het aantal ontsluitingswegen. Bij twee ontsluitingswegen zijn meer woningen mogelijk dan bij één ontsluitingsweg. Want twee ontsluitingswegen zorgen voor een betere spreiding van de uitstoot, als het verkeer zich (gelijkmatig) verdeelt over de wegen. Bij één ontsluitingsweg ligt de grens 1.500 woningen en bij twee of meer ontsluitingswegen ligt de NIBM-grens op 3.000 woningen.

Voor de berekening van het aantal woningen kan worden uitgegaan van de netto toename. Doorwerking projectgebied Met onderhavige ontwikkeling worden de grenzen ten aanzien van NIBM niet overschreden, aangezien er significant minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd. Daarom kan worden geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als NIBM en niet bijdraagt aan

16

luchtverontreiniging. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering. De in dit omgevingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen. Daarom dient onderbouwd te worden of de ontwikkeling als NIBM kan worden aangemerkt, of dat een luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is. Als er sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht (NIBM), hoeft een project niet getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De definitie van NIBM is vastgelegd in het Besluit NIBM. Voor veehouderijen is er een vuistregel om te kunnen bepalen of een activiteit in betekenende mate (IBM) bijdraagt aan de fijnstofconcentratie (PM10). De vuistregel gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren. Blijkt hieruit dat de activiteit mogelijk IBM bijdraagt? Dan is een verspreidingsberekening nodig om uitsluitsel te geven. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor fijnstof (PM10) is niet nodig als een activiteit maar weinig bijdraagt aan de fijnstofconcentratie. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een activiteit draagt NIBM bij als de concentratietoename lager is dan 3% van de jaargemiddelde omgevingswaarde van PM10.

Dat is 1,2 µg/m3 fijnstof (PM10). Het gaat steeds om de toename door de gewenste verandering. Onderbouwen NIBM bij veehouderijen De vuistregel is een hulpmiddel voor de onderbouwing van een vergunningaanvraag of een besluit van gemeente (vergunningverlening of ruimtelijk besluit). Het is niet altijd nodig om met een verspreidingsberekening te bepalen of een verandering bij een veehouderij NIBM bijdraagt. Dit kan de gemeente of initiatiefnemer soms ook op andere manier motiveren, bijvoorbeeld met deze vuistregel. De vuistregel is vooral geschikt voor diersoorten die relatief weinig fijnstof uitstoten, zoals rundvee of varkens. Voor pluimveebedrijven is vaak een verspreidingsberekening nodig. De NIBM-regeling geldt niet voor alle voor veehouderijen. Enkele locaties zijn uitgezonderd van de NIBM-regeling. Daar is de fijnstofconcentratie (PM10) hoog, vooral als gevolg van de intensieve (pluim)veehouderij. Onderhavige locatie is niet gelegen in een dergelijk gebied. Vuistregel voor veehouderijen De vuistregel gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor fijnstof. Onderstaande tabel geeft aan bij welke afstand vanaf het toetspunt tot de stallen de toename van de uitstoot van fijnstof door uitbreiding of

17

oprichting zeker NIBM is. Daarbij geldt: hoe groter de afstand, hoe groter de kans dat de activiteit NIBM is. Het is dan niet meer nodig om aan de rijksomgevingswaarden voor PM10 te toetsen.

De vuistregel gaat uit van de netto toename in fijnstof als gevolg van de activiteit. De uitstoof van fijnstof per dierplaats/jaar wordt berekend aan de hand van de lijst met emissiefactoren in bijlage V van de Omgevingsregeling en de toename in dierplaatsen. Vervolgens wordt de toename in fijnstofemissie per jaar getoetst aan de waarden uit bovenstaande tabel. Die horen bij de afstand tot het dichtstbijzijnde toetspunt voor PM10. De plaats van dit toetspunt is vooral afhankelijk van de blootstellingsduur: op plekken waar mensen relatief lang verblijven, moet de luchtkwaliteit in orde zijn. Als de toename in emissie hoger is dan de getallen in de tabel, dan is het project mogelijk IBM. Een verspreidingsberekening is dan nodig. Fijnstof emissie Bedafse Hoeve: • Bestaande situatie: 10.976 gram/jaar • Nieuwe situatie: 8.280 gram/jaar• Afname : 2.696 gram/jaar Conclusie De bedrijfswoning ligt op een afstand van circa 60 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de nog op te richten schapenstal. Gezien de afname van fijnstof emissie van 2.696 gram/jaar en de afstand tot het dichtstbijzijnde gevoelige object, kan er vanuit worden gegaan dat deze emissie niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10. Verkeersbewegingen In het worst-case scenario stijgt het aantal verkeersbewegingen met 79 bewegingen per etmaal.

Middels de NIBM-tool is berekend of deze toename van het aantal verkeersbewegingen aanleiding geeft tot het uitvoeren van een nader onderzoek. In de berekening is rekening gehouden met een aandeel vrachtverkeer van 2,5% (worstcase).

18

Tabel 2 NIBM-tool, gevolg extra verkeer op luchtkwaliteit

Door de toename van het aantal verkeersbewegingen, nemen tevens de concentraties aan fijnstof en stikstofdepositie toe. Uit de NIBM-tool blijkt echter dat de toename van het extra verkeer ‘niet in betekende mate’ is, waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is. Woon- en leefklimaat Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. In de tabel zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Totale concentratie (µg/m3) NO2

Totale concentratie (µg/m3) PM10

Totale concentratie (µg/m3) PM2,5

2020

9,98

15,44

8,687

2025

10,86

15,1

8,558

2030

8,867

13,97

7,506

Norm

40

40

25

Tabel 3 Concentratie stikstofdioxide en fijnstof

Conclusie Uit de tabel volgt dat de concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 in de huidige situatie ruim beneden de norm liggen. Door de minimale toename van de concentraties fijnstof en

19

stikstofdepositie worden de normen ook in de beoogde situatie niet overschreden. De luchtkwaliteit wordt daarom als aanvaardbaar beschouwd.

5.5

Geur Op grond van paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Een omgevingsplan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Let op, in geval van functionele binding tussen gebouw en activiteit kunnen uitzonderingen gelden (art. 5.95 en 5.96 Bkl). Indien het omgevingsplan regels bevat over geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken, door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, door andere agrarische activiteiten wijst in het omgevingsplan een of meer bebouwingscontouren geur aan rond stedelijk gebied (art. 5.97 Bkl). De geometrische begrenzing moet vastgelegd worden in het omgevingsplan. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen. Er gelden specifieke instructieregels indien het initiatief betrekking heeft op: • geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2); • geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3); • geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4).

Belemmering veehouderijbedrijven De Omgevingswet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In het Bkl is een definitie opgenomen voor geurgevoelige gebouwen. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de te realiseren woning als geurgevoelig aangemerkt kan worden. Vanuit de voormalige Wgv is sprake van zogenaamde afstandsdieren (bijvoorbeeld melkkoeien) en dieren met een geuremissiefactor (bijvoorbeeld varkens). Voor deze laatste dieren geldt naast een aan te houden afstand een geurnorm. Voor afstandsdieren is alleen de vaste afstand van belang. Op 5 november 2013 heeft de gemeente Bernheze de ‘Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij 2013’ en bijbehorende geurverordening vastgesteld.

Daarin hebben zij het volgende bepaald: • Er dient sprake te zijn van een afstand van minimaal 25 meter tussen veehouderij en geurgevoelig object; • Ter plaatse van het geurgevoelige object geldt als acceptabel woon- en leefklimaat een maximale achtergrondwaarde van 20 ouE/m³ (odour units per kubieke meter lucht);

20

Deze geurverordening is door de inwerking treding van de Omgevingswet doorvertaald naar § 22.3.6 van het omgevingsplan gemeente Bernheze. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat met instructieregels beschreven hoe de geurregels in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.3 ‘Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf’. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.6.3 gelden alleen voor geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf in een geurgevoelig gebouw. Ze gelden niet voor andere activiteiten bij veehouderijen. Er zijn ook instructieregels voor geur door bijvoorbeeld opslagen bij veehouderijen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.4 'Geur door andere agrarische activiteiten'. Wanneer voldaan wordt aan bovenstaande bepalingen kan niet alleen geconcludeerd worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) m.b.t. het aspect geur, maar dat de ontwikkeling ook niet zorgt voor een belemmering ten opzichte van bestaande veehouderijbedrijven. In figuur 5 is de afstand van de nieuwe bedrijfswoning ten opzichte van de bestaande veehouderijbedrijven in de omgeving inzichtelijk gemaakt. In figuur 6 is een uitsnede weergegeven van de kaart behorende bij de gebiedsvisie geur van de gemeente Bernheze uit 2013.

In de gebiedsvisie is aangegeven dat wanneer de achtergrondwaarde lager is dan de vastgestelde toetswaarde, zondermeer sprake is van een aanvaardbaar plan (m.b.t. het deelaspect geur) en kan verwezen worden naar het raadsbesluit van 5 november 2013, waarin de gebiedsvisie en de geurverordening is vastgesteld.

Figuur 5 Ligging beoogde bedrijfswoning ten opzichte van omliggende veehouderijen

21

Figuur 6 Uitsnede geurkaart met plangebied rood omcirkeld

Vanuit figuur 5 en 6 wordt geconcludeerd dat voldoende afstand (>25 meter) wordt aangehouden ten opzichte van omliggende veehouderijbedrijven en dat ter plaatse een acceptabel woon- en leefklimaat is te verwachten. De legendakleur ter plaatse geeft aan dat het woon- en leefklimaat redelijk goed is. Dat betekent ook dat de achtergrondwaarde lager is dan de vastgestelde toetswaarde (max. 20 ou E/m³). Ten aanzien van de streefwaarde ligt de lat iets hoger en heeft de gemeente aangegeven dat de mogelijke kans op geurhinder maximaal 15% mag zijn. Wanneer we kijken naar het kaartje in figuur 6 zien we dat het hinderpercentage op maximaal 15 % ligt (legendaeenheid: redelijk goed). De nieuwe situatie voldoet ruimschoots aan de vastgestelde toetswaarde, zelfs aan de gestelde streefwaarde. Ondanks het feit dat in de omgeving reeds burgerwoningen aanwezig zijn, die bepalend zijn voor de huidige veehouderijbedrijven m.b.t. geur, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de woning geen belemmering oplevert voor de omliggende veehouderijbedrijven en dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat m.b.t. het aspect geurhinder.

22

Achtergrondbelasting

Mogelijke kans op geurhinder (%)

Geur - Ou/m³

concentratiegebied

Beoordeling leefklimaat

1-3

>5

Zeer goed

4-8 9-13

5-10 10-15

Goed Redelijk goed

14-20

15-20

Matig

21-28

20-25

Tamelijk slecht

29-38

25-30

Slecht

39-50

30-35

Zeer slecht

51-65

35-40

Extreem slecht

Tabel 4 Uitleg legendaeenheid figuur 5 in relatie tot geurhinder en achtergrondbelasting

Bebouwde kom

Hinderpercentage

Woonkernen

Goed Voldoende Onvoldoende

8 – 13

Hinderpercentage

Buitengebied

Nieuwe woongebieden 0–8 13 of meer

Bedrijventerreinen

0 – 10% 10 – 15% ➢

15%

0 – 13 13 – 20 20 of meer

0 – 15% 15 – 20% ➢

20%

Tabel 5 streefwaarde in relatie tot hinderpercentage

Aangetoond is dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. In de huidige situatie wordt reeds voldaan aan de streefwaarde, waardoor verwezen kan worden naar het raadsbesluit van 5 november 2013. Daarin is reeds gesteld dat wanneer aan de streefwaarde wordt voldaan, zondermeer sprake is van een aanvaardbaar plan met betrekking tot het deelaspect geurhinder. Het aspect geur zorgt dan ook niet voor een belemmering van de ontwikkeling. Aanvulling Aangezien voor gecombineerde luchtwassers (juni 2018) nieuwe (verhoogde) geuremissiefactoren zijn vastgesteld is de gemeentelijke geurkaart niet langer representatief voor de actuele geursituatie. Het biedt wel een indicatie voor de geursituatie, maar dient normaal gesproken aangevuld te worden met een vervolgonderzoek dat moet bevestigen of de conclusies nog onveranderd zijn. Daarom is er een berekening achtergrondbelasting geur uitgevoerd met V-stacks gebied. Uit de resultaten blijkt dat de cumulatieve geurbelasting maximaal 7,04 ouE/m3 (Nistelrodesedijk 4) en 7,42 ouE/m3 (Bergweg 13) bedraagt. De bedrijfswoning ligt op een afstand aan van 60 meter ten aanzien van het dichtstbijzijnde dierenverblijf. Daarnaast is er een V-stacks geurberekening opgesteld om te bepalen of dat de geurbelasting afkomstig van de schapenhouderij op de omliggende woningen aanvaardbaar is.

Bij de berekening is het hoekpunt van de dichtstbijzijnde woning

23

aangehouden als meetpunt, welke op de kortste afstand van de schapenstal is gelegen. Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting op omliggende woningen maximaal 1,3 ouE/m3 bedraagt. Deze berekening is bijgevoegd in bijlage 2. Er kan geconcludeerd worden dat deze de agrarische activiteiten op het agrarisch bouwvlak niet belemmerd en vanuit het Bkl sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur.

24

HOOFSTUK

6 Conclusie

In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling ten behoeve van Bedafse Hoeve. Het project heeft betrekking op één locatie en is daarmee relatief kleinschalig en heeft geen kenmerken die potentieel een risico op grote milieueffecten in zich hebben. Door de wijziging met betrekking tot de dieren is er per saldo sprake van een afname van de emissie fijnstof en een lichte toename van de emissie van ammoniak en geur. De dierenaantallen blijven binnen de grenzen van de m.e.r.-beoordelingsplicht. Uit deze beoordeling blijkt dat er geen onevenredige nadelige milieueffecten. Deze beoordeling geeft dan ook geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure. Gelet op het vorenstaande wordt op basis van deze aanmeldnotitie voorgesteld om te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=3353948b-ea6b-42c3-878c-d8ab58362b1d