CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting_Bijlage 14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 11 november 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Herstelbesluit Woonlocatie Hommelsedijk/Nobisweg12.663 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In het kader van een goed woon- en leefklimaat wordt geadviseerd om voor woningen binnen de bouwvlakken met een cumulatieve geluidbelasting van meer dan 53 dB rekening te houden met extra geluidwering van de gevel op basis van deze geluidbelastingen. Aanbeveling Op dit moment zijn de zones deels in buitenstedelijk gebied gesitueerd waardoor de maximale ontheffingswaarde 53 dB bedraagt. De maximale ontheffingswaarde ten gevolge van wegen ter plaatse van woningen binnen stedelijk gebied bedraagt 63 dB. Bij de realisatie van het plan is het noodzakelijk om de grens stedelijk/buitenstedelijk gebied te verplaatsen gezien het een dorpsuitbreiding is. Wanneer de grens stedelijk gebied wordt verplaatst is het wel mogelijk om een hogere waarde te verlenen aan de woningen in het oostelijk deel van zone 2 (bouwvlak DB WG01)zonder extra maatregelen te treffen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een procedure hogere waarde benodigd. Daarnaast worden de wegen binnen de woongebieden als 30 km/uur ingericht. Er worden geen nieuwe geluidproducerende activiteiten gerealiseerd (met uitzondering van het geluid van het extra gemotoriseerd verkeer). Vanuit het aspect wegverkeerslawaai, rekening houdend met de verkeerskundige maatregelen, zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten.

22

2.5.7

Luchtkwaliteit en stikstof

2.5.7.1

Stikstofdepositie Bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van het plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de 'Handreiking Passende Beoordeling Stikstofaspecten Bestemmingsplannen'. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Hierbij is rekening gehouden met het inzetten van een interne salderingsmaatregel. In het kader van deze interne salderingsmaatregel zijn in de uitgevoerde berekening de emissierechten van één van de stoppende agrarische bedrijven, te weten Hommelsedijk 4a, ingezet. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten voor het aspect stikstofdepositie derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en tevens geen sprake is van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan.

2.5.7.2

Luchtkwaliteit Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Voorliggend plan omvat in totaal planologisch maximaal 208 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. De grenswaarde voor de gemiddelde concentratie NO2 bedraagt 40 µg/m³ per jaar. Voor PM10 bedraagt de gemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³ per jaar. Ter plaatse van het plangebied bedroeg de concentratie stikstofdioxide (NO2 ) in de lucht in 2020 tussen de 12 14 µg/m ³. De concentratie PM10 bedroeg in 2020 tussen de 16 - 18 µg/m ³ bedroeg.

23

De grenswaarden voor NO2 en PM10 wordt niet overschreden en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Bovendien wordt met de beëindiging van de intensieve veehouderijen aan Hommelsedijk 4a en 4b en de Hommelsedijk 15 een positieve bijdrage geleverd aan de luchtkwaliteit. Op basis van bovenstaande zijn vanuit het aspect luchtkwaliteit en stikstof er geen belangrijke gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten.

2.5.8

Bedrijven en milieuzonering Omgevingstype Het omgevingstype van voorliggend plangebied is een rustige woonwijk. In de omgeving is slechts van beperkte functiemenging sprake en er is weinig verstorend verkeer. Invloed plan op de omgeving Het plan betreft woningbouw. Er is daarom geen sprake van milieutechnische uitstraling van het plan op de omgeving. Invloed omliggende inrichtingen op plan In de directe omgeving van het plangebied zijn twee niet-agrarische bedrijven aanwezig (Zandstraat 1 en Hommelsedijk 6a). Hierna wordt voor beide bedrijven de situatie beschreven. Zandstraat 1 Vergunde situatie Op dit moment zijn andere, minder zware, bedrijfsactiviteiten vergund. Wanneer getoetst wordt op de de feitelijke situatie dan dient rekening gehouden te worden met de (onder voorschriften) vergunde situatie: een 'aannemersbedrijf met timmerwerkplaats en machinale houtbewerking met werf'. Wordt er dan naar de gebouwinvulling gekeken dan kan worden geconstateerd dat in het dichtst bij het plangebied gelegen gebouw A (504 m2) vooral opslag (van antiek) aanwezig is en midden in het gebouw een kleine werkplaats (<200m2). in de andere gebouwen ten noorden van gebouw A vinden de overige activiteiten plaats. Wanneer naar de vergunning wordt gekeken kan de bedrijvigheid daarom volgens de VNG lijst vallen onder:  Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o.

< 200 m2  Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m² Beide vormen van bedrijvigheid vallen onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter (vanaf rand perceel). De werkelijke afstand tussen de bedrijvigheid en het dichtstbijzijnde bouwvlak bedraagt meer dan 50 m. Er wordt voldaan aan de vereiste richtafstanden. Planologische mogelijkheden Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Bernheze' heeft de Zandstraat 1 echter de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - timmerbedrijf'. Op basis van bijlage 7 bij het vigerend bestemmingsplan is alleen een timmerbedrijf en geen ander bedrijf toegestaan. Bij dit timmerbedrijf is een bedrijfsoppervlak van 1.300 m2 toegestaan en daarom zou er, ook basis van de feitelijke aanwezige bedrijfsbebouwing, worden uitgegaan van SBI 162.0 met categorie 3.2. Dit zijn de theoretische planologische mogelijkheden. Op basis van deze maximale planologische mogelijkheden valt een deel van de woningen in deelgebied C binnen de richtafsfstanden van het bedrijf. Om aan te tonen dat ter plaatse van de beoogde woningen een goed woon- en leefklimaat heerst én dat de (toekomstige) bedrijfsvoering niet wordt belemmerd zal een akoestisch onderzoek of een reële kwantitatieve onderbouwing/berekening worden opgesteld. P.M.

akoestisch onderzoek Ter borging van de uitvoer van dit onderzoek is er voorlopig een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Wanneer het onderzoek is uitgevoerd zal deze verwijderd of gewijzigd worden naargelang de uitkomst van het onderzoek. Hommelsedijk 6a Volgens het bestemmingsplan is er planologisch een paardenhouderij en een boertel mogelijk.

24

Er is een vergunning verleend voor een boertel, groepsaccommodatie en manege. De verschillende onderdelen vallen onder een verschillende bedrijfsactiviteiten:  De activiteiten van het boertel (boerenhotel in de vorm van 2 appartementen), de teambuilding/vergaderlocatie en het nachtverblijf van de groepsaccommodatie kunnen geschaard worden onder de categorie 'Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra', omdat ter plaatse nachtverblijf wordt aangeboden in de vorm van kamers en appartementen en omdat de vergaderlocatie vergelijkbaar is met een de activiteiten van een congreslocatie. Deze activiteiten betreft daarmee milieucategorie 1 activiteiten (geur 10 m, geluid 10 m, gevaar 10 m).  De dagactiviteiten van de groepsaccomodatie (geschikt van 10 -24 personen) kan geschaard worden onder de activiteit 'Kinderopvang', omdat hier binnen en buitenactiviteiten voor diverse leeftijden worden aangeboden. Deze activiteit betreft een milieucategorie 2 activiteit (geluid 30 m);  De activiteiten van de manege vallen binnen de milieucategorie 3.1 (geur (50 meter), stof (30 meter) en geluid (30 meter)). Ad 1 De afstand van de bestemmingsgrens tot het dichtstbijzijnde bouwvlak is 10 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van alle bij deze bedrijfsactiviteiten behorende aspecten (geur, geluid en gevaar). Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ad 2.

De activiteiten met betrekking tot de groepsaccommodatie hebben een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Omdat de afstand van het dichtstbijzijnde bouwvlak 10 meter betreft wordt niet voldaan aan de gewenste richtafstand. Mogelijk dient er een geluidwerende voorziening gerealiseerd te worden om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Hiervoor dient een nader akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Ad 3. Hierna wordt voor elk afzonderlijk milieuaspect gemotiveerd waarom er geen belemmeringen voor de omliggende woningen is te verwachten. Geur In de regels van het vigerende bestemmingsplan is vastgelegd dat de geurveroorzakende activiteiten (dierstallen) binnen het bouwvlak op de verbeelding dienen plaats te vinden (zie ook geuronderzoek in bijlage 10). Voor de beoordeling van eventuele hinder vanuit het aspect geur is daarom de rand van het bouwvlak van de manege, dan ook maatgevend. De bouwvlakken van de woningen zijn gelegen op een grotere afstand dan 50 m vanaf het opgenomen bouwvlak van de manege, waarmee de richtafstand van 50 meter voor geur richting de woningen wordt gerespecteerd. Er worden geen belemmeringen vanuit het aspect geur verwacht. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Stof Het milieuaspect stof wordt met name veroorzaakt door de activiteiten in de rijbak.

Volgens het vigerende bestemmingsplan mogen rijbakken alleen binnen het bouwvlak worden gesitueerd. De richtafstand van 30 meter voor stof richting de woningen wordt gerespecteerd. Tevens is de heersende windrichting zuidwest en daarmee van het plangebied af. Hiermee wordt er geen significante geur- en stofhinder verwacht ter plaatse van de woningen. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Geluid Vanuit de manege zijn geluidveroorzakende activiteiten ook mogelijk buiten het bouwvlak. Daarom dient voor dit aspect gerekend te worden vanaf de bestemmingsgrens. Zoals hierboven beschreven ligt het dichtstbijzijnde bouwvlak op 10 meter afstand. Hiermee wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Mogelijk dient er een geluidwerende voorziening gerealiseerd te worden om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Hiervoor dient een nader akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Om aan te tonen dat ter plaatse van de beoogde woningen een goed woon- en leefklimaat heerst én dat de (toekomstige) bedrijfsvoering niet wordt belemmerd zal voor de vaststelling een akoestisch onderzoek of een reële kwantitatieve onderbouwing/berekening worden opgesteld met betrekking tot de noodzakelijke geluidwerende voorzieningen. Op de verbeelding en in de regels is in de groenzone een aanduiding opgenomen waarmee de realisatie van geluidwerende voorzieningen is toegestaan.

25

P.M. akoestisch onderzoek Ter borging van de uitvoer van dit onderzoek is er voorlopig een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Wanneer het onderzoek is uitgevoerd zal deze verwijderd of gewijzigd worden naargelang de uitkomst van het onderzoek. Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat ten gevolge van het plan vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering er geen belangrijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn Na realisatie van, indien noodzakelijk, geluidwerende maatregelen.

2.5.9

Externe veiligheid Om de risico's vanuit externe veiligheid voor de ontwikkeling als gevolg van activiteiten in de directe omgeving te inventariseren is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd Op basis van de resultaten uit de quickscan externe veiligheid wordt geconcludeerd dat:  het plangebied niet gelegen is binnen een invloedsgebied van een water-, spoor- en autoweg, waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, waardoor de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg vormen geen belemmering vormen voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is voor deze aspecten niet aan de orde.  het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding ligt, waardoor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding geen belemmering vormt voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.  het plangebied zich niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving bevindt, waardoor de risico's als gevolg van inrichtingen vormen geen aandachtspunt vormen voor de planvorming en een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat ten gevolge van het plan vanuit het aspect externe veiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

2.5.10

Agrarisch geur Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan. Om uit te sluiten of er al dan niet sprake is van inbreuk op de milieurechten van bestaande veehouderijen en of de planontwikkeling geen inbreuk veroorzaakt op de planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen, is een Agrarisch geuronderzoek uitgevoerd. Tevens is in dit onderzoek onderzocht of ter plaatse van de planontwikkeling een voldoende woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van de voorgronden achtergrondgeurbelasting. Op basis van de resultaten uit het agrarisch geuronderzoek wordt geconcludeerd dat:  de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de milieurechten en planologische geurruimte van omliggende veehouderijen wanneer voor de manege aan de Hommelsedijk 6A de minimale afstand van 50 meter tussen de geurgevoelige objecten binnen het plan en de dierverblijven/bouwvlak wordt gerespecteerd. Op de navolgende afbeelding zijn de geurcontouren inzichtelijk gemaakt.  de berekende voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Koffiestraat 6 ten hoogste 0,1 OUE/m³ bedraagt .

Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de voorgrondgeurbelasting te classificeren als ‘zeer goed’. De berekende voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Justitieweg 2 bedraagt ten hoogste 1,4 OUE/m³. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de voorgrondgeurbelasting te classificeren als ‘zeer goed’.  de berekende achtergrondgeurbelasting ten hoogste 3,34 OUE/m³ bedraagt ter plaatse van de randen van het zuidelijkste gelegen deelgebied en ter plaatse van de randen van de andere deelgebieden ten hoogste 2,87 OUE/m³. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondgeurbelasting

26

te classificeren als ‘goed’ ter plaatse van het zuidelijkste deelgebied en ter plaatse van de andere twee deelgebieden ‘zeer goed’. conform de vuistregel ‘dat de voorgrondgeurbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft van de achtergrondgeurbelasting bedraagt’ is in onderhavige situatie voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat de achtergrondgeurbelasting maatgevend voor het woningbouwplan. Het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting is te kwalificeren als ‘goed’ ter plaatse van de rand van het zuidelijkste deelgebied tot ‘zeer goed’ ter plaatse van de andere deelgebieden. de berekende achtergrondgeurbelasting ter plaatse van het woningbouwplan aan de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Bernheze 2013 ’ voldoet. In deze beleidsregel staat dat voor nieuwe woongebieden sprake is van een ‘voldoende’ woon- en leefklimaat als de achtergrondgeurbelasting (cumulatieve geurhinder) niet meer dan 13 OUE bed

Het plan vormt voor het aspect geurhinder veehouderijen geen nadelig gevolgen voor de omgeving wel moet rekening worden gehouden met de manege aan de Hommelsedijk 6A. De minimale afstand van 50 meter tussen de geurgevoelige objecten binnen het plan en de dierverblijven/bouwvlak moet gerespecteerd blijven.

2.6

Volksgezondheid Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor bij de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

2.6.1

Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen. Endotoxinen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Na de beëindiging van de intensieve veehouderijen aan de Nobisweg 15 en de Hommelsedijk 4a en 4b is er sprake van een zeer grote afname van het fijnstof gehalte in de lucht ten gevolge van pluimveehouderijen. Hierdoor is sprake van een grote verbetering van de luchtkwaliteit waardoor de gezondheidsrisico's met betrekking tot endotoxine voor de bewoners van Heeswijk-Dinther verminderen. De in de nabijheid van het plangebied gelegen pluimveehouderij aan de Dodenhoeksestraat 1 wordt geclassificeerd als zijnde van zeer geringe omvang. Deze heeft een fijnstofemissie van circa 4,1 kg jaar.

Ten aanzien van de beoordeling op basis van de ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- in de omgeving. Er is dus geen sprake van een verhoogd risico. Het plangebied is wel gelegen binnen de richtafstand tot een pluimveehouderij. Het aantal dieren is echter zeer beperkt en de fijnstofconcentratie ligt beneden de adviesnorm van 30 EU/m³. Er is dus een zeer beperkt verhoogd risico. Het plan voorziet niet in bijzondere gevoelige bestemmingen en er worden geen klachten vanwege veehouderijen verwacht. Een GGD advies hoeft niet te worden gevraagd.

27

Geitenhouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Binnen een straal van 1 kilometer bevinden zich geen pluimveehouderijen. Binnen een straal van 2 kilometer bevinden zich twee geitenhouderijen. Op circa 1.100 meter van het plangebied is aan de Meerstraat 29 een geitenhoudenrij vergund. Op circa 1.800 meter van het plangebied is aan de Fokkersoek 1 eveneens een geitenhouderij vergund. Uit het stappenplan blijkt dat ten aanzien van de geitenhouderijen overwogen dient te worden om advies van de GGD in te winnen.

2.6.2

Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Het plan leidt tot het toevoegen van woningen waar personen gedurende langere tijd verblijven. Er wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltbedrijf. Rekening houdend met het wensbeeld voor het middengebied is het niet aannemelijk dat er een fruitteeltbedrijf binnen 50 meter van het plangebied wordt gevestigd. Boomteelt is alleen mogelijk ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt'. In de nabije omgeving van het plangebied is deze aanduiding niet aanwezig.Aan de buitenzijde van het plangebied zijn reeds woonfuncties aanwezig, die een belemmering vormen voor een eventuele ontwikkeling van fruitteelt. De percelen tussen deelgebied B en C maken onderdeel uit van de visie 'Bebouwingsconcentraties', waarbinnen geen nieuwe ontwikkeling van fruitteelt is voorzien.

2.6.3

Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Het plan leidt tot het toevoegen van woningen waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Er wordt echter opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 3 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is om die reden geen nader onderzoek nodig.

2.6.4

Ontplofbare oorlogsresten In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat ongeveer tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze ‘blindgangers’ in de bodem voor. Om te onderzoeken of het plangebied of delen hiervan betrokken zijn geweest bij oorlogshandelingen en er daardoor een verhoogd risico is op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) is een historisch vooronderzoek OO uitgevoerd Op basis van de resultaten uit het historisch vooronderzoek wordt het onderzoeksgebied als onverdacht verklaard op een verhoogd risico tot aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten. Het bepalen van een verticale en horizontale afbakening is dan ook niet aan de orde. Ook het bepalen van de mogelijk aan te treffen OO is niet

28

van toepassing. Indien tijdens de uitvoering onverhoopt OO worden aangetroffen, worden alsnog de benodigde acties genomen. Op grond van het bovenstaande kan samenvattend worden geconcludeerd dat vanuit het aspect Volksgezondheid geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn

29

3

PLAATS VAN HET PROJECT

3.1

Bestaand grondgebruik Zoals in de inleiding van deze aanmeldingsnotitie is aangegeven, kent het plangebied thans een agrarisch grondgebruik. Er zijn drie veehouderijen waarvan de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en de opstallen worden gesloopt. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich aan de Heuvelstraat de sportvelden Van Avesteyn en HDL. Aan de Koffiestraat en aan de Nobisweg grenst het plangebied aan woningen. Op de hoek van de Nobisweg/Zandstraat is een monumentale boerderij gelegen. Daarnaast is aan de Zandstraat, De Dieppoel en de Hommelsedijk enkele bebouwing aanwezig. Binnen het plangebied zijn aan de Koffiestraat 2a en De Dieppoel 1 woningen gelegen en liggen aan de Koffiestraat moestuinen. Het plangebied heeft in zijn huidige gebruik geen ontsluitingsfunctie voor de dorpskern van Dinther en grenst aan de bestaande straten De Dieppoel, Hommelsedijk, Koffiestraat, Heuvelstraat, Nobisweg en de Zandstraat.

3.2

Rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid. De gemeente Bernheze heeft daarnaast een' Duurzame energieagenda 2021-2025: op weg naar energieneutraal Bernheze' opgesteld. Hierin heeft de gemeente Bernheze de ambities op het gebied van duurzaamheid voor de komende decennia opgesteld.

3.2.1

Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Onderhavig plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:  de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd;  er wordt gebruikt gemaakt van zonnepanelen;  de woningen worden voorzien van een koude-warmte opslag;  de woningen worden volgens het BENG-principe gebouwd;  het plan kent oplaadpunten voor elektrische auto's.

30

3.2.2

Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Klimaatverandering heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door in het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Voorliggend plan is klimaatbestendig:  het oppervlakte water in openbare ruimte heeft een waterbergende, ecologische en landschappelijke functie;  het hemelwater wordt op eigen terrein geborgen;  er wordt zo weinig mogelijk verharding / halfverharding aangelegd;  het plangebied betreft een aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, gebiedseigen planten en dieren;  binnen het plangebied wordt groen aangelegd ten behoeve van opname van stikstof en CO2, het vast houden van water en het tegengaan van hittestress;  het plangebied omvat een wegennet voor langzaam rijdend verkeer.

3.3

Opnamevermogen van het natuurlijk milieu a)

Wetlands In de omgeving van het plangebied komen geen wetlands voor. De voorgenomen activiteit zal hierop geen invloed hebben.

b)

Kustgebieden De afstand van het plangebied tot de kustgebieden is dermate groot dat beïnvloeding hiervan op voorhand kan worden uitgesloten.

c)

Berg- en bosgebieden. In de omgeving van het plangebied zijn geen berg- en bosgebieden gelegen. Negatieve invloed op deze gebieden is dan ook niet aan de orde als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten.

d)

Reservaten en natuurparken. Er zijn geen reservaten of natuurparken gelegen in de omgeving van het plangebied.

e)

Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek op circa 12,4 km afstand. Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden, zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden uitgesloten (zie ook paragraaf 2.5.4).

f)

Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. In de omgeving van het plangebied zijn geen gebieden bekend waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit worden overschreden. Het plangebied is zoals hierboven gesteld niet gelegen binnen een Vogel- of Habtitatrichtlijngebied. Ook vanuit de Kaderrichtlijn Water ligt er op dit moment geen opgave voor dit plangebied.

g)

Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Heeswijk-Dinther. Hier geldt een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 96 inwoners per km² (1). Het plangebied is gelegen in een gebied met een relatief lage bevolkingsdichtheid (Nederland gemiddeld 517 inwoners/ km2).

1 https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84799NED/table?dl=41062

31

h)

Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Zoals in het voorgaande reeds is aangegeven, is het plangebied niet gelegen in een landschap van historisch, cultureel of landschappelijk belang.

32

4

KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT

4.1

Bereik van het effect (geografische zone en grootte getroffen bevolking) Zoals in de vorige hoofdstukken is aangegeven, is de omvang van de effecten als gevolg van de realisering van de voorgenomen activiteiten zeer beperkt .

4.2

Grensoverschrijdend karakter Er worden geen grensoverschrijdende effecten verwacht.

4.3

Orde van grootte en complexiteit effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.

4.4

Waarschijnlijkheid effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.

4.5

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect Niet van toepassing. Zie paragraaf 2.5.

33

5

CONCLUSIE Gelet op het voorgaande is de initiatiefnemer van oordeel dat de aard van de effecten die gekoppeld zijn aan de voorgenomen realisering van planologisch maximaal 208 woningen in het gebied tussen De Dieppoel, Koffiestraat, Hommelsedijk, Heuvelstraat, Nobisweg en de Zandstraat in Heeswijk-Dinther in voldoende mate in beeld zijn gebracht en dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot dermate belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat het maken van een milieueffectrapport een toegevoegde waarde zou hebben. Op grond hiervan verzoekt de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag te besluiten dat een verdere m.e.r.procedure niet aan de orde is.

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=5e71e361-583b-4596-978b-faf68c24e017