CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VIII archeologie

Commissie Ruimtelijke Zaken 19 juni 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Aa-Brugstraat 19 – Veldstraat ongenummerd, Heeswijk-Dinther15.250 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect-rapport 4389 Heeswijk-Dinther, AA-Brugstraat 19 Gemeente Bernheze (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Auteur

T.S. van Cruchten, J.P.M. de Wit

Versie

Versie 1.2

Projectcode

22080010

Datum

13-01-2023

Opdrachtgever

Tritium Advies

Uitvoerder

Transect b.v.

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein Veldonderzoek

T. Nales (Senior KNA Prospector) J. de Wit

Onderzoeksmelding

5307990100

Bevoegde overheid

Gemeente Bernheze

Adviseur bevoegde overheid

Monumentenhuis Brabant

Status

Nog te beoordelen

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (14-11-2022)

Autorisatie Naam Drs. T. Nales (Senior KNA Prospector)

Datum

Paraaf

13-01-2023

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Samenvatting In opdracht van Tritium Advies heeft Transect in november 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Aa-Brugstraat 19 in Heeswijk-Dinther (gemeente Bernheze). Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op de overgang van een dekzandrug in het noorden en het beekdal van de Aa in het zuiden ligt. Dergelijke locaties waren vanaf het Laat-Paleolithicum een aantrekkelijke vestigingslocatie, omdat de dekzandrug een hoge, droge vestigingsplaats bood nabij stromend water (de Aa). Er geldt daarom een hoge archeologische verwachting vanaf deze periode. Deze verwachting valt te verdelen over de verschillende landschappelijke zones waarin het plangebied zich bevindt. Op de dekzandrug kunnen nederzettingen, sporen van landgebruik en grafvelden voorkomen vanaf het Laat-Paleolithicum.

Daarnaast geldt een hoge verwachting op militaire resten of belegeringskampementen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd vanwege de ligging tussen twee kastelen in. Hier hebben vanaf de 14e eeuw tot de 18e eeuw en met name tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) diverse belegeringen en gevechten plaatsgevonden. Voor het beekdal geldt een verwachting op constructies ten behoeve van infrastrucuur, voorzieningen voor visvangst, plaatsen van rituele depositie en tijdelijke verblijfsplaatsen van jager-verzamelaars. Er geldt een specifieke verwachting op een visserij die tot kasteel Ter Borch heeft behoord. Deze visserij heeft vermoedelijk langs de zuidwestrand van het plangebied gestaan. Tijdens de 19e en 20e eeuw is er geen bebouwing aanwezig in het plangebied tot aan de bouw van de huidige stallen en woningen vanaf de jaren 80 in de 20 e eeuw. Uit deze periode worden daarom met name resten van landgebruik verwacht. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond in het plangebied in te delen is in een viertal geomorfologische zones. In het noordwesten van het plangebied bevindt zich een dekzandrug, waarvan de top van het dekzand intact is aangetroffen. Dit is te duiden aan de aanwezige bodemhorizonten in het dekzand.

Ter plaatse van de bebouwing is de top van het dekzand grotendeels verstoord, doordat onder de stallen mestputten tot maximaal 185 cm -Mv aanwezig zijn. Ter plaatse van de onbebouwde delen van de dekzandrug geldt op basis van bovenstaande resultaten een hoge archeologische verwachting op resten uit het Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen. Ter plaatse van de bebouwing zullen resten uit het Laat-Paleolithicum-Mesolithicum niet meer aanwezig zijn, aangezien vindplaatsen uit deze periodes zich kenmerken door oppervlakkige vondstconcentraties. Wel kunnen er onder de bebouwing nog diepere grondsporen uit de periodes Neolithicum-Late Middeleeuwen voorkomen. In het centrale en zuidelijke deel van het plangebied bestaat de ondergrond uit beekafzettingen. Deze afzettingen zijn globaal te typeren als restgeulopvullingen en oeverwallen of overstromingsafzettingen, waarop circa een 1,0 m dikke laag verspoeld dekzand is afgezet. Van zuidwest naar noordoost is in het plangebied een restgeul aanwezig, te duiden aan het veen dat hier in de ondergrond aanwezig is. Ter plaatse van zowel de beekafzettingen als de restgeul en de voormalige loop van de Aa kunnen archeologische resten aangetroffen worden die verband houden met een beekdalcontext. Deze resten worden tot 100 cm -Mv in de beekafzettingen verwacht. Derhalve geldt in het plangebied een hoge archeologische verwachting.

Ter plaatse van reeds gesaneerde agrarische schuur in het westen van het plangebied zullen bodemverstoringen tot circa

150 cm -Mv aanwezig zijn. Ter plaatse van het bouwvlak van deze schuur geldt derhalve een lage archeologische verwachting. Hoewel in het noordoostelijke deel van het plangebied niet geboord kon worden, kan op basis van de hoogtekaart (www.ahn.nl; bijlage 5) en de informatie van de overige boringen het gebied als beekdal worden geïnterpreteerd. Op basis van de hoogtekaart valt tevens de dekzandrug in het plangebied te begrenzen. In het noordoostelijke deel van het plangebied geldt derhalve dezelfde hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten in beekdalcontext. Bovenstaande resultaten zijn tevens samengevat in de archeologische verwachtingskaart in bijlage 10. Advies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting. Deze is te specificeren per gebied. Ter plaatse van de dekzandrug in het noordwesten van het plangebied is een hoge verwachting op resten vanaf het Paleolithicum vastgesteld. In het oosten en zuiden van het plangebied geldt tevens een hoge verwachting op archeologische resten, maar dan in beekdalcontext. Er geldt in het hele plangebied een lage verwachting op resten uit de Nieuwe Tijd. In het kader van het wijzigen van het bestemmingsplan adviseren wij de bestaande archeologische dubbelbestemming in het gehele plangebied te behouden.

In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied adviseren wij bij het slopen van de bestaande schuren geen vervolgonderzoek uit te voeren. De ondergrond is ter plaatse van deze schuren zodanig geroerd en vergraven dat eventuele archeologische resten verloren zullen zijn gegaan. Als in de toekomst binnen het aan te passen bouwvlak nieuwbouw gerealiseerd wordt, adviseren wij ter plaatse van de zones die buiten reeds bestaande bebouwingscontouren vallen, een vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan het beste uitgevoerd worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), doordat vindplaatsen op dekzandruggen zich voornamelijk kenmerken door grondsporen. Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, dat op voorhand van de werkzaamheden door de bevoegde overheid (gemeente Maasdriel) goedgekeurd moet zijn. In het kader van de toekomstige natuurontwikkelingen in zuiden en oosten van het plangebied adviseren wij een archeologische begeleiding (IVO-AB) te laten plaatsvinden op de locaties waar de ondergrond vergraven zal worden. Aangezien vindplaatsen in beekdalcontext puntlocaties of lijnstructuren betreffen, kunnen deze het beste opgespoord worden ter plaatse van de bodemverstoringen. Eventuele vondsten kunnen vanaf circa 35 cm -Mv aangetroffen worden. Bovenstaande vormt een advies.

Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Bernheze) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding

1

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

3

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

5

5.

Beleidskader

6

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

7

7.

Beschrijving bekende archeologische kenmerken

9

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

13

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

20

10. Resultaten veldonderzoek

23

11. Beantwoording onderzoeksvragen

27

12. Conclusie en Advies

28

13. Geraadpleegde bronnen

30

Bijlage 1: Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR)

32

Bijlage 2: Toekomstige situatie

33

Bijlage 3: Archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze

34

Bijlage 4: Geomorfologie

35

Bijlage 5: Hoogtekaart

36

Bijlage 6: Bodemkaart

38

Bijlage 7: Archeologische informatie

39

Bijlage 8: Cultuurhistorische waardenkaart

40

Bijlage 9: Boorpuntenkaart

42

Bijlage 10: Archeologisch advieskaart

43

Bijlage 11: Foto’s van boringen

45

Bijlage 11: Boorbeschrijvingen

46

1. Aanleiding In opdracht van Tritium Advies heeft Transect1 in november 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Aa-Brugstraat in Heeswijk-Dinther (gemeente Bernheze). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de omvorming van een agrarisch terrein (stallen en akkers) naar een woningen en natuurgebied. In het plangebied geldt in het bestemmingsplan Buitengebied Bernheze 2014 een Waarde – Archeologie 2. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 250 m2 en dieper dan 40 cm -Mv reiken. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen van de toekomstige ontwikkeling (circa 3,8 ha met bodemingrepen dieper dan 40 cm Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Van Cruchten, 2022).

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Deze informatie is in het rapport verwerkt. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied.

Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).

2

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Bernheze

Plaats

Heeswijk-Dinther

Toponiem

Aa-Brugstraat 19

Kaartblad

45G

Centrumcoördinaat

161.492 / 405.825

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Aa-Brugstraat 19 in Heeswijk-Dinther (gemeente Bernheze). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied de percelen HWK02 Sectie E nummers 406, 758 en 759. De begrenzing wordt gevormd de grenzen van deze percelen die een nieuwe bestemming krijgen. Het plangebied is circa 3,8 ha groot.

3

Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).

4

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Bestemmingsplanwijziging

Oppervlakte plangebied

3,8 ha

Planvorming

Sloop stallen, bouw woning, ontwikkeling natuur

Omvang verstoringen

Toekomstig bouwvlak woning: 3700 m2 Natuurgebied: 3,4 ha

Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden

Diepte verstoring

Onbekend (>40 cm)

Het voornemen bestaat om het plangebied te herontwikkelen. Als onderdeel hiervan zal het grootste deel van de huidige bebouwing worden gesloopt, alleen de meest zuidelijke stal (groene kader in bijlage 2) zal worden gehandhaafd. Vervolgens zal een nieuwe woning worden gerealiseerd voor een particuliere eigenaar op het toekomstige bouwvlak (circa 3700 m2; blauw kader in bijlage 2). Hiervoor zijn naar verwachting bodemingrepen nodig die dieper zullen reiken dan 40 cm -Mv (de vrijstellingsgrens uit het bestemmingsplan). Er zijn nog geen tekeningen bekend van de toekomstige woning. De rest van het plangebied, circa 3,4 ha, zal worden getransformeerd tot een natuurgebied. Naar verwachting zullen hier ook bodemingrepen nodig zijn (vergraven, egaliseren, afgraven of aanplanten van diepwortelende beplanting). Ook hier is de precieze omvang en verstoringsdiepte van de ontwikkeling nog niet bekend. Voor deze herontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging nodig waarbij een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd voor het gehele plangebied (3,8 ha). Er zijn geen effecten op het grondwaterpeil voorzien.

5

5. Beleidskader Onderzoekskader

Aanvraag omgevingsvergunning

Beleidskader

Bestemmingsplan Buitengebied Bernheze 2014

Onderzoeksgrens

250 m2 en dieper dan 40 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2023 in werking zal treden. In het bestemmingsplan “Buitengebied Bernheze 2014” heeft het plangebied Waarde – Archeologie 2 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Deze waarde is gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart (bijlage 3). Hierop heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 250 m2 én dieper reiken dan 40 cm -Mv is daarom archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk.

Gezien het grotere verstoringsoppervlakte en diepte betekent dat in dit geval er in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is (zie hoofdstuk 4). In het kader van de omgevingsvergunning dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.

6

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Brabants zandgebied

Geomorfologie

Beekdal, vlakte van verspoelde dekzanden en dekzandrug

Maaiveld

7,0 tot 7,9 m NAP

Bodem

Lage enkeerdgronden

Grondwater

GWT-III

Landschapsgenese Het plangebied ligt in het zuidelijke zandgebied, in de Roerdalslenk (Berendsen, 2005). De Roerdalslenk is een strookvormig tektonisch dalingsgebied met een zuidoost-noordwest oriëntatie. Toen er tijdens het Weichselien weinig begroeiing in het gebied aanwezig was, is in de slenk een dik pakket dekzand afgezet (Stouthamer et al. 2015). De dekzandafzettingen stammen met name uit de koudste periode van het Weichselien, het Laat-Pleniglaciaal (26.000-13.000 jaar geleden). Tijdens die periode heerste er in Nederland een poolklimaat. De bodem was permanent bevroren (permafrost) en vegetatie was vrijwel verdwenen. Onder deze periglaciale omstandigheden hadden wind en water vrij spel. Oudere sedimenten werden door verstuiving en sneeuwsmeltwater continu omgewerkt en opnieuw afgezet. Deze zogenaamde fluvio-eolische, fluvioperiglaciale of nat-eolische zanden kenmerken zich door het voorkomen van grindsnoertjes en leemlaagjes en worden ingedeeld bij de Formatie van Boxtel (de Mulder et al. 2003). Voorheen werd dit zand ook wel Oude Dekzand genoemd (Stouthamer et al. 2015). In het Bølling-Allerød-interstadiaal (circa 13.000-11.000 jaar geleden) verbeterde het klimaat en kon de vegetatie zich herstellen. Hierdoor kwam er een einde aan de grootschalige erosie- en sedimentatie-cyclus en kon bodemvorming optreden.

Zo ontstond de zogenaamde Allerød-bodem of Laag van Usselo (de Mulder et al. 2003). In de periode daarna, het Jonge Dryas-stadiaal (circa 11.00010.000 jaar geleden) verslechterde het klimaat weer. Er heerste toen in Nederland een toendraklimaat. Hierbij was sprake van discontinue permafrost en een sterke afname in vegetatie. Zo traden opnieuw verstuivingen op. Als het gevolg hiervan ontstonden langgerekte en paraboolvormige dekzandruggen. In de Roerdalslenk hebben deze zeer grote dekzandruggen overwegend een zuidoostnoordwest oriëntatie en worden ze ook wel dekzandgordels genoemd. Dit puur eolisch afgezette zand wordt gerekend tot het Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel. Vroeger werd dit zand ook wel Jong Dekzand genoemd (de Mulder et al. 2003). Bewoning vestigde zich vooral op de flanken van dekzandruggen (Ball en Jansen, 2018). De dekzandgordels zorgden er voor dat beken niet goed naar het noorden konden afwateren, waardoor bovendien op veel plaatsen kleine meren ontstonden (Berendsen, 2005). Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 11.700 jaar geleden) trad een drastische klimaatsverandering op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger. Hierdoor kon vegetatiegroei toenemen en werden zandverstuivingen aan banden gelegd. In de top van het dekzand kon zo bodemvorming (podzolering) optreden.

Er ontstond toen geleidelijk aan een landschap met daarin dichtbegroeide zandruggen en –koppen, met daartussen relatief vochtige, laaggelegen delen, waar zich veen in kon ontwikkelen (Berendsen, 2005). Dwars door dit landschap lag een sterk vertakt systeem van beken (waaronder de Aa), die zorgden voor de ontwatering van de Slenk. Hier werden tijdens overstromingen zand en leem afgezet die lithologisch tot het Laagpakket van Singraven binnen de Formatie van Boxtel behoren (De Mulder e.a., 2003). Ook ontstond hier een relatief drassig gebied, doordat het water van de beken stagneerde in het vlakke gebied. De dekzandruggen en -koppen 7

staken daarbij als relatief hoger en droog gelegen plekken in het landschap uit. Volgens de paleogeografische kaarten van Vos et al. (2017) is het beekdal van de Aa, met inbegrip van het plangebied, in deze periode begroeid geraakt met veen. Geologie Volgens boring B45G0756 uit het Dinoloket van TNO, circa 25 m ten westen van het plangebied, liggen in het plangebied afzettingen van het Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel (beekafzettingen) aan het maaiveld tot een diepte van 4 m -Mv. Deze afzettingen bestaan uit zand met op een diepte van 150 tot 160 cm -Mv (5,85 – 5,95 m NAP) een leemlaag. Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt het zuiden van het plangebied in een beekdalbodem met meanderruggen en geulen (code 22R46, bijlage 4, www.pdok.nl). Het midden van het plangebied is gekarteerd als een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss (2M53), het uiterste noordwesten is gekarteerd als een dekzandrug (code 3B53). Direct ten noorden van het plangebied ligt hedendaags de gekanaliseerde loop van de Aa. De oorspronkelijke loop van de Aa en het beekdal volgt de ligging van de sloot langs de zuidrand van het plangebied. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het grootste deel van het plangebied op 7,0 m NAP ligt (bron: www.ahn.nl; versie 4; bijlage 5).

Ter plaatse van de bebouwing ligt het maaiveld hoger, namelijk op maximaal 7,9 m NAP. Dit is waarschijnlijk het gevolg van antropogene ophogingen. Er zijn geen maaiveldhoogteverschillen zichtbaar op het AHN die wijzen op de aanwezigheid van een dekzandrug. Bodem en grondwatertrap Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied lage enkeerdgronden aanwezig (kaartcode EZg23, bijlage 6, www.pdok.nl). Dit zijn podzolgronden waarop door plaggenbemesting een bouwlanddek is ontstaan met een dikte van minder dan 50 cm dik (De Bakker, 1966). De grondwatertrap in het plangebied is III (op de bodemkaart). Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen 40 cm -Mv voor kan komen. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) kan daarentegen tussen 80 en 120 cm -Mv liggen. De wisselingen in grondwaterstanden leiden ertoe dat organische resten, zoals bot- of plantenmateriaal, binnen 120 cm -Mv worden aangetast als gevolg van oxidatie. Binnen 120 cm -Mv kunnen wel anorganische resten, zoals vuursteen en aardewerk, of verbrande organische resten worden aangetroffen. Beneden 120 cm -Mv kunnen daarnaast theoretisch gezien ook onverbrande organische resten worden aangetroffen.

8

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Nee

Verwachting gemeentelijke kaart

Gedeeltelijk hoog en gedeeltelijk laag

Archeologische waarden en/of informatie

Nee

Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart (Gemeente Bernheze, 2011) heeft het overgrote deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting. Deze verwachting is gebaseerd op de verwachte ligging van het plangebied op (de flank van) een dekzandrug (bijlage 2). Het uiterste zuiden van het plangebied, waar op de geomorfologische kaart een beekdal is gekarteerd, heeft een lage archeologische verwachting (circa 4400 m2). Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend (bijlage 7). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende onderzoeken in de omgeving van het plangebied, in tabel 2 zijn de verschillende vondstmeldingen weergegeven.

Archeologisch gezien valt uit de onderzoeken uit de omgeving van het plangebied af te leiden dat er bewoning heeft plaatsgevonden vanaf de Bronstijd, hoewel er theoretisch gezien bewoning mogelijk was vanaf het vormen van de dekzandruggen in het Laat-Paleolithicum. Op de hogere dekzandruggen zijn met name verschillende nederzettingen uit de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen aangetroffen. Een enkele vindplaats is in het beekdal van de Aa aangetroffen. De vindplaatsen kenmerken zich in de vorm van een cultuurlaag of door middel van grondsporen, zoals haardkuilen, beerputten, paalkuilen en gegraven sloten en greppels. In het beekdal van de Aa zijn tevens tijdens begeleidingen enkele losse vondsten uit de Bronstijd en Romeinse Tijd aangetroffen.

9

Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).

Zaak-ID

Toponiem

Afstandwindrichting

Type onderzoek

Bevindingen

Bron

2466867100

EVZ Aa

240 m ten oosten

Begeleiding

In 2015 is een archeologische begeleiding uitgevoerd naar aanleiding van de realisatie van een Ecologische VerbindingsZone (EVZ). Tijdens deze begeleiding zijn een losse bronzen vlakbijl uit de Vroege Bronstijd, een fibula uit de Romeinse tijd en een vindplaats bestaande uit greppels uit de Nieuwe Tijd gevonden.

Rondags (2017)

2178199100

N279 ’sHertogenbosch Veghel Tracé verbreding Zuid-Willemsvaart

255 m ten zuidwesten

Bureauonderzoek

In 2007 is een bureauonderzoek uitgevoerd waarvan de rapportage niet beschikbaar is in Archis3 of Dans Easy.

-

300 m ten zuidwesten

Bureauonderzoek

In 2009 is een bureauonderzoek uitgevoerd waarvan de rapportage niet beschikbaar is in Archis3 of Dans Easy.

-

Raadhuisplein 20D

335 m ten noorden

Bureau- en booronderzoek

In 2017 zijn een bureauonderzoek, veldkartering en karterend booronderzoek uitgevoerd naar aanleiding van geplande nieuwbouw. Hierbij is een verwachting opgesteld op resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen op basis van de ligging in een gradiëntzone op geringe afstand van water. De verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd is laag vanwege de ligging buiten historische bebouwing. Uit het booronderzoek bleek dat de oorspronkelijke dekzandrug grotendeels is vergraven. In de laaggelegen delen is een leemlaag gevonden waardoor is geconcludeerd dat het plangebied slecht bewoonbaar is geweest. Er zijn ook geen archeologische indicatoren gevonden, waardoor is geadviseerd het plangebied vrij te geven.

Exaltus en Orbons (2019)

2254573100

4036021100

10

2482580100

Boerderij van der Wielen

395 m ten noorden

Nietarcheologisch baggerwerk

Er is een onderzoeksmelding geregistreerd van baggerwerkzaamheden in plangebied ‘Boerderij van der Wielen’. Hier is in januari 1941 veldwerk verricht. De melding is aangemaakt ten behoeve van koppeling van data uit BoneInfo. Er is geen rapportage beschikbaar over de resultaten.

-

2362887100

Ontsluitingsweg Heeswijk-Dinther

395 m ten oosten

Booronderzoek

In 2012 is een bureauonderzoek met veldkartering en verkennend booronderzoek. De rapportage hiervan is niet beschikbaar is Archis3 of Dans Easy.

-

3989254100

Ontsluitingsweg Heeswijk-Dinther Zuid

475 m ten oosten

Begeleiding

In 2016 is een archeologische begeleiding uitgevoerd van de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg ten zuidoosten van Dinther. Hierbij zijn vier vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats 1 betreft een nederzettingsterrein uit de 13e-14e eeuw bestaande uit een (deel van) een erf. Vindplaats 2 bestaat uit nederzettingssporen uit de IJzertijd tot en met de Romeinse tijd en de 12e tot en met de 14e eeuw, bestaande uit paalkuilen, een waterput of -kuil en greppels. Vindplaats 3 bestaat uit de randzone van een nederzetting uit de Bronstijd tot en met Romeinse tijd, bestaande uit een kuil en een spieker. Vindplaats 4 bestaat uit een spieker die op basis van een 14C-datering uit de Late IJzertijd tot en met Romeinse tijd.

Rondags (2018)

11

Tabel 2: Overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied (<500 m).

Zaak-ID

Toponiem

Afstandwindrichting

Datering

Type onderzoek

3235086100

Het Aa Dal

400 m ten noordoosten

Mesolithicum – Nieuwe tijd

Niet-archeologisch: kartering

2951676100

Heeswijk

490 m ten westen

Bronstijd- Late Middeleeuwen

Verwervingswijze niet te bepalen

Gele kraal

480 m ten westen

Bronstijd- Late Middeleeuwen

Verwervingswijze niet te bepalen

Blauwe kraal

250 m ten noorden

Romeinse Tijd

Verwervingswijze niet te bepalen

100 m ten noorden

Vroeg Romeinse Tijd – Nieuwe tijd

Niet -archeologisch: Metaaldetector

255 m ten noorden

Romeinse Tijd

Niet -archeologisch: Metaaldetector

2951668100

3038297100

Het Aa Dal

3252388100

3202978100

Aa-dal

Omschrijving vondstmelding

12

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype

Brabant zandgebied

Cultuurhistorische elementen

Nee

Aard historisch landgebruik

Weiland

Historische bebouwing aanwezig

Nee

Bebouwing van cultuurhistorische waarde

Nee

Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Het plangebied ligt in het beekdal van de Aa. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart (bijlage 8) wordt het zuiden van het plangebied begrensd door een oude meander van deze beek. Tevens zijn rondom het plangebied meerdere oude wegtracés gelegen van redelijk hoge waarde. Direct ten zuidwesten van het plangebied, ten westen van de Aa-Brugstraat, heeft kasteel ‘Het Geburght’ of ‘Ter Borch’ gestaan. De oudste vermelding van huis Ter Borgh dateert uit de late 14e eeuw, toen het kasteel belegerd is geweest (Van Dinther, 1996).

In een koopakte uit 1400 wordt geschreven dat er een visserij bij het kasteel heeft behoord (Van Dinther, 2006). De precieze ouderdom van het kasteel is niet bekend. In 1449 wordt alleen nog gesproken van een hoeve (Van Dinther, 1996). Op basis van de vorm op de kaart van J. Camp uit 1754 (figuur 2) en de vermelding van een ‘berch oft erdthoop’ in het tiendregister van Schijndel uit 1650 (Berkvens, 2002) betreft het mogelijk een mottekasteel. Er zijn op het terrein boringen gezet door Nico Arts, hierbij zijn enkel grote verstoringen van de bodem gevonden (Van Dinther, 2006). Circa 70 m ten oosten van het plangebied heeft volgens de cultuurhistorische waardenkaart een watermolen gestaan. Deze molen is niet opgenomen in de molendatabase (www.molendatabase.nl). De ouderdom en het type molen is daarom onbekend. Ten noordoosten hiervan heeft, op een afstand van 290 m van het plangebied, een ander kasteel gestaan. Dit is Kasteel Avestein, waarvan pentekeningen bewaard zijn gebleven uit 1732 (figuur 3). De eerste vermelding van dit kasteel stamt uit 1537. Uit een beschrijving uit 1595 van een voormalig werknemer van Avestein blijkt dat het kasteel was afgebrand als gevolg van de strijd tussen Spaanse en Staatse troepen (Van Dinther, 2006). Kasteel Avestein is omstreeks 1808 afgebroken (www.bhic.nl).

Beide kastelen hebben gelegen op de grens van de grondgebieden van Heeswijk ten noorden van de Aa en Schijndel ten zuiden. Na diverse belegeringen in de Late Middeleeuwen is er in dit gebied tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) hevig gevochten tussen Spaanse en Staatse troepen. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is het plangebied in onbebouwd (figuur 4). Volgens de bijbehorende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT) is het in gebruik als weiland. De beide kastelen in de omgeving van het plangebied zijn niet meer afgebeeld. Deze situatie blijft in de rest van de 19e eeuw en in de eerste helft van de 20e eeuw onveranderd (figuren 5-7). Op de topografische kaart uit 1975 is voor het eerst de gekanaliseerde loop van de Aa te zien ten noorden van het

13

plangebied (figuur 8). Op dit moment verliest de oorspronkelijke meander ten zuiden van het plangebied haar functie. In 1988 is het voor het eerst bebouwing in het plangebied afgebeeld (figuur 9). Het betreft drie stallen waarvan er één inmiddels weer gesloopt is. De overige twee stallen zullen als onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling worden gesloopt. Deze dateren volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) uit 2004, waardoor het waarschijnlijk is dat de bebouwing vernieuwd is op een later moment (www.bagviewer.kadaster.nl). Volgens het register dateren de overige gebouwen in het noordwesten van het plangebied uit 1983. Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) ligt het plangebied deels in de zone waardoor geallieerde troepen naar het noorden zijn opgerukt tijdens Operatie Market Garden in 1944. Er zijn echter geen concrete aanwijzingen voor militair erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl, www.bhic.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is ten tijde van het onderzoek in het noordwesten bebouwd met een woning en twee stallen (figuur 10).

Uit de bouwdossiers valt te herleiden dat de woning gefundeerd staat op betonnen balken tot een diepte van 80 cm -Mv en ter plaatse van de kelder tot 110 cm -Mv. De bestaande stallen zijn ten behoeve van mestbakken verdiept tot 50 cm -Mv (noordelijke stal) en 150 cm -Mv (zuidelijke stal). Uit de dossiers valt tevens af te leiden dat ten zuiden van de bestaande stallen een stal gestaan heeft die gefundeerd verdiept was tot een diepte van 185 cm -Mv. Ook heeft in het oostelijke deel van het plangebied een varkensstal gestaan die tot 180 cm -Mv verdiept was. Deze laatste twee stallen zijn in begin jaren 2000 gesaneerd (www.bhic.nl). Een overzichtskaart van de verstoringsdieptes is opgenomen in bijlage 11. Er heeft in het plangebied in 2007 een verkennend milieukundig onderzoek plaatsgevonden. Hierbij is geconcludeerd dat het plangebied onverdacht is op vervuiling (bron: noord-brabant.omgevingsrapportage.nl). Het plangebied staat verder niet op de provinciale ontgrondingenkaart aangeduid (Noord-Brabant, 2005). In de jaren 50 van de 20e eeuw heeft er ruilverkaveling plaatsgevonden, waarbij mogelijk enkele sloten gedempt en nieuw aangelegd zijn. Andere aanwijzingen voor bodemverstoringen in het terrein zijn er niet.

14

Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op de historische kaart van J. Camp uit 1754. Bron: www.dewojstap.nl/historische-kaarten-2/.

Figuur 3. Tekening van Kasteel Avestein uit 1732. Bron: www.bhic.nl.

15

Figuur 4: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Figuur 5. Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

16

Figuur 6. Uitsnede van een topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 7. Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

17

Figuur 8. Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 9. Uitsnede van een topografische kaart uit 1988 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

18

Figuur 10. Uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).

19

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op de overgang van een dekzandrug in het noorden en het beekdal van de Aa in het zuiden ligt. Dergelijke locaties waren vanaf het Laat-Paleolithicum een aantrekkelijke vestigingslocatie, omdat de dekzandrug een hoge, droge vestigingsplaats bood nabij stromend water (de Aa). Er geldt daarom een hoge archeologische verwachting vanaf deze periode. Deze verwachting valt te verdelen over de verschillende landschappelijke zones waarin het plangebied zich bevindt. Op de dekzandrug kunnen nederzettingen, sporen van landgebruik en grafvelden voorkomen vanaf het Laat-Paleolithicum. Daarnaast geldt een hoge verwachting op militaire resten of belegeringskampementen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd vanwege de ligging tussen twee kastelen in. Hier hebben vanaf de 14e eeuw tot de 18e eeuw en met name tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) diverse belegeringen en gevechten plaatsgevonden. Voor het beekdal geldt een verwachting op constructies ten behoeve van infrastrucuur, voorzieningen voor visvangst, plaatsen van rituele depositie en tijdelijke verblijfsplaatsen van jager-verzamelaars. Er geldt een specifieke verwachting op een visserij die tot kasteel Ter Borch heeft behoord. Deze visserij heeft vermoedelijk langs de zuidwestrand van het plangebied gestaan.

Tijdens de 19e en 20e eeuw is er geen bebouwing aanwezig in het plangebied tot aan de bouw van de huidige stallen en woningen vanaf de jaren 80 in de 20e eeuw. Uit deze periode worden daarom met name resten van landgebruik verwacht. Stratigrafische positie Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Nieuwe Tijd kunnen zich bevinden in de top van het dekzand, dat onder een bouwlanddek van maximaal 50 cm wordt verwacht. Ter plaatse van de beekafzettingen kunnen voornamelijk tot 100 cm -Mv archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd aangetroffen worden. Indien (rest)geulen in de ondergrond aangetroffen worden kunnen tot in de beddingafzettingen losse vondsten worden aangetroffen. Complextypen In het plangebied kunnen nederzettingssporen worden aangetroffen, hetzij in de vorm van (seizoensgebonden) jachtkampementen, hetzij in de vorm van huisplaatsen (boerderijen). Jachtkampementen kenmerken zich door een dichte vondstenspreidingen van onder andere fragmenten bewerkt vuursteen, hetgeen met name afhankelijk is van de langdurigheid en/of intensiteit van eventuele bewoning op die plek. De omvang ervan kan variëren tussen circa 100 en 1000 m2. De aanwezigheid hiervan is in eerste instantie afhankelijk van de intactheid van de top van het dekzand in het gebied.

Wat betreft huisplaatsen kenmerken deze zich naar verwachting door de aanwezigheid van grondsporen en vondsten. Hierin zijn afvalresten aanwezig in de vorm van aardewerk, al dan niet verbrand bot en baksteenresten. Ook zullen grondsporen aanwezig zijn als onderdeel van palen van structuren (huizen, bijgebouwen) en afval- en beerkuilen en waterputten. Daarnaast kunnen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd militaire resten worden verwacht in de vorm van kampementen die zijn gebruikt tijdens belegeringen en resten van wapens en uitrustingen. Rond 1400 is er in de buurt van het plangebied een visserij geweest. Hiervan kunnen resten van bebouwing en constructies zoals vallen en fuiken worden verwacht. Specifiek voor het beekdal moet rekening gehouden worden met het aantreffen van puntvondsten, zoals constructies ten behoeve van infrastructuur, voorzieningen voor visvangst, plaatsen van rituele depositie en tijdelijke verblijfplaatsen. Ook kunnen sporen van landbewerking, waterwerken en perceleringssystemen aangetroffen worden. 20

De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 3. Prospectiekenmerken, zoekstrategie en advies Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten is het in eerste instantie de vraag in hoeverre in het plangebied nog archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. Het archeologisch relevante niveau, het dekzand, kan door eerdere landbewerking of bebouwing verstoord zijn geraakt. De intactheid is bepalend voor het vaststellen van de archeologische verwachting. Om dit te kunnen toetsen, dient de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn. De resultaten van dit verkennend booronderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 10.

21

Tabel 3: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel

1

Archeologische verwachting Datering

2 3 4

Complextype Omvang Diepteligging

5

Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

8

Reden Hoog Laat-Paleolithicum-Nieuwe Tijd Resten bevinden zich in de top van het dekzand. Het is onbekend of dekzand in het plangebied nog intact aanwezig gaat zijn. Hoog Laat-Paleolithicum-Nieuwe Tijd Resten ter plaatse van het beekdal bevinden zich veelal binnen 100 cm van de beekafzettingen. Dit betreffen puntvondsten of lijnelementen en vlaklocaties. Op basis van geraadpleegde historische kaarten blijkt het plangebied tussen twee kastelen gelegen te hebben, waardoor het aannemelijk is dat er losse vondsten aangetroffen kunnen worden. Laag Nieuwe Tijd (vanaf 19e eeuw) Het plangebied was in gebruik als weiland en werd in de tweede helft van de 20e eeuw tevens deels gebouwd met schuren die hedendaags gesaneerd zijn. Buiten de bouwvlakken van deze schuren worden sporen van landgebruik verwacht. Nederzettingen (jachtkamp), huisplaatsen, sporen van landgebruik, water-gerelateerde resten 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Top van het dekzand, aanwezig onder een bouwlanddek van maximaal 50 cm dik. Bovenste 100 cm van beekafzettingen, top beddingzand van eventueel aanwezige (rest)geul. Onbekend Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondstconcentraties, vuile lagen, grondsporen of cultuurlagen. In het plangebied zijn een tweetal stallen gesaneerd.

Hier hebben bodemverstoringen tot circa 185 cm Mv plaatsgevonden. Tevens kan het landgebruik als akker en weiland voor (ondiepe) bodemverstoringen hebben gezorgd. 22

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Om in het plangebied de ontwikkeling van natuur mogelijk te maken is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Van Cruchten, 2022). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied éénentwintig boringen gezet (boring 1-21). De boringen hebben een diepte tot maximaal 300 cm –Mv en zijn daarbij doorgezet tot minimaal 50 cm in het dekzand of beekafzettingen om een beter inzicht in de bodemopbouw te verkrijgen. De boringen zijn handmatig gezet met behulp een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden de grondwaterspiegel (circa 130 cm -Mv) is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn gefotografeerd en vervolgens beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Enkele boorkernfoto’s zijn opgenomen in bijlage 10. De boorbeschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 11. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet, op de onverharde terreindelen binnen het gebied.

Het noordoostelijke deel van het plangebied bleek bij aankomst op het terrein niet toegankelijk vanwege de aanwezigheid van een vijftal stieren in de wei. Dit betreft een terrein met een grootte van circa 1,16 ha (zie bijlage 9). Hierdoor is het niet gelukt boring 2, 3, 4, 7 en 8 uit te voeren. Boring 9 en 10 zijn circa 5 m ten zuiden gezet, waardoor deze net buiten het bereik van de stieren gezet konden worden. De uiteindelijke ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 9. De coördinaten van de boorpunten zijn bepaald met een meetlint aan de hand van de bestaande topografie en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald (bron: www.ahn.nl). Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied in gebruik als tuin, weiland en akker. In het plangebied waren meerdere gebouwen aanwezig, waaronder een woning (250 m2), een drietal stallen (1060 m2) en een silo (90 m2). Ten westen en oosten van de stallen was verharding in de vorm van beton aanwezig. Voor de woning en de stallen langs lag tevens een met klinkers verharde oprit. Tezamen had deze bestrating een omvang van circa 800 m2. Het weiland had een omvang van circa 1,16 ha en de akker een grootte van circa 1,82 ha. Het overige deel van het plangebied was in gebruik als tuin. Langs de zuidgrens van het plangebied was een beek aanwezig.

Het maaiveld ter plaatse van de akker lag circa 1,0 m hoger dan het waterpeil. Het terrein rondom de stallen en de woning lag circa 2,0 m hoger dan het waterpeil in de beek. Het weiland lag op gelijke hoogte met de akker. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 11.

Figuur 11: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (14-11-2022).

Bodemopbouw en lithologie De bodemopbouw in het plangebied is globaal in te delen in vier types. In het noordwesten van het plangebied bestaat tot de maximale diepte van 100 cm -Mv (5,99 m +NAP) uit zwak tot matig siltig zand. Dit zand is lichtgeel tot geel van kleur aan de basis en bruin in de top. Deze top bevindt zich op een diepte van 35 cm -Mv (6,64 m +NAP). Het zand is geïnterpreteerd als dekzand. Erboven bevindt zich een laag zwak siltig, matig humeus zand dat donkerbruin tot zwart van kleur is. Deze laag is geïnterpreteerd als humeuze opgebrachte grond (oud bouwlanddek). Vanaf circa 45 cm -Mv (6,54 m +NAP) zijn enkele roestvlekken in de zandlaag waargenomen, wat duidt op een intacte bodemopbouw. In boring 6 is op een diepte van circa 70 cm -Mv (6,97 m +NAP) een verhardingslaag, bestaande uit baksteen en grind, aangetroffen. De zandlagen erboven zijn verploegd, te duiden aan de aanwezige zandbrokken en humusvlekken. In de bodemopbouw zijn bodemhorizonten te onderscheiden. Deze bestaan uit een humeuze, geploegde toplaag (Aap-horizont), gevolgd door een inspoelingslaag (B-horizont) en het onaangetaste sediment (C-horizont). Dit profiel is alleen in boring 1 aangetroffen. In boring 5 ontbreekt de inspoelingslaag, doordat tot in de top van het dekzand (C-horizont) geploegd is. Het tweede type is waargenomen in boring 10 t/m 13.

De natuurlijke ondergrond bestaat in boring 12 en 13 vanaf een diepte van circa 160 cm -Mv (5,16 m +NAP) tot de maximale boordiepte van 300 cm Mv (3,84 m +NAP) uit sterk siltig zand tot sterk zandig leem dat grijs tot donkergrijs van kleur is. Het zand is matig tot goed gesorteerd en is matig tot zeer fijn qua korrelgrootte. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als beekafzettingen. In boring 10 en 11 is tot de maximale boordiepte van 300 cm -Mv (4,03 m +NAP) veen waargenomen. Dit veen betreft mineraalarm bosveen, waarop tot een diepte van

110 cm -Mv (5,99 m +NAP) sterk kleiige gyttja is aangetroffen. Ditzelfde veen is aangetroffen bovenop de beekafzettingen in boring 12 en 13 tot een diepte van circa 125 cm -Mv (5,87 m +NAP). Het veen betreft waarschijnlijk een restgeulopvulling. Bovenop het veen ligt in boring 10 t/m 13 sterk tot zwak siltig zand dat matig tot zeer fijn qua korrelgrootte is. Het zand heeft een zwarte kleur aan de basis en is bruin aan de top. Op een diepte van circa 50 – 90 cm -Mv (6,3 tot 6,1 m +NAP) is een roodbruine laag met zeer veel ijzerconcreties in het zand aanwezig. Dit betreft een oerbank en duidt op plaatselijke kwel in het plangebied. Op basis van korrelgrootte en stratigrafische ligging is deze bovenste zandlaag geïnterpreteerd als verspoeld dekzand. Bovenop het verspoelde dekzand bevindt zich een bouwvoor bestaande uit circa 20 tot 30 cm sterk siltig, matig humeus, matig fijn zand. Dit betreft een moderne bouwvoor ten behoeve van akkerbouw in het plangebied. Het derde type is aangetroffen in boring 14 t/m 16 en 19 t/m 21 en bestaat uit matig tot sterk siltig zand of sterk zandig leem. Dit zand heeft een grijze tot bruine kleur en is matig tot zeer fijn qua korrelgrootte. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als beekafzettingen, te duiden aan de humositeit, sporen van plantenresten en de afwisseling van leem en detrituslaagjes in het zand.

De top van deze afzettingen bevinden zich op een diepte van circa 110 cm -Mv (5,90 m +NAP). Hierboven ligt een zandlaag dat is geïnterpreteerd als verspoeld dekzand. In de top van dit dekzand zijn meerdere roestvlekken waargenomen. Ook is er sprake van een oerbank op een diepte tussen 45 en 70 cm -Mv (6,60-6,29 m +NAP). De top van de boringen bestaat uit een moderne bouwvoor, zoals deze ook in boring 10 t/m 13 is waargenomen. Het vierde type is ter plaatse van boring 17 en 18 aangetroffen. De ondergrond bestaat hier uit sterk tot matig siltig zand dat grijs tot donkerbruin van kleur is. Dit zand bevat roestvlekken, humusvlekken en plantenresten. In boring 17 is tot een diepte van 95 cm -Mv (6,08 m +NAP) veel puin in de zandlaag aangetroffen. Dit puin betreft baksteenfragmenten, baksteengruis, mortel en metaaldraad. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als dempingsmateriaal van de voormalige loop van de Aa. De spreiding van bovengenoemde bodemtypes is opgenomen in bijlage 10. Archeologische indicatoren De opgeboorde grondmonsters zijn te velde doorzocht op de aanwezigheid van archeologische en ecologische indicatoren. In boring 6, 9, 13 en 17 zijn fragmenten rood baksteen, baksteengruis, kiezels en mortel aangetroffen. Dit betreft echter allen modern puinmateriaal. Ook is aan het maaiveld nabij boring 17 veel modern puin aanwezig.

Interpretatie Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond in het plangebied in te delen is in een viertal geomorfologische zones. In het noordwesten van het plangebied bevindt zich een dekzandrug, waarvan de top van het dekzand intact is aangetroffen. Dit is te duiden aan de aanwezige bodemhorizonten in het dekzand. Ter plaatse van de bebouwing is de top van het dekzand grotendeels verstoord, doordat onder de stallen mestputten tot maximaal 185 cm -Mv aanwezig zijn. Ter plaatse van de onbebouwde delen van de dekzandrug geldt op basis van bovenstaande resultaten een hoge archeologische verwachting op resten uit het Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen. Ter plaatse van de bebouwing zullen resten uit het Laat-Paleolithicum-Mesolithicum niet meer aanwezig zijn, aangezien vindplaatsen uit deze periodes zich kenmerken door oppervlakkige vondstconcentraties. Wel kunnen er onder de bebouwing nog diepere grondsporen uit de periodes Neolithicum-Late Middeleeuwen voorkomen. In het centrale en zuidelijke deel van het plangebied bestaat de ondergrond uit beekafzettingen. Deze afzettingen zijn globaal te typeren als restgeulopvullingen en oeverwallen of overstromingsafzettingen, waarop circa een 1,0 m dikke laag verspoeld dekzand is afgezet. Van

zuidwest naar noordoost is in het plangebied een restgeul aanwezig, te duiden aan het veen dat hier in de ondergrond aanwezig is. Ter plaatse van zowel de beekafzettingen als de restgeul en de voormalige loop van de Aa kunnen archeologische resten aangetroffen worden die verband houden met een beekdalcontext. Deze resten worden tot 100 cm -Mv in de beekafzettingen verwacht. Derhalve geldt in het plangebied een hoge archeologische verwachting. Ter plaatse van reeds gesaneerde agrarische schuur in het westen van het plangebied zullen bodemverstoringen tot circa 150 cm -Mv aanwezig zijn. Ter plaatse van het bouwvlak van deze schuur geldt derhalve een lage archeologische verwachting. Hoewel in het noordoostelijke deel van het plangebied niet geboord kon worden, kan op basis van de hoogtekaart (www.ahn.nl; bijlage 5) en de informatie van de overige boringen het gebied als beekdal worden geïnterpreteerd. Op basis van de hoogtekaart valt tevens de dekzandrug in het plangebied te begrenzen. In het noordoostelijke deel van het plangebied geldt derhalve dezelfde hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten in beekdalcontext. Bovenstaande resultaten zijn tevens samengevat in de archeologische verwachtingskaart in bijlage 10.

11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied ligt in een dekzandlandschap waar een beekdal in gevormd is. In het noordwesten van het plangebied bevindt zich een dekzandrug dat in het zuiden en oosten overgaat in het beekdal van de Aa, waarin tevens een restgeul aanwezig is.

2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Er bevindt zich een archeologisch relevant niveau in de top van het dekzand in het noordwesten van het plangebied. Ter plaatse van de onbebouwde zones is het niveau direct onder de moderne bouwvoor van circa 25 cm dikte aanwezig. Ter plaatse van de bebouwing bevindt het niveau zich onder de bebouwing vanaf een diepte van 80 – 185 cm -Mv. Een tweede archeologisch relevante niveau wordt gevormd door de beekafzettingen in het beekdal dat ten zuiden en oosten van het plangebied aanwezig is. Archeologische resten bevinden zich hier tot circa 100 cm -Mv, onder een moderne bouwvoor van circa 30 cm dikte.

3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Zie antwoord vraag 2.

4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting. Deze is te specificeren per gebied. Ter plaatse van de dekzandrug in het noordwesten van het plangebied is een hoge verwachting op resten vanaf het Paleolithicum vastgesteld. In het oosten en zuiden van het plangebied geldt tevens een hoge verwachting op archeologische resten, maar dan in beekdalcontext. Dit betreffen puntvondsten of lijnstructuren. Er geldt in het hele plangebied een lage verwachting op resten uit de Nieuwe Tijd.

12. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op de overgang van een dekzandrug in het noorden en het beekdal van de Aa in het zuiden ligt. Dergelijke locaties waren vanaf het Laat-Paleolithicum een aantrekkelijke vestigingslocatie, omdat de dekzandrug een hoge, droge vestigingsplaats bood nabij stromend water (de Aa). Er geldt daarom een hoge archeologische verwachting vanaf deze periode. Deze verwachting valt te verdelen over de verschillende landschappelijke zones waarin het plangebied zich bevindt. Op de dekzandrug kunnen nederzettingen, sporen van landgebruik en grafvelden voorkomen vanaf het Laat-Paleolithicum. Daarnaast geldt een hoge verwachting op militaire resten of belegeringskampementen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd vanwege de ligging tussen twee kastelen in. Hier hebben vanaf de 14e eeuw tot de 18e eeuw en met name tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) diverse belegeringen en gevechten plaatsgevonden. Voor het beekdal geldt een verwachting op constructies ten behoeve van infrastrucuur, voorzieningen voor visvangst, plaatsen van rituele depositie en tijdelijke verblijfsplaatsen van jager-verzamelaars. Er geldt een specifieke verwachting op een visserij die tot kasteel Ter Borch heeft behoord. Deze visserij heeft vermoedelijk langs de zuidwestrand van het plangebied gestaan.

Tijdens de 19e en 20e eeuw is er geen bebouwing aanwezig in het plangebied tot aan de bouw van de huidige stallen en woningen vanaf de jaren 80 in de 20 e eeuw. Uit deze periode worden daarom met name resten van landgebruik verwacht. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond in het plangebied in te delen is in een viertal geomorfologische zones. In het noordwesten van het plangebied bevindt zich een dekzandrug, waarvan de top van het dekzand intact is aangetroffen. Dit is te duiden aan de aanwezige bodemhorizonten in het dekzand. Ter plaatse van de bebouwing is de top van het dekzand grotendeels verstoord, doordat onder de stallen mestputten tot maximaal 185 cm -Mv aanwezig zijn. Ter plaatse van de onbebouwde delen van de dekzandrug geldt op basis van bovenstaande resultaten een hoge archeologische verwachting op resten uit het Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen. Ter plaatse van de bebouwing zullen resten uit het Laat-Paleolithicum-Mesolithicum niet meer aanwezig zijn, aangezien vindplaatsen uit deze periodes zich kenmerken door oppervlakkige vondstconcentraties. Wel kunnen er onder de bebouwing nog diepere grondsporen uit de periodes Neolithicum-Late Middeleeuwen voorkomen. In het centrale en zuidelijke deel van het plangebied bestaat de ondergrond uit beekafzettingen.

Deze afzettingen zijn globaal te typeren als restgeulopvullingen en oeverwallen of overstromingsafzettingen, waarop circa een 1,0 m dikke laag verspoeld dekzand is afgezet. Van zuidwest naar noordoost is in het plangebied een restgeul aanwezig, te duiden aan het veen dat hier in de ondergrond aanwezig is. Ter plaatse van zowel de beekafzettingen als de restgeul en de voormalige loop van de Aa kunnen archeologische resten aangetroffen worden die verband houden met een beekdalcontext. Deze resten worden tot 100 cm -Mv in de beekafzettingen verwacht. Derhalve geldt in het plangebied een hoge archeologische verwachting. Ter plaatse van reeds gesaneerde agrarische schuur in het westen van het plangebied zullen bodemverstoringen tot circa 150 cm -Mv aanwezig zijn. Ter plaatse van het bouwvlak van deze schuur geldt derhalve een lage archeologische verwachting. Hoewel in het noordoostelijke deel van het plangebied niet geboord kon worden, kan op basis van de hoogtekaart (www.ahn.nl; bijlage 5) en de informatie van de overige boringen het gebied als beekdal worden geïnterpreteerd. Op basis van de hoogtekaart valt tevens de dekzandrug in het plangebied te begrenzen. In het noordoostelijke deel van het plangebied geldt derhalve dezelfde hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten in beekdalcontext.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=91a207e2-d6cb-40af-9478-1b4096d9dca8