CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021 - oude versie

Raadsvergadering 7 oktober 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 202123.178 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. 9.1.5 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. 9.1.6 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.

Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en c. voertuigen waarmee standplaats1 wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

9.2 Ligplaatsen 9.2.1 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening. 48

4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

9.3 Standplaatsen voor woonwagens 9.3.1 Uitzondering privaatrechtelijke overeenkomst Het bepaalde in deze verordening is niet van toepassing op standplaatshouders die ingevolge een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente een standplaats² innemen. 9.3.2 Toepasselijkheid 1. Per standplaats² mag uitsluitend één woonwagen ter bewoning door de standplaatshouder worden geplaatst. 2. De woonwagen dient te staan op de daarvoor door burgemeester en wethouders aangegeven situering op de standplaats². 9.3.3 Voorschriften en beperkingen 1. De standplaatshouder is verplicht ervoor zorg te dragen dat de standplaats² steeds behoorlijk wordt onderhouden. Bij het onderhoud dienen de regels en aanwijzingen die ter zake door burgemeester en wethouders worden gegeven, te worden opgevolgd. 2. De standplaatshouder zal gebreken aan de standplaats² zo spoedig mogelijk melden aan burgemeester en wethouders. 3. Het is de standplaatshouder verboden om: a. de standplaats² geheel of gedeeltelijk aan derden in huur of gebruik af te staan; b. in of op de standplaats² enigerlei nering of bedrijf uit te oefenen of te laten uitoefenen en/of goederen en/of afvalstoffen en dergelijke te hebben of op te slaan, welke betrekking hebben op de uitoefening van enigerlei nering of bedrijf; c.

in of op de standplaats² voorwerpen of stoffen aanwezig te hebben, welke door gasvorming, brand- of explosiegevaar, gewicht, lawaai, hinderlijke geur of op enigerlei andere wijze hinder of gevaar veroorzaken of kunnen veroorzaken. 4. Het is de standplaatshouder verboden om, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van burgemeester en wethouders: a. de woonwagen op de standplaats² te verplaatsen of te laten verplaatsen; b. in of op de standplaats² aan of bij te bouwen, af te breken of enige andere verandering aan te brengen dan wel zulks te laten gebeuren, behoudens ingeval door het college van burgemeester en wethouders een bouwvergunning is verleend; c. de bij de standplaats² behorende erfafscheiding te verwijderen, te verplaatsen of anderszins te veranderen dan wel zulks te laten gebeuren, tenzij voor deze erfafscheiding geen bouwvergunning is vereist. 5. Burgemeester en wethouders weigeren de in het vierde lid toestemming indien de voorgenomen verandering in strijd is met een wettelijk voorschrift en kunnen aan de toestemming voorschriften verbinden. 6. De ingevolge dit artikel gevorderde toestemming is niet vereist in gevallen waarin wordt gehandeld door, vanwege of in opdracht van burgemeester en wethouders.

49

9.3.4 Controle en onderhoud 1. De standplaatshouder is verplicht de personen, die door burgemeester en wethouders zijn belast met het afleggen van controlebezoeken en of het uitvoeren van werkzaamheden op de standplaats² toe te laten. 2. De standplaatshouder is verplicht alle door burgemeester en wethouders noodzakelijk geachte werkzaamheden in of op de standplaats² toe te staan. 9.3.5 Voorschriften vertrek 1. De standplaatshouder die voornemens is om de standplaats² te verlaten is verplicht dit schriftelijk te melden bij burgemeester en wethouders. De melding dient tenminste 30 dagen voor de vertrekdatum plaats te vinden. 2. De standplaatshouder is verplicht om bij diens vertrek de standplaats² zonder gebreken en behoorlijk schoon gemaakt achter te laten en alle door burgemeester en wethouders verstrekte sleutels vóór het verlaten van de standplaats² uitsluitend aan burgemeester en wethouders ter beschikking te stellen. 3. De standplaatshouder is tevens verplicht om bij diens vertrek ervoor te zorgen dat, onverminderd het bepaalde in artikel 4, vierde lid, de standplaats² in oorspronkelijke staat wordt achtergelaten.

50

Hoofdstuk 10 Algemene bepalingen voor vergunningen 10.1.1 Toepasselijkheid 1. Dit hoofdstuk is van toepassing voor zover andere van toepassing zijnde wet- of regelgeving of specifieke regels in deze verordening niet anders bepalen. 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op de artikelen 3.3.5, 6.2.1, 9.1.2, 9.1.3 en 9.1.4. In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’). 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de artikelen 2.1.1, 3.2.9, 5.3.1, 5.3.4, 6.1.1, 8.1.1, 9.1.1 en 9.1.6. In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’). 10.1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid bedoelde termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.

In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing (artikel 16.64 van de Omgevingswet na inwerkingtreding) als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.2.1 en 5.2.3 en een vergunning als bedoeld in artikel 6.2.1 en artikel 6.2.2 of artikel 8.1.1, tweede lid. 10.1.3 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 10.1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 10.1.5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.

indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. indien de houder dit verzoekt. 51

10.1.6 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. 10.1.7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

52

Hoofdstuk 11. Toezichtbepalingen 11.1.1 Toezichthouders 1. De bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.8, 3.2.9, 3.3.5, 3.3.6, 5.2.1 t/m 5.2.7, 5.3.1 t/m 5.3.4, 6.2.1 t/m 6.2.3 en 8.1.1 t/m 9.3.5. Onverminderd het gestelde in de eerste volzin, zijn de (buitengewone) opsporingsambtenaren belast met toezicht en handhaving openbare ruimte en de ambtenaren aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de artikelen genoemd in artikel 11.1.1, lid 1. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens de artikelen genoemd in de eerste volzin gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. 2. De marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 t/m 2.1.10 van paragraaf 2.1 Markt. 3.

De bij besluit van het college aangewezen personen zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 4 Erfgoed en paragraaf 6.1 Kabels en leidingen. 4. Het Team VTHV is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7.1.1 t/m 7.1.6 van paragraaf 7.1 Naamgeving en nummering (adressen). 5. Onverminderd het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden hebben zij die belast zijn met de zorg voor de naleving van het bij of krachtens de artikelen 9.3.1 t/m 9.3.5 van paragraaf 9.3 Standplaatsen voor woonwagens op grond van artikel 149 van de Gemeentewet toegang tot alle plaatsen - woonwagens daaronder mede verstaan - voor zover dat redelijkerwijs vereist is in verband met het toezicht op de naleving en opsporing daarvan. 6. De opsporing van de in artikel 12.1.1, lid 9 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingszorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.

53

Hoofdstuk 12. Strafbepalingen 12.1.1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.8, 3.2.9, 3.3.5, 3.3.6, 5.2.1 t/m 5.2.7, 5.3.1 t/m 5.3.4, 6.2.1 t/m 6.2.3 en 8.1.1 t/m 9.3.5 bepaalde en de daarbij op grond van artikel 10.1.3 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechtelijke uitspraak. (Onder de Omgevingswet geldt dat overtreding van het bij of krachtens de artikelen genoemd in lid 1 gegeven voorschriften en beperkingen niet langer wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie). 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.2.1, 6.2.1 en 6.2.2 als sprake is van een omgevingsvergunning- plichtige activiteit en 8.1.1, derde lid. 3. Overtreding van artikel 2.1.4 t/m 2.1.12 van paragraaf 2.1 Markt wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 4. Overtreding van 3.2.2 t/m 3.2.7 van paragraaf 3.2 Afvalstoffen is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten. 5.

Degene die handelt in strijd met artikel 4.2.1 of het bepaalde krachtens artikel 4.2.2, derde lid, van deze paragraaf 4.2 Bescherming gemeentelijk monument wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. 6. Overtreding van de artikelen in paragraaf 6.2 Infrastructuur, of een voorschrift verbonden aan een vergunning of instemmingsbesluit wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 7. Overtreding van artikel 7.1.3, tweede en derde lid, artikel 7.1.4 en artikel 7.1.5, eerste tot en met het vierde lid, van paragraaf 7.1 Naamgeving en nummering (adressen) wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 8. Overtreding van het bepaalde in artikel 9.3.3 en artikel 9.3.5, derde lid, in paragraaf 9.3 Standplaatsen voor woonwagens wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

54

Hoofdstuk 13. Overgangs- en slotbepalingen 13.1.1 Reikwijdte Bepalingen uit deze verordening blijven buiten toepassing voor zover zij in strijd zijn met hogere wet- en regelgeving. 13.1.2 Hardheidsclausule Het college heeft de bevoegdheid op grond van afweging van de te behartigen belangen en met in acht name van de redelijkheid en billijkheid in incidentele en uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen van deze verordening. 13.1.3 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningen en regels 1. Deze verordening treedt in werking op 1 november 2021. 2. Op de dag bedoeld in het eerste lid worden ingetrokken de: - Afvalstoffenverordening Bernheze 2019; - Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2018; - Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) gemeente Bernheze 2013; - Beheersverordening Begraafplaatsen gemeente Bernheze 2011; - Bouwverordening gemeente Bernheze 2012; - Erfgoedverordening Bernheze 2019; - Marktverordening gemeente Bernheze 2013; - Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Bernheze 2013; - Verordening naamgeving en nummering (adressen) Bernheze 2012; - Verordening op het gebruik van standplaatsen voor woonwagens 1995. 13.1.4 Overgangsrecht 1.

Vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en aanwijzingen verleend/gedaan op grond van of krachtens de Afvalstoffenverordening Bernheze 2019 blijven - indien en voor zover het gebod of het verbod waarop de vergunning, ontheffing of aanwijzing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. 2. Een vergunning van of melding aan het college voor handelingen als bedoeld in artikel 6.1.2, paragraaf 6.1 kabels en leidingen, die is verleend respectievelijk gedaan voor de inwerkingtreding van deze wordt gelijkgesteld met een vergunning of melding als bedoeld in artikel 6.1.2. 3. Besluiten, genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2021 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 4. Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de Beheersverordening Begraafplaatsen gemeente Bernheze 2011 gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Als voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de Beheersverordening BegraafpIaatsen gemeente Bemheze 2011 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast. 5. Een krachtens de “Erfgoedverordening Bernheze 2019” aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument en stads- of dorpsgezicht, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. Aanvragen om vergunningen die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de “Erfgoedverordening Bernheze 2019”. 55

6. Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de Marktverordening gemeente Bernheze 2013 gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening gemeente Bernheze 2013 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet definitief op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast. 7. Met de inwerkingtreding van deze verordening vervallen alle eerdere gemeentelijke regels en voorschriften voor het benoemen van delen van de openbare ruimte en het nummeren van de daaraan liggende objecten. Namen en nummers die op grond van in de vorige volzin genoemde regels en voorschriften aan objecten zijn toegekend, blijven na inwerkingtreding van deze verordening bestaan. Het college kan in afwijking hiervan besluiten dat de op grond van de eerste volzin genoemde regels en voorschriften aangebrachte namen en nummers binnen een door hen te bepalen termijn moeten worden vervangen door namen en nummers die voldoen aan de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften 13.1.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021.

56

Bijlage 1. Regels welstandcommissie Met het oog op het gebruiksgemak zijn in deze bijlage alle regels die betrekking hebben op de welstandscommissie meegenomen. Deze regels vervallen per 1 juli 2022 met de invoering van de Omgevingswet en kunnen dan worden vervangen door de regels die betrekking hebben op de commissie ruimtelijke kwaliteit.

Welstandcommissie 1. Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Reglement van orde van de welstandscommissie a. het college: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Bernheze b. de commissie: de gemeentelijke welstandscommissie c. de secretaris: de door het college aangewezen ambtenaar, die de commissie bijstaat d. reglement: het Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering.

2. Onafhankelijkheid Artikel 2.1 Onafhankelijkheid 1. De gemeenteraad wijst de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant aan als welstandscommissie, die aan het college advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. 2. De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.

3. Samenstelling en benoeming van de commissie Artikel 3.1 Samenstelling van de welstandcommissie 1. De commissie bestaat uit een extern rayonarchitect van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant. Hij is deskundig op het terrein van architectuur en aanverwante vakgebieden. 2. De rayonarchitect zit tevens de commissie voor. 3. De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door externe deskundigen. Dit betreft disciplines als stedenbouw, architectuurhistorie, bouwhistorie, landschapsarchitectuur, etc. Voor zover hier kosten aan zijn verbonden, zullen deze alleen worden vergoed, nadat tevoren toestemming is verleend door de gemeente. 4. Afhankelijk van het type plan dat moet worden behandeld, nemen de in lid 3 genoemde deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht. 3.2 Benoeming en zittingsduur 1. De gemeenteraad mandateert de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant om een commissielid te benoemen en te ontslaan.

57

2. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant legt de gemeente een lijst voor met de beoogde commissieleden en hun plaatsvervangers. Indien gewenst vindt hierover overleg plaats tussen de gemeente en de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. 3. De leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. 4. Bij afwezigheid van de rayonarchitect treedt een plaatsvervanger op in de commissievergadering. 5. De rayonarchitect en zijn plaatsvervanger is onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed.

4. Taakomschrijving 4.1 Taken van de commissie 1. De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Woningwet. 2. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijke welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. 4.1.1 Wettelijke taken 1. De commissie adviseert het college over de welstandsaspecten van een bouwplan in verband met de toetsing aan artikel 2.10, eerste lid onderdeel d Wabo juncto artikel 12 en 12a van de Woningwet. 2. De commissie legt de gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Ten minste één maal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het college en de commissie. 4.1.2 Niet wettelijk verplichte taken 1. Het college kan opdracht geven aan de commissie om onder regie van het college en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht vooroverleg te voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen. 2. De commissie zal desgevraagd adviseren in het geval van: a.

excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor nietdeskundigen evident zijn; b. de beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke APV). 3. Verdere niet wettelijk verplichte taken zijn bijvoorbeeld: a. desgewenst zal de commissie tijd inruimen voor een vast inloopspreekuur. Belanghebbenden kunnen daarin advies van de commissie krijgen ten behoeve van de voorbereiding van bouwplannen. De afspraken voor dit inloopspreekuur worden door de secretaris gemaakt. Overigens wordt het spreekuur gestructureerd naar analogie van het bepaalde in artikel 6.2; b. de herziening van de welstandsnota; c. het desgevraagd adviseren op basis van welstandseisen op zienswijzen, bezwaarschriften etc. 4. De in dit derde lid genoemde taken worden als maatwerk beschouwd en zullen afzonderlijk in rekening worden gebracht. 4.2 Taakomschrijving commissielid 58

4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie 1. De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. De rayonarchitect ziet erop toe dat de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid. 2. Tijdens de openbare vergadering treedt de rayonarchitect op als gastheer voor de aanwezigen. Hij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezige belanghebbenden op zijn of haar plan een toelichting wil geven. Indien een plan in vooroverleg is besproken geeft de rayonarchitect een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken. 3. De rayonarchitect geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van de agenda. Hij geeft na de inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag voor alle aanwezigen een korte en heldere samenvatting. 4. Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de rayonarchitect namens de commissie naar buiten. 5. De rayonarchitect houdt een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden opgenomen in het jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad. 4.2.2 Andere taken van de rayonarchitect 1. De rayonarchitect onderhoudt de contacten met het college en de relevante gemeentelijke diensten. 2.

Indien een adviesaanvrage niet is voorzien van de in artikel 5 genoemde bescheiden, neemt de rayonarchitect de adviesaanvraag niet voor behandeling in de commissie aan. 3. De rayonarchitect legt de conclusie over een te adviseren plan vast in een schriftelijk advies en voorziet die conclusie van een motivering. 4. De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het spreekuur indien dat in de gemeente bestaat en legt van elk gevoerd gesprek puntsgewijs de gemaakte afspraken vast. 4.2.3 Verdere taken van de rayonarchitect 1. De rayonarchitect geeft op basis van zijn deskundigheid een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. 2. Wanneer hij een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, wordt hij voor de betreffende vergadering vervangen. 3. De rayonarchitect overlegt tijdens de vergadering met aanvragers, architecten en andere ontwerpers en hoort eventuele belanghebbenden. 4. Hij tekent de in 6.3 bedoelde adviezen voor akkoord. 4.2.4 Taken externe deskundigen De aan de commissievergadering deelnemende externe deskundigen geven vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. 4.2.5 Taken secretaris 1.

De secretaris verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling in de commissie voor. Hij voorziet de commissie van de benodigde bescheiden. Relevante informatie voor het beoordelen van plannen is/zijn: a. de gemeentelijke welstandsnota; b. de bestemmingsplanbepalingen; c. de beeldkwaliteitsplannen; d. luchtfoto’s (indien mogelijk); 59

e. het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke ontwikkeling; f. informatie over eerdere behandeling(en) van het plan; g. vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld. 2. De secretaris stelt, zo nodig in overleg met de rayonarchitect, de agenda voor de vergadering vast. 3. De secretaris is verantwoordelijk voor het openbaar maken van de agenda van de vergaderingen van de commissie. 4. De secretaris heeft geen stemrecht.

5. Werkwijze van de gemeente 5.1 Werkwijze van de gemeente 1. De ambtenaar van de gemeente draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen waarvan de planologische aanvaardbaarheid vaststaat, voor advies aan de commissie worden voorgelegd. 2. De ambtenaar van de gemeente controleert of plannen (inclusief de plannen die worden aangeboden voor vooroverleg) waarvoor advies wordt gevraagd voldoen aan de indieningsvereisten als genoemd in artikelen 2.5, hoofdstuk 5 en artikel 7.1. van de Ministeriële omgevingsrecht. Onder ‘Gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan welstandscriteria’ zijn hier als vereiste bescheiden aangegeven:- tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van de belendende bebouwing;- detailtekeningen van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;- foto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing;- opgave materiaal- en kleurgebruik van toe te passen bouwmaterialen (uitwendige scheidingsconstructie). Andere gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling zijn:bouwkundige tekeningen met adequate informatie over plattegronden en doorsnedes;- een situatietekening waarop aangegeven de locatie, de rooilijnen, de belendingen en de inrichting van het bouwterrein;- een volledig ingevulde kleur- en/of materiaalstaat. 3. De gegevens en bescheiden worden – zo mogelijk- via de digitale database tevoren aan de rayonarchitect aangeleverd.

6. Werkwijze van de commissie 6.1 Vooroverleg 1. Het college kan een nog niet formeel ingediende aanvraag ter advisering voorleggen aan de commissie. 2. Van dat vooroverleg wordt een verslag gemaakt, dat met de besproken bescheiden in een projectdossier wordt opgenomen. 3. Het vooroverleg vindt in beginsel in openbaarheid plaats. Uitsluitend wanneer de aanvrager hier met reden omkleed om verzoekt kan de voorzitter van de commissie (rayonarchitect) de behandeling in beslotenheid laten plaatsvinden. In het verslag als bedoeld onder 2 wordt opgetekend wanneer de behandeling in beslotenheid heeft plaatsgevonden. 6.2 Openbare vergadering van de commissie 6.2.1 Locatie, jaarrooster en agenda 1. De commissie vergadert wekelijks op een vaste locatie, een vaste dag en een vast tijdstip, volgens een tevoren per kalenderjaar vast te stellen rooster. 2. De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen in het jaarrooster. Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere vergadering worden tijdig vóór de vergadering

60

openbaar gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huisaan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het college, geschikte wijze. 3. De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aanhuisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het college, geschikte wijze. 4. De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de voorzitter, het college of de belanghebbende van oordeel is dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het advies. 6.2.2 Toelichting opdrachtgever / ontwerper – spreekrecht De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie) in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld, dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij de afdeling Milieu- en Bouwzaken. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen. 6.3 Het advies van de commissie 1. De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid (welstandsnota). 2.

De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en jargon wordt vermeden. 3. Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente achtergelaten. 4. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomst hebben: 5. Voldoet: de commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. 6. Voldoet mits (voldoet niet tenzij): de commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt, krijgt de aanvrager, voor zover dit nog past binnen de beschikbare ver-gunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. De commissie geeft aan óf het bouwplan opnieuw geagendeerd moet worden voor de vergadering óf dat het bouwplan ambtshalve kan worden afgehandeld. 7. Voldoet niet: de commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke eisen van welstand.

Een negatief welstandsadvies betekent dat indien het college het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend gewijzigd moet worden. Een negatief advies wordt nauwkeurig schriftelijk gemotiveerd. Hierin staat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria, een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten en een aanbeveling tot aanpassing van het plan. 8. Aanhouden: de commissie kan het advies aanhouden - waarbij de gemeente aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunnings-termijn - wanneer: - Meer informatie of een toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk is. Dit kan het geval zijn wanneer de hoofdopzet van het plan (de bouwmassa-vorm) voldoet aan redelijke eisen van welstand en de geveluitwerkingen alsmede de materialisering en detailleringen ter advisering worden opgevraagd; De commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen tot afwijking van het gemeentelijk welstandsbeleid. Zij geeft dan gemotiveerd aan op grond waarvan afwijking gerechtvaardigd is.

7. Afwijking van het advies 61

7.1 Afwijking van het advies / second opinion 1. Het college kan bij het besluit tot verlening van een aanvraag gemotiveerd afwijken van het advies van de commissie, indien zij van mening is dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor de afwijking worden bij de bekendmaking van het besluit vermeld. Alvorens definitief te beslissen biedt het college de commissie de mogelijkheid van heroverweging van het eerder uitgebrachte advies. 2. Het college kan, eventueel op advies van de commissie, gemotiveerd afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota vastgestelde welstandscriteria. Dat kan in geval dat een bouwplan niet voldoet aan de welstandscriteria, maar wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. In die gevallen moet worden verwezen naar de algemene beoordelingscriteria die in de welstandsnota zijn opgenomen. 3. Indien het college zich niet kan verenigen met het advies van de commissie, kan zij een ‘second opinion’ inwinnen bij een andere commissie. Alvorens daartoe over te gaan stelt het college de commissie daarvan op de hoogte.

8. Evaluatie 8.1 Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota 1. Het college brengt aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de uitvoering van het welstandsbeleid. Voor de aspecten die in dit verslag tenminste aan de orde moeten komen, wordt verwezen naar artikel 12c van de Woningwet. 2. Tenminste één maal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het college, de commissie en een vertegenwoordiger van het management van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. 3. De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties over eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de gemeentelijke welstandsnota.

9. Excessenregeling 9.1 Excessenregeling Het college kan de commissie vragen te adviseren over de vraag of het uiterlijk van: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk, niet zijnde een seizoensgebonden bouwwerk, waarvoor de in de omgevingsvergunning is bepaald dat die slechts voor een vastgestelde periode in stand mag worden gehouden; b. de commissie beoordeelt adviesverzoeken als bedoeld in sub a aan de hand van de excessenregeling zoals deze is opgenomen in de Welstandsnota gemeente Bernheze.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=015e25e6-d768-43eb-a779-db7e1e0710b9