Bijlage II - Beantwoording technische vragen VVD - Verordening maatschappelijke ondersteuning 2024
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning 2024 Beantwoording technische vragen fractie VVD Vraag 1) Medewerkingsverplichting client en huisgenoten Vanwege de gigantische woningnood worden van oorsprong uitwonende kinderen soms verplicht om weer thuis te gaan wonen na bv studie, scheiding etc. In hoeverre zijn deze ook verplicht om mee te werken aan genoemd onderzoek of persoonlijke leefsituatie te laten bezichtigen? Dit zou een enorme inbreuk op zijn of haar privacy zijn. Antwoord: Dit gaat over het thema gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is hulp die “naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten”. Dit betreft een landelijke definitie. In deze definitie moet de nadruk worden gelegd op het begrip “redelijkheid”. Iedere situatie is anders en telkens moet in het concrete geval worden gekeken wat in alle redelijkheid van huisgenoten kan worden verwacht aan hulp en ondersteuning. Om deze toets goed uit te kunnen voeren hebben we een zgn. afwegingskader opgemaakt. Dat afwegingskader maakt als par . 3.1 onderdeel uit van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze 2024. Zie daartoe de concept nadere regels 2024 die op 12 december ter besluitvorming voorliggen in het college (onder voorbehoud van vaststelling van de verordening door uw raad op 14 december).
Indien een cliënt een Wmo-melding doet, wordt altijd nagegaan wat de persoonlijke leefsituatie is. Indien er huisgenoten zijn, zal altijd – vanuit de Wmo-principes eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid – nagegaan worden of de behoefte aan ondersteuning (deels) opgelost kan worden via ondersteuning door huisgenoten (of familie/vrienden anderszins). Dit volgt rechtstreeks uit de wet en jurisprudentie. De gemeente kan dan zelfs – zie ook art. 8 verordening – huisgenoten oproepen voor een gesprek en/of onderzoek. Huisgenoten zijn niet verplicht om daar aan mee te werken maar dat kan dan wel tot gevolg hebben dat een Wmo-aanvraag (deels) zal worden afgewezen. Dit omdat het recht op een maatwerkvoorziening niet kan worden beoordeeld. Inherent aan het doen van een melding/aanvraag voor een Wmo-voorziening is dat team Wegwijzer een onderzoek verricht. Dat is in termen van privacy, gerechtvaardigd zolang het team rekening houdt met de zgn. beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (art. 8 lid 4 verordening). Kortom, de door u gestelde inbreuk houden we uiteraard zo beperkt mogelijk. Ook als het gaat om het doen van uitvraag / onderzoek naar huisgenoten. Vraag 2) Artikel 16 punt 3 blz.
8: maximum bedrag pgb is kostprijs…… Hoe reëel is dit aangezien zorg in natura leveranciers vaak deze voorzieningen met enorme kortingen kunnen inkopen welke een gewone consument niet zal krijgen. Antwoord: In alle inkoopcontracten is/wordt bedongen dat inwoners voor dezelfde prijs als de gemeenten een maatwerkvoorziening kan inkopen. Op die manier garanderen wij als regiogemeenten dat een inwoner in ieder geval altijd bij de door de gemeenten gecontracteerde partijen met een pgb de maatwerkvoorziening kan inkopen. Vraag 3) Hoogte PGB tarieven Gezien het feit dat momenteel er geen huishoudelijke zorg personeel is aan te komen en er dus enorme schaarste is lijkt het toch redelijk om in plaats van het minimum loon iets meer te betalen voor iemand uit een sociaal netwerk die deze zorg wil leveren? Is dit duurder dan zorg in natura voor het aantal uren dat iemand nodig heeft terwijl hier ook overhead etc. betaald moet worden? Aangezien tegenwoordig de meeste mensen werken zullen zij tijd moeten vrijmaken om de benodigde huishoudelijke zorg te gaan geven. Waarom vindt het college het redelijk om deze mensen hooguit het minimumloon te betalen? Zou het niet veel problemen oplossen in de schaarste van hulpen als we besluiten om de mensen uit een sociaal netwerk iets meer te betalen?
December 2023
Antwoord: De ervaring leert dat verreweg de meeste inwoners hun ondersteuning graag krijgen via zorg in natura en niet via een pgb. Op dit moment hebben we slechts 20 pgb’s uitstaan voor informele dienstverlening. Het is dus niet aannemelijk te veronderstellen dat de schaarste wordt opgelost door het pgb-tarief voor huishoudelijke ondersteuning te laten stijgen. Daarnaast is het ook vanuit principieel oogpunt zeker niet gewenst om het pgb-tarief voor HbH met 43%! te laten stijgen. We lopen dan het zeer ongewenste risico dat er een aanzienlijke verschuiving plaatsvindt van het onbetaald verrichten van mantelzorg naar zeer ruime beloning over de boeg van pgb. Er ontstaat dan ook het risico dat het informele netwerk over de boeg van een pgb in veel gevallen meer ontvangt dan wanneer men de arbeid verricht in loondienst. (Informele hulp wordt ingevolge de uitspraken meteen betaald op de hoogste trede van de loonschaal.) Het gaat als zodanig ook over de financiële houdbaarheid van systeem. We hebben daar een verantwoordelijkheid in te nemen. Vraag 4) Hoofdstuk 2 blz. 22 Afhandelingstermijn Er wordt gesproken over een onderzoekstermijn van 6 weken. Als deze termijn niet gehaald wordt dat met instemming van client de termijn verlengd kan worden.
Wat gebeurt er als client niet akkoord is met verlenging van deze termijn? Antwoord: Voorop gesteld moet worden dat de wijze waarop de wetgever het Wmo-proces heeft ingedeeld namelijk met een onderzoekstermijn van 6 weken en vervolgens een aanvraagproces van 2 weken, een vreemde constructie is bezien vanuit de Algemene wet bestuursrecht. Op de onderzoekstermijn is namelijk de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Idee hierachter van de wetgever was/is om eventueel claimgedrag van mensen tegen te gaan: eerst wordt een onderzoek verricht eindigend in een onderzoeksverslag en pas daarna kunnen mensen een aanvraag (claim) indienen (waarop de Awb van toepassing is). Indien de gemeente niet aan het vereiste voldoet om het onderzoek binnen zes weken af te ronden, ligt het – zo wordt in de memorie van toelichting gesteld - in de rede ligt dat het college hierover met de inwoner in overleg treedt. De inwoner kan instemmen met het uitstel van de afronding van het onderzoek. Maar als de inwoner het niet eens is met het uitstel, heeft de inwoner tot het moment dat de 6 weken-termijn is verstreken, geen formele mogelijkheden om druk uit te oefenen. Er is immers nog geen sprake van een aanvraag in de zin van de Awb. Na het verstrijken van de 6 weken staat het de inwoner vrij om een aanvraag in te dienen.
Zodra de inwoner een aanvraag heeft ingediend, moet het college binnen 2 weken een besluit nemen. Neemt het college binnen deze 2 weken geen besluit, dan kan de inwoner het college schriftelijk in gebreke stellen. De gemeente heeft vervolgens nog 2 weken de tijd om een besluit te nemen. Wordt een besluit nadien genomen dan is een dwangsom verschuldigd. Vraag 5) Artikel 12. De nadere regels Er wordt net zo vaak naar verwezen als in de conceptverordening van 202. Wederom moet er van alles geregeld worden via nadere regels of wil men hiervoor de mogelijkheid hebben bijvoorbeeld: 1. Aanvullende criteria ivm weigeringsgronden voor specifieke maatwerkvoorziening 2. De hoogte van het inkomen waarbij een aanvraag voor hulp in de huishouding wordt afgewezen. 3. De wijze waarop wordt beoordeeld of een client aanspraak maakt op een maatwerkvoorziening. 4. Aanvullende criteria vaststellen ivm beoordeling en verstrekken van een specifieke maatwerkvoorziening. 5. Aanvullende criteria en weigeringsgronden vaststellen ivm beoordeling van aanvragen voor een pgb. 6. Aanvullende criteria ivm beoordeling van aanvragen van een specifieke financiele tegemoetkoming. 7. Welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de levering van een voorziening. 8. Ten aanzien van al het bepaalde in hoofdstuk 7.
Kwaliteit maatschappelijke ondersteuning inclusief bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik. 9. Op welke manier de waardering voor mantelzorg vorm krijgt.
December 2023
10. Ter uitvoering van het eerste lid van art. 43 te weten: Betrekken van ingezetenen waaronder in ieder geval de ASD bij beleidsvorming, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. 11. Om invulling te geven aan nadere procedurele kaders naar behoefte. 12. Kwaliteit, misbruik en oneigenlijk gebruik. 13. Melding van de hulpvraag in spoedeisende gevallen. Waarom meent het college zulke belangrijke zaken via nadere regels ipv met een verordening te willen regelen? Hoe kan de raad instemmen met een verordening waarin minstens 13 maal wordt verwezen naar nadere regels die er nog niet zijn? Waarom zijn deze regels niet al uitgewerkt? Antwoord: De door u aangehaalde bepalingen inzake de opmaak van nadere regels betreffen allemaal zgn. “kanbepalingen”. Het is dus niet gezegd dat er ook daadwerkelijk nadere regels op alle genoemde thema’s worden opgemaakt. Dat dat zeker niet het geval is, moge blijken uit de concept-nadere regels 2024 die op 12 december ter besluitvorming voorliggen in het college (onder voorbehoud van vaststelling van de verordening door uw raad op 14 december). Als u de verordening en de nadere regels naast elkaar legt dan ziet u dat het zwaartepunt (tekst en toelichting) volledig bij de verordening ligt. De raad gaat over de kaders en zet de lijnen uit, het college werkt een aantal zaken nader uit ten behoeve van de uitvoeringspraktijk.
In dat kader wijzen wij u ook graag op het overzicht van overeenkomsten/verschillen tussen de huidige en nieuwe verordening. De nieuwe verordening heeft veel meer body, ook vanuit oogpunt van de zgn. essentialia (art. 156 Gemeentewet) Vraag 6) Inkomensafhankelijke eigen bijdrage U stelt dat u een aanvraag voor huishoudelijke hulp, vooruitlopend op landelijke wetgeving, wilt kunnen afwijzen op basis van inkomen. Wij hebben in de bijeenkomst daarover gesproken over de signalerende functie die de huishoudelijke hulpen die via de WMO worden ingezet ook hebben. Vindt u dat mensen die een hoger inkomen hebben geen hulp nodig hebben die ook een signalerende functie heeft? Hoe wilt u dat gaan opvangen voor deze mensen? Waarom wilt u deze mensen helemaal afwijzen ipv wellicht een hogere eigen bijdrage vragen? Is deze manier van afwijzen geen inkomensdiscriminatie? Hoe hoog zou het inkomen van mensen moeten zijn voor ze worden afgewezen voor huishoudelijke hulp? Wie stelt dit vast? Antwoord: Zie par. 3.4.3 van de concept-nadere regels. Daarin staat het voorgenomen systeem en werkwijze beschreven. Analoog aan de gemeente Land van Cuijk wordt de inkomensgrens gesteld op 185% van het bruto wettelijk minimumloon. Technisch gezien is het voor de gemeente onmogelijk om een hogere eigen bijdrage te vragen. Het CAK heeft namelijk geen rol in dit proces.
Dat laatste is pas het geval indien de inkomensafhankelijke eigen bijdrage weer wettelijk/landelijk wordt ingevoerd. Op zijn vroegst in 2026. (Overigens gaan er stemmen op in het Haagse om de hulp bij huishouden volledig uit de Wmo te schrappen.) Over de signalerende werking die uitgaat van hulpen: Bij de uitoefening van de taak kunnen poetshulpen signaleren. Deze rol/verantwoordelijkheid wordt niet anders indien de hulp wordt betaald door de inwoner zelf. Vraag 7) Artikel 28 blz 35. Tegemoetkoming voor een sportvoorziening Betekent dit dat het wel of niet vergoeden van bv een sportrolstoel afhankelijk is van de sociale verbanden die iemand daardoor aangaat als hij gaat rolstoelsporten? De wethouder gaf in de commissie aan dat het gaat om participeren en niet per se om sport, betekent dit dat iemand die dus een sportrolstoel heeft deze niet krijgt omdat hij ook zou kunnen participeren bij een fitnessclub of kaartclub? Als hij al een groot sociaal netwerk heeft, moet hij dan maar iets gaan doen waar hij geen sportrolstoel bij nodig heeft ook al heeft dit wellicht de sterke voorkeur van client? Antwoord: De verplichting van de gemeente ingevolge de Wmo is om er zorg voor te dragen dat inwoners afdoende zelfredzaam zijn en maatschappelijk kunnen participeren.
Sport kan zeker een (belangrijk) middel zijn om te participeren maar het faciliteren van sportbeoefening als zodanig is geen gemeentelijke verplichting ingevolge de Wmo.
December 2023
Voorbeeld: Een inwoner heeft een rijk sociaal leven en is voor wat betreft zijn/haar maatschappelijke participatie niet afhankelijk van sporten. Deze inwoner heeft een lichamelijke beperking en vraagt ingevolge de Wmo een tegemoetkoming aan voor de aanschaf van een sportvoorziening (sportrolstoel). Deze aanvraag zal worden afgewezen nu de voorziening vanuit oogpunt van de Wmo niet als noodzakelijk is aan te merken. Voorbeeld: Een inwoner (met een lichamelijke beperking) heeft geen rijk sociaal leven en is zoekende om sociale aansluiting te krijgen. Met behulp van ONS welzijn worden mogelijkheden verkend waaronder sporten. Sport zou voor deze inwoner een goed middel zijn om zijn participatie te verbeteren. Het gaat om een relatief jonge inwoner. Rolstoelbasketbal lijkt hem wel wat, temeer omdat hij daar leeftijdsgenoten kan ontmoeten. Een melding/aanvraag voor een Wmo-sportvoorziening wordt gedaan en reële kans dat deze wordt toegekend gelet op de situatie van deze persoon. Kortom, de situatie (maatwerk) is altijd bepalend.
December 2023