Bijlage I - Meespreeknotitie dhr. Roemloes - Monumentale status geven aan Molukse graven KNIL militairen
Tekst van het document
Molukkers gebruiken minder vaak antidepressiva dan mensen met Nederlandse achtergrond Zowel mannen als vrouwen met een Nederlandse achtergrond kregen in 2017 vaker antidepressiva verstrekt dan mannen en vrouwen met een Molukse achtergrond. Als wordt gestandaardiseerd naar leeftijd kreeg ruim 3,9 procent van de Molukse vrouwen tot 80 jaar in 2017 antidepressiva. Onder vrouwen met een Nederlandse achtergrond lag dit met 8,0 procent twee keer zo hoog. Ook tussen Molukse en Nederlandse mannen tot 80 jaar is het verschil in gebruik van antidepressiva groot. Van de Molukse mannen gebruikte 2,3 procent in 2017 antidepressiva, onder Nederlandse mannen bedroeg dit 4,1 procent.
56
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
Standaardisatie leeftijd Het gebruik van medicijnen hangt sterk samen met leeftijd. Omdat de groep met een Molukse achtergrond gemiddeld jonger is dan de groep met een Nederlandse achtergrond, is het lastig om deze cijfers één-op-één te vergelijken. Om deze vergelijking toch te kunnen maken, zijn de cijfers voor medicijngebruik gestandaardiseerd naar de leeftijdsopbouw van personen met een Nederlandse achtergrond.
6.1 Personen met antidepressiva, 2017 (gestandaardiseerd)
Vrouwen
Mannen
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
% Nederlands
Moluks
Bij het verstrekken van antipsychotica zijn de verschillen tussen personen met een Molukse en Nederlandse achtergrond nauwelijks aanwezig. Gestandaardiseerd voor de leeftijdsopbouw van personen met een Nederlandse achtergrond tot 80 jaar is het aandeel dat antipsychotica kreeg onder Molukse en Nederlandse mannen en vrouwen nagenoeg gelijk (1,5 á 1,6 procent in 2017).
Gezondheid
57
6.2 Personen met antipsychotica, 2017 (gestandaardiseerd)
Mannen
Vrouwen
0
0,25
0,5
0,75
1
1,25
1,5
1,75
% Nederlands
Moluks
Molukse ouderen krijgen 2 keer zo vaak diabetesmiddelen Personen met een migratieachtergrond krijgen vaker diabetesmiddelen dan personen met een Nederlandse achtergrond (de Mooij e.a., 2020). Ook neemt het gebruik van diabetesmiddelen toe naarmate mensen ouder worden. Dit beeld wordt ook teruggezien in de cijfers van diabetesmiddelen onder Molukkers. Vanwege verschillen in leeftijd zijn ook deze cijfers gestandaardiseerd voor de leeftijdsopbouw van personen met een Nederlandse achtergrond binnen de leeftijdscategorieën 55 tot 65 jaar, 65 tot 75 jaar en 75 tot 85 jaar. Voor alle onderzochte leeftijdsgroepen geldt dat Molukkers in 2017 vaker diabetesmiddelen gebruikten dan personen met een Nederlandse achtergrond. Dat is in lijn met de bevindingen van eerder onderzoek naar de gezondheid van Molukkers in Nederland (Bodewes & Kunst, 2013). Molukkers tussen de 65 en 75 jaar oud kregen het vaakst diabetesmiddelen: 23,9 procent in 2017. Dat is bijna 2 keer zo vaak als onder personen met een Nederlandse achtergrond uit dezelfde leeftijdsgroep (12,2 procent). Onderzoek van Schellingerhout (2004) liet ook zien dat Molukse ouderen vaker diabetesmiddelen gebruikten dan ouderen met een Nederlandse achtergrond. Zij linkten dit gebruik aan het feit dat suikerziekte vaker voorkomt onder ouderen met een migratieachtergrond dan onder personen met een Nederlandse achtergrond.
Behalve aan genetische factoren, wijdde Schellingerhout dit ook aan verschillen in levenswijze en leefpatronen.
58
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
6.3 Personen met diabetesmiddelen, 2017 (gestandaardiseerd)
55 tot 65 jaar
65 tot 75 jaar
75 tot 85 jaar
0
5
10
15
20
25
30
% Nederlands
Moluks
Gemiddelde lage zorgkosten Molukkers door jonge leeftijd Naarmate mensen ouder worden neemt hun gezondheid af en daarmee de zorgkosten toe. Dat blijkt ook uit de zorgkosten vanuit de basisverzekering in 2016 van personen met een Molukse en Nederlandse achtergrond. Mede omdat personen met een Molukse achtergrond gemiddeld jonger zijn dan personen met een Nederlandse achtergrond, zijn de zorgkosten voor Molukkers gemiddeld lager dan die van de groep met een Nederlandse achtergrond. Alleen voor personen tussen de 40 en 60 jaar oud geldt dat de zorgkosten onder personen met een Molukse achtergrond gemiddeld hoger liggen dan onder personen met een Nederlandse achtergrond. Net zoals bij andere migratieachtergronden het geval is, zijn de zorgkosten voor personen met een Molukse en Nederlandse achtergrond gemiddeld hoger voor vrouwen dan voor mannen (de Mooij e.a., 2020).
Gezondheid
59
6.4 Gemiddelde zorgkosten basisverzekering, 2016 euro 4 000
3 000
2 000
1 000
0 25 tot 40 jaar
Moluks
40 tot 60 jaar
60 tot 80 jaar
Nederlands
Ook overwegend lagere zorgkosten kinderen en kleinkinderen Molukse migranten Ook wanneer de verschillende generaties Molukkers apart worden geanalyseerd, wordt de invloed van het verschil in leeftijdsopbouw teruggezien in de zorgkosten vanuit de basisverzekering. Daarbij wordt duidelijk dat de gemiddeld hogere zorgkosten van Molukkers in de leeftijd van 40 tot 60 jaar voornamelijk het gevolg zijn van de sterke aanwezigheid van de kinderen van Molukse migranten. In die leeftijdscategorie hadden kinderen van Molukse migranten in 2016 gemiddeld iets hogere zorgkosten dan de groep met een Nederlandse achtergrond: 2,1 om 1,9 duizend euro. Voor de overige leeftijdscategorieën geldt dat de Molukse generaties gemiddeld juist lagere zorgkosten hebben dan personen met een Nederlandse achtergrond.
60
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
6.5 Gemiddelde zorgkosten basisverzekering, 2016 euro 4 000
3 000
2 000
1 000
0 25 tot 40 jaar
40 tot 60 jaar
Moluks, kinderen
Moluks, kleinkinderen
60 tot 80 jaar
Nederlands
Verschillen in zorgkosten verklaard Zoals hierboven aangegeven hebben Molukkers ook binnen leeftijdscategorieën overwegend lagere zorgkosten vanuit de basisverzekering dan personen met een Nederlandse achtergrond. De vraag is echter in hoeverre deze lage zorgkosten het gevolg zijn van verschillen in achtergrondkenmerken tussen beide groepen. Behalve voor leeftijd wordt in dit onderzoek ook gecorrigeerd voor verschillen in opleidingsniveau, stedelijkheid van de woonomgeving, geslacht en of iemand woonachtig is in een gemeente met een Molukse wijk. Hierbij is onderzocht wat de positie is van de totale groep Molukkers in Nederland ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond, alsook de kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten apart.
Zorgkosten in percentielen Omdat de gegevens over zorgkosten vanuit de basisverzekering uitbijters bevatten, is ervoor gekozen om de zorgkosten in percentielen als doelvariabele te hanteren. Deze percentielen zijn een verdeling van de zorgkosten wanneer deze in 100 stukken worden verdeeld. Wanneer personen in percentielen 1 tot en met 50 zitten, wil dit zeggen dat zij in de helft van de bevolking zitten met de laagste totale zorgkosten. Personen in percentielen 51 tot en met 100 zitten in helft met de hoogste totale zorgkosten. Het gemiddelde van de zorgkosten vanuit de basisverzekering in percentielen van de totale groep met een Molukse achtergrond komt overeen met het 47ste percentiel. Personen met een Nederlandse achtergrond zitten met hun zorgkosten gemiddeld in het 51ste percentiel.
Gezondheid
61
Verschil in leeftijd grootste verklaring lagere zorgkosten Molukkers Wanneer wordt gecorrigeerd voor verschillen in achtergrondkenmerken wordt het verschil in zorgkosten tussen de totale Molukse populatie en personen met een Nederlandse achtergrond teruggebracht van 3,9 tot 2,0 percentielen. Dat betekent dat ongeveer de helft van het verschil in zorgkosten tussen Molukkers en personen met een Nederlandse achtergrond kan worden verklaard door de in dit model gehanteerde achtergrondkenmerken. Vooral leeftijdsverschillen zorgen voor verschillen in de hoogte van de zorgkosten. Omdat Molukkers gemiddeld jonger zijn dan personen met een Nederlandse achtergrond, liggen de zorgkosten voor deze groep gemiddeld 2,7 percentiel lager dan onder de groep met een Nederlandse achtergrond. Daar staat tegenover dat opleidingsniveau en stedelijkheid van de woonomgeving juist samengaan met relatief hoge zorgkosten, samen ongeveer 0,6 percentiel. Mensen met een lager opleidingsniveau en mensen die wonen in zeer sterk stedelijke gebieden, blijken hogere zorgkosten te maken. Omdat Molukkers in vergelijking met personen met een Nederlandse achtergrond vaker een lager opleidingsniveau hebben en vaker wonen in zeer sterk stedelijk gebied, zijn hun zorgkosten dus hoger.
Doordat de groep met een Molukse achtergrond ongeveer dezelfde verhouding heeft in aantallen mannen en vrouwen als de groep met een Nederlandse achtergrond, speelt geslacht nauwelijks een rol in de verschillen in zorgkosten. Het gegeven dat Molukkers gemiddeld vaker wonen in een gemeente met een Molukse wijk heeft nauwelijks invloed op de hoogte van de zorgkosten. 6.6 Verschil in gemiddeld zorgkostenpercentiel, 2016 percentiel 10 8 6 4 2 0 -2 -4 Moluks, totaal
Feitelijk
62
Moluks, kinderen
Gecorrigeerd
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
Moluks, kleinkinderen
Gecorrigeerde zorgkosten nog steeds lager voor kinderen Molukse migranten De verschillen in gemiddelde zorgkosten tussen de groep met een Nederlandse achtergrond en de kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten zijn groter dan voor de totale groep Molukkers. Kinderen van Molukse migranten zitten gemiddeld 6,3 percentiel lager qua zorgkosten dan personen met een Nederlandse achtergrond. Na correctie voor achtergrondkenmerken bedraagt dit gecorrigeerde verschil 2,6 percentiel voor de kinderen van Molukse migranten. Voor het overgrote deel heeft dit te maken met verschillen in leeftijdssamentelling van de kinderen van Molukse migranten. Zij hebben voornamelijk lagere zorgkosten omdat zij gemiddeld jonger zijn dan de groep met een Nederlandse achtergrond. Het effect van leeftijd wordt voor een klein deel tenietgedaan, omdat de kinderen van Molukse migranten vaker in sterk stedelijk gebied wonen.
Zorgkosten kleinkinderen Molukse migranten na correctie iets hoger dan voor personen met Nederlandse achtergrond Voor de kleinkinderen van Molukse migranten is het feitelijke verschil in zorgkosten met 8,5 percentiel nog groter. Net als bij de kinderen van Molukse migranten zorgt de gemiddeld jongere leeftijd van de kleinkinderen ertoe dat zij gemiddeld lagere zorgkosten hebben dan personen met een Nederlandse achtergrond. Wanneer de kleinkinderen van Molukse migranten eenzelfde leeftijdsopbouw zouden hebben als de groep met een Nederlandse achtergrond, zouden zij qua verwachte zorgkosten gemiddeld 11,6 percentiel hoger zitten dan nu het geval is. Het gecorrigeerde gemiddelde zorgkostenpercentiel van de kleinkinderen van Molukse migranten ligt daarmee 2,8 percentiel hoger dan onder personen met een Nederlandse achtergrond. De reden waarom hun zorgkosten na correctie hoger zijn is echter onbekend. Het overgrote deel van het verschil van 2,8 percentiel valt onder het onverklaarde deel van de analyses en betreft dus ongemeten factoren. De zorgkosten van Molukkers zijn gemiddeld lager naarmate zij meer Molukse grootouders hebben. Dat geldt voor zowel de kinderen als de kleinkinderen van Molukse migranten. Voor een belangrijk deel hangt dit samen met het gegeven dat Molukkers met 3 of 4 grootouders gemiddeld jonger zijn dan hun generatiegenoten met 1 of 2 Molukse grootouders.
Desondanks blijven de zorgkosten voor kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten met 1 of 2 Molukse grootouders na correctie voor achtergrondkenmerken nog steeds wat hoger dan voor hun generatiegenoten met 3 of 4 Molukse grootouders.
Conclusie Op gebied van de in dit onderzoek beschouwde medicatieverstrekkingen laten personen met een Molukse achtergrond een wisselend beeld zien ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond. Zo krijgen zij – ook wanneer wordt gestandaardiseerd naar leeftijd – minder vaak antidepressiva-, ongeveer even vaak antipsychotica- en veel vaker diabetesmiddelen dan personen met een Nederlandse achtergrond. Dit laatste is wel in lijn met eerdere bevinden van onder andere De Mooij e.a. (2020). Zo blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2020 dat mensen met een migratieachtergrond in het algemeen vaker diabetesmiddelen krijgen dan personen met een Nederlandse achtergrond.
Gezondheid
63
Ook onderzoeken van het Schellingerhout (2004) en Bodewes en Kunst (2013) rapporteerden eerder hogere gebruik van diabetesmiddelen en een hogere mate van suikerziekte onder Molukkers dan onder personen met een Nederlandse achtergrond. Op gebied van diabetesmiddelen kan worden geconcludeerd dat dit anno 2018 nog steeds het geval is. Molukkers hebben gemiddeld lagere zorgkosten dan personen met een Nederlandse achtergrond. Voor de totale groep Molukkers valt dit verschil voor ongeveer de helft toe te schrijven aan een verschil in samenstelling van de bevolking. Personen met een Molukse achtergrond hebben vooral lagere zorgkosten omdat zij gemiddeld jonger zijn dan personen met een Nederlandse achtergrond. Doordat Molukkers vaker in sterk stedelijk gebied wonen en gemiddeld lager opgeleid zijn dan personen met een Nederlandse achtergrond, wordt het effect van leeftijd op de zorgkosten echter iets minder sterk. Bij zowel de totale groep met een Molukse achtergrond, alsook de kinderen van Molukse migranten liggen de zorgkosten ook na correctie voor achtergrondkenmerken gemiddeld lager dan onder de groep met een Nederlandse achtergrond. Voor de kleinkinderen van Molukse migranten is dit juist andersom: hun zorgkosten liggen na correctie voor achtergrondkenmerken gemiddeld hoger dan voor de groep met een Nederlandse achtergrond.
64
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
7 Methodebeschrijving Beschrijving populatie Afbakening onderzoekspopulatie De Molukse migratieachtergrond is geen aparte herkomstgroepering die het CBS in zijn classificaties hanteert. Hierdoor kan niet rechtstreeks via de classificatie herkomstgroepering bepaald worden in hoeverre personen wel of niet van Molukse komaf zijn. Om Molukse migranten en hun kinderen en kleinkinderen toch te kunnen onderscheiden is uitgegaan van passagierslijsten met achternamen van Molukkers die in 1951 per boot naar Nederland kwamen.1) Met behulp van deze lijst en identificatiegegevens die het CBS heeft op gebied van ouder-kind relaties, zijn alle personen die deze achternamen dragen en hun nageslacht geïdentificeerd. Vervolgens is verder afgebakend naar moment van migratie. De grootste groep Molukkers is in 1951 per boot naar Nederland gekomen. Daarnaast kwam in 1962 nog een kleine groep Molukkers uit Nederlands-Nieuw-Guinea naar Nederland (Steijlen, 2015). Molukkers uit de eerste groep werden niet direct bij aankomst geregistreerd als zijnde ingezetenen van Nederland. Voor het grootste deel van de Molukkers gaan de gegevens namelijk niet verder terug dan het jaar 1958.
Mede daarom is de populatie Molukkers in Nederland afgebakend als zijnde alle personen en hun nageslacht van diegenen die voor 1963 naar Nederland zijn gemigreerd, een als Moluks geïdentificeerde achternaam hebben en daarnaast op 1 januari 2018 staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) als ingezetene van Nederland. Nagenoeg alle eerste generatie Molukkers zijn geboren in Nederlands-Indië, Nederlands-Nieuw-Guinea of Indonesië. Op basis van deze afbakening blijkt dat op 1 januari 2018 ruim 71 duizend Molukkers van verschillende generaties in Nederland woonden. Er wonen meer Molukkers in Nederland die niet voldoen aan de hier gebezigde afbakeningscriteria. Personen met een Molukse naam die zich in 1963 of later in Nederland vestigden en hun afstammelingen zijn in deze analyse buiten beschouwing gelaten. Per 1 januari 2018 gaat het om circa 24 duizend personen. In dit onderzoek wordt de positie van personen met een Molukse achtergrond binnen verschillende domeinen in kaart gebracht en vergeleken met de positie van personen met een Nederlandse achtergrond. In de reguliere CBS-publicaties worden kleinkinderen van Molukse migranten ook tot de bevolking met een Nederlandse achtergrond gerekend wanneer hun beide ouders in Nederland geboren zijn.
Omdat personen van deze generatie nu tot de populatie Molukkers in Nederland worden gerekend, vallen zij in deze publicatie dus niet onder de groep personen met een Nederlandse achtergrond. De onderzoekspopulatie betreft behalve de ruim 71 duizend Molukkers dus ook de populatie personen met een Nederlandse achtergrond op peildatum 1 januari 2018. Dit zijn ruim 13 miljoen personen.
1)
Deze lijst is in 2015 in samenwerking met Anton Kunst (Vrije Universiteit Amsterdam), Adee Bodewes (Amsterdams Medisch Centrum) en het CBS opgesteld.
Methodebeschrijving 65
De resultaten van dit onderzoek hebben in veel gevallen betrekking op een eerder verslagjaar dan 2018. Dat komt omdat recentere gegevens ten tijde van dit onderzoek ontbraken. Ook voor de analyses die betrekking hebben op eerdere verslagjaren dan 2018 is de onderzoekspopulatie van 1 januari 2018 gehanteerd.
Onderzoeksmethode Samenstellen onderzoeksbestand Voor de bepaling van de positie die personen met een Molukse achtergrond innemen ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond is een onderzoeksbestand samengesteld met persoonsgegevens uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB). Het SSB bevat databestanden met gegevens over personen, uitkeringen, banen, inkomen, opleidingen, huishoudens, woningen, ruimtelijke indelingen en nog veel meer. Deze gegevens zijn onderling gekoppeld. Door de relatief kleine omvang van de populatie Molukkers in Nederland, zijn de analyses beperkt tot de registraties uit het SSB. Er is geen gebruik gemaakt van informatie uit CBS-enquêtes.
Generatieafleiding Molukkers Het CBS hanteert exact omschreven definities en terminologieën voor bevolkingsgroepen. Voor het bepalen van de migratieachtergrond staat normaal gesproken het geboorteland van de ouders centraal. Voor personen met een migratieachtergrond geldt dat ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Wanneer iemand zelf in het buitenland is geboren behoort deze tot de eerste generatie met een migratieachtergrond, terwijl iemand van de tweede generatie in Nederland is geboren. De in dit onderzoek gehanteerde definitie van generaties Molukkers wijkt af van de definitie die doorgaans door het CBS wordt gehanteerd. In dit onderzoek wordt de generatie waartoe een Molukker behoort niet bepaald vanuit het oogpunt van (één van de) ouders van een kind, maar vanuit het oogpunt van de nakomelingen van ouders. Dat betekent dat ook alle kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten worden gerekend tot de populatie Molukkers in Nederland. Bij de bepaling van de Molukse generaties is steeds de Molukse populatie als uitgangspunt genomen. Ouders met een andere herkomstgroepering dan de Molukse of Nederlandse hebben dus geen invloed bij de bepaling van de Molukse generaties.
Oaxaca-Blinder decompositie methode In een aantal hoofdstukken is de Oaxaca-Blinder decompositie methode uitgevoerd (zie ook Jann, 2008). De Oaxaca-Blinder decompositie analyse is een variant van de meervoudige regressiemethode. Deze methode wordt doorgaans gebruikt om een kloof in gemiddelde uitkomsten tussen twee groepen te bekijken. Dit wordt gedaan door middel van een aparte lineaire regressieanalyse per groep. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van de OaxacaBlinder methode om de verschillen tussen personen met een Molukse en een Nederlandse
66
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
achtergrond in werk, inkomen, criminaliteit, onderwijsniveau en zorgkosten nader te onderzoeken. Met de Oaxaca-Blinder methode kunnen verschillen tussen Molukkers of specifieke generaties Molukkers en personen met een Nederlandse achtergrond uitgesplitst worden in een ‘verklaarbaar’ deel en een residu of ‘onverklaarbaar’ deel (Jann, 2008). Het verklaarbare deel geeft weer welk gedeelte van de verschillen kan worden toegeschreven aan verschillen in objectieve factoren die in het model zijn opgenomen, zoals onderwijs of werkervaring, tussen personen met een Nederlandse en Molukse achtergrond. Daarentegen weerspiegelt het onverklaarbare deel het gedeelte van de verschillen tussen Molukkers en personen met een Nederlandse achtergrond dat overblijft na correctie voor de verschillen in de achtergrondvariabelen die worden meegenomen in het model.2) De Oaxaca-Blinder decompositie analyse maakt dit onderscheid op het niveau van achtergrondvariabelen. Dit is mogelijk omdat er voor iedere groep een aparte vergelijking geschat wordt. Daarom kan er bijvoorbeeld bekeken worden of een man met een Nederlandse achtergrond en een hoog opleidingsniveau dezelfde inkomenspositie heeft als een Molukse man met een hoog opleidingsniveau.
Operationalisering In deze paragraaf wordt toegelicht hoe de belangrijkste begrippen uit het onderzoek zijn geoperationaliseerd.
Aantal Molukse grootouders Het aantal Molukse grootouders wordt bepaald aan de hand van gegevens die het CBS heeft op het gebied van ouder-kind relaties. Door de populatie Molukkers in Nederland via de oudkind relaties steeds door te koppelen tot de grootouders, kan voor de jongere Molukse generaties het aantal grootouders dat ook een Molukse achtergrond heeft worden bepaald. Bij de bepaling van het aantal Molukse grootouders onder Molukse migranten ligt dit lastiger, daar gegevens van ouders en grootouders van Molukse migranten vaak niet beschikbaar zijn. Wel zijn gegevens over het geboorteland en geboortedatum van de ouders van Molukse migranten beschikbaar, omdat deze werden opgevraagd toen zij zich lieten registreren in Nederland. Om het aantal Molukse grootouders voor de Molukse migranten toch te kunnen afleiden, is gebruik gemaakt van deze oudergegevens. Daarbij worden ouders van Molukse migranten afgeleid als Moluks wanneer zij voor 1963 geboren zijn in Nederlands-Indië, Nederlands-Nieuw-Guinea of Indonesië. Voor alle ouders van Molukse migranten waarvan is bepaald dat zij Moluks zijn, wordt uitgegaan dat de bijbehorende grootouders ook een Molukse achtergrond hebben.
Arbeidsdeelname Betaald werk als werknemer of zelfstandige.
2)
Het bestaan van een niet te verklaren deel betekent niet dat er sprake is van discriminatie of dat een verschil kan worden toegeschreven aan culturele verschillen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat kenmerken een rol spelen die niet zijn opgenomen in het gebruikte model.
Methodebeschrijving 67
Jeugdbescherming Een maatregel die de rechter dwingend oplegt met het doel bedreiging voor de veiligheid en ontwikkeling van het kind op te heffen. Een kind of jongere wordt dan ‘onder toezicht gesteld’ of ‘onder voogdij geplaatst’.
Jeugdhulp Hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere of opvoedingsproblemen van de ouders. Het betreft hulp en zorg zoals deze bedoeld en beschreven is in de Jeugdwet (2014).
Gemeente met een Molukse wijk In de jaren 1950 werden verspreid over Nederland aparte wijken gebouwd om groepen Molukkers in te huisvesten. Uiteindelijk zijn er meer dan zestig Molukse woonwijken gerealiseerd. Onderling bestaat veel verschil in omvang van de wijk. Zo gaat het in enkele gevallen om één specifieke straat, in andere gevallen omvat de Molukse wijk meerdere huizenblokken. Omdat de Molukse wijken geen administratieve wijken zijn, is onduidelijk wat per gemeente de precieze afbakening omvat van de Molukse wijken en welke Molukse wijken anno 2018 nog steeds bestaan. Daarom is in dit onderzoek gekozen om de Molukse wijken te benaderen op gemeentelijk niveau. Om de gemeenten met een Molukse wijk te identificeren is uitgegaan van de ‘Molukse gemeenschappen’ zoals Straver (2005) deze hanteert. Hierbij ging het oorspronkelijk om 70 gemeenten met een Molukse wijk. Door verschillende gemeentelijke fusies zijn er in 2018 67 gemeenten met een Molukse wijk. Het is niet bekend of en in welke hoedanigheid de Molukse wijken anno 2018 nog altijd in deze gemeenten aanwezig zijn. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat in enkele gemeenten de Molukse wijk in de loop der tijd verdwenen is.
Persoonlijk bruto inkomen Het persoonlijk bruto inkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (m.u.v. kinderbijslag en kindgebonden budget).
Sociaaleconomische positie De sociaaleconomische positie wordt bepaald aan de hand van de voornaamste inkomstenbron van personen. Werkzame personen zijn mensen die hun voornaamste inkomsten krijgen uit een baan als werknemer, overige arbeid of arbeid in het buitenland, of uit een baan als zelfstandige. Uitkeringsontvangers hebben voornamelijk inkomsten uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering (AO), werkloosheidsuitkering (WW), bijstandsuitkering (ABW), een overige uitkering (IOAW, IOAZ, Wachtgeld en Ziektewet) of een uitkering uit het buitenland. Voor mensen met een pensioen ligt het zwaartepunt bij inkomsten uit een pensioenuitkering en voor scholieren en studenten zijn dat inkomsten uit een beurs.
68
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
Degenen zonder inkomen hebben geen inkomstenbron uit werk, uitkering, pensioen of studiebeurs. Bij gelijke inkomsten geldt de bovengenoemde hiërarchie van posities: werk gaat bijvoorbeeld voor een uitkering. Overigens kan het theoretisch zo zijn dat een inwoner van Nederland buiten Nederland wordt betaald door een buitenlandse (onder)aannemer waardoor misschien geen inkomen wordt waargenomen in de Nederlandse registraties. Dat kan de reden zijn dat een persoon (onterecht) valt in de categorie ‘zonder inkomen’.
Verdachte van een misdrijf Het betreft de personen die geregistreerd zijn in het registratiesysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH) van de politie en ingeschreven staan in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. In dit onderzoek is ieder persoon als verdachte van een misdrijf beschouwd die in de periode 2014 tot en met 2018 ten minste één keer als zodanig is geregistreerd. Een persoon die binnen deze periode meer dan één keer is geregistreerd, wordt slechts één keer meegeteld in het totaal aantal verdachten.
Voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) Leerlingen die in een gegeven jaar het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie. Een leerling beschikt over een startkwalificatie met een havo- of vwo-diploma of met een mbo-2 diploma. Een vmbo-diploma of een mbo-1 diploma volstaat niet als startkwalificatie. Het aantal voortijdig schoolverlaters vanuit het voorgezet onderwijs is relatief beperkt. In dit onderzoek is daarom iedereen als vsv’er beschouwd die in ten minste één van de onderwijsjaren 2012/’13 tot en met 2016/’17 het mbo zonder startkwalificatie heeft verlaten. Een mbo’er die binnen deze periode meer dan één keer als vsv’er is geregistreerd, wordt slechts één keer meegeteld in het totaal aantal vsv’ers.
Kwaliteit van de uitkomsten Betrouwbaarheid kleine aantallen De totale populatie Molukkers in Nederland is met ruim 71 duizend personen niet zo heel groot. Voor analyses op gebied van verdachten van een misdrijf, voortijdig schoolverlaten en niveau in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs is de vulling voor de groep Molukkers daardoor beperkt. Hierdoor kunnen uitkomsten per verslagjaar verschillen. Omdat het doel van dit onderzoek is om een algemeen beeld te geven van de positie van Molukkers in Nederland, en geen ontwikkelingen door de jaren heen, is ervoor gekozen om voor de indicatoren verdachte van een misdrijf, voortijdig schoolverlaten en niveau in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs de gegevens van vijf jaren te combineren. Met name voor de cijfers over verdachten van een misdrijf en voortijdig schoolverlaters levert dit afwijkende, overwegend hogere cijfers dan in andere CBS-publicaties en op StatLine. In een verslagperiode van 5 jaar is immers een groter aantal personen als verdachte van een misdrijf of voortijdig schoolverlater geregistreerd dan in een verslagperiode van 1 jaar. Doordat in dit onderzoek de som van de geregistreerde verdachten (recidives uitgezonderd) en voortijdig schoolverlaters over de periode van 5 jaar wordt genomen in plaats van een
Methodebeschrijving 69
jaargemiddelde, vallen deze cijfers dus hoger uit dan de cijfers in andere CBS-publicaties en StatLine. Omdat de populatie leerlingen in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs jaarlijks vrijwel geheel verandert, is de afwijking voor deze cijfers ten opzichte van andere CBSpublicaties beperkt.
Bronbeschrijving De volgende bronnen en/of leveranciers van bronnen worden kort beschreven: — BAGplus; — Basisregistratie Personen (BRP); — Basisvoorziening Handhaving (BVH)); — Integraal Inkomens- en vermogensonderzoek; — Onderwijsstatistieken; — Opleidingsniveaubestand; — Polisadministratie; — Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB);
BAGplus De BAGplus bestaat uit data uit de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) aangevuld met afleidingen en data uit andere bestanden (onder andere de WOZregistratie). De BAG bevat gemeentelijke basisgegevens van alle gebouwen en adressen in Nederland. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de vulling van de BAG. Het Kadaster beheert de Landelijke Voorziening BAG en krijgt de gegevens aangeleverd door de gemeenten. Het CBS verzamelt gegevens over de waarde van het onroerend goed op basis van de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ). Deze wet verplicht gemeenten al het onroerend goed (WOZ-objecten), inclusief al het in aanbouw zijnde en leegstaande onroerend goed, binnen de gemeentegrenzen periodiek te taxeren. Op basis van de WOZ-registratie kan voor woonruimten de eigendomssituatie en waarde van de woning worden vastgesteld. De WOZregistratie is voor één peilmoment per jaar (1 januari) beschikbaar.
Basisregistratie Personen (BRP) Register waarin alle ingezetenen van Nederland staan ingeschreven. Ook niet-ingezetenen maken deel uit van het register. Mensen die in Nederland hebben gewoond (formeel ingezetene zijn geweest) maar zijn geëmigreerd en mensen die zijn overleden maken deel uit van het register. De BRP bevat onder meer informatie over persoonskenmerken als geboortedatum, geboorteland en geslacht alsook gegevens over gerelateerden, zoals ouders, kinderen en partner(s). Ook adresgegevens zijn opgenomen in de BRP. De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vormt de grondslag voor de gemeentelijke bevolkingsregisters. Vanaf januari 2014 is de Wet GBA vervangen door de Wet basisregistratie personen (Wet BRP).
70
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
Uitgezonderd zijn: — Inwoners van Nederland die gebruik maken van uitzonderingsregels die gelden met betrekking tot opneming in de bevolkingsregisters (niet-Nederlandse diplomaten en nietNederlandse NAVO-militairen). Zij mogen zelf bepalen of zij in de bevolkingsregisters ingeschreven worden of niet. — Asielzoekers die korter dan zes maanden in de centrale opvang verblijven en nog geen verblijfsvergunning hebben gekregen.
Basisvoorziening Handhaving (BVH) De gegevens over geregistreerde verdachten van misdrijven zijn afkomstig uit de registratiesystemen van de Nationale Politie. De politie registreert iemand als ‘verdachte van een misdrijf’ wanneer een redelijk vermoeden van schuld bestaat. De in dit onderzoek gebruikte data is afkomstig uit de ‘Basisvoorziening Handhaving’ (BVH). De BVH bevat informatie onder andere informatie over het type delict. Persoonsinformatie over bijvoorbeeld het geslacht, land van herkomst en leeftijd is afkomstig uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB). Het aantal verdachten wordt weergegeven als percentage van dezelfde groep in de bevolking. De cijfers hebben alleen betrekking op personen die op een adres bij een gemeente zijn ingeschreven in de BRP (Basisregistratie Personen). BVH levert geen compleet beeld van de geregistreerde criminaliteit in Nederland. De gegevens van de bijzondere opsporingsdiensten (FIOD-ECD, douane) zijn vaak niet opgenomen in BVH. Diverse typen misdrijf, zoals economische delicten, milieudelicten of uitkeringsfraude, zijn hierdoor ondervertegenwoordigd in de cijfers. De gegevens zijn van verdachten, niet van veroordeelden. Na drie jaar ‘bevriest’ het CBS de data en worden verdachten die gevonden worden bij misdrijven die ouder zijn dan 3 jaar niet meer meegeteld in de verdachtencijfers.
Inkomen Personen Het bestand bevat het jaarinkomen van alle personen behorende tot de bevolking van Nederland op 1 januari van het verslagjaar. De belangrijkste berichtgever is de Belastingdienst.
Integraal Inkomens- en vermogensonderzoek Het Integraal Inkomens- en vermogensonderzoek geeft een beeld van de samenstelling en verdeling van het inkomen en vermogen van personen en huishoudens in Nederland. De populatie bestaat uit de bevolking van Nederland in particuliere huishoudens op 1 januari. Het onderzoek is gebaseerd op integrale registraties van de Belastingdienst, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de BRP. Meer informatie is te vinden op de website van het CBS.
Methodebeschrijving 71
Onderwijsstatistieken De onderwijsstatistieken geven een breed overzicht van diverse aspecten van het onderwijs in Nederland. De meeste informatie heeft betrekking op de leerlingen/studenten en de geslaagden/afgestudeerden bij de verschillende onderwijssoorten. Daarnaast zijn er gegevens over onderwijsinstellingen, de overheidsuitgaven aan onderwijs, het opleidingsniveau van de bevolking, stromen in het onderwijs, studievoortgang van leerlingen/studenten en voortijdig schoolverlaten en de bestemming van geslaagden/ afgestudeerden op de arbeidsmarkt. Van de meeste onderwijssoorten zijn ook regionale cijfers beschikbaar. Het grootste deel van de statistieken betreft het onderwijs dat wordt bekostigd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. In het kader van leven lang leren is er ook informatie over de deelname aan bedrijfsopleidingen en het niet-bekostigd onderwijs.
Opleidingsniveaubestand Het Opleidingsniveaubestand bevat data over het hoogst behaalde en hoogst gevolgde opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking op peildatum 1 oktober. Het bestand is gebaseerd op gegevens uit diverse registers (voor een belangrijk deel uit de Onderwijsnummerbestanden van DUO en de EBB). Door het gebruik van meerdere (jaargangen van) bronnen heeft het een zeer hoge dekkingsgraad (2018: ruim 11,5 miljoen personen) die bovendien jaarlijks toeneemt. Alhoewel de dekkingsgraad hoog is, vertegenwoordigt het bestand niet de gehele doelpopulatie. De informatie is voor een deel van de bevolking integraal en voor de overige personen op steekproefbasis. Het bestand bevat een ophooggewicht.
Polisadministratie De Polisadministratie bevat gegevens over banen en is gebaseerd op data uit de loonaangiften van de Belastingdienst. De loonaangiften bevatten gegevens over inkomstenverhoudingen (uit de loonadministratie) van werkgevers en andere inhoudingsplichtigen. Het doel van de Polisadministratie is inzicht te krijgen in arbeidscontracten en loon van werknemers. De Belastingdienst ontvangt de loonaangifte en het UWV maakt daar de Polisadministratie van.
Registraties van uitkeringen bij gemeenten De registraties van uitkeringen bij de gemeenten bestaan uit uitkeringen van personen. De gemeenten registreren bijstandsuitkeringen. Hieronder vallen uitkeringen in het kader van de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).
72
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
Registraties van uitkeringen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) De registraties van uitkeringen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) bestaan uit uitkeringen van personen. Het UWV registreert werkloosheidsuitkeringen (WW), uitkeringen in het kader van de Ziektewet (ZW) en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (AO). Onder de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vallen uitkeringen op grond van de volgende wetten: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong/Wajong2010/ Wajong2015).
Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) Het doel van het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) is het verschaffen van microdata waarmee een samenhangende, consistente beschrijving kan worden gegeven van een aantal aspecten van de bevolking van Nederland. Het SSB is een stelsel van op individueel niveau koppelbare registers en enquêtes. Met gegevens uit het SSB worden voor verschillende onderwerpen statistieken gemaakt en wordt sociaalwetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. De SSB-populatie betreft alle personen die in Nederland wonen en personen die niet in Nederland wonen maar wel in Nederland werken, een uitkering dan wel pensioen vanuit Nederland ontvangen of in Nederland onderwijs volgen. Er zijn onder meer gegevens beschikbaar over personen, uitkeringen, banen, inkomen, opleidingen, huishoudens, woningen en ruimtelijke indelingen. Door de opzet van het SSB is samenhangende informatie aanwezig voor kleine groepen in de samenleving, kan regionaal sterk gedetailleerde informatie worden gegeven en kunnen groepen personen door longitudinaal onderzoek gevolgd worden.
Vektis (zorgkosten) Vektis is het informatiecentrum voor de zorg van Zorgverzekeraars Nederland. Vektis ontvangt van zorgverzekeraars en volmachthouders op kwartaalbasis een bestand met per verzekerde persoon per zorgvorm (bijvoorbeeld huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, etcetera) de totale kosten die zijn betaald vanuit de basisverzekering. Vektis maakt op basis van acht kwartalen (jaar t en t+1) een jaarbestand. Verzekeraars schatten per type zorg de nog te verwachten kosten, deze worden verdeeld over de personen die voor die zorgvorm al kosten hadden gemaakt. Meer informatie is te vinden op de website van het CBS.
Zelfstandigen Zelfstandig ondernemers zijn personen die in een verslagjaar winstaangifte in de aangifte inkomstenbelasting hebben opgegeven. De aangifte- en inkomensgegevens worden afgeleid uit de winstaangiften Inkomstenbelasting (IB) en voorlopige IB-aanslagen.
Methodebeschrijving 73
Zorginstituut Nederland (geneesmiddelenverstrekking) Zorgverzekeraars leveren aan het Zorginstituut Nederland (tot april 2014 bekend als College voor Zorgverzekeringen, CVZ) gegevens over alle geneesmiddelenverstrekkingen per persoon die vergoed worden uit de verplichte basisverzekering voor geneeskundige zorg. Deze registratie bestaat sinds 2006 en wordt gebruikt voor de risicoverevening (RVEbestanden), waarbij de zorgverzekeraars gecompenseerd worden voor hun patiëntenpopulatie. Het is een volledig dekkend bestand dat nagenoeg volledig koppelbaar is met de Basisregistratie Personen. De geneesmiddelen zijn op basis van artikelcodes ingedeeld naar ATC-klasse (anatomisch, therapeutisch, chemisch), een classificatiesysteem van de WHO (World Health Organization). Meer informatie is te vinden op de website van het CBS.
74
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
Literatuur Bodewes, A. & A. Kunst (2013). De Gezondheid van Molukkers in Nederland. Resultaten van het eerste landelijke onderzoek naar de gezondheid van Molukkers. Amsterdam: Academisch Medisch Centrum. Gijsberts, M. & A. Merens (red) (2004). Emancipatie in estafette. De positie van vrouwen uit etnische minderheden. Den Haag: SCP / ISEO. Huijnk, W., & I. Andriessen (2016). Integratie in zicht. De integratie van migranten in Nederland op acht terreinen nader bekeken. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Jann, B. (2008). The Blinder-Oaxaca decomposition for linear regression models. The Stata Journal, 8(4), 453–479. Martens, E. & J. Veenman (1993). De onderwijspositie en schoolloopbaan van Molukse jongeren. In: A. Boelens (Red.), De positie van Molukse leerlingen in basis- en voortgezet onderwijs. Een lustrum in onderzoeken. Utrecht: Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers. Mooij, M. de, D. Dieleman & S. de Regt (2020). Jaarrapport Integratie 2020. Den Haag/Heerlen/ Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek. Schellingerhout, R. (2004). Gezondheid en welzijn van allochtone ouderen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Smeets, H. & F. Steijlen (2008) In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers 1951– 2006. Amsterdam: Bakker. Spijker, F. van, K. Van der Houwen & R. Van Gaalen (2017). Invloed ouderlijk opleidingsniveau reikt tot ver in het voortgezet onderwijs.
Economische Statistische Berichten. Steijlen, F. (2015). Molukkers in Nederland, een sociale geschiedenis van uitersten. Historisch Tijdschrift Groniek, nr. 208-9, 219–235. Straver, H. (2005). Oog voor Molukse leerlingen. Pleidooi voor verbetering van de onderwijspositie van Molukkers. Utrecht: Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers. Tunjanan, T. & J. Veenman (2008). Molukse jongeren en Onderwijs – Quick Scan. Rotterdam: FORUM/Ger Guijs. Veenman, J. (2001). Molukse jongeren in Nederland. Integratie met de rem erop. Assen: Van Gorcum.
Literatuur
75
Bijlagen 1.
Logistische regressieanalyse van het wel (1) of niet (0) hebben van een Molukse partner, Molukkers die op 1-1-2018 gehuwd waren of een geregistreerd partnerschap hadden Beta
SE
sign.
–0,25
0,05
#
0,16
0,04
#
Kinderen van Molukse migranten
–0,58
0,05
#
Kleinkinderen van Molukse migranten
–0,71
0,09
#
–1,46
0,06
#
Laag
0,15
0,05
#
Hoog
–0,34
0,06
#
#
Intercept Geslacht (ref = man) Vrouw Generatie (ref = Molukse migranten)
Aantal grootouders (ref = 3 of 4) 1 of 2 Hoogst behaalde onderwijsniveau (ref = midden)
Stedelijkheid van de woongemeente (ref = sterk) Zeer sterk
–0,18
0,06
Matig
0,29
0,05
#
Weinig
0,37
0,06
#
Niet
0,85
0,10
#
–1,82
0,06
#
Aanwezigheid van Molukse wijk in woongemeente (ref = ja) Nee Bron: CBS # p<0.01
2.
Bijdrage van factoren voor het verklaren van verschillen in aandeel leerlingen op havo/vwo in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs, 2012/'13/2016/'17 (in procentpunten) Moluks, totaal in procentpunten
Geslacht
–0,1
Leeftijd
1,0
Hoogst behaalde onderwijsniveau moeder
2,5
Leeftijd moeder bij geboorte
–0,2
Schooljaar
0,0
Gezinskenmerken Ouderlijke structuur
1,2
Huishoudinkomen
0,2
Woonkenmerken
76
Gemeente met Molukse wijk
–0,4
Stedelijkheid woongemeente
–0,7
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
2.
Bijdrage van factoren voor het verklaren van verschillen in aandeel leerlingen op havo/vwo in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs, 2012/'13/2016/'17 (in procentpunten) (vervolg) Moluks, totaal in procentpunten
Feitelijk verschil
8,0
Verschil verklaard
4,4
Verschil Onverklaard1)
3,6
Percentage verklaard
55
Bron: CBS Dit verschil is statistisch significant (p<0.001).
1)
3.
Bijdrage van factoren voor het verklaren van verschillen in arbeidsdeelname, 2017 Moluks, totaal
Moluks, kinderen
Moluks, kleinkinderen
in procentpunten
Geslacht
0,0
0,0
0,0
Leeftijd
–0,5
1,1
–5,2
Hoogst behaalde onderwijsniveau
1,4
1,9
0,2
Onderwijsrichting
0,4
0,4
0,5
Gezinskenmerken Heeft een partner met werk
1,7
1,2
2,7
Leeftijd jongste kind
0,0
–0,2
0,4
Woonkenmerken Gemeente met Molukse wijk
0,0
0,0
0,0
Stedelijkheid woongemeente
0,5
0,4
0,5
Provincie woongemeente
0,1
0,1
0,2
Feitelijk verschil
3,9
4,0
1,8
Verschil verklaard
3,4
4,8
–0,8
Verschil Onverklaard1)
0,5
–0,9
Percentage verklaard
88
122
2,5 –44
Bron: CBS Deze verschillen zijn statistisch significant (p<0.05).
1)
4.
Bijdrage van factoren voor het verklaren van verschillen in inkomen, 2017 Moluks, totaal
Moluks, kinderen
Moluks, kleinkinderen
in 1 000 euro
Geslacht
0,1
0,1
0,1
Leeftijd
0,1
–0,1
0,4
Hoogst behaalde onderwijsniveau
3,0
2,0
2,4
Werkervaring
2,7
–1,7
11,9
Baankenmerken Soort contract
0,8
0,1
1,8
Soort baan
0,2
0,1
0,2
Contracturen per week
0,4
–0,3
1,8
Standaard bedrijfsindeling
0,3
–0,1
0,8
Bijlagen
77
4.
Bijdrage van factoren voor het verklaren van verschillen in inkomen, 2017 (vervolg) Moluks, totaal
Moluks, kinderen
Moluks, kleinkinderen
in 1 000 euro
Woonkenmerken Gemeente met Molukse wijk
0,0
0,0
0,0
Stedelijkheid woongemeente
0,0
0,0
0,0
Arbeidsmarktregio
–0,2
–0,1
–0,1
Feitelijk verschil
10,1
2,3
20,5
Verschil verklaard
7,3
0,0
19,2
Verschil Onverklaard1)
2,8
2,3
1,2
Percentage verklaard
73
–2
94
Bron: CBS Deze verschillen zijn statistisch significant (p<0.001).
1)
5.
Bijdrage van factoren voor het verklaren van verschillen in aandeel verdachten van een misdrijf, 2014 tot en met 2018 (in procentpunten) Moluks, 12 tot 18 jaar
Moluks, 18 tot 25 jaar
Moluks, 25 tot 45 jaar
Moluks, 45 jaar en ouder
in procentpunten
Geslacht
–0,1
0,0
0,0
0,0
Leeftijd
0,0
0,0
0,2
0,3
0,2
0,2
0,1
–0,1
–0,1
0,1
0,0
0,5
0,0
0,5
0,7
Gemeente met Molukse wijk
–0,1
0,0
–0,1
0,0
Stedelijkheid woongemeente
0,5
0,2
0,2
0,1
Woongemeente behoort tot G4
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,1
0,0
0,4
0,1
–0,1
0,0
Sociaaleconomische positie Leeftijd moeder bij geboorte Onderwijsniveau Hoogst behaald Hoogst gevolgd Woonkenmerken
Gezinskenmerken Huishoudinkomen Heeft een partner met werk Ouderlijke structuur
0,6
0,1
Heeft thuiswonende kinderen Feitelijk verschil
4,5
4,0
3,2
1,0
Verschil verklaard
1,5
1,1
1,6
0,7
Verschil Onverklaard1)
3,0
2,9
1,6
0,3
Percentage verklaard
33
28
51
67
Bron: CBS Deze verschillen zijn statistisch significant (p<0.001).
1)
78
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen
6.
Bijdrage van factoren voor het verklaren van verschillen in zorgkosten, 2016 Moluks, totaal
Moluks, kinderen
Moluks, kleinkinderen
in percentielen
Geslacht
0,0
0,0
0,0
Leeftijd
2,7
3,9
11,6
Hoogst behaalde onderwijsniveau
–0,3
0,4
0,3
Woonkenmerken Gemeente met Molukse wijk
–0,1
–0,1
–0,1
Stedelijkheid woongemeente
–0,3
–0,4
–0,4
Feitelijk verschil
3,9
6,3
8,5
Verschil verklaard
1,9
3,7
11,3
Verschil Onverklaard1)
2,0
2,6
–2,8
Percentage verklaard
49
59
132
Bron: CBS Deze verschillen zijn statistisch significant (p<0.001).
1)
Bijlagen
79
Medewerkers Auteurs Katja Chkalova Dion Dieleman Carel Harmsen Vincent de Heij Niels Kooiman Martine de Mooij Han Nicolaas Lenny Stoeldraijer
Redactie Martine de Mooij Dion Dieleman Sabrina de Regt
Opmaak figuren Karolien van Wijk
80
Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen