CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij motivering - Bijlage 9 - Ecologische Quickscan aan de Loosbroeksestraat 4 te Heesch

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v, Loosbroeksestraat 4 Heesch5.986 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische Quickscan aan de Loosbroeksestraat 4 te Heesch

Opsteller: Datum: Kenmerk:

Ecologisch adviesbureau Eceau Ing. T.J.P. den Otter 29 mei 2025 TRA-1QS241104

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Omgevingswet. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige ecologische quickscan uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding en planlocatie .......................................................................................................... 2

2.

Doel en vraagstelling .............................................................................................................. 3

3.

Methode ................................................................................................................................ 4 3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek .............................................................................................. 4

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage ..................................................................................... 4

4.

Bevindingen ........................................................................................................................... 5 4.1.

Grondgebonden zoogdieren.............................................................................................. 6

4.2.

Vleermuizen ....................................................................................................................... 8

4.3.

Vogels .............................................................................................................................. 10

4.4.

Overige diersoorten ......................................................................................................... 12

4.5.

Vaatplanten ..................................................................................................................... 14

4.6.

Houtopstanden ................................................................................................................ 14

4.7.

Gebiedsbescherming ....................................................................................................... 15

5.

Samenvatting ....................................................................................................................... 16

6.

Vervolgstappen .................................................................................................................... 17 6.1.

Nader onderzoek ............................................................................................................. 17

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering ......................................................................................... 17

Bronnen .......................................................................................................................................... 18 Bijlage 1

Foto’s planlocatie ....................................................................................................... 19

1

1. Inleiding en planlocatie De initiatiefnemer is voornemens een loods te verschuiven, een loods te saneren t.b.v. een herbouw en het kadastraal splitsen van het perceel ten behoeve van de realisatie van twee nieuwe woningen op het perceel aan de Loosbroeksestraat 4 te Heesch. De bestaande woning zal behouden blijven in zijn huidige staat. Gepaard aan deze werkzaamheden zullen verhardingen, diverse groenstructuren (heggen, tuinelementen, bomen) en overige erfinrichtingen aangepast/verwijderd worden binnen het perceel. De loods (oostelijk bijgebouw) is opgetrokken uit gemetselde gevels en vanaf 1m hoogte bestaande uit damwandplaten, waarbij het dak bestaat uit sandwichpanelen. De stallen (westelijke bijgebouwen) zijn opgetrokken uit gemetselde gevels met spouwruimte en zijn voorzien van een golfplaten dak. De stallen zijn rondom afgewerkt met diverse afdichtingsmaterialen, waaronder vogelschroot, pur en kippengaas. Benevens de bebouwing bestaat het plangebied onder andere uit verharding, diverse kleinschalige groenstructuren en tuinelementen, en een (aardappel)akker. Het plangebied is gesitueerd in het landelijke buitengebied van Heesch. De directe omgeving is overwegend agrarisch, met weilanden, akkers, boerderijen, stallen en kleinschalige houtopstanden.

In noordelijke richting bevindt zich op enige afstand de bebouwde kom van Heesch, met onder andere woonwijken, winkels en infrastructuur. In figuur 1 is de ligging schematisch weergegeven en in bijlage 1 zijn diverse foto’s toegevoegd.

Figuur 1

Schematische weergave van het plangebied aan de Loosbroeksestraat 4 te Heesch, de rode arcering weergeeft de ligging van het plangebied (Bron: PDOK)

2

2. Doel en vraagstelling Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ecologische quickscan biedt inzicht in de wetgeving aangaande beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden, alsmede inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Omgevingswet in het kader van voorgenoemde zaken te voorkomen. Onderhavige ecologische quickscan kan voor de initiatiefnemer als bewijsstuk dienen dat onderzoek is verricht ten behoeve van de beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden. De initiatiefnemer is voornemens sanerings-, verbouwings- en bouwwerkzaamheden uit te voeren.

Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ontwikkeling: sloopwerkzaamheden verwijderen bestrating, bomen en overige terreininrichting bouwrijp maken van het terrein realiseren uitbouw en nieuwbouw herbestrating, herbeplanten en overige revitalisatiewerkzaamheden In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: transport puin, groenafval en bestrating transport nieuwe materialen plaatsen bouwverlichting (mogelijk) plaatsen bouwkeet Realiseren bedrijfsunits akoestische, trillings en optische verstoring van de directe omgeving Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden eventueel aanwezige ecologische functies mogelijk vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren.

In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels de ecologische quickscan onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Omgevingswet en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen?

3

3. Methode Middels voorliggende ecologische quickscan is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden van beschermde flora en fauna gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het veldbezoek is uitgevoerd op 29 mei 2025.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen beschermde gebieden en houtopstanden. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Omgevingswet in het kader van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.

4

4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken van welke bijzonderheden sprake is (o.a.: vrijstellingen en bepalingen), welke soorten in het aangetroffen habitat voorkomen en van welke soorten het voorkomen in de nabijheid van de onderzoeklocatie bekend is. Van de beschermde soorten die in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen wordt dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan; waaronder vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.

5

4.1. 4.1.1.

Grondgebonden zoogdieren Bescherming en soorten

Grondgebonden zoogdieren komen vrijwel overal voor in Nederland. Gezien het opportunistische karakter van diverse van deze algemene soorten zijn een aantal soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De binnen Noord-Brabant vrijgestelde zoogdiersoorten zijn opgenomen in tabel 1. Tabel 1 Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren van de provincie Noord-Brabant Aardmuis Haas Tweekleurige bosspitsmuis Bosmuis Huisspitsmuis Veldmuis Dwergmuis Konijn Vos Dwergspitsmuis Ondergrondse woelmuis Wild Zwijn Egel Ree Woelrat Gewone bosspitsmuis Rosse woelmuis

4.1.2.

Habitatonderdelen

De projectlocatie betreft een ten dele bebouwd perceel binnen agrarisch gebied. Op basis van de aanwezige biotoopkenmerken, kan de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten grondgebonden zoogdieren op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van onder andere zeezoogdieren (bruinvis, grijze zeehond), soorten van kruidenrijke gebieden (noordse woelmuis, europese hamster), van gevarieerde waterrijke/verstoringsarme gebieden (waterspitsmuis, bever, otter) en van bossen en grotere houtopstanden (boommarter, eekhoorn, wolf) kan worden uitgesloten. In de nabije omgeving van het plangebied worden enkel soorten van agrarisch cultuurlandschap (kleine marterachtigen, das) en de gebouwbewonende steenmarter verwacht. De das is een soort die diverse gevarieerde en kleinschalige biotopen gebruikt, zoals open structuurrijke bosgebieden en kleinschalig agrarisch cultuurland. Dassen graven zelf een verblijfplaats, genaamd een burcht, welke bestaat uit een netwerk aan tunnels en holen. Zulke burchten worden meestal gegraven in taluds of andere kleinschalige verhogingen in het landschap. De das is een opportunistisch omnivoor die op open plekken, op akkers en weilanden, langs heggen en tussen kruidenrijke vegetaties zijn voedsel bij elkaar scharrelt, bestaande uit onder andere aas, kleine gewervelde dieren, wormen, slakken, insecten, vruchten, noten en knollen.

Het plangebied betreft een deels bebouwd perceel binnen agrarisch gebied. In de nabije omgeving zijn diverse voor dassen belangrijke habitatonderdelen aanwezig, zoals kleine houtopstanden, houtwallen en diverse foerageermogelijkheden. Daarnaast is de aanwezigheid van dassen bekend in de omgeving. Het is derhalve de verwachting dat dassen het plangebied kunnen bereiken en in de nabije omgeving ervan aanwezig zijn. Echter kan gesteld worden dat, gezien het ontbreken van burchten of andere verblijfplaatsen (vluchtpijpen) binnen het plangebied en de belendende percelen, de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen uitgesloten kan worden. Hoewel het plangebied mogelijkerwijs dienst kan doen als algemeen foerageergebied, is vergelijkbaar habitat in de nabije omgeving zeer ruim voorhanden en heeft de voorgenomen ontwikkeling met name betrekking op de aanwezige gebouwen en slechts voor een klein deel op de akker. Effecten op functionele en essentiële habitatelementen van dassen zijn derhalve uitgesloten. Met kleine marterachtigen worden de wezel, de bunzing en de hermelijn bedoeld. Ondanks (subtiele) verschillen in ecologie, gedijen alle kleine marterachtigen in gevarieerde, kleinschalige en/of structuurrijke landschappen, waaronder agrarisch cultuurland, waarbij de aanwezigheid van dekking-gevende vegetatie en voldoende prooien (meestal woelmuizen) noodzakelijk is.

Als verblijfplaats gebruiken kleine marterachtigen holen van andere grondgebonden zoogdieren, holten onder boomwortels, holle boomstammen, materiaal- en takkenhopen en (in het geval van de bunzing) zelf gegraven holen. Het plangebied, gelegen in agrarisch gebied, is onderzocht op de aanwezigheid van voor kleine marterachtigen geschikte structuren.

6

Binnen het plangebied zijn geen (potentiële) verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aangetroffen. Tevens ontbreekt het grotendeels aan dekking; daar het plangebied met name uit verharding, akker en bebouwing bestaat. De uitzondering hierop zijn enkele heggen en tuinelementen: hoewel ook hier geen verblijfplaatsen aangetroffen zijn, dienen dergelijke structuren mogelijkerwijs als looproute of als algemeen foerageergebied voor kleine marterachtigen. Echter kan gesteld worden, dat alternatieve vergelijkbare structuren op korte afstand ruim aanwezig zijn en de elementen rondom de woning niet aangetast worden. Het al dan niet tijdelijk verloren gaan van enkele structuren, die als looproute of foerageergebied dienen, zal in de context van het plangebied aannemelijk geen wezenlijke effecten op kleine marterachtigen hebben. Hoewel het niet is uitgesloten dat kleine marterachtigen (opportunistisch) van het terrein gebruik maken of het perceel betreden, zijn effecten op verblijfplaatsen of andere essentiële habitatonderdelen uitgesloten. De steenmarter is een soort die verblijfplaatsen heeft in stenige objecten en bebouwing, maar ook in hopen snoeiafval, kruipruimten, ongebruikte schuurtjes, holle bomen of verlaten holen van andere grotere grondgebonden zoogdieren. Voor steenmarters is het van belang dat er relatief grote openingen aanwezig zijn.

Voor steenmarters dienen de openingen een afmeting te hebben van ca. 5cm breed of een lange spleet van minimaal 3cm breed (natuurpunt.be, 2025). De bebouwing is in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van dergelijke openingen, alsmede overige mogelijke verblijfplaatsen voor steenmarters. Voor steenmarters zijn geen geschikte holten aangetroffen die mogelijk leiden naar geschikte verblijfplaatsen. Daarnaast ontbreken alle mogelijke sporen, die op bewoning door steenmarters kunnen duiden, zoals latrines, loopsporen, uitwerpselen of prooiresten. Ook is er geen sprake van ongebruikte schuurtjes, langdurig aanwezige materiaalhopen, of holen van andere grondgebonden zoogdieren. De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van steenmarters is derhalve uitgesloten. Hoewel het mogelijk is dat steenmarters het perceel betreden of (opportunistisch) in gebruik nemen als foerageergebied, is er geen sprake van aantasting van functionele of essentiële habitatelementen.

4.1.3.

Effecten

Gezien de inrichting van het plangebied en de afwezigheid van geschikte (potentiële) verblijfplaatsen worden geen beschermde habitatonderdelen van grondgebonden zoogdieren verwacht. Algemene en opportunistische grondgebonden zoogdieren zoals veldmuis, egel, vos en ree maken mogelijk algemeen gebruik van het plangebied. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien zijn alle mogelijk aanwezige beschermde soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit van de provincie Noord-Brabant. Behoudens de Algemene Zorgplicht zijn geen bijzondere maatregelen benodigd in het kader van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet voor grondgebonden zoogdieren.

7

4.2. 4.2.1.

Vleermuizen Bescherming en soorten

Ondanks dat vleermuizen vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden, zijn er geen vleermuissoorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Door de continue verduurzaming van bestaande en nieuwe bebouwing waarbij gevels en daken worden geïsoleerd is er een sterke afname in potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen. Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd middels de Habitatrichtlijn van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Naast de individuen zijn tevens de vaste rust- en/of verblijfslocaties, essentiële vliegroutes en functionele foerageergebieden beschermd.

4.2.2.

Habitatonderdelen

In Nederland komen diverse vleermuissoorten voor die als verblijfslocaties onder andere gebruik maken van bebouwing. Voorbeelden hiervan zijn de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Dit geldt voor zowel de zomer-, paar-, winter- en kolonieverblijven. Open stootvoegen, kierende daklijsten, openstaande/overhangende dakpannen, scheuren in gevels of enige andere opening die toegang verleend tot een holle achterliggende ruimte bieden potentie om als verblijfplaats te dienen. Goede voorbeelden van achterliggende ruimten zijn de spouw, de ruimte onder dakpannen en toegankelijke verstoringsvrije zolderruimten met een stabiel microklimaat. Ook onder boombewonende soorten bevinden zich enkele algemeen voorkomende soorten, waaronder rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Deze soorten bezetten verblijfplaatsen in boomholten van met name oude bomen met een grote omvang, zodat de holten een voldoende bufferende werking hebben. Vanuit de verblijfslocaties verplaatsen vleermuizen zich vaak via vaste routes naar geschikte foerageergebieden, waarbij gebruik gemaakt wordt van lijnvormige structuren als de luwte van bebouwing, bomenlanen en oppervlaktewateren. Dergelijke structuren kunnen beschermd zijn indien er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. Binnen de planlocatie zijn slechts enkele bomen aanwezig.

Deze zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen holten, loshangende schors of anderzijds voor vleermuizen geschikte structuren in de bomen aangetroffen. De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is derhalve uitgesloten. De aan werkzaamheden onderhavige bebouwing is tevens geheel gecontroleerd op eventuele openingen die naar potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen leiden. De loods is voorzien van enkellaagse damwandplaten gevels en een dak van sandwichpanelen, welke hermetisch afgesloten aansluiten op elkander. De stallen zijn voorzien van diverse afdichtende middelen, waaronder vogelschroot, kippengaas en pur, zie figuur 2. Deze voorzieningen zijn ruime tijd geleden aangebracht in het kader van overlast door kauwen. Aanvullend is de spouwruimte enkel toegankelijk via open stootvoegen op <0,5m hoogte en is deze aan de bovenzijde afgedicht. Het is derhalve uitgesloten dat vaste rust- en/of verblijfslocaties van vleermuizen aanwezig zijn in zowel de stallen als de loods. Benevens verblijfplaatsen kunnen ook andere habitatelementen voor vleermuizen, zoals vliegroutes of foerageergebieden aanwezig zijn. Echter kan gesteld worden dat de omgeving fijnmazig wordt doorkruist door bomenrijen en houtwallen, en er diverse andere oriëntatiepunten aanwezig zijn.

Het plangebied vormt geen verbinding naar potentieel foerageergebied doordat de locatie, met uitzondering van de wegzijde, volledig is omgeven door akkers. Aan de wegzijde is een bomenlaan aanwezig welke potentieel als vliegroute kan fungeren. Er is geen sprake van effecten op functionele of essentiële vliegroutes en/of migratiestructuren. Daarnaast biedt de omgeving een ruime hoeveelheid alternatief foerageergebied, waardoor foerageerstructuren binnen het perceel niet als essentieel aangemerkt kunnen worden, bovendien zal de nieuwe situatie met meer tuinelementen voorzien in geschikter foerageergebied dan de huidige situatie. Ondanks dat er geen sprake is van aantasting van essentiële of functionele foerageer- en/of migreerstructuren, is het niet uitgesloten dat vleermuizen de planlocatie betreden of deze opportunistisch gebruiken als foerageerlocatie.

8

4.2.3.

Effecten

Gezien de afwezigheid van potentieel geschikte openingen, is de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. Nader onderzoek om de aan- dan wel afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen aan te tonen is derhalve niet nodig. Effecten op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen of essentiële en/of functionele vliegroutes en foerageergebieden zijn eveneens uitgesloten. Desondanks zal de locatie opportunistisch gepasseerd worden door vleermuizen. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende de donkere en schemerende dagdelen dan kunnen aanwezige en passerende vleermuizen verstoord worden door bouwverlichting. Dit is alleen van toepassing in de periode april t/m oktober, buiten de winterrustperiode. Om dergelijke onnodige verstoring te voorkomen dient het de voorkeur in deze periode overdag te werken of vleermuisvriendelijke bouwverlichting toe te passen (naar beneden gericht, convergerend).

Figuur 2

Detailfoto’s van de afdichtingen van de stallen. Linksboven: kippengaas, Rechtsboven: vogelschroot, Linksonder: bovenaanzicht spouw (dicht vanaf de tweede bovenste baksteen), Rechtsonder: opvulling met pur

9

4.3. 4.3.1.

Vogels Bescherming en soorten

Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste geldt voornamelijk binnen de broedperiode (medio maart t/m medio juli). Daarnaast is er een categorisering in beschermingsniveau. Er wordt een jaarronde bescherming van nesten (ook buiten broedseizoen, zonder eieren) gehanteerd voor soorten die erg honkvast zijn, ieder jaar terugkeren naar dezelfde locatie of het nest jaarrond gebruiken (cat. 1 t/m 4). Daarnaast geldt aanvullend voor een aantal soorten jaarronde bescherming van nesten indien zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (cat. 5). Gedurende het broedseizoen zijn aanvullend alle in gebruik zijnde nesten beschermd, waaronder die van veelvoorkomende soorten zoals zwarte roodstaart, vink, winterkoning, houtduif en merel.

4.3.2.

Habitatonderdelen

Aangezien de beoogde ingreep plaatsvindt op een perceel binnen agrarisch gebied, zijn nesten van een aantal soorten van de categorie 1 t/m 4 al op voorhand uit te sluiten. Zo is de aanwezigheid van nesten van soorten die broeden nabij snelstromend water (grote gele kwikstaart), in bossen of grotere houtopstanden (wespendief, havik, oehoe), of op hoge bebouwen of in masten (slechtvalk) op voorhand uit te sluiten. Resterend zijn soorten die broeden in houtwallen en bomenlanen in agrarisch gebied (roek, sperwer, ransuil, buizerd, boomvalk) en gebouwbewonende soorten (huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil). Voor ooievaar ontbreekt geschikte broedgelegenheid in de directe nabijheid van het plangebied. Diverse in bomen broeden soorten van de categorie 1 t/m 4 broeden regelmatig in al dan niet gevarieerd agrarisch gebied. Dit betreft onder andere de boomvalk, de buizerd, de sperwer, de roek en de ransuil. Voor ransuil en boomvalk vormt agrarisch gebied zelfs het belangrijke broedbiotoop in Nederland. Hoewel de voorgenoemde soorten grote verschillen kennen in de (broed)biologie hebben ze gemeen dat ze allen broeden in relatief grote boomnesten. Dit kunnen zelf gebouwde nesten zijn, zoals bij roek of sperwer, of gekaapte nesten van roofvogels of kraaiachtigen.

Bij controle op aanwezigheid van nesten is niet alleen rekening gehouden met nesten binnen het toekomstige bouwvlak, maar ook nesten die door de werkzaamheden een toename van verstoring zouden kunnen ervaren. Echter zijn er geen voor deze soorten geschikte boomnesten aangetroffen. De aanwezigheid van nesten van boomvalk, buizerd, sperwer, roek en ransuil is daarmee uitgesloten. De kerkuil en de steenuil broeden voornamelijk in agrarisch gebied. De steenuil prefereert daarbij kleinschalig gevarieerd landschap, met een hoog aanbod aan houtwallen, overbosjes, struweel, begroeide slootranden, boomgaarden en kleine oppervlakten open gebied. De kerkuil is met name een soort van open agrarisch gebied, maar kan ook uit de voeten in halfgesloten landschappen waar voldoende prooidieren aanwezig zijn. De kerkuil is vrijwel geheel afhankelijk van veldmuizen en spitsmuizen, terwijl de steenuil generalistischer is en ook grote insecten, regenwormen, vogels, reptielen en amfibieën eet. Beide soorten broeden tegenwoordig voornamelijk in speciaal gebouwde nestkasten. Steenuilen bezetten daarnaast ook nauwe ruimtes in gebouwen en boomholten, met name in wilgen. Kerkuilen nestelen ook wel op verstoringsarme zolderruimtes, hooizolders of stallen. De omgeving van plangebied is, gezien de ligging binnen agrarisch gebied met diverse groenstructuren, voor beide soorten geschikt.

De bebouwing binnen het plangebied is derhalve onderzocht op geschikte invliegopeningen voor steenuil of kerkuil, met daarachter geschikte broedruimtes. Dergelijke openingen zijn echter niet aangetroffen. Daarnaast ontbreken tevens holle (knot)wilgen of verstoringsarme zolders. De aanwezigheid van nesten van kerkuil en steenuil is derhalve uitgesloten. De huismus stelt hoge eisen aan het habitat, daar verblijft de soort dan ook het gehele jaar. Indien een aantal van de habitateigenschappen niet voorkomt zal de huismus wegblijven. Als nestlocatie wordt gebruik gemaakt van openingen in bebouwing, met name pannendaken worden bewoond. In de

10

directe omgeving van een potentiële nestlocatie dienen diverse habitatonderdelen aanwezig te zijn, waaronder schoon drinkwater, voldoende schuilgelegenheid in de vorm van jaarrond bladhoudende struiken, hagen of heesters, grind en/of kleine steentjes, voldoende foerageermogelijkheden, droog zand voor zandbaden en niet te veel grote bomen (Kennisdocument Huismus, 2023). Zowel de stallen als de loods binnen het plangebied zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van openingen die leiden naar mogelijke nestholten waar huismussen gebruik van kunnen maken. In de gevels en daken zijn geen voor huismussen geschikte kieren of openingen aangetroffen. De afwezigheid van potentiële broedlocaties, maakt het dat de aanwezigheid van nesten uitgesloten kan worden. De gierzwaluw is een soort die vrijwel zijn gehele leven in de lucht doorbrengt. Enkel om te broeden verlaat de soort het luchtruim. Als nestlocatie worden openingen in daken, overstekken, gevels en andere nissen van bebouwing in gebruik genomen. Hierbij is een vereiste dat de opening op een hoogte van minimaal drie meter aanwezig dient te zijn, zodat het nest met een vrije val verlaten kan worden om eenvoudig weg te kunnen vliegen. Gierzwaluwen broeden in losse kolonies, bestaande uit zowel broedparen als ongepaarde vogels. De bebouwing in het plangebied is in zijn geheel onderzocht op de aanwezigheid van geschikte openingen.

Door de afwezigheid van potentiële invliegopeningen (zie figuur 2), kan de aanwezigheid van vaste nestplaatsen van gierzwaluwen worden uitgesloten. Voor een aantal soorten, betreffende onder andere steenuil, kerkuil, buizerd, roek en boomvalk, kunnen de onbebouwde delen van het plangebied gebruikt worden als foerageergebied, ook als de vogels niet binnen het perceel of in de directe omgeving daarvan broeden. Echter kan gesteld worden dat vergelijkbaar foerageergebied in de nabije omgeving zeer ruim voorhanden is. Het al dan niet verloren gaan van een klein oppervlakte ervan zal geen wezenlijke effecten hebben op deze soorten. Voor soorten van de categorie 5 die broeden in dergelijke biotopen (ekster, zwarte roodstaart) is in de nabije omgeving voldoende alternatief broedhabitat beschikbaar, zodat er geen ecologisch zwaarwegende feiten zijn die jaarronde bescherming van nesten van deze soorten noodzakelijk maken.

4.3.3.

Effecten

Op basis van de afwezigheid van nesten of andere habitatonderdelen alsmede de bekende verspreiding van deze soorten, mede ten gevolge van het dicht zijn van de bebouwing, kan de aanwezigheid van vaste nest- en/of verblijfplaatsen van alle vogelsoorten van de categorie 1 t/m 4 uitgesloten worden. Daarnaast zijn er mogelijk nesten van algemene broedvogels, zoals houtduif, winterkoning, merel of roodborst aanwezig op en rond de bebouwing en in de groenelementen binnen het plangebied. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn binnen het broedseizoen (ca. medio maart t/m medio juli) wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten deze periode aan te vangen of alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen en de locatie niet vooraf ongeschikt is gemaakt dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van nesten. Bij het eventueel aantreffen van nesten bij een dergelijke inspectie dienen de werkzaamheden opgeschort te worden en dienen de aanvullende instructies van de deskundige opgevolgd te worden om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen.

11

4.4. 4.4.1.

Overige diersoorten Bescherming en soorten

Overige diersoorten betreffen de vlinders, libellen, overige ongewervelden, amfibieën, reptielen en vissen. Door de afwezigheid van oppervlaktewateren, kleinschalige poelen, plassen en sloten kan de aanwezigheid van geschikte leefgebieden voor amfibieën, vissen, libellen en watergebonden ongewervelden uitgesloten worden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van de amfibieën zijn door de hoge trefkans enkele soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, dit betreft de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker (vrijstellingen provincie Noord-Brabant). Van de niet-vrijgestelde soorten welke in de wijdere omgeving aanwezig zijn, zoals alpenwatersalamander of heikikker, is geen geschikt habitat aanwezig. Echter is de rugstreeppad een soort die tijdelijk beschikbaar habitat snel koloniseert en daarbij ook bouwrijp gemaakte terreinen bezet. Een diverse (kruiden- en bloemrijke) vegetatie is voor veel algemene insecten essentieel. Bovendien zijn er voor een groot aantal vlinders, libellen en andere ongewervelde specifieke waardplanten waarvan de soort afhankelijk is. Binnen het plangebied beperkt de vegetatie zich tot al dan niet uit exotische soorten bestaande tuinelementen en een (aardappel)akker.

Gelet op het ontbreken van waardplanten, bijzondere habitateigenschappen, natuurlijke omstandigheden en de bekende verspreiding van beschermde libellen, vlinders en overige ongewervelden kan de aanwezigheid ervan redelijkerwijs uitgesloten worden. Reptielen komen voor in natuurlijke, dynamische en relatief verstoringsarme biotopen. Door de huidige inrichting van het terrein, alsmede de ligging worden reptielen niet verwacht.

4.4.2.

Habitatonderdelen

De projectlocatie betreft een perceel met bebouwing, verharding, gazons, een akker en diverse siertuinelementen. Gezien het ontbreken van natuurlijke en verstoringsvrije biotopen alsmede bijzondere habitateigenschappen voor beschermde vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen wordt de aanwezigheid van habitatrichtlijnsoorten of bijzondere overige soorten van voornoemde soortgroepen in de huidige situatie niet verwacht. De rugstreeppad komt voor binnen dynamische pionierssituaties. De voortplantingslocaties betreffen droogvallende, snel opwarmende, vaak kort bestaande en tijdelijke plassen. Als overwinteringslocaties wordt gebruik gemaakt van goed vergraafbare grond, waar ze soms tot een meter diepte overwinteren buiten de invloed van vorst. De soort staat erom bekend dat ongeschikt terreinen doorkruist worden om potentieel geschikte voortplantingslocaties te bereiken, tot op een afstand van ca. 5km. Ook tijdelijke locaties zoals recent gesaneerde locaties waar kaal zand aanwezig is. In dit soort locaties kan kolonisatie plaatsvinden op het moment dat rijsporen aanwezig zijn, het geregend heeft en regenplassen blijven staan. Tijdens het veldbezoek is geen vergraafbaar zand alsmede geen oppervlaktewater aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van rugstreeppad in de huidige situatie uitgesloten kan worden.

Bij de uitvoering van de ontwikkeling worden delen van het terrein echter bouwrijp gemaakt, waardoor potentieel geschikt leefgebied tijdelijk kan ontstaan voor kolonisatie. Bestaande populaties van de rugstreeppad bevinden zich in de wijdere omgeving (<5km), waardoor het niet uit te sluiten is dat dieren het plangebied kunnen koloniseren.

4.4.3.

Effecten

Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen, amfibieën en vissen, en de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten, alsmede de afwezigheid van potentiële migratieroutes, is een effect uitgesloten. Desondanks is het mogelijk dat rugstreeppad ten tijde van de uitvoering de locatie koloniseert indien er geen maatregelen getroffen worden.

12

Om te voorkomen dat de rugstreeppad in de uitvoeringsfase de bouwlocatie koloniseert gedurende het voortplantingsseizoen van de soort, is het aanbevelenswaardig om maatregelen te treffen. Er zijn een aantal methoden die het koloniseren kunnen voorkomen, namelijk een of meer van het volgende (Kennisdocument Rugstreeppad, 2017): Zorgen dat tijdelijke poelen en plassen niet kunnen ontstaan door de locatie regelmatig af te vlakken Een amfibieënscherm plaatsen waardoor rugstreeppadden de locatie niet kunnen bereiken Zorg dragen dat zanderig/braakliggend terrein niet aanwezig is in de voortplantings- of migratieperiode van rugstreeppadden (begin april t/m eind juli) Voor algemene soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken en zijn de te verwachten soorten allen opgenomen in de vrijstellingsverordening van de provincie. Voor de vrijgestelde soorten zijn er, behoudens de Algemene Zorgplicht, geen bijzondere maatregelen benodigd ter voorkoming van de overtreding van de verbodsbepalingen van het Besluit activiteiten leefomgeving ten aanzien van beschermde vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen, amfibieën en vissen.

13

4.5. 4.5.1.

Vaatplanten Bijzonderheden

Ondanks dat een groot deel van de beschermde vaatplanten enkel te determineren is gedurende de periode van bloei, is goed te bepalen of dergelijke soorten potentieel voorkomen op een bepaalde locatie. Veel soorten komen voor in specifieke habitattypen of plantengemeenschappen: een verscheidenheid aan soorten die elkanders potentiële voorkomen aantonen doordat dergelijke soorten in vergelijkbare (abiotische) omstandigheden en biotopen groeien.

4.5.2.

Habitatonderdelen

De geschiktheid van een locatie is direct afhankelijk van de aanwezige (abiotische) omstandigheden, zoals oppervlaktewater, zuurgraad, voedingsrijkdom van de bodem, lichtinval en standplaatsen. Gezien de ligging van de planlocatie binnen relatief intensief agrarisch gebied en de inrichting ervan met bebouwing, verharding, een akker en siertuinelementen, kan de aanwezigheid van beschermde, zeldzame en bijzondere vaatplanten worden uitgesloten. Natuurlijk opgekomen vegetatie bestaat uit typische ‘onkruiden’ tussen stoeptegels en rond tuinelementen, zoals paarse dovenetel, zachte ooievaarsbek, vroegeling, gehoornde klaverzuring en kleine veldkers. In de randen van de akker en de bermen van de weg groeien verstoringstolerante kruiden zoals smalle weegbree en paardenbloem. Bovendien is het (natuurlijke) voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend in de directe omgeving van de locatie.

4.5.3.

Effecten

Binnen het plangebied is nauwelijks natuurlijke vegetatie aanwezig. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten of restanten ervan waargenomen. Er worden geen effecten verwacht en er zijn geen vervolgstappen of bijzondere bepalingen van toepassing in het kader van beschermde vaatplanten.

4.6.

Houtopstanden

Houtopstanden zijn beschermd krachtens de Omgevingswet, indien van toepassing zal er of sprake zijn van een meldplicht of van een vergunningplicht. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing op de houtopstanden binnen de grenzen van de planlocatie. Wegens het onderstaande: Artikel 11.111, lid 2a van het Besluit activiteiten leefomgeving: de afdeling [met betrekking tot het vellen van houtopstanden] gaat niet over: houtopstanden op erven of in tuinen; Indien bomen gekapt gaan worden dient enkel voldaan te worden aan de gemeentelijke richtlijnen. De Omgevingswet vormt geen bezwaar.

14

4.7. 4.7.1.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Brabant (NNB)

De projectlocatie is gelegen op ca. 100m tot de aangemerkte NNB-gebieden. Gezien de afstand, de kenmerken van het tussenliggende gebied met akker, en de aard van de werkzaamheden alsmede de beoogde wijzigingen aan het perceel, kunnen effecten op het Natuurnetwerk Brabant worden uitgesloten. Tevens is de ontwikkellocatie geen onderdeel van andere beschermde gebieden zoals ecologische verbindingszones, natuurcompensatiegebieden of belangrijke weidevogelbeschermingsgebieden.

4.7.2.

Natura 2000-gebieden

De planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 13,5km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, betreffende het gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek.’ Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een verrijkend extern effect. Voorbeelden van externe werking betreffen een permanente toename van geluid, licht of stikstofdepositie of door optreden van een (grote) tijdelijke toename in dergelijke effecten. Gelet op de afstand tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, alsmede de inrichting van het tussengelegen gebied, kunnen effecten anders dan stikstofdepositie bij voorbaat uitgesloten worden. Tevens zal een potentieel effect als gevolg van een verandering in tijdelijke en permanente stikstofdepositie niet verwacht worden. Het voornemen bestaat uit het saneren van twee oude stallen ten behoeve van twee woningen en het verplaatsen van een loods. De ingreep is derhalve kleinschalig en het gebruik van de locatie zal, door het verdwijnen van twee stallen t.b.v. twee (duurzame) woningen, resulteren in een verlaging van stikstofuitstoot. Dit, tezamen met de afstand en de aard van het tussenliggende gebied, bestaande uit intensieve landbouw, een dorp en diverse houtopstanden, maakt dat de toename van de stikstofdepositie in het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied onder de norm van 0,00 mol/ha/jaar zal vallen, zowel in de gebruiks- als de realisatiefase.

Een effect op Natura 2000-gebieden is zowel in de gebruiksfase als gedurende de realisatiefase uitgesloten.

15

5. Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Loosbroeksestraat 4 te Heesch is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het saneren van twee bestaande stallen, verplaatsen van een loods, de realisatie van twee woningen en een nieuwe loods, en alle bijbehorende werkzaamheden leiden niet tot aantasting van functionele leefomgevingen en vaste rust- en/of verblijflocaties van beschermde soorten (benevens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten), beschermde gebieden of houtopstanden in het kader van de Omgevingswet. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Ten aanzien van vleermuizen is de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. Desondanks foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie of passeren deze, en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord Ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden worden geen effecten verwacht Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen Ten aanzien van rugstreeppadden dient voorkomen te worden dat de locatie gekoloniseerd wordt gedurende de uitvoering van de ontwikkeling.

Ten aanzien van overige amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden Voor vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden, de genomen maatregelen en de inrichting van het tussenliggende gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht

16

6. Vervolgstappen Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het daarentegen voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.

6.1.

Nader onderzoek

Afhankelijk van de bevindingen van het onderzoek zullen vervolgmaatregelen, een vergunningsaanvraag of geen vervolgstappen benodigd zijn

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering

Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen indien in de periode april t/m oktober gewerkt wordt. Voorbeelden van juiste verlichting: beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergerend In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals holenduif, roodborst, merel en winterkoning werkzaamheden buiten het broedseizoen (betreffende de periode medio maart t/m medio juli) uitvoeren. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten Om te voorkomen dat de rugstreeppad de bouwlocatie koloniseert gedurende het voortplantingsseizoen dienen maatregelen getroffen te worden.

Zorgen dat tijdelijke poelen en plassen niet kunnen ontstaan door de locatie regelmatig af te vlakken óf een amfibieënscherm plaatsen waardoor rugstreeppadden de locatie niet kunnen bereiken óf zorg dragen dat zanderig/braakliggend terrein niet aanwezig is in de voortplantings- of migratieperiode van rugstreeppadden (begin april t/m eind juli) In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna

17

Bronnen BIJ12, 2024. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 2.0. April 2024, Utrecht. BIJ12, 2023. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 2.0. Juli 2023, Utrecht BIJ12, 2023. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 2.1. Februari 2023, Utrecht Websites, geraadpleegd 2025: atlasleefomgeving.nl bomen.meetnetportaal.nl decentrale.regelgeving.overheid.nl natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl rug.maps.arcgis.com wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

18

Bijlage 1

Foto’s planlocatie

De stallen zijn opgetrokken uit gemetselde gevels en voorzien van een golfplaten dak.

Tussen de stallen is sprake van opkomende onkruiden en enkele struiken.

19

Het perceel is aan de straatzijde ingericht met een siertuin, ter plaatse van de wilg komt een van de nieuwe woningen.

De tweede woning wordt gerealiseerd op een locatie waar thans een aardappelakker aanwezig is.

20

De loods bestaat uit gemetselde gevels (<1m hoog) en damwandbeplating, met een sandwichpanelen dak.

De stallen zijn hermetisch afgesloten afgewerkt en enige tijd niet meer in gebruik.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=77475645-971d-4971-af7b-2e2c632297a7