bijlage 9 Aanvullende memo mitigerende maatregelen
Tekst van het document
Memo Aan: R. van Rooij Datum: 22 maart 2024
van: T.J.P. den Otter kenmerk: ROC-1ME240322
Onderwerp: aanvullende memo m.b.t. mitigerende en compenserende maatregelen voor beschermde fauna in het kader van het realiseren van nieuwbouw aan de Hofsteeg te Nistelrode Beste R. van Rooij, De initiatiefnemer is voornemens aan de Hofsteeg tegenover 3 te Nistelrode een ruimte-voor-ruimte woning te realiseren op een perceel dat thans in gebruik is als akker. In het kader van de Wet natuurbescherming is door het adviesbureau Econsultancy (IJdema, 2018, rapportnummer 6324.003) een ecologisch quickscan uitgevoerd. Op basis van deze quickscan bleek dat dassen, kleine marterachtigen (wezel, bunzing, hermelijn) en steenmarter, alsmede algemene vogelsoorten en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren, (mogelijk) aanwezig zijn binnen het plangebied. Tevens treed mogelijk verstoring op van een nabijgelegen nestkast voor steenuil, wanneer werkzaamheden binnen de kwetsbare voortplantingsperiode aanvangen. Voor steenmarter, kleine marterachtigen, steenuil, algemene broedvogels en vrijgestelde soorten kan door middel van voorzorgsmaatregelen verstoring of verlies van beschermde habitatelementen gemitigeerd of gecompenseerd worden. Voor das is nader dassenonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (IJdema, 2019, rapportnummer 6324.009), waaruit bleek dat het plangebied functioneert als foerageergebied voor das en de nabijgelegen burcht als rust- en verblijfplaats zonder voortplantingsfunctie.
Op basis van deze resultaten is door SAB een mitigatieplan opgesteld (2019, projectnummer 190320). Aangezien ecologische onderzoeker normaliter 3 jaar geldig blijven, is in oktober 2023 een actualisatie uitgevoerd door Eceau (kenmerk: ROC-1AC230919), waaruit bleek dat de conclusies uit voorgaande rapporten als actueel beschouwd kunnen worden. Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) heeft in een reactie (kenmerk: Z/214138) laten weten akkoord te zijn met de conclusies van de voorgaande ecologische onderzoeken, mits aan enkele aanvullende eisen wordt voldaan (betreffende: werkzaamheden uitvoeren conform het Kennisdocument das (BIJ12), en het aanvullen van het mitigatieplan met het realiseren van een struweelhaag met plantensoorten die als voedsel voor das kunnen dienen). Voor het wijzigen van het bestemmingsplan is een nota van zienswijzen opgesteld door Gemeente Bernheze. Hier zijn enkele reacties samengevat, waarvan een deel betrekking heeft op de ecologische situatie van het plangebied in het kader van de wet natuurbescherming. Middels voorliggende memo zal antwoord worden gegeven op bestaande vragen of reacties. Alle onderstaande punten zijn antwoorden op punten, benoemd in Zienswijze 2 (d.d. 28 juli 2023, binnengekomen 1 augustus 2023). De nummers in onderstaande beantwoording corresponderen met de nummering in deze zienswijze.
Punt 16: het verloren gaan van foerageergebied komt voort uit het aanvullende dassenonderzoek door Econsultancy. Conform dit aanvullend onderzoek betreft het plangebied ‘functioneel foerageergebied’ voor dassen. Deze functie zal verloren gaan bij de voorgenomen werkzaamheden, waardoor de huidige draagkracht van het gebied voor das mogelijk verminderd zal worden. Mitigatie voor foerageergebied wordt niet benoemd in het mitigatieplan. Aangezien er in de nabije omgeving tevens andere foerageermogelijkheden voor dassen aanwezig zijn, volstaat het aannemelijk om in te gaan op de reactie van ODBN en een struweelhaag aan te leggen met voor dassen eetbare plantensoorten (bijvoorbeeld inheemse vruchtdragende struiken). Het akkoord van het ODBN is enkel van toepassing wanneer deze eis wordt ingewilligd. 18. Conform kennisdocument das (BIJ12), dienen werkzaamheden die binnen een straal van 20 meter van de dichtstbijzijnde ingang van de burcht plaatvinden enkel uitgevoerd te worden tussen zonsopgang en zonsondergang, of niet later dan 19:00, om verstoring van dassen te minimaliseren. Daarnaast stelt het kennisdocument dat er geen grondberijdende voertuigen binnen een straal van 20 meter gebruikt dienen te worden, ingangen en wissels intact gelaten dienen te worden (o.a.
zorg dragen dat deze niet door materiaal geblokkeerd raken) en dienen dergelijke werkzaamheden bij voorkeur tussen juli en augustus uitgevoerd te worden. Echter kan gesteld worden dat, op basis van het nader dassenonderzoek van Econsultancy, de burcht een functie heeft als bijburcht in het najaar, waardoor werkzaamheden idealiter in de periode januari t/m augustus plaatsvinden. In deze tijd is de burcht immers niet in gebruik en is verstoring derhalve minimaal. Verstorende werkzaamheden, waaronder het aanleggen van het dassenraster, dient in deze periode te gebeuren, zoals aangegeven in het mitigatieplan. Aangezien de resultaten van het nader dassenonderzoek specifiek gelden voor de burcht nabij het plangebied, weegt de inschatting uit dit onderzoek en het bijbehorende mitigatieplant zwaarder dan de algemene bepalingen uit het kennisdocument. Overigens stelt het kennisdocument dat werkzaamheden op grotere afstand (tot 50 meter van de burcht) dienen tussen zonsopgang en zonderondergang te gebeuren, en vóór 19:00 dienen werkzaamheden afgerond te worden. 20a.
Met ‘overige werkzaamheden’ worden alle werkzaamheden bedoelt behalve eventuele heiwerkzaamheden en werkzaamheden die vallen onder de noemer ‘maatregelen’ (betreffende: het ongeschikt maken van de marterverblijfplaats en het aanleggen van het dassenraster), in zover deze worden uitgevoerd conform de eisen zoals gesteld in het Kennisdocument das (BIJ12). 20b. Een dassenraster vormt geen goede barrière tegen marters, daar deze dieren klim- en springvaardigheden hebben die bij dassen ontbreken. Desondanks is het aanbevolen het plangebied ongeschikt te maken voor marters, conform het mitigatieplan, om verstoring minimaal te houden. Voor kleine marterachtigen en steenmarter geldt dat het ongeschikt maken van verblijfplaatsen niet plaats dient te vinden tijdens de kwetsbare voortplantingsperiode. Zoals weergegeven in het mitigatieplan. 20c. De ecologische quickscan van Econsultancy spreekt van steenmarter en van ‘kleine marterachtigen’. Met kleine marterachtigen worden wezel, bunzing en hermelijn bedoeld. In het conclusieoverzicht wordt bij de kolom soortgroep enkel ‘marterachtigen’ gebruikt, maar in het bijbehorende kolom ‘bijzonderheden/opmerking’ wordt gesteld dat het hierbij gaat om bunzing, wezel en/of hermelijn. Aangezien steenmarters en kleine marterachtingen geen verblijfplaatsen zullen delen, dienen voor volledige mitigatie twee marterhopen gerealiseerd te worden. 20d.
De begeleidend ecoloog kan bepalen welke locaties geschikt zijn, waarbij het kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12) en de Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming (Bouwens, 20217) als leidraad kunnen worden gebruikt. Conform het mitigatieplan zullen de marterhopen worden gerealiseerd in de bosrand van één van de nabijgelegen kleinschalige bospercelen. 20e. De begeleidend ecoloog kan controleren of de realisatie van marterhopen op de juiste wijze en op de juiste locaties heeft plaatsgevonden. 20f. Onderhoud aan marterhopen kan verschillen afhankelijk van welke methode is gebruikt. Het kennisdocument Kleine Marterachtigen (BIJ12), geeft voor steenhopen geen limiet hoe lang deze
1
functioneel blijft, maar aangenomen kan worden dat een goed opgebouwde stenenhoop zeer duurzaam is. Een takkenhoop dient enkele vijf jaar aangevuld te worden met nieuw materiaal. 20h. Een ecologisch werkprotocol worden de mitigerende en compenserende maatregelen, zoals deze naar voren zijn gekomen vanuit oriënterende en verdiepende onderzoeken, samengevat in een concreet plan. In een ecologisch werkprotocol worden zaken genoemd zoals periodes van uitvoering, afschermen van werklocaties, toepassing van (bouw)verlichting, en andere maatregelen om verstoring te minimaliseren. Ecologische begeleiding heeft als primaire functie te voldoen aan de Algemene Zorgplicht. De aanwezige ecoloog kan instructies geven of toezicht houden op het uitvoeren van maatregelen om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt. Voorbeelden zijn het controleren of ongeschikt gemaakte verblijfplaatsen daadwerkelijk ongeschikt en leeg zijn, controles voor aanwezige broedvogels of controle of genomen maatregelen functioneel zijn. In het geval van kleine marterachtigen en steenmarter kan dit de vorm aannemen van controle van ongeschikt gemaakte verblijfplaatsen of bepalen van functionaliteit van nieuw ingerichte verblijfplaatsen.
Het aangeleverde mitigatieplan functioneert als een ecologisch werkprotocol, aangezien hier de maatregelen zijn samengevat en de perioden van uitvoering zijn geschreven. 20i. Omdat vleermuizen verstoord kunnen worden door onjuist toegepaste verlichting, is het voor deze dieren van belang dat belichting convergerend is, gericht op het plangebied (in tegenstelling tot het verlichten van de gehele omgeving), uitstraling naar bomenrijen/houtopstanden wordt vermeden en/of toegepaste verlichting vleermuisvriendelijk is (rood/amberkleurig). 20j. Dergelijke controles kunnen opgenomen worden in het ecologisch werkprotocol en gecontroleerd worden in het kader van ecologische begeleiding. 20k. Voor elk van de soort(groep)en met jaarrond beschermde habitatelementen, betreffende kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn), steenmarter, steenuil en das, worden in het mitigatieplan maatregelen genoemd om verlies van functioneel leefgebied en verstoring te minimaliseren. Voor steenuil zal geen vaste nestplaats of essentieel foerageergebied verloren gaan, waardoor het voldoende is zorg te dragen dat de vogels niet tijdens de kwetsbare broedperiode verstoord worden.
Voor steenmarter en kleine marterachtigen gaat een enkele verblijfplaats verloren, maar omdat deze soorten veelal meerdere verblijfplaatsen bezetten kan, door middel van het compenseren van de verloren gaande verblijfplaatsen, aantasting van functioneel leefgebied gecompenseerd worden. Voor deze soorten voorzien de huidige akker niet in functionele of essentiële habitateisen. Ten slotte zullen voor das geen verblijfplaatsen verloren gaan, en is het met name van belang mitigerende maatregelen te treffen zodat verstoring geminimaliseerd wordt. Tevens gaat er een klein oppervlakte foerageergebied verloren, dat tevens door een compenserende maatregelen (conform de reactie van het ODBN) geen significante effecten zal hebben op de functionele leefomgeving van de aanwezige dassen. Doordat de verstoring geminimaliseerd wordt en er geen permanent verlies van functionele leefomgevingen plaatsvindt, is een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk. Op basis van de reactie van het ODBN op de aangeleverde actualisatie uit 2023 dienen enkele maatregelen te worden genomen als aanvulling op het bestaande mitigatieplan. Mits aan deze aanvulling wordt voldaan, wordt de aangeleverde actualisatie als akkoord beschouwd. De aanvullende maatregelen betreffen twee categorieën.
1) Het realiseren van een struweelhaag van voor dassen eetbare planten (bijvoorbeeld: bes- of vruchtdragende inheemse struiken) aan de buitenzijde van het dassenraster. 2) Bij de werkzaamheden dienen de aanbevelingen uit het kennisdocument das in acht genomen te worden, betreffende: a. Werkzaamheden in de nabijheid van de burcht zo kort mogelijk laten duren b. Geen (extra) werkverlichting plaatsen en uitstraling richting het perceel met de burcht voorkomen c. Eventueel de burcht, of de straal van 20 meter rondom de burcht, bij de werkzaamheden visueel markeren, om onbedoelde verstoring te voorkomen d. Vegetatiestructuur en bodem zo veel mogelijk ontzien bij de werkzaamheden e. Menselijke activiteit afronden voor zonsondergang of voor 19:00, en opstarten na zonsopkomst
2
f.
Werkzaamheden binnen een straal van 20 meter van de burcht dienen alleen uitgevoerd te worden in de periode juli t/m november, of wanneer de dassen niet aanwezig in. g. Ingangen van dassenburchten en wissels mogen niet beschadigd raken Deze maatregelen zijn aanvullend op de al beschreven maatregelen in het mitigatieplan en dienen niet als vervanging daarvan. Daarnaast kan gesteld worden dat, aangezien de oorspronkelijke quickscan van Econsultancy uitgaat van zowel kleine marterachtigen (wezel, bunzing, hermelijn) en steenmarter, niet één maar twee marterhopen gerealiseerd moeten worden. Dit is onduidelijk beschreven in het bestaande mitigatieplan. Het kennisdocument kleine marterachtigen voorziet van twee voorbeelden (een steenhoop en een takkenhoop) die beiden geschikt zijn als vervangende verblijfplaats. Tenslotte verdient het de aanbeveling te werken met ecologische begeleiding om genomen stappen in het kader van mitigatie en/of compensatie voor steenmarter, kleine marterachtigen, das, steenuil en algemene broedvogels te overzien. Hopelijk bent u hiermee voldoende geïnformeerd. Met vriendelijke groet, T.J.P. den Otter Ecologisch adviesbureau Eceau
E: info@eceau.nl T: +31(0)640182431 W: www.eceau.nl
3