bijlage 8 nader onderzoek wet natuurbescherming
Tekst van het document
Nader onderzoek Wet natuurbescherming
Heesch, Vakantiepark Zevenhuizen
RO Connect
Datum: 15 januari 2020 Projectnummer: 190204
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding Plangebied
3 3
2
Wettelijk kader
6
2.1 2.2 2.3
Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing
6 7 7
3
Ecologie en functie van het plangebied voor soorten
9
3.1 3.2
Levendbarende hagedis Alpenwatersalamander en kamsalamander
9 9
4
Ecologisch werkprotocol
11
4.1 4.2 4.3 4.4
Werken buiten kwetsbare perioden Overige maatregelen in kader van zorgplicht Communicatie Deskundige
11 12 13 13
Geraadpleegde literatuur
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Vergaertweg 2 te Heesch bevindt zich een vakantiepark. De initiatiefnemer is voornemens hier een aantal vakantiehuisjes bij te bouwen. Hiervoor dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader is reeds een quick scan natuur (Econsultancy, 2018) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt dat op voorhand de aanwezigheid van algemene broedvogels, algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, alpenwatersalamander en kamsalamander niet kan worden uitgesloten. Om verstoring van deze soorten te voorkomen stellen we onderstaand een ecologisch werkprotocol op. Door te werken conform het ecologisch werkprotocol kan overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied ligt in een bosgebied nabij Heesch (gemeente Bernheze, provincie Noord-Brabant). Een deel van het terrein is bebouwd met recreatiewoningen en verhard middels grind of klinkers. In de noordwesthoek bevindt zich een tennisbaan. De delen van het terrein die niet zijn bebouwd of verhard, zijn beplant met bomen, struiken en gras. Hier bevinden zich ook meerdere dierenverblijven van onder andere sierwatervogels en fazanten. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich de A59. De rest van het park is omringd door bosgebied met beheertype N16.03 Droog bos met productie en N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het projectgebied weer.
3
Topografische kaart met de globale ligging van het projectgebied (rood omkaderd).Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
Luchtfoto met de globale ligging van het projectgebied (rood omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
1.2.2
Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens binnen vakantiepark Zevenbergen een kleinschalige inbreiding uit te voeren. Tijdens deze inbreiding zullen twaalf bungalows gebouwd worden. Er zullen geen sloopwerkzaamheden plaatvinden. Wel zullen er bomen gekapt worden en delen bouwrijp gemaakt worden. In onderstaande figuren staan de huidige en toekomstige situatie weergegeven.
4
Weergave van de huidige situatie.
Weergave van de toekomstige situatie.
5
2
Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.
2.1
Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.
2.1.1
Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.
2.1.2
Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.
6
2.1.3
Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.
2.2
Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.
2.3
Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden (artikel 3.10, lid 2). De provincie Noord-Brabant heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.
Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en ha-
7
bitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen (artikel 3.8 lid 5). Voor de andere beschermde soorten zijn, naast deze wettelijke belangen, ook nog aanvullende belangen geldig (artikel 3.10 lid 2). Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Noord-Brabant heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.
8
3
Ecologie en functie van het plangebied voor soorten Uit de quickscan flora en fauna is gebleken dat bij de werkzaamheden rekening gehouden dient te worden met het levendbarende hagedis, alpenwatersalamander en kamsalamander. Onderstaand zal per soort de ecologie van deze soorten beschreven worden. Verder dient rekening gehouden te worden met algemene broedvogels en algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoals bijvoorbeeld rosse woelmuis, egel, bruine kikker en gewone pad.
3.1
Levendbarende hagedis Het habitat van de levendbarende hagedis bestaat uit vochtige gebieden zoals natte heiden, drogere delen van moerassen of veengebieden, duinen, open bossen en bosranden. Heide en hoogveen zijn een voorkeurshabitat. De soort wordt ook vaak in bermen, dijken en langs spoorlijnen aangetroffen welke van grote betekenis zijn voor de uitwisseling tussen populaties. Ook in half-natuurlijke graslanden en ruigten kan de soort gedijen. Open plekken om te zonnen zijn een voorwaarde voor vestiging. Winterverblijven bestaan uit vorstvrije plekken in zeggepollen, zandholen of onder boomstronken (Creemers & van Delft, 2009). Het plangebied is niet geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor de levendbarende hagedis. De omgeving van het plangebied is dit echter wel. Het is daarom niet uit te sluiten dat een zwervend individu in het plangebied voorkomt.
3.2
Alpenwatersalamander en kamsalamander De alpenwatersalamander heeft een voorkeur voor zandige leemgronden waar hij voorkomt in loof- of gemengde bossen, of kleinschalige landschappen met heggen of struwelen. Voortplanting vindt plaats in allerlei typen water te vinden zolang het niet snelstromend en niet rijk is aan vis (Goverse et al.). Wanneer de temperatuur ’s avonds boven de vijf graden komt trekken alpenwatersalamanders naar het voortplantingshabitat, meestal is dat rond half maart. Ze blijven hier dan tot en met juni. Half september hebben ook de larven het voortplantingswater verlaten. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land ze zijn dan ten vinden onder hout, stenen, bunkers of in niet bewoonde holen van knaagdieren (Creemers & van Delft, 2009). De kamsalamander komt voor in kleinschalige landschappen met bossen, heggen en struwelen. Dieren trekken half maart naar het voorplantingsbiotoop dat bestaat uit matig voedselrijke tot voedselrijke stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Een poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. De soort heeft een leefgebied in een straal van 300 tot 500 meter rond het voortplantingswater en overwintert tussen november en februari op vorstvrije locaties onder takenstapels of stenen.
Sommige kamsalamanders blijven gedurende het hele jaar in het water (Creemers & van Delft, 2009, Goverse et al. 2015). In het plangebied zelf bevinden zich geen waterpartijen, dit maakt de onderzoekslocatie ongeschikt als voortplantingsgebied. Ten westen en noorden van het plangebied bevindt zich echter op 90 meter een poel die mogelijk geschikt is voor de alpenwater-
9
salamander en kamsalamander. In het plangebied bevinden zich bosranden en ruigten die de alpenwatersalamander en kamsalamander kunnen gebruiken als landhabitat. Doordat de werkzaamheden plaatsvinden op een braakliggend deel (aan de westzijde van de onderzoekslocatie) en op een speelplaats voor kinderen met zand en speeltoestellen (aan de oostzijde van de onderzoekslocatie) is het niet aannemelijk dat er de functionele leefomgeving van de soorten in het geding komt tijdens de werkzaamheden. De dieren kunnen echter wel verstoord worden als geen rekening gehouden wordt met hun ecologie.
10
4
Ecologisch werkprotocol Met de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met landhabitat van de alpenwatersalamander en kamsalamander, zwervende individuen van de levendbarende hagedis, algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën en in gebruik zijnde nesten van algemene broedvogels. Voor de algemene broedvogels, alpenwatersalamander en kamsalamander dient rekening gehouden te worden met de kwetsbare perioden. Door te werken conform de zorgplicht kan rekening gehouden worden met de algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën en zwervende individuen van de levendbarende hagedis. In de praktijk betekent dit ook dat de werkzaamheden zo veel mogelijk buiten kwetsbare perioden van de betreffende soorten plaats dient te vinden. De planning van de werkzaamheden is dus voor alle betreffende soorten essentieel om verstoring te voorkomen.
4.1
Werken buiten kwetsbare perioden De kamsalamander en alpenwatersalamander leven in de zomer vrijwel uitsluitend in het water en maken in de winter gebruik van hun landhabitat. Als de werkzaamheden in de zomerperiode plaatsvinden is dus redelijkerwijs uit te sluiten dat op dat moment individuen aanwezig zijn in het plangebied (BIJ12, 2017). Voor algemene grondgebonden zoogdieren geldt ook dat ze in het kader van de zorgplicht de mogelijkheid moeten hebben om het terrein te verlaten. In de winter kunnen deze dieren in winterrust aanwezig zijn in het plangebied en gewond en/of gedood worden door de werkzaamheden. In de zomerperiode hebben ze wel de mogelijkheid om het terrein te verlaten. Ook de levendbarende hagedis is in de zomer actiever en kan gemakkelijk het terrein verlaten tijdens de werkzaamheden. De nesten van algemene broedvogels zijn juist beschermd op het moment dat ze in gebruik zijn. Als vuistregel wordt als broedperiode voor vogels de periode maart tot half augustus aangehouden. Maar ook nesten die in gebruik zijn buiten deze periode zijn beschermd. In onderstaande tabel staan de kwetsbare perioden van de verschillende soorten weergegeven.
Kwetsbare periodes
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Alpenwatersalamander En kamsalamander Levendbarende hagedis Algemene zoogdieren en amfibieën Algemene broedvogels
Rood: werkzaamheden niet mogelijk vanwege kwetsbare periode. Oranje: werkzaamheden alleen mogelijk als aanwezigheid van nesten op dat moment kan worden uitgesloten. Groen: werkzaamheden mogelijk zonder verdere maatregelen. Zoals in de tabel te zien is, is er geen periode waar zonder extra maatregelen gewerkt kan worden. Er zijn twee opties om de plannen toch doorgang te geven zonder de verstoring van beschermde soorten te veroorzaken,
11
Optie 1: Het is mogelijk om de werkzaamheden in de zomerperiode te starten ondanks het broedseizoen van algemene broedvogels. Wel dient dan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Nesten van algemene broedvogels zijn alleen beschermd als ze als zodanig in gebruik zijn. Dat wil zeggen dat wanneer uit de broedvogelinspectie blijkt dat er bij aanvang van de werkzaamheden geen nestindicerend gedrag van vogels in het plangebied is waargenomen, de werkzaamheden zonder verdere maatregelen doorgang kunnen vinden. Aangezien het plangebied momenteel al in gebruik is als speelterrein en buitengebied voor de gasten van het vakantiepark en in de omgeving rustigere nestgelegenheid voor vogels aanwezig is, is het goed mogelijk dat er geen nesten in het plangebied aanwezig zullen zijn. Indien tijdens de broedvogelinspectie blijkt dat er toch wel één of meerdere nesten in gebruik zijn in het plangebied, dient dit deel ontzien te worden tot alle vogels zijn uitgevlogen. De werkzaamheden kunnen wel nog steeds van start gaan in de delen waar geen nesten zijn waargenomen. De broedvogelinspectie en beoordeling van welke gebieden vrijgegeven kunnen worden voor werkzaamheden, dient uitgevoerd te worden door een ter zake kundige ecoloog. Optie 2: Het is ook mogelijk gefaseerd te werk te gaan.
De nestmogelijkheden voor broedvogels in het plangebied zijn vrijwel uitsluitend bomen. De overige soorten (amfibieën en zoogdieren) maken hooguit gebruik van ruimte bij de wortels van de bomen, maar niet van de kruinen. Om te voorkomen dat vogels in het plangebied gaan nestelen kunnen de bomen in de winterperiode gekapt worden. Het is hierbij wel van belang dat dit voorzichtig uitgevoerd wordt en het terrein niet met machines betreden wordt. Dit omdat de overige soorten op en in de bodem in winterrust aanwezig kunnen zijn. De bomen dienen daarom met een hand(ketting)zaag gekapt te worden en de stomp dient nog in de bodem te blijven. De gekapte bomen dienen dan ook direct na de kap met de hand afgevoerd te worden. Het frezen van de boomstronken en andere werkzaamheden op en in de bodem mogen dan pas van start gaan in de minst kwetsbare periode van de alpenwatersalamander, kamsalamander en algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën (de periode vanaf april).
4.2
Overige maatregelen in kader van zorgplicht Rondom de projectlocatie kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de werkzaamheden zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de werkzaamheden zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Wanneer (tijdelijke) verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.
12
4.3
Communicatie Dit werkprotocol dient op de uitvoeringslocatie aanwezig te zijn. De inhoud moet besproken worden met alle betrokken werknemers. Indien arbeiders op de locatie vragen hebben over het protocol, moeten ze die vraag stellen aan hun leidinggevende. Indien de leidinggevende de situatie niet zelf op de juiste manier kan oplossen, dient de leidinggevende contact op te nemen met een deskundige.
4.4
Deskundige Een deskundige is in dit geval iemand met aantoonbare kennis van en ervaring met Nederlandse flora en fauna (specifiek vaatplanten). Deze kennis en ervaring is opgedaan omdat de deskundige: een HBO of universitaire opleiding heeft genoten met als zwaartepunt de Nederlandse ecologie; of een MBO opleiding met als zwaartepunt natuurwetgeving, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van soorten; of als ecoloog werkzaam is bij een ecologisch adviesbureau; of zich aantoonbaar inzet op het gebied van de soortenbescherming of soortenmonitoring en is aangesloten bij bijvoorbeeld de Vogelbescherming of KNNV. Deskundige van SAB: Tim Leeuwis Tim.leeuwis@sab.nl 026-3576911
13
Geraadpleegde literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument kamsalamander Triturus Cristatus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. Econsultancy, 2018. Rapport quickscan flora en fauna (6391.003) Vergaertweg 2 te Heesch. E. Goverse, A,. J. E. Herder & M.P. de Zeeuw, 2015. Handleiding voor het Monitoren van Amfibieën in Nederland. Vierde herziene druk. RAVON werkgroep Monitoring, Amsterdam & Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag. Websites: www.bij12.nl www.ndff.nl www.noordbrabant.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.vogelbescherming.nl www.wetten.nl www.zoogdiervereniging.nl
14