CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 QS FF

Raadsvergadering 22 januari 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22m, Mozartlaan-Verdilaan ong. Heesch’4.331 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische Quickscan aan de Mozartlaan en Verdilaan te Heesch Muller Bouw B.V.

Opdrachtgever:

Opsteller: Datum: Kenmerk:

Muller Bouw B.V. Gotenweg 17 5342 PP Oss

Ecologisch adviesbureau Eceau Ing. T.J.P. den Otter 14 juni 2024 PIT-1QS221227-a

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Omgevingswet. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige ecologische quickscan uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding en planlocatie ........................................................................................................... 2

2.

Doel en vraagstelling ............................................................................................................... 3

3.

Methode .................................................................................................................................. 4

4.

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek ............................................................................................ 4

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage ................................................................................... 4

Bevindingen ............................................................................................................................. 5 4.1.

Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................... 5

4.2.

Vleermuizen..................................................................................................................... 7

4.3.

Vogels .............................................................................................................................. 8

4.4.

Overige diersoorten......................................................................................................... 9

4.5.

Vaatplanten ................................................................................................................... 10

4.6.

Houtopstanden .............................................................................................................. 10

4.7.

Gebiedsbescherming ..................................................................................................... 11

5.

Samenvatting......................................................................................................................... 12

6.

Vervolgstappen...................................................................................................................... 13 6.1.

Nader onderzoek ........................................................................................................... 13

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering ....................................................................................... 13

Bronnen .......................................................................................................................................... 14 Bijlage 1

Foto’s planlocatie ..................................................................................................... 15

1

1. Inleiding en planlocatie De initiatiefnemer is voornemens een appartementengebouw te realiseren op een locatie waar thans grasveld en parkeergelegenheid aanwezig is. Aanvullend wordt het parkeerterrein gewijzigd en uitgebreid om te voorzien in meer parkeerplaatsen. Er zijn in het kader van de ontwikkeling geen werkzaamheden voorzien aan de bebouwing. De onderzoeklocatie is gelegen binnen dichtbebouwd gebied van Heesch, naast het kruispunt van de Mozartlaan en de Verdilaan. Het terrein bestaat ofwel uit grasveld en -bermen, en verhard parkeerterrein met enkele lage hagen. Belendend aan de straten zijn enkele bomen in rijverband aanwezig. Het belendende terrein in westelijke richting is ingericht met een basisschool. De overige directe omgeving wordt met name gekenmerkt door dichtbebouwd gebied met woonwijken, een woonzorgvoorziening, gemeentelijk groen, speeltuinen en infrastructuur. In figuur 1 is de ligging schematisch weergegeven en in bijlage 1 zijn diverse foto’s toegevoegd.

Figuur 1

Schematische weergave van het plangebied, de rode arcering weergeeft de ligging van het plangebied (kaart overzicht: openbasiskaart; kaart detail: PDOK)

2

2. Doel en vraagstelling Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ecologische quickscan biedt inzicht in de wetgeving aangaande beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden, alsmede inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Omgevingswet in het kader van voorgenoemde zaken te voorkomen. Onderhavige ecologische quickscan kan voor de initiatiefnemer als bewijsstuk dienen dat onderzoek is verricht ten behoeve van de beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwbouw te realiseren ter plaatse van een parkeerterrein.

Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ontwikkeling: verwijderen bestrating en terreininrichting kap bomen bouwrijp maken delen van het terrein aanleg/verplaatsen nutsfaciliteiten realisatie nieuwe bebouwing herinrichting, bestrating en overige revitalisatiewerkzaamheden aan het terrein In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: transport puin, groenafval en bestrating transport nieuwe materialen plaatsen bouwverlichting (mogelijk) plaatsen bouwkeet akoestische, trillings en optische verstoring van de directe omgeving Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden eventueel aanwezige ecologische functies mogelijk vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren.

In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels de ecologische quickscan onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Omgevingswet en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen?

3

3. Methode Middels voorliggende ecologische quickscan is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden van beschermde flora en fauna gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het veldbezoek is uitgevoerd op 13 maart 2023.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen beschermde gebieden en houtopstanden. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Omgevingswet in het kader van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.

4

4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken van welke bijzonderheden sprake is (o.a.: vrijstellingen en bepalingen), welke soorten in het aangetroffen habitat voorkomen en van welke soorten het voorkomen in de nabijheid van de onderzoeklocatie bekend is. Van de beschermde soorten die in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen wordt dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan; waaronder vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.

4.1. 4.1.1.

Grondgebonden zoogdieren Bescherming en soorten

Grondgebonden zoogdieren komen vrijwel overal voor in Nederland. Gezien het opportunistische karakter van diverse van deze algemene soorten zijn een aantal soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De binnen Noord-Brabant vrijgestelde zoogdiersoorten zijn opgenomen in tabel 1. Tabel 1 Vrijgestelde soorten van de provincie Noord-Brabant Aardmuis Haas Tweekleurige bosspitsmuis Bosmuis Huisspitsmuis Veldmuis Dwergmuis Konijn Vos Dwergspitsmuis Ondergrondse woelmuis Wild zwijn Egel Ree Woelrat Gewone bosspitsmuis Rosse woelmuis

4.1.2.

Habitatonderdelen

De projectlocatie betreft een huidig parkeerterrein met enkele onderhouden groenelementen en wordt omgeven door bebouwde percelen en infrastructuur. Er is geen sprake van natuurlijke omstandigheden. De aanwezigheid van onder andere zeezoogdieren (bruinvis, grijze zeehond), soorten van kruidenrijke gebieden (noordse woelmuis, europese hamster) en van gevarieerde waterrijke/verstoringsarme gebieden (waterspitsmuis, bever) kan worden uitgesloten. Door het ontbreken van agrarisch gebied, houtwallen en kleinschalig cultuurlandschap kan de aanwezigheid van das en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) uitgesloten worden. Er zijn geen grotere bossen of houtopstanden aanwezig, waardoor verblijven van soorten van bosrijke gebieden (boommarter, rode eekhoorn) ook uitgesloten kunnen worden. Tevens door het ontbreken van houtopslag, materiaalopslag, bebouwing of overige wegkruipmogelijkheden kan de aanwezigheid van steenmarter uitgesloten worden. De projectlocatie bestaat volledig uit bebouwing en verharding. Er is geen sprake van natuurlijke begroeiing. Voor zoogdieren zijn geen geschikte leefgebieden aanwezig. Het voorkomen van habitatrichtlijnsoorten of bijzondere overige soorten is per definitie uitgesloten.

5

4.1.3.

Effecten

Gezien de inrichting van het projectgebied worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht. Algemene en opportunistische grondgebonden zoogdieren zoals egel en bruine rat maken mogelijk algemeen gebruik van de directe omgeving. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien zijn alle mogelijk aanwezige beschermde soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit van de provincie Noord-Brabant en zal de nieuwe situatie vergelijkbaar zijn met de huidige situatie in het kader van ecologische waarde. Behoudens de Algemene Zorgplicht zijn geen bijzondere maatregelen benodigd in het kader van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet voor grondgebonden zoogdieren.

6

4.2. 4.2.1.

Vleermuizen Bescherming en soorten

Ondanks dat vleermuizen vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden, zijn er geen vleermuissoorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Door de continue verduurzaming van bestaande en nieuwe bebouwing waarbij gevels en daken worden geïsoleerd is er een sterke afname in potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen. Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd middels de Habitatrichtlijn van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Naast de individuen zijn tevens de vaste rust- en/of verblijfslocaties, essentiële vliegroutes en functionele foerageergebieden beschermd.

4.2.2.

Habitatonderdelen

De planlocatie is gelegen binnen stedelijk gebied. De laatvlieger en gewone dwergvleermuis zijn beide soorten die relatief veel voorkomen in stedelijke en bebouwde gebieden. Overige veelvoorkomende vleermuissoorten verblijven met name in bomen, waaronder de ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. Gebouwbewonende soorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger maken als verblijfplaats met name gebruik van bebouwing. Dit geldt voor zowel de zomer-, paar-, winter- en kolonieverblijven. Open stootvoegen, kierende daklijsten, openstaande/overhangende dakpannen, scheuren in gevels of enige andere opening die toegang verleend tot een holle achterliggende ruimte bieden potentie om als verblijfplaats te dienen. Vanuit de verblijfslocaties verplaatsen vleermuizen zich vaak via vaste routes naar geschikte foerageergebieden, waarbij gebruik gemaakt wordt van lijnvormige structuren als de luwte van bebouwing, bomenlanen en sloten. Dergelijke structuren kunnen beschermd zijn indien er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. De planlocatie is niet voorzien van bebouwing en de bebouwing binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschikt niet over kierende daklijsten, open stootvoegen of andere potentiële invliegopeningen.

De bomen binnen en rondom het projectgebied beschikken eveneens niet over oude spechtennesten, inrottingsholten of andere vormen van holle ruimten die kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende soorten. In de verdere omgeving van het plangebied zijn diverse groenstructuren aanwezig in de vorm van bomenlanen, siertuinen en kleinschalig gemeentelijk groen. Door de beperkte begroeiing binnen het plangebied, alsmede de diversiteit aan potentieel foerageergebied in de omgeving, is de aanwezigheid van essentieel foerageergebied uitgesloten. Gezien de ligging van de locatie tussen bebouwing en te behouden bomenlanen is tevens geen sprake van essentiële vliegroutes. Bovendien vormt de nieuwe ruimtelijke inrichting potentiële vliegroutes als toevoeging op de huidige situatie.

4.2.3.

Effecten

Gelet op de inrichting van het plangebied, alsmede de directe omgeving ervan zijn foerageer- en migreerstructuren binnen de grenzen van het projectgebied niet als functioneel of essentieel aan te merken. Effecten op essentiële vlieg- en foerageerroutes zijn uitgesloten. Gezien de afwezigheid van boomholtes en bebouwing, en in het verlengde daarvan verblijfslocaties, zijn effecten op vaste rusten/of verblijflocaties van vleermuizen uitgesloten. Desondanks zal de locatie opportunistisch gepasseerd worden door vleermuizen. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende de donkere en schemerende dagdelen dan kunnen aanwezige en passerende vleermuizen verstoord worden door bouwverlichting. Dit is alleen van toepassing in de periode april t/m oktober, buiten de winterrustperiode. Om dergelijke onnodige verstoring te voorkomen dient het de voorkeur in deze periode overdag te werken of vleermuisvriendelijke bouwverlichting toe te passen (naar beneden gericht, convergerend en/of rood-/amberkleurig).

7

4.3. 4.3.1.

Vogels Bescherming en soorten

Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste geldt voornamelijk binnen de broedperiode (medio maart t/m medio juli). Daarnaast is er een categorisering in beschermingsniveau. Er wordt een jaarronde bescherming van nesten (ook buiten broedseizoen, zonder eieren) gehanteerd voor soorten die erg honkvast zijn, ieder jaar terugkeren naar dezelfde locatie of het nest jaarrond gebruiken (cat. 1 t/m 4). Daarnaast geldt aanvullend voor een aantal soorten jaarronde bescherming van nesten indien zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (cat. 5). Gedurende het broedseizoen zijn aanvullend alle in gebruik zijnde nesten beschermd, waaronder die van de veelvoorkomende houtduiven, turkse tortels, kokmeeuwen, scholeksters en koolmezen.

4.3.2.

Habitatonderdelen

Binnen voornamelijk verharde percelen met enkele lage bomen en gras kan de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten en leefgebieden van onder andere de boomvalk, buizerd, huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, roek, kerkuil en steenuil al uitgesloten worden. Een enkele soort van de categorie 1 t/m 4 die wel voorkomt in de nabijheid van dergelijke percelen is de sperwer. Naast de verwachting dat andere categorie 1 t/m 4 soorten niet verwacht worden zijn op het terrein geen nesten of sporen (braakballen, plukplaatsen, uitwerpselen) aangetroffen die duiden op de aanwezigheid ervan. De sperwer is een soort die in hoge bomen broedt, met name in oud nesten van kraaiachtigen. Ten tijde van het veldbezoek is één groter nest in een boomkroon aangetroffen. Het nest werd echter veelvuldig bezocht door een paar eksters. Het is dan ook uitgesloten dat het nest in gebruik is door sperwers. Voor algemene soorten zoals de winterkoning, merel of houtduif, is het mogelijk dat nestlocaties in aanwezig zijn in de bomen of hagen gedurende het broedseizoen.

4.3.3.

Effecten

Geschikte habitattypen en nestlocaties voor vogels van de categorie 1 t/m 4 ontbreken binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling. Aanvullend doordat er thans geen sprake is van relevante zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die rechtvaardigen om categorie 5 soorten zwaarder te beschermen kunnen effecten op categorie 1 t/m 5 vogelsoorten uitgesloten worden. Gezien het ontbreken van potentieel functioneel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of leefgebieden worden geen effecten verwacht op het leefgebied van deze soorten. Behoudens de aanwezigheid van nesten van algemene soorten binnen het broedseizoen, worden geen significant negatieve effecten verwacht. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn binnen het broedseizoen wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten deze periode (buiten half maart – half juli) aan te vangen of alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen en de locatie niet vooraf ongeschikt is gemaakt dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van nesten.

Bij het eventueel aantreffen van nesten bij een dergelijke inspectie dienen de werkzaamheden opgeschort te worden en dienen de aanvullende instructies van de deskundige opgevolgd te worden om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen.

8

4.4. 4.4.1.

Overige diersoorten Bescherming en soorten

Overige diersoorten betreffen de vlinders, libellen, overige ongewervelden, amfibieën, reptielen en vissen. Door de afwezigheid van oppervlaktewateren, kleinschalige poelen, plassen en sloten kan de aanwezigheid van geschikte leefgebieden voor amfibieën, vissen, libellen en watergebonden ongewervelden uitgesloten worden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van de amfibieën zijn door de hoge trefkans enkele soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, dit betreft de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker (vrijstellingen provincie Noord-Brabant). Van de Habitatrichtlijnsoorten wordt louter de rugstreeppad sporadisch aangetroffen op bouwlocaties en binnen bebouwd gebied. Een diverse (kruiden- en bloemrijke) vegetatie is voor veel algemene insecten essentieel. Bovendien zijn er voor een groot aantal vlinders, libellen en andere ongewervelde specifieke waardplanten waarvan de soort afhankelijk is. Binnen het plangebied is geen vegetatie aanwezig. Gelet op het ontbreken van waardplanten, bijzondere habitateigenschappen, natuurlijke omstandigheden en de bekende verspreiding van beschermde libellen, vlinders en overige ongewervelde kan het voorkomen ervan redelijkerwijs uitgesloten worden. Reptielen komen voor in natuurlijke, dynamische en relatief verstoringsarme biotopen.

Door de huidige inrichting van het terrein, alsmede de ligging worden reptielen niet verwacht.

4.4.2.

Habitatonderdelen

De projectlocatie betreft een veelvuldig gebruikt parkeerterrein waarbij geen natuurlijke omstandigheden aanwezig zijn. Gezien het ontbreken van natuurlijke en verstoringsvrije biotopen alsmede bijzondere habitateigenschappen voor beschermde vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen wordt de aanwezigheid van habitatrichtlijnsoorten of bijzondere overige soorten van voornoemde soortgroepen in de huidige situatie niet verwacht. De rugstreeppad is echter een onvoorspelbare soort in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De soort maakt gebruik van kale zanderige terreinen die vaak ontstaan bij sloop- en bouwprojecten. Ten tijde van het voortplantingsseizoen kan de soort tijdelijke poeltjes en plassen in gebruik nemen als voortplantingslocatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan rijsporen tijdens regenachtige perioden (Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Thans is de planlocatie geheel ongeschikt voor de soort. Voortplantings- en overwinteringslocaties van de soort worden dan ook niet verwacht. Diverse populaties van de soort zijn bovendien op relatief grote afstand in de omgeving bekend, namelijk op ca. 2,5km ten noordoosten.

Gezien de grote hoeveelheid ruimtelijke barrières voor de soort (betreffende een provinciale weg, autosnelweg, industrieterrein en dichtbebouwd gebied), alsmede dat de locatie volledig omsloten is en blijft gedurende de ontwikkeling, is het niet mogelijk dat de soort het plangebied ten tijde van de uitvoering koloniseert.

4.4.3.

Effecten

Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen, amfibieën en vissen, en de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten, alsmede de afwezigheid van potentiële migratieroutes, is een effect uitgesloten. Voor algemene soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken en zijn de te verwachten soorten allen opgenomen in de vrijstellingsverordening van de provincie. Bovendien zal de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie vergelijkbaar zijn in het kader van algemene natuurwaarde. Voor de vrijgestelde soorten zijn er, behoudens de Algemene Zorgplicht, geen bijzondere maatregelen benodigd ter voorkoming van de overtreding van de verbodsbepalingen van het Besluit activiteiten leefomgeving ten aanzien van beschermde vlinders, libellen, overige ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen.

9

4.5. 4.5.1.

Vaatplanten Bijzonderheden

Ondanks dat een groot deel van de beschermde vaatplanten enkel te determineren is gedurende de periode van bloei, is goed te bepalen of dergelijke soorten potentieel voorkomen op een bepaalde locatie. Veel soorten komen voor in specifieke habitattypen of plantengemeenschappen: een verscheidenheid aan soorten die elkanders potentiële voorkomen aantonen doordat dergelijke soorten in vergelijkbare (abiotische) omstandigheden en biotopen groeien.

4.5.2.

Habitatonderdelen

De geschiktheid van een locatie is direct afhankelijk van de aanwezige (abiotische) omstandigheden, zoals oppervlaktewater, zuurgraad, voedingsrijkdom van de bodem, lichtinval en standplaatsen. Gezien de ligging van de planlocatie binnen dichtbebouwd gebied en de inrichting ervan met verharding en sterk onderhouden groen, kan de aanwezigheid van beschermde, zeldzame en bijzondere vaatplanten worden uitgesloten. Bovendien is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekende in de directe omgeving van de locatie.

4.5.3.

Effecten

Binnen het plangebied is geen natuurlijke vegetatie aanwezig. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten of restanten ervan waargenomen. Er worden geen effecten verwacht en er zijn geen vervolgstappen of bijzondere bepaling van toepassing in het kader van beschermde vaatplanten.

4.6.

Houtopstanden

Houtopstanden zijn beschermd krachtens de Omgevingswet, indien van toepassing zal er of sprake zijn van een meldplicht of van een vergunningplicht. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing op de houtopstanden binnen de grenzen van de planlocatie. Wegens het onderstaande: Artikel 11.111, lid 2a van het Besluit activiteiten leefomgeving: de afdeling [met betrekking tot het vellen van houtopstanden] gaat niet over: houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving Indien bomen gekapt gaan worden dient enkel voldaan te worden aan de gemeentelijke richtlijnen. De Omgevingswet vormt geen bezwaar.

10

4.7. 4.7.1.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Brabant (NNB)

De projectlocatie is gelegen op ca. 0,8km tot de aangemerkte NNB-gebieden. Gezien dat de ontwikkeling plaatsvindt buiten de grenzen van het NNB, zijn effecten als gevolge van directe fysieke ingrepen uitgesloten. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt naast de nationale toetsingskaders, aanvullend de toetsing van externe werking. De ontwikkeling betreft het realiseren van woongelegenheid, alsmede het herinrichten van het parkeerterrein, op een perceel waar thans een parkeerterrein aanwezig is. De effecten van de ontwikkeling zowel gedurende als na de uitvoering zullen niet verder reiken dan het bebouwde gebied direct belendend aan het terrein, als gevolge van de aanwezigheid van een dichtbebouwde structuur. Het uitvoeren van de ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen NNB. Tevens is de ontwikkellocatie geen onderdeel van andere beschermde gebieden zoals ecologische verbindingszones, natuurcompensatiegebieden of belangrijke weidevogelbeschermingsgebieden.

4.7.2.

Natura 2000-gebieden

De planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 13,8km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, zie figuur 3. Dit betreft de ‘Rijntakken’. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Voorbeelden van externe werking betreffen een permanente toename van geluid, licht of stikstofdepositie of door optreden van een (grote) tijdelijke toename in dergelijke effecten.

Figuur 3

Natura 2000-gebieden zijn gelegen op ca. 13,8km en meer tot de planlocatie (bron: noord-brabant.maps.arcgis.com).

Gelet op de afstand tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, alsmede de inrichting van het tussengelegen gebied, waaronder dichtbebouwd gebied, kunnen effecten anders dan stikstofdepositie bij voorbaat uitgesloten worden. Tevens zal een potentieel effect als gevolg van een verandering in tijdelijke en permanente stikstofdepositie niet verwacht worden. Het voornemen bestaat uit het realiseren van appartementen op een parkeerterrein. De nieuw te realiseren woongelegenheden zullen voldoen aan diverse verduurzamingseisen (waaronder BENG), waardoor er sprake zal zijn van een vergelijkbare uitstoot van dagelijks gebruik ten opzichte van de huidige situatie. Bovendien is de ontwikkeling van een relatief beperkt formaat, waardoor een eventuele stikstofdepositie op een afstand van 13,8km niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarnaast is de locatie gesitueerd binnen het centrale deel van de Heesch, waardoor de tijdelijke toename van stikstofdepositie gedurende de uitvoering geheel verwaarloosbaar is en niet zal leiden tot een verhoging. Een effect op Natura 2000-gebieden is zowel in de gebruiksfase als gedurende de realisatiefase uitgesloten.

11

5. Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Mozartlaan en Verdilaan te Heesch is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het herontwikkelen van een parkeerterrein tot een appartementengebouw en parkeerterrein, en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen en vaste rust- en/of verblijflocaties van beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Vleermuizen passeren en foerageren aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord.

Ten aanzien van overige gebiedsfuncties zijn geen maatregelen benodigd Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen Ten aanzien van algemene amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden, de genomen maatregelen en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht

12

6. Vervolgstappen Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.

6.1.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is aanvullend onderzoek niet benodigd

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering

Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen indien in de periode april t/m oktober gewerkt wordt. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals zwarte roodstaart, turkse tortel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, buiten medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna

13

Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. Websites, geraadpleegd 2023: atlasleefomgeving.nl bomen.meetnetportaal.nl decentrale.regelgeving.overheid.nl natura2000.eea.europa.eu noord-brabant.maps.arcgis.com pas.natura2000.nl rug.maps.arcgis.com wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

14

Bijlage 1

Foto’s planlocatie

Het projectgebied betreft een parkeerterrein met grasveld aan de Mozartlaan en Verdilaan te Heesch

Het gehele terrein is ofwel verhard ofwel voorzien van gras en enkele lage hagen

15

De locatie is direct naast een basisschool gesitueerd en wordt dagelijks intens verstoord

Het aangetroffen nest is buiten het plangebied gesitueerd en is in gebruik door eksters

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=332472ba-466b-4340-aeb2-969c22f11376