CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - QuickScan Flora & Fauna

Raadsvergadering 18 april 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Eggerlaan ongenummerd, Vorstenbosch'*4.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische Quickscan aan de Kapelstraat 7 te Vorstenbosch Pittiger in Planologie

Opdrachtgever:

Opsteller: Datum: Kenmerk:

Pittiger in Planologie Verwestraat 32 5491 BZ Sint-Oedenrode

Ecologisch adviesbureau Eceau 10 oktober 2023 PIT-1QS221201-a

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige ecologische quickscan uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding en planlocatie ........................................................................................................... 2

2.

Doel en vraagstelling ............................................................................................................... 3

3.

Methode .................................................................................................................................. 4

4.

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek ............................................................................................ 4

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage ................................................................................... 4

Bevindingen ............................................................................................................................. 5 4.1.

Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................... 5

4.2.

Vleermuizen..................................................................................................................... 7

4.3.

Vogels .............................................................................................................................. 9

4.4.

Overige diersoorten....................................................................................................... 11

4.5.

Vaatplanten ................................................................................................................... 13

4.6.

Houtopstanden .............................................................................................................. 13

4.7.

Gebiedsbescherming ..................................................................................................... 14

5.

Samenvatting......................................................................................................................... 15

6.

Vervolgstappen...................................................................................................................... 16 6.1.

Nader onderzoek ........................................................................................................... 16

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering ....................................................................................... 16

Bronnen .......................................................................................................................................... 17 Bijlage 1

Foto’s planlocatie ..................................................................................................... 18

1

2. Doel en vraagstelling Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. Tevens biedt de ecologische quickscan inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Onderhavige ecologische quickscan kan voor de initiatiefnemer als bewijsstuk dienen dat onderzoek is verricht ten behoeve van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer is voornemens bebouwing te saneren en een perceel opnieuw in te richten ten behoeve van woongelegenheid.

Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ontwikkeling: sloopwerkzaamheden verwijderen (lagere) vegetatie verwijderen bestrating en delen van de terreininrichting bouwrijp maken van het terrein aanleg/verplaatsen nutsfaciliteiten realisatie nieuwe woningen herinrichting, bestrating en overige revitalisatiewerkzaamheden aan het terrein In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: transport puin, groenafval en bestrating transport nieuwe materialen plaatsen bouwverlichting (eventueel) plaatsen bouwkeet akoestische, trillings en optische verstoring van de directe omgeving Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden eventueel aanwezige ecologische functies mogelijk vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren.

In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels de ecologische quickscan onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Wet natuurbescherming zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Wet natuurbescherming en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen?

3

3. Methode Middels voorliggende ecologische quickscan is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden van beschermde flora en fauna gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het veldbezoek is uitgevoerd op 23 januari 2023.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen beschermde gebieden en overige beschermde onderdelen vanuit de Wet natuurbescherming. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.

4

4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken van welke bijzonderheden sprake is (o.a.: vrijstellingen en bepalingen), welke soorten in het aangetroffen habitat voorkomen en van welke soorten het voorkomen in de nabijheid van de onderzoeklocatie bekend is. Van de beschermde soorten die in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen wordt dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan; waaronder vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.

4.1. 4.1.1.

Grondgebonden zoogdieren Bescherming en soorten

Grondgebonden zoogdieren komen vrijwel overal voor in Nederland. Gezien het opportunistische karakter van diverse van deze algemene soorten zijn een aantal soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De binnen Noord-Brabant vrijgestelde zoogdieren zijn opgenomen in tabel 1. Tabel 1 Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren van de provincie Noord-Brabant Aardmuis Haas Rosse woelmuis Bosmuis Huisspitsmuis Tweekleurige bosspitsmuis Dwergmuis Konijn Veldmuis Dwergspitsmuis Ondergrondse woelmuis Vos Egel Ree Woelrat Gewone bosspitsmuis

4.1.2.

Habitatonderdelen

De projectlocatie betreft een deel weide met paddocks en voor het overige deel een verhard en bebouwd perceel, waar enkel begroeiing aanwezig is in de vorm van siertuin waar geen werkzaamheden plaatsvinden en een haag langs de oostelijke perceelsgrens. De aanwezigheid van onder andere zeezoogdieren (bruinvis, grijze zeehond), soorten van kruidenrijke gebieden (noordse woelmuis, europese hamster) kan worden uitgesloten. Er zijn geen grotere houtopstanden of bossen aanwezig, waardoor verblijven en leefgebieden van soorten van bosrijke gebieden (boommarter, rode eekhoorn) uitgesloten kunnen worden. Er is geen sprake van waterrijk gebied (waterspitsmuis, bever, otter); de aanwezigheid van waterspitsmuis, bever, otter en soorten van een waterrijke/verstoringsarme omgeving is uitgesloten. Door de afwezigheid van agrarisch (cultuur)landschap en de ligging binnen dichtbebouwd gebied kan de aanwezigheid van das en kleine marterachtigen uitgesloten worden. De steenmarter wordt in (oude) bebouwing en overige stenige objecten aangetroffen, waardoor de soort niet zonder meer uitgesloten kan worden wordt. De steenmarter is een soort die verblijfplaatsen heeft in stenige objecten en bebouwing, maar ook in hopen snoeiafval, kruipruimten, ongebruikte schuurtjes, holle bomen of verlaten holen van andere grotere grondgebonden zoogdieren.

De te saneren bebouwing binnen het plangebied betreft enkele stallen en een schuur. Holen van andere grondgebonden zoogdieren of materiaalhopen ontbreken binnen het plangebied. De schuren en stallen zijn allen toegankelijk voor de steenmarter. Echter ontbreken alle vormen van sporen van de soort. Als de soort aanwezig is, dan zijn er sporen te vinden. Dit betreffen onder andere prooiresten, loopsporen, uitwerpselen, latrines en penetrante geursporen. De twee schuilstallen en de schuur bestaan uit enkellaagse gevels en daken, waardoor schuilplaatsen hier ontbreken. De grote stal, welke thans in gebruik is als werkplaats, beschikt eveneens niet over schuilgelegenheid door het ontbreken van grote openingen met toegang tot de gevels en daken. Tevens is alle bebouwing onderzocht op sporen en zijn deze niet aangetroffen. Door

5

het ontbreken van geschikte wegkruipmogelijkheden en het ontbreken van enige aanwijzing op activiteit kan de aanwezigheid van steenmarter uitgesloten worden.

4.1.3.

Effecten

Gezien de inrichting van het projectgebied worden geen verblijfplaatsen of functionele leefgebieden van beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht. Algemene en opportunistische grondgebonden zoogdieren zoals huismuis, huisspitsmuis, egel en bruine rat maken echter mogelijk algemeen gebruik van het perceel of de percelen rondom het plangebied. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien zijn alle mogelijk aanwezige beschermde soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit van de provincie. Behoudens de Algemene Zorgplicht zijn geen bijzondere maatregelen benodigd in het kader van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren.

6

4.2. 4.2.1.

Vleermuizen Bescherming en soorten

Ondanks dat vleermuizen vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden, zijn er geen vleermuissoorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Door de continue verduurzaming van bestaande en nieuwe bebouwing waarbij gevels en daken worden geïsoleerd is er een sterke afname in potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen. Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd middels de Habitatrichtlijn van de Wet natuurbescherming. Naast de individuen zijn tevens de vaste rust- en/of verblijfslocaties, essentiële vliegroutes en functionele foerageergebieden beschermd. De gewone dwergvleermuis en in enige mate de laatvlieger zijn beide soorten die vrij algemeen voorkomen in Nederland en gebruik maken van bebouwing om in te verblijven. Overige relatief algemene vleermuissoorten verblijven met name in bomen, waaronder de ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis.

4.2.2.

Habitatonderdelen

Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis en laatvlieger maken als verblijfplaats met name gebruik van bebouwing. Dit geldt voor zowel de zomer-, paar-, winter- en kolonieverblijven. Open stootvoegen, kierende daklijsten, openstaande/overhangende dakpannen, scheuren in gevels of enige andere opening die toegang verleend tot een holle achterliggende ruimte bieden potentie om als verblijfplaats te dienen. Goede voorbeelden van achterliggende ruimten zijn de spouw, de ruimte onder dakpannen en toegankelijke verstoringsvrije zolderruimten met een stabiel microklimaat. Vanuit de verblijfslocaties verplaatsen vleermuizen zich vaak via vaste routes naar geschikte foerageergebieden, waarbij gebruik gemaakt wordt van lijnvormige structuren als de luwte van bebouwing, bomenlanen en oppervlaktewateren. Dergelijke structuren kunnen beschermd zijn indien er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. De ontwikkeling wordt uitgevoerd aan bebouwing dat gesitueerd is binnen dichtbebouwd gebied met diverse groenstructuren in de directe nabijheid. Gezien op de grote mate van oriëntatiepunten ten behoeve van vliegroutes en alternatieve geschiktere foerageergebieden is een effect op essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied uitgesloten. Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Enkel in de siertuin van het te handhaven gedeelte van het perceel is een boom aanwezig.

In de boom zijn echter geen holten aangetroffen die kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen zijn uitgesloten. Bij alle bebouwing ontbreken openingen in de gevels die leiden tot een eventuele holle achterliggende ruimte; open stootvoegen, brede scheuren, ontbrekende metselstenen en overige openingen zijn niet aanwezig. Met uitzondering van de grotere stal, beschikken de te saneren opstallen over een enkele daklaag en enkellaagse gevels. In deze bebouwing zijn geen holle ruimten aanwezig waar vleermuizen kunnen verblijven. De grotere stal beschikt over een golfplaten dak met afwerking van dakbeschot aan de binnenzijde en spouwgevels. De goothoogte van de stal is echter slechts ca. 2m hoog, met op diverse plaatsen dichtbijstaande overige bebouwing. De kopgevels zijn afgewerkt met windveren die nauw aansluiten op de gevels. Aanvullend stelt het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis dat het microklimaat gunstig dient te zijn. Dit betekend dat er een stabiel microklimaat moet zijn met een bufferende werking op temperatuurschommelingen en vochtigheidsgraad. Voor winterverblijven dient tevens de ruimte vorstvrij te zijn.

Het betreffende gebouw beschikt niet over een verwarming, airconditioning of andere temperatuurregulerende middelen, waardoor er aannemelijk een grote schommeling is in zowel temperatuur als vochtigheidsgraad in de gevels en de dakruimte van het gebouw. Door de dichte afwerking van de kopgevels, het nabij staan van diverse andere gebouwen wat de invliegmogelijkheden obstrueert, de beperkte hoogte van de zijgevels en aanvullend de ongunstige omstandigheden aangaande het microklimaat, is het uitgesloten dat vleermuisverblijven in bebouwing aanwezig zijn in de onder werkzaamheden onderhavige bebouwing. Ondanks dat de aanwezigheid van essentiële foerageergebieden, migratieroutes en verblijfplaatsen uitgesloten is, is het niet uitgesloten dat vleermuizen de locatie passeren of opportunistisch foerageren in de directe omgeving.

7

4.2.3.

Effecten

Gelet op de inrichting van het plangebied zijn binnen de grenzen van het projectgebied geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes aanwezig. Effecten op essentiële vlieg- en foerageerroutes zijn uitgesloten. Gezien de afwezigheid van geschikte boomholtes en in het verlengde daarvan verblijfslocaties zijn effecten op vaste rust- en/of verblijflocaties van vleermuizen in bomen uitgesloten. Door het ontbreken van potentieel geschikte openingen, eventuele toegangen tot achterliggende holle ruimten en overige toegankelijke gaten in de bebouwing, kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten worden. Desondanks zal de locatie gepasseerd worden of opportunistisch in gebruik genomen worden als foerageerlocatie. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende de donkere en schemerende dagdelen én er bouwverlichting naar de omgeving uitstraalt, dan kunnen aanwezige en passerende vleermuizen verstoord worden door bouwverlichting. Dit is alleen van toepassing in de periode april t/m oktober, buiten de winterrustperiode. Om dergelijke onnodige verstoring te voorkomen dient het de voorkeur in deze periode overdag te werken of vleermuisvriendelijke bouwverlichting toe te passen (naar beneden gericht, convergerend en/of rood-/amberkleurig).

8

4.3. 4.3.1.

Vogels Bescherming en soorten

Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste geldt voornamelijk binnen de broedperiode (medio maart t/m medio juli). Daarnaast is er een categorisering in beschermingsniveau. Er wordt een jaarronde bescherming van nesten (ook buiten broedseizoen, zonder eieren) gehanteerd voor soorten die erg honkvast zijn, ieder jaar terugkeren naar dezelfde locatie of het nest jaarrond gebruiken (cat. 1 t/m 4). Daarnaast geldt aanvullend voor een aantal soorten jaarronde bescherming van nesten indien zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (cat. 5). Gedurende het broedseizoen zijn aanvullend in gebruik zijnde nesten van alle algemene vogels beschermd, waaronder soorten als spreeuw, turkse tortel en kauw.

4.3.2.

Habitatonderdelen

Op bebouwde percelen met weide, zonder hoge/dikke bomen of hoge bebouwing binnen bebouwd gebied, kan de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten en leefgebieden van onder andere de boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, roek, gierzwaluw, sperwer, kerkuil, steenuil en slechtvalk al uitgesloten worden. Een enkele soort van de categorie 1 t/m 4 die wel voorkomt in dergelijke bebouwde gebieden is de huismus. Naast de verwachting dat andere categorie 1 t/m 4 soorten niet aanwezig zijn, zijn in de nabijstaande bomen en op het overige terrein geen nesten, holtes of sporen (braakballen, plukplaatsen, uitwerpselen) aangetroffen, waardoor de verwachting bevestigd wordt. De huismus stelt hoge eisen aan het habitat, daar verblijft de soort dan ook het gehele jaar. Indien een aantal van de habitateigenschappen niet voorkomt zal de huismus wegblijven. Als nestlocatie wordt gebruik gemaakt van openingen in bebouwing, met name pannendaken worden bewoond. In de directe omgeving van een potentiële nestlocatie dienen diverse habitatonderdelen aanwezig te zijn, waaronder schoon drinkwater, voldoende schuilgelegenheid in de vorm van jaarrond bladhoudende struiken, hagen of heesters, grind en/of kleine steentjes, voldoende foerageermogelijkheden, droog zand voor zandbaden en niet te veel grote bomen (Kennisdocument Huismus, 2023).

Gezien de ligging van het plangebied binnen een dorp met diverse groenstructuren, achtertuinen en bebouwing, is het vereiste habitat aannemelijk voldoende aanwezig voor de soort. Aanvullend is de soort waargenomen op de bebouwing aan de overzijde van de Eggerlaan. Met uitzondering van de lage haag aan de Eggerlaan is er beperkt geschikt leefgebied aanwezig voor de huismus. Echter gezien de grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, kan het plangebied niet als essentieel aangemerkt worden. In de omgeving van het plangebied, binnen een straal van 200m, zijn namelijk onder andere een kloostertuin, paardenhouderij, parkachtige structuren en een grote hoeveelheid en diversiteit aan achter-/voortuinen aanwezig. De te saneren bebouwing beschikt niet over pannendaken of overige geschikte nestlocaties. Met uitzondering van de grotere stal, zijn de daken niet afgewerkt, waardoor potentiële nestlocaties ontbreken. De aanwezige openingen aan de onderzijde van het golfplaten dak zijn naar beneden gericht en slechts op ca. 2m hoogte gesitueerd. Door het ontbreken van veilige balts- en uitkijkplaatsen, alsmede dat bebouwing niet beschikt over eigenschappen van de voorkeursnestplaatsen van de soort kan de aanwezigheid van huismusnesten uitgesloten worden.

4.3.3.

Effecten

Door het ontbreken van potentiële nestgelegenheid, alsmede functioneel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of leefgebieden (categorie 1 t/m 4) kunnen effecten worden uitgesloten. Enkel zijn echter wel mogelijk nesten van algemene soorten, zoals de merel, winterkoning of roodborst aanwezig binnen het broedseizoen. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen (buiten half maart – half juli) aan te vangen of alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen en de locatie niet vooraf ongeschikt is gemaakt dient de locatie door een deskundige

9

onderzocht te worden op de aanwezigheid van nestlocaties. Bij het eventueel aantreffen van nesten bij een dergelijke inspectie dienen de werkzaamheden opgeschort te worden.

10

4.4. 4.4.1.

Overige diersoorten Bescherming en soorten

Overige diersoorten betreffen de vlinders, libellen, overige ongewervelde, amfibieën, reptielen en vissen. Door de afwezigheid van oppervlaktewateren, kleinschalige poelen, plassen en sloten kan de aanwezigheid van geschikte leefgebieden voor amfibieën, vissen, libellen en watergebonden ongewervelden uitgesloten worden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van de amfibieën zijn door de hoge trefkans enkele soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, dit betreft de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker (vrijstellingen provincie Noord-Brabant). Van de Habitatrichtlijnsoorten wordt louter de rugstreeppad sporadisch aangetroffen op bouwlocaties, bovendien komen er geen andere soorten in de directe omgeving van het plangebied voor. Een diverse (kruiden- en bloemrijke) vegetatie is voor veel algemene insecten essentieel. Bovendien zijn er voor een groot aantal vlinders, libellen en andere ongewervelde specifieke waardplanten waarvan de soort afhankelijk is. Het terrein is bebouwd, verhard en ingericht met weide, waarbij natuurlijke omstandigheden ontbreken. Gelet op het ontbreken van (waard)planten, bijzondere habitateigenschappen en natuurlijke omstandigheden, alsmede de bekende verspreiding van beschermde libellen, vlinders en overige ongewervelde kan het voorkomen ervan uitgesloten worden.

Bovendien komen geen beschermde vlinders libellen of overige ongewervelden voor in de omgeving van het plangebied, met uitzondering van de grote vos en teunisbloempijlstaat. Waarvoor respectievelijk grote vrijstaande iepen en populieren, en pioniershabitat inclusief overige waardplanten ontbreken. Reptielen komen voor in natuurlijke, dynamische en relatief verstoringsarme biotopen. Door de huidige inrichting van het terrein zonder begroeide greppels, vergraafbaar zand, broedhopen of een dichte strooisellaag, alsmede de ligging ervan, worden reptielen niet verwacht.

4.4.2.

Habitatonderdelen

Gezien het ontbreken van verstoringsvrije biotopen alsmede bijzondere habitateigenschappen en waardplanten voor beschermde vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen wordt de aanwezigheid van habitatrichtlijnsoorten of bijzondere overige soorten, met uitzondering van de rugstreeppad, van voornoemde soortgroepen niet verwacht. De rugstreeppad komt voor binnen dynamische pionierssituaties. De voortplantingslocaties betreffen droogvallende, snel opwarmende, vaak kort en tijdelijke plassen. Als overwinteringslocaties wordt gebruik gemaakt van goed vergraafbare grond, waar ze soms tot een meter diepte overwinteren buiten de invloed van vorst. De soort staat erom bekend dat ongeschikt terreinen doorkruist worden om potentieel geschikte voortplantingslocaties te bereiken, tot op een afstand van ca. 5km. Ook tijdelijke locaties zoals recent gesaneerde locaties waar kaal zand aanwezig is. In dit soort locaties kan kolonisatie plaatsvinden op het moment dat rijsporen aanwezig zijn, het geregend heeft en regenplassen blijven staan. Het plangebied is voorzien van verharding, weide en bebouwing. Er zijn geen omstandigheden waarin tijdelijke poelen of (regen)plassen ontstaan in pionierssituaties en er is geen sprake van vergraafbaar zand. De aanwezigheid van rugstreeppad kan in de huidige situatie uitgesloten worden.

Bij de uitvoering van de ontwikkeling wordt het terrein echter (deels) bouwrijp gemaakt, waardoor potentieel geschikt leefgebied tijdelijk kan ontstaan voor kolonisatie door de soort. Doordat de soort op ca. 1km afstand voorkomt is het niet uitgesloten dat de rugstreeppad het plangebied kan bereiken en er sprake kan zijn van kolonisatie.

4.4.3.

Effecten

Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vlinders, libellen, overige ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen, en de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten is een effect uitgesloten. Voor algemene soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken en zijn de te verwachten soorten allen opgenomen in de

11

vrijstellingsverordening van de provincie. Bovendien heeft het plangebied geen specifieke functie voor dergelijke soorten. Het is echter mogelijk dat rugstreeppad ten tijde van de uitvoering de locatie koloniseert indien er geen maatregelen getroffen worden. Om te voorkomen dat de rugstreeppad in de uitvoeringsfase de bouwlocatie koloniseert gedurende het voortplantingsseizoen van de soort, is het aanbevelenswaardig om maatregelen te treffen. Er zijn een aantal methoden die het koloniseren kunnen voorkomen, namelijk een of meer van het volgende (Kennisdocument Rugstreeppad, 2017): Zorgen dat tijdelijke poelen en plassen niet kunnen ontstaan door de locatie regelmatig af te vlakken Een amfibieënscherm plaatsen waardoor rugstreeppadden de locatie niet kunnen bereiken Zorg dragen dat zanderig/braakliggend terrein niet aanwezig is in de voortplantings- of migratieperiode van rugstreeppadden (begin april t/m eind juli) Aanvullend is het zeer aannemelijk dat algemene en opportunistische soorten zoals bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad gebruik maken van de locatie. Echter zijn er voor de te verwachten algemene soorten voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken.

Er dient, in aanvulling op de maatregelen ten aanzien van rugstreeppad, enkel in het kader van de Algemene Zorgplicht rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige vlinders, libellen en algemene amfibieën.

12

4.5. 4.5.1.

Vaatplanten Bijzonderheden

Ondanks dat een groot deel van de beschermde vaatplanten enkel te determineren is gedurende de periode van bloei, is goed te bepalen of dergelijke soorten potentieel voorkomen op een bepaalde locatie. Veel soorten komen voor in specifieke habitattypen of plantengemeenschappen: een verscheidenheid aan soorten die elkanders potentiële voorkomen aantonen doordat dergelijke soorten in vergelijkbare (abiotische) omstandigheden en biotopen groeien. In de omgeving van het plangebied is enkel het voorkomen bekend van drijvende waterweegbree.

4.5.2.

Habitatonderdelen

De geschiktheid van een locatie is direct afhankelijk van de aanwezige (abiotische) omstandigheden, zoals oppervlaktewater, zuurgraad, voedingsrijkdom van de bodem, lichtinval en standplaatsen. Gezien de kunstmatige inrichting van de planlocatie met bebouwing, verharding en weide, alsmede de ligging bebouwd gebied, is te verwachten dat er sprake is van zeer verstoorde en voedselrijke omstandigheden. Bovendien is er nauwelijks sprake van natuurlijke begroeiing. Gedurende het veldbezoek zijn desondanks de gevels gecontroleerd op eventuele bijzondere muurvegetatie of andere standplaatsen van beschermde vaatplanten. Er zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen en er is geen muurvegetatie waargenomen. Aanvullend ontbreken potentiële standplaatsen voor beschermde vaatplanten, waaronder natuurlijke poelen, plassen of beken, natte overstromende kleigronden en bijzondere wegbermen, akkers, waterkanten en historische kalkstenen muren. De aanwezigheid van beschermde, zeldzame en bijzondere vaatplanten kan derhalve redelijkerwijs worden uitgesloten. Bovendien komt uitsluitend de drijvende waterweegbree voor in de directe omgeving. Voor deze soort ontbreken oppervlaktewateren.

4.5.3.

Effecten

Er is geen sprake van potentiële standplaatsen voor bijzondere natuurlijke vegetatie binnen het perceel. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten of restanten ervan waargenomen. Er worden geen effecten verwacht en er zijn geen vervolgstappen of bijzondere bepaling van toepassing in het kader van beschermde vaatplanten.

4.6.

Houtopstanden

Artikelen 4.1 t/m 4.9 beschermen houtopstanden krachtens de Wet natuurbescherming, indien van toepassing zal er of sprake zijn van een meldplicht of van een vergunningplicht. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing binnen de grenzen van de planlocatie. Wegens het onderstaande: Artikel 4.1: Het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf heeft geen betrekking op: houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden op erven of in tuinen Bovendien zijn er geen voornemens om bomen te kappen.

13

5. Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Kapelstraat 7 te Vorstenbosch is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het kadastraal splitsen, herontwikkelen van het perceel en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. Voor vleermuizen is het voldoende als er rekening gehouden wordt met de eventuele aanwezigheid in de omgeving. Voor rugstreeppad is het voldoende als voorkomen wordt dat de locatie gekoloniseerd kan worden ten tijde van de uitvoering. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Ten aanzien van vleermuizen zijn geen essentiële vliegroutes, foerageergebieden of vaste rusten/of verblijfslocaties aanwezig.

Desondanks passeren en foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord indien toegepast Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen in het groen rondom het plangebied Ten aanzien van rugstreeppadden dient voorkomen te worden dat de locatie gekoloniseerd wordt gedurende de uitvoering van de ontwikkeling. Ten aanzien van overige amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Wet natuurbescherming Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht

15

6. Vervolgstappen Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.

6.1.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is aanvullend onderzoek niet benodigd

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering

Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals winterkoning, turkse tortel, merel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten Om te voorkomen dat de rugstreeppad de bouwlocatie koloniseert gedurende het voortplantingsseizoen dienen maatregelen getroffen te worden.

Zorgen dat tijdelijke poelen en plassen niet kunnen ontstaan door de locatie regelmatig af te vlakken óf een amfibieënscherm plaatsen waardoor rugstreeppadden de locatie niet kunnen bereiken óf zorg dragen dat zanderig/braakliggend terrein niet aanwezig is in de voortplantings- of migratieperiode van rugstreeppadden (begin april t/m eind juli) Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna

16

Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2022. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 2.0. Juni 2022, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. Websites, geraadpleegd 2023: atlasleefomgeving.nl bomen.meetnetportaal.nl decentrale.regelgeving.overheid.nl geocontent.rvo.nl natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl noord-brabant.maps.arcgis.com rug.maps.arcgis.com wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

17

Bijlage 1

Foto’s planlocatie

Het projectgebied betreft een bewoond perceel met weide en opstallen aan de Kapelstraat 7 te Vorstenbosch

Met uitzondering van de grote stal beschikken de bijgebouwen over enkellaagse daken en gevels

18

Het bewoonde gedeelte, inclusief enkele bijgebouwen, aan de noordzijde van het perceel blijft behouden

Een deel van het perceel is verhard en bebouwd

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=5eb9d6d2-1c51-4ee9-85c9-45f6ee85690a