CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Was-Wordt tabel gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap

Raadsvergadering 7 maart 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Wijziging gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant*2.272 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was – wordt tabel van de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant. In 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) gewijzigd. Het doel van deze wijzigingen is het versterken van de positie van de raden van de deelnemende gemeenten ten opzichte van de gemeenschappelijke regelingen. De wijzigingen richten zich meer in het bijzonder op: a. het versterken van de positie van de raden bij besluitvorming door gemeenschappelijke regelingen; b. introductie van aanvullende controle-instrumenten voor de raden; c. het verbeteren van de positie van de raden met betrekking tot het functioneren van de gemeenschappelijke regelingen. Hieronder een tabel met de gewijzigde artikelen en benoeming als gevolg van welk van bovenstaande wijzigingen dit artikel is aangepast. Artikel 4 - Participatie – informatieplicht Een wijziging als gevolg van ad. a

25 a - passieve informatieplicht

Was Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant heeft tot doel: het continueren van een gemeenschappelijke voorziening ter integrale uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening en de daaruit voortvloeiende en daarmee verband houdende voorschriften en regelingen, alsmede andere vormen van gesubsidieerde arbeid. Met name wordt bevorderd dat inwoners uit de regio Noordoost-Brabant met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt, hulp wordt geboden bij het verkrijgen van betaald werk.

Nieuw artikel

Wordt (gewijzigde tekst is blauw) Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant heeft tot doel: het continueren van een gemeenschappelijke voorziening ter integrale uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening en de daaruit voortvloeiende en daarmee verband houdende voorschriften en regelingen, alsmede andere vormen van gesubsidieerde arbeid. Met name wordt bevorderd dat inwoners uit de regio NoordoostBrabant met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt, hulp wordt geboden bij het verkrijgen van betaald werk. Het Werkvoorzieningschap kiest ervoor om hierbij cliëntenparticipatie voor belanghebbenden te organiseren via de Wsw-raad zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Wsw. Andere vormen van (burger)participatie zoals bedoeld in artikel 10 lid 7 van de Wgr worden niet georganiseerd door het Werkvoorzieningschap. Het Algemeen Bestuur draagt er zorg voor dat de raden van de deelnemende gemeenten periodiek actief worden geïnformeerd over het functioneren van de uitvoeringsorganisatie IBN. Het Algemeen Bestuur stelt hiertoe een regeling vast. 1. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen schriftelijk en zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet in strijd is met het algemeen belang.

Een wijziging als gevolg van ad. a

25 b – evaluatie Een wijziging als gevolg van ad. c 32a – termijnen Een wijziging als gevolg van ad. c 33 – begroting Een wijziging als gevolg van ad. c

34 - jaarrekening Een wijziging als gevolg van ad. c

Nieuw artikel Nieuw artikel

1. 2. 3.

1. 2.

2. De verzoeken om inlichtingen worden door de leden van een raad ingediend bij de voorzitter van zijn raad, die ze onmiddellijk doorzendt aan het desbetreffende orgaan van Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant. 3. Het Algemeen Bestuur verstrekt de inlichtingen in ieder geval binnen acht weken; het Dagelijks Bestuur en de voorzitter binnen vier weken. 4. De voorzitter zendt een afschrift van een verzoek om inlichtingen en de reactie daarop zo spoedig mogelijk aan de raden van de overige gemeenten. Buiten hetgeen reeds in de wet en deze regeling is bepaald, vindt er geen evaluatie plaats zoals bedoeld in artikel 11a van de wet.

Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het begrotingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 1. Het begrotingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Het Dagelijks Bestuur maakt elk jaar een 2. Het Dagelijks Bestuur maakt elk jaar een ontwerpbegroting van ontwerpbegroting van uitgaven en inkomsten voor het uitgaven en inkomsten voor het volgende jaar. 3. Nadat aan het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 van artikel 35 volgende jaar. van de Wet gemeenschappelijke regelingen is voldaan, stelt het Nadat aan het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 van artikel 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is Algemeen Bestuur de begroting vast, uiterlijk op 1 september voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt. voldaan, stelt het Algemeen Bestuur de begroting vast, uiterlijk op 1 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor 4. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar deze geldt. voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. 1. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Degene(n), die, ingevolge de in artikel 35 bedoelde 2.

Degene(n), die, ingevolge de in artikel 35 bedoelde voorschriften voorschriften belast is/zijn met de samenstelling van belast is/zijn met de samenstelling van een rekening, een rekening, draagt/dragen er zorg voor, dat draagt/dragen er zorg voor, dat onmiddellijk na de sluiting van de onmiddellijk na de sluiting van de dienst de rekening dienst de rekening van uitgaven en inkomsten over het

3.

4.

5.

39 – toetreden Een wijziging als gevolg van ad. a

1.

2.

van uitgaven en inkomsten over het voorafgaande dienstjaar wordt opgemaakt. Hij legt/zij leggen deze vóór 1 maart aan het Dagelijks Bestuur over. Het Dagelijks Bestuur biedt deze rekening(en), na toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid, ingesteld door de op grond van artikel 37 aangewezen deskundige, en hetgeen het Dagelijks Bestuur te zijner verantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende bescheiden, ter vaststelling aan het Algemeen Bestuur aan. Het Dagelijks Bestuur zendt de rekening(en) met het bijbehorende verslag eveneens aan de raden. Deze kunnen daaromtrent binnen acht weken na ontvangst het Dagelijks Bestuur van hun gevoelen doen blijken. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren, waarin dit gevoelen is vervat, bij de rekening(en). Het Algemeen Bestuur onderzoekt vervolgens de rekening(en) zonder uitstel en stelt ze vast uiterlijk op 1 juli volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft/hebben. De vaststelling van een rekening strekt het Dagelijks Bestuur en de op grond van artikel 36 aangewezen functionarissen tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. Indien een gemeente verzoekt tot de regeling te mogen toetreden, stelt het Algemeen Bestuur, na overleg met de desbetreffende gemeente, de voorwaarden voor die toetreding vast.

Het Dagelijks Bestuur zendt vervolgens het verzoek tot toetreding met de door het Algemeen Bestuur vastgestelde voorwaarden naar de colleges van burgemeester en wethouders.

3.

4. 5.

6.

voorafgaande dienstjaar wordt opgemaakt. Hij legt/zij leggen deze vóór 1 maart aan het Dagelijks Bestuur over. Het Dagelijks Bestuur biedt deze rekening(en), na toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid, ingesteld door de op grond van artikel 37 aangewezen deskundige, en hetgeen het Dagelijks Bestuur te zijner verantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende bescheiden, ter vaststelling aan het Algemeen Bestuur aan. Het Dagelijks Bestuur zendt de rekening(en) met het bijbehorende verslag eveneens aan de raden. Deze kunnen daaromtrent binnen acht weken na ontvangst het Dagelijks Bestuur van hun gevoelen doen blijken. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren, waarin dit gevoelen is vervat, bij de rekening(en). Het Algemeen Bestuur onderzoekt vervolgens de rekening(en) zonder uitstel en stelt ze vast uiterlijk op 7 juli volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft/hebben. De vaststelling van een rekening strekt het Dagelijks Bestuur en de op grond van artikel 36 aangewezen functionarissen tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. Het Dagelijks Bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar, volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Gedeputeerde Staten.

1. Indien een gemeente verzoekt tot de regeling te mogen toetreden, stelt het Algemeen Bestuur, na overleg met de desbetreffende gemeente, de voorwaarden voor die toetreding vast. 2. Het Dagelijks Bestuur zendt vervolgens het verzoek tot toetreding met de door het Algemeen Bestuur vastgestelde voorwaarden naar de colleges van burgemeester en wethouders. 3. De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten stellen hun raad in de gelegenheid om met

3. Toetreding vindt eerst plaats, nadat de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van ten minste drie vierde van de gemeenten daarin bewilligen. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde vervuld is. 4. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op die van opname in het register, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet tenzij het Algemeen Bestuur, na overleg met de betreffende gemeente, anders heeft bepaald.

40 – uittreden Een wijziging als gevolg van ad. c

1. Uittreding van een gemeente kan geschieden bij besluiten van de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, ieder voor zover zij bevoegd zijn, van de betreffende gemeente. 2. Een besluit tot uittreding dient minimaal één jaar vóór de datum van uittreding aan het Dagelijks Bestuur te worden aangeboden. 3. Het Dagelijks Bestuur zendt een besluit tot uittreding van een gemeente aan de colleges van burgemeester en wethouders. 4. Een uittredende gemeente is gehouden na uittreding bij te dragen in het begrote nadelig saldo van het laatste volledige jaar van deelname, en wel in het eerste kalenderjaar na uittreding het volle aandeel, in het tweede jaar na uittreding 75 procent van het aandeel, in het derde jaar na uittreding 50 procent van het aandeel en in het vierde jaar na uittreding 25 procent van het aandeel.

4. 5.

6.

1.

2. 3. 4.

5.

inachtneming van artikel 1 van de wet hun zienswijze over de voorgestelde toetreding naar voren te brengen. Na kennisneming van de eventuele zienswijze van de raad vraagt het college van burgemeester en wethouders toestemming van de raad voor het besluit inzake toetreding. Toetreding vindt eerst plaats, nadat de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van ten minste drie vierde van de gemeenten daarin bewilligen. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde vervuld is. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op die van opname in het register, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet tenzij het Algemeen Bestuur, na overleg met de betreffende gemeente, anders heeft bepaald. Uittreding van een gemeente kan geschieden bij besluiten van de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, ieder voor zover zij bevoegd zijn, van de betreffende gemeente. Een besluit tot uittreding dient minimaal één jaar vóór de datum van uittreding aan het Dagelijks Bestuur te worden aangeboden. Het Dagelijks Bestuur zendt een besluit tot uittreding van een gemeente aan de colleges van burgemeester en wethouders.

Een uittredende gemeente is gehouden na uittreding bij te dragen in het begrote nadelig saldo van het laatste volledige jaar van deelname, en wel in het eerste kalenderjaar na uittreding het volle aandeel, in het tweede jaar na uittreding 75 procent van het aandeel, in het derde jaar na uittreding 50 procent van het aandeel en in het vierde jaar na uittreding 25 procent van het aandeel. Een uittredende gemeente is voorts gehouden tot betaling van de door het Algemeen Bestuur vast te stellen desintegratiekosten, welke het gevolg zijn van die uittreding. Een uittredende gemeente kan geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van het Werkvoorzieningschap.

5. De uittreding treedt niet in werking dan na opname in de registers als bedoeld in artikel 27, tweede lid van de wet. 41 1. Behoudens het bepaalde in het tweede en derde wijzigen/opheffen lid, kan de regeling op voorstel van het Algemeen GR Bestuur worden gewijzigd en worden opgeheven, indien de raden, de colleges van burgemeester en Een wijziging als wethouders en de burgemeesters, ieder voor zover zij bevoegd zijn, van ten minste drie vierde van de gevolg van ad. a gemeenten, vertegenwoordigende ten minste drie vierde van het inwonertal van het gebied, daartoe besluiten. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde is vervuld. 2. De artikelen 3, 4, 6, 7 en 14 kunnen slechts worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten. 3. In geval van opheffing besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daartoe de nodige regels op. 4. Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, de colleges van burgemeester en wethouders gehoord, vastgesteld.

6. De uittreding treedt niet in werking dan na opname in de registers als bedoeld in artikel 27, tweede lid van de wet. 1. Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid, kan de regeling op voorstel van het Algemeen Bestuur worden gewijzigd en worden opgeheven, indien de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters, ieder voor zover zij bevoegd zijn, van ten minste drie vierde van de gemeenten, vertegenwoordigende ten minste drie vierde van het inwonertal van het gebied, daartoe besluiten. Het Algemeen Bestuur stelt vast wanneer deze voorwaarde is vervuld. 2. De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten stellen hun raad in de gelegenheid om met inachtneming van artikel 1 van de wet hun zienswijze over de voorgestelde wijziging naar voren te brengen. 3. Na kennisneming van de eventuele zienswijze van de raad vraagt het college van burgemeester en wethouders toestemming van de raad voor het besluit inzake wijziging. 4. De artikelen 3, 4, 6, 7 en 14 kunnen slechts worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten. 5. In geval van opheffing besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daartoe de nodige regels op. 6. Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, de colleges van burgemeester en wethouders gehoord, vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=6e9f5fb6-87db-4e6b-8109-4fda9a0100b9