CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 quickscan flora en fauna

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hofsteeg (tegenover nr. 3), Nistelrode10.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA HOFSTEEG (ONG.) TE NISTELRODE

Rapportage quickscan flora en fauna Hofsteeg tegenover 3 te Nistelrode Opdrachtgever

RO Connect Graafsebaan 31 5384 RS HEESCH

Rapportnummer Versienummer

6324.003 D1

Status

Eindrapportage

Datum

28 november 2018

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

ir. F.M. IJdema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

S.H.W.M. Claessens, MSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 3

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 8 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen ......................................................................................................................... 13 Amfibieën ........................................................................................................................ 13 Vissen ............................................................................................................................. 13 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 6 Houtopstanden ................................................................................................................. 7

Broedvogels .................................................................................................................... 15 Zoogdieren...................................................................................................................... 16 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 17 Amfibieën ........................................................................................................................ 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 18 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 18 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 19

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 20

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 21

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 6324.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van RO Connect opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Hofsteeg (ong.) te Nistelrode. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijzigin en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 1 van 22

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2.400 m²) ligt aan de Hofsteeg (ong.), circa 1,5 kilometer ten zuidoosten van de kern van Nistelrode. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 45E (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 166.258, Y = 414.089.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie is een onbebouwd akkerland. Voorheen is er maïs op de onderzoekslocatie verbouwd. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een dunne groenstrook met boomopstand. Ten oosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een grindpad met aan de overzijde akkerland. Ten westen van de onderzoekslocatie bevindt zich tevens akkerland. Ten zuiden van de onderzoekslocatie bevindt zich een woonhuis met siertuin. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 29 oktober 2018).

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 2 van 22

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Overzichtsfoto, weiland.

Figuur 4. Boomopstand ten noorden van de onderzoekslocatie.

Figuur 5. Boomopstand ten zuiden van de onderzoekslocatie, garagebox op de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Schuur en (sloop-)afval op de onderzoekslocatie.

Figuur 7. Muizenhol op de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Graafsporen aan de noordzijde van de onderzoekslocatie.

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens een ruimte-voor-ruimte woning te bouwen op de onderzoekslocatie.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 3 van 22

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 29 oktober 2018. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 4 van 22

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 5 van 22

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 6 van 22

genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 7 van 22

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, steenuil, wespendief, sperwer, ransuil, kerkuil en huismus. Van deze soorten kan de huismus op voorhand worden uitgesloten. De nestplaats van de huismus is in de regel verbonden aan bebouwing. Tevens is de huismus voor zijn voedsel sterk afhankelijk van wat de mens hem biedt. Op de onderzoekslocatie is slechts een garagebox aanwezig: deze box bestaat enkel uit een wand en een platendak zonder dakbeschot: er is geen geschikte ruimte aanwezig waar de huismus een nest kan bouwen (figuur 9).

Figuur 9. De garagebox op de oderzoekslocatie, bestaande uit enkele wanden en een enkel dak, biedt geen geschikte nestlocatie voor de huismus.

Steenuil De steenuil broedt voornamelijk in nestkasten en natuurlijke holtes in wilgen op kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. In de boomopstand ten zuiden van de onderzoekslocatie is een steenuilenkast waargenomen. Rondom de kast is gezocht naar sporen die erop duiden dat de kast in gebruik is, deze sporen zijn niet gevonden. Echter is het niet uit te sluiten dat de kast nog in gebruik is. Volgens waarnemingen van de NDFF zijn er in de laatste 5 jaar in een straal van 200 meter verschillende waarnemingen van een steenuil gedaan. Op de onderzoeksFiguur 10. Steenuilenkast in een boom ten zuiden van de locatie heeft voorheen maïs gestaan, derhalve is onderzoekslocatie. de onderzoekslocatie niet geschikt geweest als foerageergebied. Met de voorgenomen herontwikkelingsplannen zou een deel van de onderzoekslocatie als tuin in gebruik worden genomen, waardoor de potentie van de onderzoekslocatie als foera-

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 8 van 22

geergebied van de steenuil verhoogd zou worden. De kast bevindt zich buiten de onderzoekslocatie, derhalve zal de kast en de boomopstand in de huidige herontwikkelingsplannen niet worden aangetast. Echter kunnen de werkzaamheden op de onderzoekslocatie een verstorend effect hebben op de potentieel aanwezige steenuilen (zie hoofdstuk 6). Kerkuil De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. De boomopstand en noorden en ten zuiden van de onderzoekslocatie is geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte boomholtes, deze zijn niet waargenomen. Door het gebrek aan geschikte bebouwing en geschikte boomholtes, is de locatie ongeschikt als nestlocatie voor de kerkuil. De onderzoekslocatie is echter wel potentieel geschikt als foerageergebied. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is in de laatste 5 jaar op 1 km ten noordwesten van de onderzoekslocatie een kerkuil waargenomen. Indien er een kerkuil in de omgeving van de onderzoekslocatie zit, gaat er mogelijk geschikt foerageergebied van de kerkuil verloren, echter zijn er in de omgeving nog veel soortgelijke habitattype aanwezig, waardoor het foerageergebied van de kerkuil niet bedreigd wordt.

Buizerd, havik, slechtvalk, boomvalk, sperwer, ransuil, wespendief Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van buizerd, havik, slechtvalk, boomvalk, sperwer, ransuil en wespendief. In de boomopstanden ten noorden en zuiden van de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten, uitwerpselen of braakballen waargenomen. In de boomopstand ten noorden van de onderzoekslocatie zijn enkele plukplekken gevonden. Op inspectie is gebleken dat de gevonden veren merendeels doorgebeten zijn, wat niet wijst op de aanwezigheid van roofvogels maar op de aanwezigheid van een marterachtige. Aangezien er in de nabijgelegen bomenopstand geen sporen van roofvogels en uilen aangetroffen zijn, is verstoring of vernietiging van vaste rust- en/of verblijfplaats van roofvogels en uilen bij de voorgenomen plannen niet aan de orde zijn. De onderzoekslocatie kan echter wel als foerageergebied voor deze roofvogelsoorten dienen. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn er echter nog veel geschikte foerageergebieden aanwezig. Negatieve effecten ten aanzien van deze roofvogels zijn uit te sluiten. 5.1.2

Overige broedvogels

De beplanting op de onderzoekslocatie kan onderdak bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, winterkoning, groenling, roodborst en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Tijdens het veldbezoek is enkel een klein nest in de boomopstand ten noorden van de onderzoekslocatie waargenomen. Deze boomopstand valt net buiten de onderzoekslocatie en zal niet worden herontwikkeld. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Figuur 11. Klein nest op de onderzoekslocatie.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 9 van 22

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat “Vleermuizen en Planologie” (Limpens et al. 2010) en verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, Brandt's vleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De loods in de noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen spouwmuren aanwezig die middels stootvoegen bereikbaar zijn voor vleermuizen. Er zijn tevens geen geschikte ruimtes onder het dak aanwezig. Boombewonende vleermuizen maken gebruik van boomholtes en loshangende schorslaag als verblijfplaats. Op de onderzoekslocatie is geen boomopstand aanwezig voor boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De bomen ten noorden en zuiden van de onderzoeklocatie konden door de lage dichtheid van de bomen, de geringe hoogte van de bomen en de beperkte hoeveelheid bladmateriaal goed onderzocht worden op de aanwezigheid van holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiele vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. In de bomen zijn geen geschikte verblijflocaties van boombewonende vleermuizen waargenomen.

Bij de voorgenomen plannen zal de aanwezige boomopstand intact blijven. De plannen zullen daarom ook in de toekomst geen aantasting vormen voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, Brandt's vleermuis, baardvleermuis en watervleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft weilanden ten oosten en ten westen van onderzoekslocatie. De foerageergebieden worden bij de voorgenomen herontwikkelingsplannen niet verstoord, vooropgesteld dat er geen extra belichting van de bosrand plaatsvindt tijdens de werkzaamheden en bij de voorgenomen herontwikkelingsplannen (zie hoofdstuk 6). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden.

Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 10 van 22

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: eekhoorn, bunzing, das en steenmarter. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt door de afwezigheid van boomopstand geen geschikt habitat voor de eekhoorn. De aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn kan derhalve worden uitgesloten. Bunzing, wezel en hermelijn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de bunzing, wezel en hermelijn. De bunzing, wezel en hermelijn maken gebruik van oude holen van onder andere konijnen, mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen, holle bomen, ruimtes onder boomwortels, hooizolders en stallen. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Op de onderzoekslocatie zijn oude holen van konijnen en muizen aangetroffen (zie figuur 12). Verder zijn er westelijk op de onderzoekslocatie meerdere takkenhopen, steenhopen en afvalhopen aangetroffen die kunnen dienen als potentieel vaste rust- en verblijfplaatsen voor de bunzing, wezel en hermelijn (zie figuur 13). Op en rondom de onderzoekslocatie zijn pluksporen en uitwerpselen gevonden die indiceren op de aanwezigheid van marterachtigen. Het grasland en akkergebied centraal op de onderzoekslocatie kan dienen als foerageergebied voor desbetreffende soorten. De boomopstand rondom de onderzoekslocatie is van belang voor deze soort voor bescherming en verblijfplaats en kunnen tevens een verbindingsfunctie hebben.

Verstoring van deze soorten kan voorkomen worden indien de werkzaamheden volgens een ecologisch werkprotocol worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 6).

Figuur 12. Muizenhol op de onderzoekslocatie.

Rapport 6324.003 versie D1

Figuur 13. Takken- en puinhopen op de onderzoekslocatie.

Pagina 11 van 22

Das De das komt voor in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende beschutting, houtwallen en heggen, die kunnen dienen als beschutting en geleiding. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden op korte afstand van elkaar. Tevens moet er een groot voedselaanbod en weinig verstoring op de locatie aanwezig zijn. Noordelijk op- en ten noorden van de onderzoekslocatie zijn verschillende aanwijzingen gevonden die kunnen indiceren op de aanwezigheid van een das. Aan de noordelijke bosrand zijn meerdere (voormalige) dassentunnels waargenomen (figuur 14 t/m 16). In de noordelijke bebossing zijn veel tunnels waargenomen, welke deels recentelijk in gebruik lijken te zijn. Langs de noordzijde van de onderzoekslocatie zijn meerdere graafsporen in de vorm van “putjes” waargenomen alsmede vraatsporen aan maïskolven. De onderzoekslocatie is geschikt als foerageergebied voor de das. Het is niet uit te sluiten dat er nog een das actief is in de omgeving van de onderzoekslocatie (hoofdstuk 6).

Figuur 14. Ingang dassentunnel noordelijk op de onderzoekslocatie.

Figuur 15. Ingang dassentunnel in de bebossing ten noorden van de onderzoekslocatie.

Figuur 16. Meerdere zandhopen en ingangen van de dassentunnel.

Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en takkenrillen als verblijfplaats. Tevens kunnen steenmarters oude holen van konijnen gebruiken als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Op de onderzoekslocatie ontbreekt het van geschikte bebouwing, echter binnen het plangebied zijn wel meerdere holen van konijnen aangetroffen. Tevens kunnen de ruimtes onder de puinhopen ook als geschikte verblijfslocatie dienen (zie figuur 13). Tijdens de uitgevoerde inspectie zijn er sporen van marters aangetroffen, waaronder prooiFiguur 17. Prooiresten met afgebeten veren, typerend voor resten en uitwerpselen (figuur 17), wat indicatief marterachtigen. is voor het gebruik van de locatie door deze soort. Verstoring van de steenmarter kan voorkomen worden indien de werkzaamheden volgens een ecologisch werkprotocol worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 6). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, haas, ree, vos en diverse muizensoorten. door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat vaste rust- en verblijfplaatsen worden vernietigd (zie hoofdstuk 6).

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 12 van 22

5.4

Reptielen

Levendbarende hagedis Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2005) en de NDFF is binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis komt voor in heide- en hoogveengebieden. Tevens komt de soort voor in open bossen en ruige graslanden. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor de levendbarende hagedis aanwezig. De streng beschermde levendbarende hagedis is waargenomen in het bosgebied 1 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie. Gezien de afstand van de waarnemingen tot de onderzoekslocatie en het ongeschikte habitattype op de onderzoekslocatie, zijn verstoringen ten opzichte van de levendbarende hagedis op de onderzoekslocatie uit te sluiten. 5.5

Amfibieën

Volgens gegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Alpenwatersalamander Direct aangrenzend het plangebied zijn geen geschikte voortplantingswateren voor de alpenwatersalamander aanwezig. De dichtstbijzijnde potentieel geschikte voortplantingswateren liggen op meer dan 500 meter afstand van de onderzoekslocatie. Tevens vormt de onderzoekslocatie door het gebrek aan beschutting, in de vorm van bossen direct om de sloot, geen geschikt land- en overwinteringshabitat voor de alpenwatersalamander. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat het plangebied gebruikt wordt als vaste rust- en verblijfplaats door een populatie alpenwatersalamanders. Aantreffen van een incidenteel zwervend individu is niet uitgesloten. Ook soortgericht onderzoek kan de aanwezigheid van een dergelijk zwervend individu niet uitsluiten. Door de voorgenomen plannen is echter geen sprake van aantasting van de populatie of vaste rust- en verblijfplaats. Algemene amfibieënsoorten Voor algemene amfibieënsoorten als gewone pad, bastaardkikker, kleine watersalamander en bruine kikker die verder van hun voortplantingswater verblijven geldt dat deze soorten wel binnen het plangebied kunnen worden aangetroffen.

Deze kunnen mogelijk bij verwijdering van het groen verstoord worden. Voor de te verwachten soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht (hoofdstuk 6). 5.6

Vissen

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 13 van 22

5.7

Ongewervelden

Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8

Vaatplanten

De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit gras. Buiten de winterperiode is de locatie bezaaid met maïs. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Daarnaast zijn volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF in de laatste 10 jaar geen waarnemingen van streng beschermde vaatplanten binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie gedaan. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat op de onderzoekslocatie een beschermde plantensoort voorkomt.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 14 van 22

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Broedvogels

6.1.1

Steenuil

De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen. Dit zijn:  de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats  de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is. De nestkast buiten de onderzoekslocatie kan potentieel dienen als voortplantingsplaats voor de steenuil. De kast bevindt zich naast de onderzoekslocatie en zal volgens de huidige herontwikkelingsplannen behouden blijven. Verstoring van de steenuil kan worden verkomen door buiten de kwetsbare periode (januari t/m juni) te werken of door vooraf aan de werkzaamheden een inspectie op een broedgeval uit te voeren. Kort gemaakte of begraasde weilanden zijn belangrijk voor het vangen van regenwormen en veldmuizen.

De onderzoekslocatie en de directe omgeving was voorheen verbouwd met maïs, derhalve niet geschikt als essentieel foerageergebied. In de voorgenomen herontwikkelingsplannen zal dan ook geen essentieel foerageergebied verloren gaan. 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 15 van 22

Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2 6.2.1

Zoogdieren Das

Voor de das geldt dat bij werkzaamheden mogelijk verstoring en vernietiging optreden van de potentiële vaste rust- en verblijfplaats van de das en dat potentieel foerageergebied verloren gaat. Geadviseerd wordt door middel van cameraonderzoek vast te stellen wat de functie van de aangetroffen dassentunnel is en/of hoeveel dassen gebruik maken van de dassentunnels. Omdat bij actief gebruik van de tunnels door een das verstoring en vernietiging van de potentiële dassenburcht bij de voorgenomen plannen niet te voorkomen is, zullen maatregelen genomen moeten worden om de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats van de das in de omgeving te garanderen. Om de functie van het plangebied en de omgeving voor de das te toetsen, dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd, waarbij tevens wordt uitgezocht of er in de nabije omgeving meer burchten en sporen aanwezig zijn. Bij het aantreffen van een vaste- rust verblijfsplaats van de das is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming mogelijk aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. 6.2.2

Bunzing, wezel en hermelijn

In de provincie Noord-Brabant behoren de bunzing, wezel en hermelijn tot de beschermde inheemse diersoorten. De onderzoekslocatie biedt door de aanwezige struiken een geschikte migratie route voor kleine marterachtigen. Daarnaast bevat het gebied meerder oude holen van konijnen en muizen en zijn er binnen de onderzoekslocatie meerdere takken- en steenhopen en struiken aangetroffen die kunnen dienen als potentieel vaste rust- en verblijfplaatsen voor de bunzing, wezel en hermelijn. Het grasland en akkerland op- en rondom de onderzoekslocatie kan dienen als foerageergebied voor desbetreffende soorten. Het verwijderen van boom- en struikopstanden en/of graaf- en maaiwerkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Door met behulp van een ecologisch werkprotocol een alternatieve verblijfplaats aan te bieden en door buiten de kwetsbare periode de potentiële verblijfplaatsen te verwijderen, kan de functionaliteit van de potentiële verblijfplaatsen gegarandeerd worden. 6.2.3

Steenmarter

Op en rondom de onderzoekslocatie zijn meerdere sporen gevonden die indiceren dat het gebied door een steenmarter in gebruik is. Het grasland op de huidige onderzoekslocatie kan dienen als foerageergebied voor deze soort. De puinhopen en het snoeiafval zuidelijk op de onderzoekslocatie kunnen potentieel als vaste rust- en verblijfplaats voor de steenmarter dienen. Verstoringen van de steenmarter kunnen worden voorkomen door met behulp van een ecologisch werkprotocol een alternatieve verblijfplaats aan te bieden en door buiten de kwetsbare periode de potentiële verblijfplaatsen te verwijderen.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 16 van 22

6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Amfibieën

De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 17 van 22

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 16 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 9).

Figuur 18. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 16 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 18 van 22

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 300 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. Het betreft droog bos met productie. Daarin ligt ook het natuurbeheertype kruiden- en faunarijk grasland. Circa 450 meter ten noordwesten van de locatie bevindt zich het natuurbeheertype hoogstamboomgaard. Daarnaast ligt evenals het natuurbeheertype kruiden- en faunarijk grasland. In figuur 10 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 19. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Initiatiefnemers van ingrepen in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen echter ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast, mits geluid- en lichttoename niet zal toenemen in de richting van het Natuurnetwerk Nederland. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Er wordt geadviseerd om met de provincie Noord-Brabant in overleg te treden over de mogelijkheden.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 19 van 22

8

HOUTOPSTANDEN

In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. Op de onderzoekslocatie zijn geen houtopstanden aanwezig.

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 20 van 22

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van RO Connect een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Hofsteeg (ong.) te Nistelrode. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijzigin en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens een ruimte-voor-ruimte woning te bouwen op de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Broedvogels

Vleermuizen

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogel inspectie uitvoeren

jaarrond beschermd

mogelijk

ja

nee

nee

buiten de kwetsbare periode werken of vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen foerageergebied

ja

mogelijk

nee

nee

-

mogelijk

mogelijk

nee

nee

rekening houden met verlichting tijdens werkzaamheden en ingebruikname

marterachtigen

ja

mogelijk

nee

nee

potentiële verblijfplaatsen van bunzing, wezel en/of hermelijn aanwezig. Werkzaamheden volgens ecologisch werkprotocol en buiten de kwetsbare periode uitvoeren. Buiten de kwetsbare periode nieuwe verblijfplaatsen aanbieden en bestaande verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode verwijderen.

steenmarter

ja

mogelijk

nee

nee

potentiële verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig. Werkzaamheden volgens ecologisch werkprotocol en buiten de kwetsbare periode uitvoeren. Buiten de kwetsbare periode nieuwe verblijfplaatsen aanbieden en bestaande verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode verwijderen.

das

ja

mogelijk

ja

mogelijk

potentiële verblijfplaats van das aanwezig

algemene soorten

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van ree, konijn, vos, egel en diverse muizensoorten

vliegroutes

Grondgebonden zoogdieren

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 21 van 22

Amfibieën

alpenwatersalamander

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van de alpenwatersalamander

algemene soorten

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten zoals gewone pad, kleine watersalamander, basteraadkikker en bruine kikker

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

16 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

0,3 km

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Aanbevelingen Op basis van de onderhavige quickscan flora en fauna dient voor uitvoering van de bouw middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de das rondom de onderzoekslocatie. Ten aanzien van de bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel wordt er geadviseerd om met behulp van een ecologisch werkprotocol in combinatie met ecologische begeleiding te werken. Ten aanzien van de steenuil wordt er geadviseerd om de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode uit te voeren of voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uit te voeren. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uit voeren. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën en de alpenwatersalamander. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Met betrekking tot beschermde gebieden en houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoeklocatie.

Econsultancy Boxmeer, 28 november 2018

Rapport 6324.003 versie D1

Pagina 22 van 22

GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Nistelrode, periode 2008-2018 van Delft, J.J.C.W. & W. Schuitema 2005. Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting RAVON, Nijmegen. www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)

Rapport 6324.003 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 6324.003 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=6008ad0d-6414-4e3a-804a-a4e1eb41d41a