Bijlage 2 - Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Heesch, D’n Berg
Gemeente Bernheze
Datum: 11 augustus 2023 Projectnummer: 210218.01
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer
3 3 5
2
Kenmerken van het plan
6
2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Beschrijving van het plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan
6 6 6 6
3
Plaats van het plan
8
3.1 3.2 3.3
Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
8 8 8
4
Kenmerken van het potentiële effect
13
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit
13 15 16 17 17
5
Conclusie
19
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In het zuiden van de kern Heesch (gemeente Bernheze) bevinden zich twee blokken met daarin 34 sociale rijwoningen. De blokken zijn omsloten door de Ophoviusstraat, de Sonniusstraat, de Basilius van Bruggestraat en de Adrianus VI Straat. De woningen zijn verouderd en voldoen niet meer aan de wensen en eisen van de huidige bewoners. Daarom bestaat het voornemen om hier door middel van sloop-nieuwbouw maximaal 77 woningen te realiseren. Het zal gaan om maximaal 63 appartementen en 14 rijwoningen. Alle woningen zijn beoogd voor de sociale huursector. Het appartementengebouw zal bestaan uit maximaal drie bouwlagen. De grondgebonden woningen bestaan uit één laag met een kap. Deze woningen hebben een brede beukmaat, zodat de woningen levensloopbestendig ingericht kunnen worden. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.
Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.
1.2
De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
3
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl).
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een ontwikkeling mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een ontwikkeling mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sinds een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag.
Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor ontwikkelingen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavige ontwikkeling (de realisatie van maximaal 77 woningen) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.”
4
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 77 woningen. Het totale plangebied betreft maximaal 11.000 m2. Onderhavige activiteit blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde en dus kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: − kenmerken van de activiteit; − plaats waar de activiteit wordt verricht; − kenmerken van de gevolgen van de activiteit.
Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.
5
2 2.1
Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de ontwikkeling besproken. De aard en de omvang van de ontwikkeling worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving van het plan Binnen het plangebied staan in de huidige situatie 34 grondgebonden sociale huurwoningen. Deze woningen zijn verouderd en voldoen niet meer aan de huidige normen en woonwensen wat betreft duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Daarom bestaat het voornemen om deze woningen te slopen ten behoeve van maximaal 77 woningen. Hiervan zullen er 14 grondgebonden woningen zijn en 63 appartementen. Qua aard en schaal wordt aangesloten op de omgeving. Het appartementengebouw zal hooguit bestaan uit drie woonlagen. Het uitgangspunt daarbij is dat het uitsluitend om woningen gaat in de sociale huursector. De woningen worden aardgasloos gebouwd. Daarnaast krijgen de grondgebonden woningen een levensloopbestendig karakter en zijn ook de appartementen als levensloopbestendig te bestempelen omdat deze bereikbaar zullen zijn via een lift.
2.3
Omvang van het plan Met deze ontwikkeling wordt voorzien in maximaal 14 grondgebonden eengezinswoningen en maximaal 63 appartementen. Het appartementengebouw zal op zijn hoogst drie bouwlagen zijn.
2.4
Overige kenmerken van het plan
2.4.1
Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere planen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.
2.4.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het besluitgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde woningen wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de
6
graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functie maakt geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt de ontwikkeling hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. 2.4.3
Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de ontwikkeling wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).
2.4.4
Risico op ongevallen Onderhavige ontwikkeling vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.
7
3 3.1
Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.
3.2
Het bestaande grondgebruik Het plangebied maakt onderdeel uit van de kern Heesch binnen de gemeente Bernheze. Het plangebied zelf bestaat uit 34 sociale rijwoningen verdeeld over twee woonblokken. De blokken zijn omsloten door de Ophoviusstraat, de Sonniusstraat, de Basilius van Bruggestraat en de Adrianus VI Straat. De woningen zijn gebouwd in de jaren ’60 en voldoen niet meer aan de huidige eisen en wensen van de bewoners en de woningcorporatie. De huidige straatinrichting is vrijwel volledig versteend. Het beeld wordt bepaald door asfalt en tegels, omdat openbaar groen ontbreekt. Zowel de woningen als de openbare ruimte zijn niet toekomstbestendig, duurzaam en klimaatadaptief.
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.
3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Wetlands
Conventie van Ramsar
In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.
8
Kustgebieden
Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.
Berggebieden en bosgebieden
Wet natuurbescherming
Het plangebied is niet gelegen
Reservaten en natuurparken:
Nationale Landschappen zijn
Het plangebied ligt niet in een
Nationale Landschappen
benoemd in de Nota Ruimte
Nationaal Landschap, en even-
Nationale parken
Nationale Parken zijn onderdeel
eens niet in een Nationaal Park.
in een berg- en bosgebied.
van de EHS. Speciale beschermingszones,
Wet natuurbescherming
In de omgeving van het plange-
door de lidstaten aangewezen
bied ligt een Natura 2000-ge-
krachtens Richtlijn 79/409/EEG
bied (zie verder onder 1).
(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij commu-
Europese milieurichtlijnen (o.a.
Het plangebied ligt niet in gebie-
nautaire wetgeving vastgestelde
kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-
den waar basis van communau-
normen inzake milieukwaliteit
derrichtlijn water)
taire wetgeving reeds normen
reeds worden overschreden
worden overschreden.
Gebieden met hoge bevolkings-
Het plangebied is niet gelegen
dichtheid
in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.
Landschappen van
•
Verdrag van Valletta
In het plangebied zijn geen his-
•
historisch belang
•
Monumentenwet
torische bouwwerken, monu-
•
cultureel belang
•
Gemeentelijk landschaps-
mentale panden of structuren
ontwikkelingsplan
met een cultuurhistorische of
o
beschermd stads- en dorpsgezicht
•
beeldbepalende waarde te be-
archeologisch belang
noemen. Het plangebied heeft op basis van het bestemmingsplan ‘De kommen van Bernheze’ de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ (zie verder onder 2).
1. Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Wel liggen de Natura 2000-gebieden ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Rijntakken’ op circa 15 kilometer afstand van het plangebied. Dit is op navolgende afbeelding weergegeven.
9
Globale ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000-gebied. (bron: pdokviewer.nl).
Op voorhand kan niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op het Natura 2000 gebied. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect natuur. 2. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. In het bestemmingsplan ‘De kommen van Bernheze’ is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ opgenomen. Dit betekent dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en die dieper reiken dan 0,4 meter. De bodemingrepen voor voorliggend plan zullen deze waarden naar alle waarschijnlijkheid overschrijden. Daarom wordt dit aspect in hoofdstuk 4 verder behandeld. 3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid.
10
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Natuurnetwerk Nederland (voor-
Provinciale verordening
Het plangebied maakt geen deel
heen: Ecologische Hoofdstruc-
uit van het Natuurnetwerk Ne-
tuur)
derland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel NNN in de buurt (zie onder 3).
Gebied geschikt voor be-
Wet natuurbescherming
schermde soorten
Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 4).
Weidevogelgebied en ganzen-
Provinciale verordening
foerageergebied
Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.
Stiltegebied
Bodembeschermingsgebied
Wet milieubeheer
Het plangebied is niet gelegen in
Provinciale verordening
een stiltegebied.
Provinciale verordening
Het plangebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verordening
Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
3. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk.
Globale ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van het Brabants Natuurnetwerk (groen) (bron: Provincie Noord-Brabant). 11
Het plangebied ligt niet binnen NNN (zie hiervoor opgenomen afbeelding). Het plangebied bevindt zich op ongeveer 1.400 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN. Het NNN kent in wel een externe werking, maar het plangebied ligt op voldoende afstand, waardoor negatieve effecten op het NNN zijn uit te sluiten. Dit wordt daarom niet nader beschouwd. 4. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.
12
4 4.1
Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van de ontwikkeling en de plaats van de ontwikkeling zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de ontwikkeling. Hoofdstuk 2 laat zien dat de ontwikkeling de sloop van 34 rijwoningen en de realisatie van maximaal 14 grondgebonden woningen en 63 appartementen aan de zuidrand van de kern Heesch betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van enig verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving van het plangebied bevindt zich Natura 2000-gebied. Verder kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn. Ook zijn in de grond mogelijk nog archeologisch waardevolle resten aanwezig.
Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: − natuur: Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie. − archeologie: Het gehele plangebied heeft op grond van de gemeentelijke archeologische waardenkaart een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Het project kan mogelijk leiden tot negatieve milieueffecten op archeologische waarden. − verkeer: de ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-) effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. − geluidshinder: de ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. − luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer.
Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken van de concrete ontwikkeling en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:
13
− water: Er is met het plan sprake van een afname van de verharding ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand niet te verwachten. − externe veiligheid: de functies in onderhavige ontwikkeling leiden niet tot externe veiligheidseffecten. − cultuurhistorie: De functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden. − bodem: onderhavige ontwikkeling bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. − geurhinder: de functies in onderhavige ontwikkeling leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan. Daarbij geldt dat – indien noodzakelijk – aandacht is voor: − het grensoverschrijdende karakter van het effect; − de waarschijnlijkheid van het effect; − de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
4.2
Archeologie
4.2.1
Huidige situatie Onderhavig projectgebied betreft in de huidige situatie grotendeels onbebouwde percelen. In de archeologische verwachtingswaardenkaart van de gemeente Apeldoorn geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Apeldoorn geldt in het plangebied een (middel)hoge archeologische verwachting. Bij gebieden die in deze verwachtingszone vallen is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen die groter zijn dan 500 m2 en dieper dan 35 cm onder het maaiveld reiken.
4.2.2
Effecten ontwikkeling Aangezien de voorgenomen plannen deze grenzen overschrijden is een archeologisch bureauonderzoek1 uitgevoerd. Hieruit volgt dat voor het grootste gedeelte van het terrein nog een middelhoge archeologische verwachting geldt. Hieruit volgt dat op basis van de landschappelijke ligging nog archeologische resten in het plangebied aanwezig kunnen zijn uit alle archeologische perioden (Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd). De top van het archeologische sporenniveau wordt verwacht onder een humeus dek van minimaal 30 cm dik, maar mogelijk meer dan 50 cm dik als enkeerdgronden aanwezig zijn (geweest).
1
Bureau voor Archeologie (2023). Bureauonderzoek Den Berg, Ophoviusstraat eo, Heesch. Rapportnummer 1369. 18 augustus 2023. 14
De nieuwbouw vindt (deels) plaats op plekken waar nu niets staat en waar het potentiele archeologische niveau nog bewaard kan zijn. Omdat de civiele werkzaamheden voor aanleg van funderingen en kabels en leidingen waarschijnlijk dieper zullen reiken dan de diepte van het potentiële archeologische niveau worden daarbij archeologische resten vergraven. Daarom wordt aanbevolen om de aard en intactheid van het bodemprofiel nader te bepalen zodat de archeologische verwachting kan worden gecontroleerd en verfijnd. Met het handhaven van de archeologische dubbelbestemming is gewaarborgd dat het benodigde vervolgonderzoek tijdig wordt uitgevoerd en daarmee eventuele archeologische waarden in het plangebied juridisch-planologisch zijn beschermd. Hierdoor kan in ieder geval worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect.
4.3
Natuur
4.3.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern Heesch en is gelegen langs de Ophoviusstraat. De omgeving kenmerkt zich door hoofdzakelijk de woonfunctie. Aan de westzijde bevindt zich het bos D’n Berg.
4.3.2
Effecten ontwikkeling Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Rijntakken’ liggen in de omgeving van het plangebied. De afstand bedraagt circa 15 kilometer. Op een dergelijke afstand kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. Ten behoeve van de ontwikkeling is een onderzoek stikstofdepositie2 uitgevoerd. Uit het betreffende onderzoek volgt dat er rekenresultaten van maximaal 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden verwacht kunnen worden. Hieruit volgt dat er geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie en dat significant negatieve effecten derhalve kunnen worden uitgesloten. Gelet op deze resultaten zijn er geen significant nadelige effecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Beschermde soorten Er is onderzocht of beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurweten regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijke negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Zo blijken mogelijk nesten van de huismus en gierzwaluw aanwezig te zijn in het plangebied. Ook komt de gewone dwergvleermuis in het plangebied voor. Voor deze drie soorten is een ontheffing 3 verkregen.
In de ontheffing staan de voorwaarden en maatregelen die genomen moeten 2
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Heesch, D’n Berg. Projectnummer: 210218.01. 8 augustus 2023.
3
Omgevingsdienst Brabant Noord (2021). Ontheffing Wet natuurbescherming. Sonniusstraat en omstreken te Heesch. Kenmerk: Z/141433-271038. 21 september 2021. 15
worden alvorens de ontwikkeling tot stand mag komen. Verder kan ervan worden uitgegaan dat rekening zal worden gehouden met de algemene aanbeveling dat rekening moet worden gehouden met de broedperiode voor vogels en de zorgplicht. Uitgegaan kan worden dat de voornoemde werkwijzen worden gevolgd en de benodigde nadere maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Zo kunnen de negatieve gevolgen van het plan minimaal blijven. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.
4.4
Verkeer
4.4.1
Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft een binnenstedelijke locatie op een inbreidingslocatie binnen de kern van Oldebroek. De locatie heeft in de huidige reeds een verkeersaantrekkende werking. De realisatie van de beoogde woningen zal zorgen voor een toename in de totale verkeersaantrekkende werking van het plangebied
4.4.2
Effecten ontwikkeling Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 4 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Bernheze wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Onderhavige ontwikkeling richt zich op het bouwen van maximaal 77 woningen in het sociale huursegment. Voor de ontwikkeling van 14 grondgebonden woningen en 63 appartementen volgt uit de kencijfers dat er maximaal 368 verkeersbewegingen per etmaal ontstaan. In de huidige situatie kent het plangebied een verkeersgeneratie van 204 verkeersbewegingen. Deze toename van 164 verkeersbewegingen is beperkt te noemen, daarom is er geen aanleiding om te verwachten dat het tot problemen leidt en dat het extra verkeer zonder problemen opgenomen kan worden in het heersende verkeersbeeld van de omliggende wegen. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende.
Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.
4
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 16
4.5
Geluid
4.5.1
Huidige situatie Het plangebied is binnenstedelijk gelegen waarbij verwacht mag worden dat reeds sprake is van een merkbare geluidsbelasting gezien de binnenstedelijke ligging.
4.5.2
Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van maximaal 14 grondgebonden woningen en 63 appartementen zorgt voor de aantrekking van meer verkeer en daarmee potentieel hogere geluidswaarden. Onderhavig plan zal voornamelijk worden ontsloten op de aangrenzende 30 km/uur weg de Ophoviusstraat en vervolgens op de Sonniusstraat. Nabij deze wegen zijn reeds bestaande woningen gelegen. Op deze woningen zou de geluidbelasting dus kunnen toenemen. In het kader van het op te stellen bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 5 uitgevoerd. Voor de Sonniusstraat wordt ter hoogte van het plangebied uitgegaan van een etmaalintensiteit van 970 motorvoertuigen per etmaal. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de toename in de verkeersaantrekking geschat op circa 165 motorvoertuigen per etmaal. Bij dit plan is daarmee te verwachten dat de verkeerstoename op de aangrenzende 30 km/uur weg Sonniusstraat lager zal zijn dan 40%. Deze toename bedraagt met voorgaande uitgangspunten op zijn hoogst circa 17,0%. Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename.
Gezien voorgaande worden is voor wat betreft geluid geen sprake van een significant negatieve (milieu)effect.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en (zeer) fijnstof in de huidige situatie beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk
5
Achtergrondconcentratie (2021)
Grenswaarde
SAB (2023). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Heesch, D’n Berg. Projectnummer: 210218.01. 25 augustus 2023. 17
Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM2,5)
14,0 µg/m3 17,5 µg/m3 10,5 µg/m3
40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Stikstofdioxide en fijnstof huidige situatie (Bron: CIMLK).
4.6.2
Effecten ontwikkeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 77 woningen. Gezien de omvang is het plan ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM), zoals weergegeven in navolgende uitsnede. Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig plan onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit.
Berekening NIBM-tool, op basis van 165 extra voertuigbewegingen, waarvan 1,0% vrachtverkeer (Bron: Infomil / ministerie van Infrastructuur en Milieu).
Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.
18
5
Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van maximaal 14 grondgebonden woningen en 63 appartementen in het zuiden van de kern Heesch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)
Natuur (soortenbescherming)
Archeologie
Verkeer
Geluid
Luchtkwaliteit
Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde stikstofonderzoek wijst uit significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Er is geen sprake van negatieve milieueffecten op het gebied van gebiedsbescherming. Er is een ontheffing verkregen voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Hierdoor zal hoogstens een beperkt effect optreden, maar zeker geen significant negatief effect. Op grond van het verkennende archeologisch bureau- en booronderzoek wordt geconcludeerd dat mogelijk archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Middels een archeologische dubbelbestemming wordt gewaarborgd dat bij bodemingrepen archeologisch onderzoek moet worden verricht. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd en kan in ieder geval worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de aangrenzende 30 km/uur wegen zonder te verwachten afwikkelingsproblemen. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen.
De toename van het verkeer op de aangrenzende 30 km/uur wegen is echter ruim minder dan 40% ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. Daaarmee zijn negatieve (milieu)effecten uitgesloten. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.
19
De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Enkel voor wat betreft archeologie en natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten. Er kan echter worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
20