Bijlage_2_ruimtelijke_onderbouwing2
Tekst van het document
BIJLAGE 2 RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Postadres: Boxmeerseweg 9 5835 AB Beugen
+316 14 85 24 54 info@derks-advies.nl www.derks-advies.nl
kvk 74263552 NL16RABO0322772796 btw NL859829893B01
Ruimtelijke onderbouwing Hazelbergsestraat 2b te Heeswijk-Dinther
Gemeente Bernheze
Titel: Ruimtelijke onderbouwing Hazelbergsestraat 2b Heeswijk-Dinther Versie: 1.1 Datum: 19 mei 2022 Opsteller: ing. R.J.M.B. Derks Beknopte inhoud: aanleg zonnepark.
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5.
Inleiding ......................................................................................................................................... 3 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................. 3
1.2
Ligging en begrenzing plangebied ..................................................................................... 3
1.3
Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................. 4
Het plan ......................................................................................................................................... 6 2.1
De omgeving......................................................................................................................... 6
2.2
De bestaande situatie Hazelbergsestraat 2b ..................................................................... 7
2.3
De beoogde ontwikkeling .................................................................................................... 8
Beleid ........................................................................................................................................... 11 3.1
Rijksbeleid ........................................................................................................................... 11
3.2
Provinciaal beleid ............................................................................................................... 11
3.3
Gemeentelijk beleid ............................................................................................................ 16
Omgevingsaspecten .................................................................................................................. 20 4.1
Flora en fauna .................................................................................................................... 20
4.2
Geluid .................................................................................................................................. 22
4.3
Geur ..................................................................................................................................... 23
4.4
Luchtkwaliteit...................................................................................................................... 23
4.5
Externe veiligheid ............................................................................................................... 25
4.6
Bodem.................................................................................................................................. 26
4.7
Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................. 27
4.8
Waterhuishouding .............................................................................................................. 27
4.9
Cultuurhistorie en archeologie.......................................................................................... 30
4.10
Verkeer en parkeren ........................................................................................................... 31
4.11
Kabels en leidingen ............................................................................................................ 32
Afwegingen ................................................................................................................................. 33
SEPARATE BIJLAGEN: Bijlage 2A: landschappelijke inpassingsplan Bijlage 2B: toelichting inpassingsplan Bijlage 2C: omgevingsdialoog Bijlage 2D: principebesluit college Bijlage 2E: contract Enexis Pagina 1 van 37
Pagina 2 van 37
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
Initiatiefnemer had een varkenshouderij aan de Hazelbergsestraat 2b te Heeswijk-Dinther en neemt deel aan de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderij. Dit houdt in dat de varkenshouderij beëindigd is. De stallen zijn gesloopt, de milieuvergunning is ingetrokken en de dierrechten zijn uit de markt gehaald. Een van de voorwaarden is dat de intensieve veehouderij op de locatie komt te vervallen. Met het vervallen van de oorspronkelijke agrarische functie dient tevens een passende herbestemming aan de locatie gegeven te worden. Hierin wordt via een separate herziening van het bestemmingsplan voorzien. Omdat het realiseren van een zonneweide per definitie een activiteit van tijdelijke aard is, kan deze niet via een bestemmingsplanwijziging gerealiseerd worden. De aanleg van een zonneweide gebeurt via het traject van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Vanwege de tijdelijkheid van een zonneweide wordt hieraan medewerking verleend via een omgevingsvergunning. Onderliggende aanvraag betreft dus enkel de aanvraag omgevingsvergunning af te mogen wijken van het bestemmingsplan om de aanleg van een zonneweide te legaliseren.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bernheze, ten oosten van de kern Heeswijk-Dinther. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Heeswijk-Dinther: • Hazelbergsestraat 2b: sectie F, nummers 1048, 1253, 1323 en 1324.
Figuur 1.1: Situering plangebied [Topografische Dienst) Pagina 3 van 37
Figuur 1.2: kadastrale situatie Hazelbergsestraat 2b [Kadaster]
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De planlocatie is gesitueerd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ uit 2014, alsmede het bestemmingsplan ‘Vrijkomende Agrarische Bebouwing Bernheze 2018’ uit 2019 en de herziening hiervan uit 2020. De locatie is gelegen in de bestemming ‘Agrarisch-Landbouwontwikkelingsgebied’ en voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Het bouwvlak is totaal circa 1,5 hectare groot en er is één bedrijfswoning toegestaan. Verder ligt op de gronden de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone-rwzi’ en ‘milieuzone-geurzone’ in verband met de naast gelegen waterzuiveringsinstallatie van het Waterschap.
Pagina 4 van 37
Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Bernheze [ruimtelijkeplannen.nl]
Pagina 5 van 37
2. Het plan 2.1
De omgeving
Ruimtelijk: De planlocatie is gesitueerd in het buitengebied van de gemeente Bernheze. De bebouwde kom van Heeswijk-Dinther ligt op een afstand van circa 2 kilometer. De omgeving is een agrarisch cultuurlandschap. Het ligt geomorfologisch in een dekzandlandschap (vlakte) dat ingeklemd ligt tussen de beekdalen van de Aa en de Leigraaf. Ruimtelijk-visueel heeft de omgeving een vrij open karakteristiek (van middenschalig niveau), met een vrij rationele verkavelingsstructuur en veelal solitair gelegen bebouwing. De locatie sluit in zuidelijke richting aan op de Hoog Beugt, de verbindingsweg van HeeswijkDinther naar Veghel. Ten zuiden ligt de A50.
Figuur 2.1: ruimtelijke structuur omgeving plangebied.
Pagina 6 van 37
Functioneel: De locatie maakt deel uit van het landbouwontwikkelingsgebied. In dit gebied is vooral agrarische dynamiek aan de orde. In de omgeving liggen verspreid burgerwoningen en verschillende gemengde en gespecialiseerde agrarische bedrijven met akkerbouw en (intensieve) veehouderijen. In de omgeving ligt ook de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het Waterschap.
Figuur 2.2: functionele structuur omgeving plangebied [Topografische Dienst]
2.2
De bestaande situatie Hazelbergsestraat 2b
De planlocatie is gesitueerd aan de Hazelbergsestraat 2b, een rustige weg in het buitengebied. Op de locatie was een varkenshouderij gevestigd. Het betrof een volwaardige varkenshouderij met brijvoerkeuken en vleesveehouderij en akkerbouwbedrijf met mestverwaarding. Door deelname aan de Saneringsregeling Varkenshouderij zijn alle stallen reeds gesloopt en wordt momenteel beoogd een nieuwe niet-agrarische activiteit met zonneweide op deze locatie te ontwikkelen. Hiervoor is op 22 juni 2020 en principeverzoek aan Burgemeester en Wethouders van Bernheze gedaan, waar het College op 26 oktober 2020 positief op gereageerd heeft (Zie bijlage). Rondom de bedrijfswoning is een tuininrichting, de stallen zijn aan de straatzijde ingepast met een bomensingel aan de openbare weg. De aangrenzende gronden zijn in gebruik als agrarisch cultuurland. De perceelsgrenzen zijn beplant met singel en struweelbeplanting. De locatie beschikt over een tweetal toegangswegen tot de Hazelbergsestraat. Pagina 7 van 37
Figuur 2.3: bestaande situatie Hazelbergsestraat 2b
Het bedrijf beschikte over een milieuvergunning voor het houden van vleesvarkens en vleesstieren. In het kader van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij is deze milieuvergunning ingetrokken.
2.3
De beoogde ontwikkeling
Functioneel De nieuwe ontwikkeling op het bedrijf betreft het bouwen van een nieuwe loods en het realiseren van een zonnepark. Nu de varkenstak als inkomstenbron is beëindigd, is een nieuw verdienmodel gevonden waarin de opwekking van zonne-energie een belangrijk deel gaat uitmaken. Voor de bestemmingsplanwijziging en melding activiteitenbesluit met betrekking tot het realiseren van de loods met de daarin te voeren niet-agrarische activiteit (groothandel veevoeders en akkerbouwproducten) almede de beweiding door schapen, worden separate procedures doorlopen. Deze aanvraag gaat enkel en alleen over de aanleg van de zonneweide. Bebouwing en inrichting In de nieuwe situatie wordt op de gronden rondom de loods en de woning een zonneweide gerealiseerd. Het betreft totaal ca. 3 ha, maar door de ruime landschappelijke inpassing blijft er netto krap 2 ha over voor de zonneweide. De zonnepanelen worden maximaal circa 2,50 m Pagina 8 van 37
hoog. Door deze hoogte is het mogelijk het onderhoud van het park uit te voeren door er periodiek wat schapen onder te laten grazen. Bij het zonnepark worden ook enkele technisch noodzakelijke voorzieningen gerealiseerd zoals traforuimtes, omvormers en een inkoopstation. Milieu De beëindiging van de varkenshouderij heeft tot een aanzienlijke milieuwinst wat betreft geur, ammoniak en fijn stof geleid. Landschappelijke inpassing In de bestaande situatie is het perceel ingepast met beplanting aan de straatzijde en op de perceelsgrens. Deze inpassing wordt verder aangevuld. Daarbij is gebruik gemaakt van de richtlijnen zoals die zijn opgenomen in het gemeentelijk beleidskader voor zonneparken. Dit is verder uitgewerkt in het landschappelijk inpassingsplan dat als losse bijlage is toegevoegd. Op de locatie Hazelbergsestraat 2B is al flink wat groen aanwezig. Rondom de tuin staan beukenhagen en grote bomen, waaronder een beukenrij aan de zuidzijde van de tuin. Er bevindt zich een robuuste houtsingel aan de oostzijde van het perceel, dit is de noordzuid gerichte strook. Ook aan de beekgraaf zijn groensingels en een bosje aanwezig, maar deze zijn niet in eigendom. De noordelijke driehoekige punt komt in aanmerking voor natuurontwikkeling. Door het aanleggen van een poel met rondom een structuurrijk grasland worden overgangen nat – droog gerealiseerd.
De poel zelf is gunstig voor de Kamsalamander en de kikkers en padden. Rondom de poel is ruimte voor verdere natuurontwikkeling. Er is gekozen voor: • Extensieve, structuurrijk grasland, indien mogelijk ook bloemrijk, ter bevordering van de biodiversiteit. Vochtig grasland met bijzondere plantensoorten en de aanwezigheid van een grote waterpartij is voor verschillende diergroepen (amfibieën, dagvlinders en vogels) interessant. • Leemrijke zandheuvel(s) als extra voorziening voor oeverzwaluwen en/of een oeverzwaluwwand. • Knotwilgenrij. Deze beplanting sluit aan op de ‘natte natuur’, waar ook de steenuil van profiteren. Het zicht op het hekwerk wordt hierdoor weggenomen. • De perceelsgrenzen worden beplant, zodanig dat de zonnepanelen en het hekwerk aan het oog worden onttrokken. Door de aanvulling met bloemrijk/structuurrijk gras wordt schaduwwerking voorkomen. • Vanwege het zonnepark worden er wel eisen gesteld aan de hoogte en situering van beplanting. Te hoge (>5 m) beplanting heeft een negatieve impact op de werking van de zonnepanelen door mogelijke schaduwwerking en bladval. • Er wordt daarom gekozen voor knotwilgen en struweelhagen, passend in het landschap. • De aanleg zal robuust zijn, zodat de direct sprake is van een functionele inpassing. • De oostelijke bestaande groenstrook blijft behouden.
• Er wordt in totaal voorzien in ca 10.000 m2 landschapselementen (>30%), waarmee ruim aan de 10%- oppervlakte eis wordt voldaan uit het gemeentelijk beleid.
Pagina 9 van 37
Figuur 2.4: landschappelijke inpassing
Pagina 10 van 37
3. Beleid 3.1
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van het Rijk. De structuurvisie is vastgesteld op 13 maart 2012. Hierin worden de ruimtelijke ambities voor Nederland geformuleerd voor de periode tot 2040, afgestemd op (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen in die periode. Uitgangspunt voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is de realisering van een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het plangebied maakt geen deel uit van gebieden waar Rijksbelangen op het gebied van ruimte en mobiliteit direct doorwerken. Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen directe raakvlakken met het rijksbeleid en is daarmee dan ook niet in strijd. Ladder duurzame verstedelijking Naast de hoofddoelen uit de Structuurvisie wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit houdt in dat voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen eerst moet worden gekeken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling. Vervolgens wordt er gekeken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt alvorens er sprake kan zijn van nieuw ruimtebeslag.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De ladder duurzame verstedelijking is in deze niet van toepassing. Het betreft hier een ontwikkeling die passend is in het buitengebied op bestaande bouwpercelen. Door hergebruik van een bestaand bouwperceel in het buitengebied, wordt aangesloten op de uitgangspunten voor zuinig ruimtegebruik.
3.2
Provinciaal beleid
Structuurvisie Ruimtelijke ordening Het provinciale ruimtelijke beleid is vastgelegd in de ‘Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014’ (vastgesteld 2-7-2014). In de Structuurvisie wordt het provinciaal op hoofdlijnen weergegeven. Binnen de visie liggen beide locaties in het gebied Gemengd Landelijk Gebied. Binnen het Gemengd Landelijk Gebied wordt gestreefd naar een gemengde plattelandseconomie, waar naast agrarische bedrijvigheid ruimte is voor andere functies als wonen, recreatie en andere vormen van bedrijvigheid. De beoogde ontwikkeling (beëindiging intensieve veehouderij en herbestemming naar bedrijvigheid) past binnen de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie. De vertaling hiervan in concrete regels en voorwaarden vindt plaats in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, die later verder uitgewerkt wordt. Pagina 11 van 37
Figuur 3.1:
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, structurenkaart
Omgevingsvisie Noord-Brabant (2018) Door de komst van de Omgevingswet moeten gemeenten, provincies en rijk ieder een eigen Omgevingsvisie vaststellen. Veel verschillende regels en visies bepalen nu de kwaliteit van de Brabantse fysieke leefomgeving. Deze regels en visies zijn vastgelegd in verschillende plannen. Dat maakt het lastig om een goede afweging te maken over wat goed is voor die fysieke leefomgeving. Eén visie die al die losse regels en visies vervangt, maakt de afweging gemakkelijker, en geeft meer duidelijkheid over mogelijkheden en voor maatwerk. De Provincie Noord-Brabant heeft in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld met als doel antwoord te geven op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar de provincie in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen van 2050 te halen. De visie benoemt daarbij een vijftal hoofdopgaven: • De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. • Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. • Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor hoe we onze leefomgeving vormgeven.
• Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en Brabanders stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor hoe het netwerk van steden en dorpen functioneert en verder vorm krijgt. Pagina 12 van 37
Concurrerende, duurzame economie: we willen top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij we de omslag naar een verregaande circulaire economie maken en digitalisering steeds belangrijker wordt. De Omgevingsvisie krijgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en omgevingsprogramma’s. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. •
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (2019) Naast één Omgevingsvisie moet de provincie ook één Omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de Omgevingsvisie staat beschreven wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Als er regels nodig zijn dan worden die opgenomen in de Omgevingsverordening. Een verordening is een wet die regels bevat waaraan anderen zich moeten houden. Daarom wordt de verordening vastgesteld door Provinciale Staten. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen (zoals de provinciale Milieuverordening, de Verordening natuurbescherming en de Verordening ruimte). De omgevingsverordening bevat straks alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat betekent dat er regels in komen die vrijwel alle beleidsvelden van de provincie raken. Behalve regels bevat de omgevingsverordening ook omgevingswaarden. Dat zijn normen die voor de kwaliteit van de fysieke omgeving gelden. De Brabantse Omgevingsvisie, programma’s en Omgevingsverordening horen bij elkaar.
De verordening helpt bij het realiseren van de opgaven en doelen die in de visie en programma’s zijn opgenomen. Daarom stelt de provincie eerst de omgevingsvisie op. Daarna volgen een uitwerking van beleid en maatregelen in de programma’s en de Omgevingsverordening. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de definitieve Brabantse Omgevingsverordening vastgesteld. Daarin worden zowel aanpassingen vanwege de Omgevingswet meegenomen, als ook beleidswijzigingen gebaseerd op programma’s. Vooruitlopend hierop is er een Interim Omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, later meermaals gewijzigd en geactualiseerd). Deze Interim Omgevingsverordening is grotendeels een beleid neutrale omzetting van (onder meer) de Verordening ruimte NoordBrabant en de overige provinciale verordeningen. De Omgevingsverordening kent een aantal rechtstreeks werkende regels (zoals ten aanzien van de bescherming van grondwater, bodem, natuur, milieu, water). En er zijn instructieregels voor gemeenten, waaraan zij zich moeten houden bij het opstellen van nieuwe plannen of het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bij deze instructieregels geldt een aantal basisprincipes die gehanteerd worden: • Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; • Zorgvuldig ruimtegebruik; • Toepassing van de lagenbenadering; • Meerwaardecreatie; • Kwaliteitsverbetering landschap. Pagina 13 van 37
Door de sanering van de varkenshouderij is de omgevingskwaliteit sterks verbetert. De uitstoot van geur, ammoniak (stikstof) en fijnstof zijn sterk afgenomen. Door de voormalige bouwblok, aangevuld met omliggende slecht verkavelde hoeken van het perceel, te gebruiken voor een zonneweide wordt de ruimte efficiënt gebruikt. Verder draagt de beoogde zonneweide positief bij aan de energietransitie zoals is vastgelegd in de RES (Regionale Energie Strategie). De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt door de zeer ruime ruimtelijke inpassing geborgd. Bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen dient uitgegaan te worden van deze basisprincipes. De regels zijn vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Figuur 3.2: Uitsnede Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant: basiskaart Landelijk Gebied [Provincie NoordBrabant]
De planlocatie is gesitueerd binnen het Gemengd Landelijk Gebied. In het gemengd landelijk gebied bestaan mogelijkheden voor agrarische ontwikkelingen en andere aan het buitengebied gerelateerde functies. Er wordt gestreefd naar een gemengde plattelandseconomie. Daarnaast valt de locatie binnen het Stalderingsgebied en Bescherming Natura2000. Deze beide aanduidingen hebben betrekking op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. Op de locatie is dat niet van toepassing. De veehouderij wordt namelijk gesaneerd. Zonneparken Verder geldt voor de locatie dat voorzien wordt in de aanleg van een zonneveld van 3 hectare. In artikel 3.41 van de verordening is bepaald dat binnen het Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk is van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie. Daaraan zijn de volgende voorwaarden verbonden: a. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is; Pagina 14 van 37
b. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; c. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; d. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; e. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving. De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. Uit de Regionale Energie Strategie (RES) Brabant Noordoost, blijkt dat er een grote behoefte bestaat aan geschikte locaties, buiten het stedelijk gebied, om te kunnen voldoen aan de doelstellingen van het energiebeleid. Met name in het buitengebied zal deze ruimte gevonden moeten worden. Uit de afwegingen in de concept RES blijkt dat de jonge ontginningslandschappen zich goed lenen voor inpassing van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen. In deze gebieden is de aantasting van landschappelijke kwaliteiten gering, en landschappelijk inpasbaar.
Gelet op het grootschalige en open karakter van de omgeving van de planlocatie, leent deze zich goed voor deze ontwikkeling. Ook het ontbreken van woningen of andere gevoelige functies in de nabijheid van het zonnepark, draagt bij aan de inpasbaarheid ervan in de omgeving. Deze zijn op ruime afstand (> 100 meter) gelegen van de zonneparken. De maatschappelijke meerwaarde van de zonneparken is gelegen in het dubbelgebruik met de agrarische functie. De ondergrond van de zonneweide wordt periodiek beweid door schapen. De productie van duurzame energie levert bijdrage aan de energiedoelstellingen van het rijk en de regio. Medewerking aan zelfstandige opstellingen van zonnepanelen kan op basis van het provinciaal beleid uitsluitend met een omgevingsvergunning waarmee afgeweken wordt van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonneenergie verwijderd; c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld. Deze voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor deze zonneparken die via het traject van de Wabo verloopt.
Geconcludeerd kan worden dat aan de voorwaarden uit de Omgevingsverordening voldaan wordt.
Pagina 15 van 37
3.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Buitengebied De gemeente Bernheze beschikt over een Structuurvisie uit 2010. De Structuurvisie bestaat uit een Ruimtelijk Casco, met daarin de integrale lange termijn visie van de gemeente en uit een Uitvoeringsprogramma met projecten voor korte/middellange termijn. In het ruimtelijk casco liggen beide planlocaties in het Open Landschap en in het Landbouwontwikkelingsgebied.
Figuur 3.3:
Structuurvisie Bernheze, ruimtelijk casco Pagina 16 van 37
Het open landschap bestaat uit jonge ontginningen, kent een grootschalige, rationele verkaveling ten behoeve van de landbouw. Langs de wegen is plaatselijk opgaande beplanting aanwezig, maar verder wordt het gebied gekarakteriseerd door een grote mate van openheid. Hier is relatief weinig bebouwing los van de dorpen aanwezig. De grootschalige openheid voegt een kwaliteit toe aan het landschap en dient om die reden geconserveerd te worden. Verdichting van het landschap moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Vrijkomende gronden, bij stoppende bedrijven, worden voornamelijk aangewend voor de groei van duurzame bedrijven met een goed toekomstperspectief. Groei staat ook synoniem voor innovatie en duurzaamheid. Nieuwe landgebruiksvormen kunnen een plek krijgen, al dan niet in combinatie met verbreding van inkomsten uit nevenactiviteiten. Ontwikkelingen dienen hierbij wel te passen in de aanwezige grootschalige openheid van het gebied. In het landbouwontwikkelingsgebied (LOG) bestaan mogelijkheden voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven. Uitbreiding en herplaatsing van de intensieve veehouderij is toegestaan. Een vereiste is dat hierbij de draagkracht van dat gebied niet overschreden wordt. Binnen de LOG’s vervullen de intensieve veehouderijbedrijven de belangrijkste functie.
Intensieve veehouderijbedrijven zijn hier grootschaliger of hebben de kans om grootschaliger te worden dan buiten de LOG’s. Zowel qua oppervlakte als qua hoogte zullen intensieve veehouderijbedrijven hier omvangrijker zijn dan er buiten. Het aspect landschap dient niet uit het oog te worden verloren. Een goede landschappelijke inpassing van bedrijven is van groot belang. De landbouwontwikkelingsgebieden komen voort uit de Reconstructieplannen. Deze aanduidingen zijn inmiddels komen te vervallen. Ruimtelijk beleid zonneparken Bernheze In 2021 heeft de raad van de gemeente Bernheze een beleidsnota vastgesteld voor de oprichting van zonneparken binnen de gemeente. De gemeente Bernheze geeft hiermee invulling aan de energietransitie. Deze visie geeft richting aan de meest geschikte locaties voor de toepassing van zonneparken in het landelijk gebied van Bernheze. Daarbij moet wildgroei van zonneparken zoveel mogelijk worden voorkomen. In het kader van zuinig ruimtegebruik vindt de gemeente het niet wenselijk om duurzame landbouwgrond te gebruiken voor zonnepanelen en wordt gestreefd naar vormen van meervoudig ruimtegebruik. Het beleid is bedoeld voor grootschalige zonneparken, waarmee initiatieven worden bedoeld die een substantiële invloed hebben op het ruimtelijk beeld.
Concreet gaat het over parken in het landelijk gebied, grenzend aan dorpsranden of als onderdeel van een boerenerf. Deze visie gaat dus niet over zonnepanelen op daken of binnen de bebouwde kom. De komende 4 jaar (2020-2024) staat de gemeente ervoor open om een beperkt aantal zonneparken te realiseren als zogenaamde ‘pilot-locaties’. De vraag is waar en op welke wijze deze zonneparken op korte termijn het best ruimtelijk ingepast kunnen worden. Er is een landschappelijke analyse uitgevoerd om beter inzicht te krijgen in de bijzondere landschappelijke kwaliteiten die het landelijk gebied van Bernheze rijk is. Het resultaat hiervan is een reeks van deelgebieden met ieder hun eigen karakteristiek. Deze specifieke eigenschappen bepalen de draagkracht van het landschap in dit deelgebied. Deze draagkracht leidt tot richtlijnen betreffende de gewenste maximale afmetingen voor zonneparken. De locatie Hazelbergsestraat is gelegen binnen het deelgebied ‘dekzandvlakte’. Met name in deze gebieden speelt de transitie van de landbouw een grote rol. De huidige bedrijfsvoering van boerenbedrijven staat onder druk. Vraagstukken die spelen zijn de hoge stikstof- en Pagina 17 van 37
fosfaatoverschotten, de verdroging en het intensieve gebruik van gewasbeschermingsmaatregelen. De overheid stimuleert de transitie van de huidige landbouwpraktijk in de richting van een duurzamere landbouw. Er zijn een aantal algemene regels opgesteld voor de plaatsing en inpassing van zonneparken die voor het gehele landelijke gebied van de gemeente Bernheze gelden, ongeacht het aanwezige landschapstype. Deze stelregels kunnen worden gelezen als absolute eis waaraan het initiatief dient te voldoen. De algemene stelregels zijn: o De voorkeur gaat uit naar de toepassing van een zonnepark op een locatie met een minimale impact op het landschap. Bomenkap ten behoeve van het zonnepark is niet gewenst, en dient indien onafwendbaar gecompenseerd te worden. Daar waar een zonnepark vanuit esthetisch oogpunt een grotere impact heeft op het landschap, dient zwaarder ingezet te worden op de landschappelijke inpassing. o Minimaal 10% van de totale oppervlakte van het perceel dient gereserveerd te worden voor landschappelijke inpassing. Wat betreft de exacte invulling van deze landschappelijke inpassing wordt doorverwezen naar de plaatsingsprincipes per landschapstype. o Zonnepanelen (inclusief constructie) mogen een maximale hoogte hebben van 2,5 meter boven maaiveld.
De vrije ruimte onder de panelen dient daarbij minimaal 0,8 meter te zijn zodat voldoende licht en lucht de bodem kan betreden en zich een gezonde vegetatie kan ontwikkelen. o Zonnepanelen mogen binnen een opstelling onderling niet in hoogte en diepte verspringen, dit ten behoeve van een rustig landschapsbeeld. o Voorkom zicht op de achterkant van de zonnepanelen. o Beoordeel de oriëntatie van de panelen aan de hand van de kavel, spiegeling en overige ruimtelijke aspecten zoals zichtlijnen en pas het zonnepark in de bestaande verkavelingsstructuur in. o Voorkom waar mogelijk de toepassing van hekwerken. Indien hekwerken toch noodzakelijk zijn, dan horen ze bij het park en worden ze landschappelijk ingepast. o Neem toegangswegen, beveiliging en transformator mee in de totale inpassing. o De initiatiefnemer is na de afgesproken termijn verantwoordelijk voor het terugbrengen in de oorspronkelijke staat van het perceel, met uitzondering van de investeringen in landschapsontwikkeling. Aanvullend zijn er een reeks meer specifieke stelregels opgesteld die gelden voor de deelgebieden. Deze regels hebben betrekking tot de plaatsing en afmeting van zonneparken en inpassingsmaatregelen om het zonnepark op kwalitatieve wijze in te kunnen passen.
Wat betreft de landschappelijke inpassing van zonnepanelen op de dekzandvlakte geldt maatwerk per locatie en dient daarbij te voldoen aan de volgende richtlijnen: • er dient extra aandacht te zijn voor inpassing van de zijden van het zonnepark die in het zicht liggen van een doorgaande route of woning en deze zone dient minimaal 10 meter breed te zijn; • De landschappelijke inpassing vindt plaats door gebiedseigen landschapselementen, in het geval van de dekzandvlakte zijn dit bomenlanen (langs wegen), houtwallen, sloten met ecologische oevers en greppels; • eventuele overhoeken dienen landschappelijk ingericht te worden middels opgaande beplanting of bloemrijk grasland; Pagina 18 van 37
• • •
aangrenzend aan een van de grootschalige boerenerven ligt het voor de hand om de wijze van inpassing aan te laten sluiten bij dit karakter; de toepassing van hekwerken wordt zoveel mogelijk voorkomen door het gebruik van water als erfgrens of door hekwerken in de passen in beplanting; indien de toepassing van hekwerken onvermijdelijk is dienen deze laag en transparant te zijn, nooit zichtlijnen te doorkruisen en duidelijk onderdeel te zijn van het zonnepark.
Voor onderhavig plan is de landschappelijke inpassing uitgewerkt aan de hand van de opgestelde criteria en vertaald naar een concreet inpassingsplan (zie bijlage). Naast de voorgaande plaatsingsprincipes en inpassingsmaatregelen voor zonneparken in het landelijk gebied streeft de gemeente ook naar meervoudig ruimtegebruik. De opwekking van zonne-energie is denkbaar in combinatie met tal van andere functies die vragen om een ruimtebeslag in het landelijk gebied. Dit zijn meekoppelkansen voor bijvoorbeeld biodiversiteit, waterberging, recreatie en/of landbouw die in acht genomen kunnen worden bij de ontwikkeling van zonneparken en direct meerwaarde creëren. In onderhavig plan is sprake van meekoppeling: • door beëindiging van de varkenshouderij, waardoor de omgeving veel minder belast wordt met geur, ammoniak, geluid en fijnstof. Ook het aantal verkeersbewegingen met zwaar vrachtverkeer zal verminderen. Door al deze effecten zal de omgevingskwaliteit voor zowel flora, fauna, mens en milieu sterk verbeteren. • door middel van de landschappelijke inpassing bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit. De gemeente Bernheze wil zich ook inzetten op de betrokkenheid van de inwoners en maatschappelijke organisaties bij zonnepark-projecten. Dit noemen we ook wel de ‘maatschappelijke inpassing’.
Onder maatschappelijke inpassing verstaan we ten eerste de financiële participatie van inwoners in een project. Door de meekoppelkans voor wat betreft het beëindigen van de varkenshouderij en de eerder genoemde zeer positieve gevolgen hiervan voor de omgeving, als mede de grote financiële bijdrage in de vorm van de sloop van het totale bedrijf door initiatiefnemer wordt ruimschoots aan de maatschappelijke inpassing voldaan. Ten tweede de omgevingsdialoog die gevoerd wordt met omwonenden en belanghebbenden en als laatste de meerwaarde voor maatschappelijke organisaties. Bij een aangetoond breed draagvlak onder bewoners en/of organisaties krijgt dit initiatief de voorkeur voor medewerking vanuit de gemeente Bernheze. Het plan is in de vorm van een omgevingsdialoog gepresenteerd aan omwonenden. Het verslag hiervan is als bijlage toegevoegd.
Pagina 19 van 37
4. Omgevingsaspecten 4.1
Flora en fauna
Wet natuurbescherming De bescherming van de natuur (gebieden en soorten) is geregeld in de Wet natuurbescherming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen aangewezen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden of Natura2000 gebieden. Deze beschermde gebieden zijn op grote afstand gelegen van het plangebied. De meest nabij gelegen beschermde natuurgebieden zijn Natura2000 gebied Bossche Broek en de Kampina, beide op meer dan 10 kilometer afstand van de planlocaties. Met het beëindigen van de varkenshouderij op de locatie komt de daarmee samenhangende ammoniakemissie te vervallen. Uit de milieu-aanvraag blijkt dat op de Hazelbergsestraat 2b sprake is van een afname van een afname van ruim 3.000 kg/jaar. De stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in de Natura2000 gebieden zal hierdoor afnemen. Hieruit volgt dat er geen melding nodig is betreffende de Wet natuurbescherming. Gelet op de grote afstand tot de Natura2000 gebieden en de extensivering van de activiteiten die plaatsvinden op de locatie, zijn er geen andere significante effecten te verwachten op deze beschermde gebieden.
Figuur 4.1: Situering t.o.v. Natura2000 gebieden [Synbiosys Alterra] Pagina 20 van 37
Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Het Natuur Netwerk Brabant hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Het NNB bestaat uit: • bestaande natuur- en bosgebieden; • gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen; • nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig; • ecologische verbindingszones. In de omgeving van de planlocatie zijn het beekdal van de Aa en de Leijgraaf onderdeel van het NNB, als ecologische verbindingszone.
Figuur 4.2: Situering t.o.v. Natuur Netwerk Brabant [Provincie Noord-Brabant] Pagina 21 van 37
Gezien de afstand tot deze gebieden en de aard van het plan, zijn er voor de beschermde gebieden geen significante negatieve effecten te verwachten als gevolg van het plan. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Op basis van deze wet geldt een ontheffingsregime. Het voorliggende plan ziet op herinrichting en bebouwing van het bestaande bouwpercelen. Deze locaties hebben geen specifieke biotoop voor beschermde planten of dieren. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen significant negatief effect zal hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied of directe omgeving. De natuur- en landschapswaarden worden positief versterkt doordat de nieuwbouw en het zonnepark met erfbeplanting wordt ingepast. Met de ontwikkeling van deze nieuwe landschapselementen op het terrein wordt bijgedragen aan versterking van de natuur- en landschapswaarden. Tevens geldt de algemene zorgplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
4.2
Geluid
Wet geluidhinder Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Bij de zonneweide op zich zelf komt geen geluid vrij. De omvormers kunnen soms een licht zoemend geluid maken. Tegenwoordig hebben de meeste omvormers een geluidsemissie van 25-40 decibel. Door de grote afstand tot het dichtstbijzijnde gevoelige object en de ligging nabij de autosnelweg zal dit voor omwonende niet waarneembaar zijn. Toetsing Het plan ziet niet op de oprichting van een nieuw gevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder beschouwd. Een akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder is daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er akoestisch geen belemmeringen zijn voor de beoogde planontwikkeling.
Pagina 22 van 37
4.3
Geur
Voor het aspect geur is van belang de wet en regelgeving van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In de Wgv wordt onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom, behorende bij een veehouderij of niet bij een veehouderij en gelegen in concentratiegebieden of niet-concentratiegebieden zoals gedefinieerd in de Meststoffenwet. De geuremissie van de dierverblijven dient overeenkomstig de Wgv echter individueel benaderd te worden. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning dient de geurbelasting op omliggende burgerwoningen niet hoger te zijn dan de hiervoor geldende normen, de normen kunnen per gemeente verschillend zijn, dit is vastgesteld middels een gemeentelijke geurverordening, danwel rechtsreeks voortkomend uit artikel 3 van de Wgv. Toetsing Met het stoppen van de varkenshouderij neemt de geuremissie in de beoogde situatie af ten opzichte van de vergunde en aanwezige situatie. Hieronder is voor de locatie de geurberekening weergegeven op de omliggende gevoelige objecten in de vergunde en beoogde situatie. Hieruit blijkt ook dat de feitelijke belasting in de gebruiksfase ruim voldoet. Tabel 4.1: resultaten geurberekening Vstacks Hazelbergsestraat 2b
Een zonnepark is geen geurgevoelig object en leidt niet tot beperkingen voor omliggende veehouderijen. Het aspect geur vormt geen belemmering.
4.4
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is
Pagina 23 van 37
gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Toetsing Uit de Atlas voor de leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat in 2019 in de omgeving de concentratie fijnstof (PM10) tussen 19 en 21 µg/m³ bedraagt, en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 16 en 25 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. De waarden ter plaatse liggen ver onder de grenswaarde van 40 µg/m3 . De functieverandering van veehouderij naar een bedrijfsfunctie met een zonnepark is daarmee in het kader van de Wet luchtkwaliteit geen probleem. Met de beoogde omschakeling neemt de fijnstofemissie vanuit de locatie aanzienlijk af. Het initiatief draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Figuur 4.3: Grootschalige Concentratiekaart fijn stof 2019 (Atlas leefomgeving)
Pagina 24 van 37
Figuur 4.4: Grootschalige Concentratiekaart NO2 2019 (Atlas leefomgeving)
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief
4.5
Externe veiligheid
Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient zorg voor gedragen te worden dat er een scheiding in acht genomen wordt tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risico veroorzakende bedrijven en/of transportassen. Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: • het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); • het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, waterwegen en spoorwegen); • het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door dergelijke activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Toetsing Volgens de Risicokaart van de provincie bevinden zich in de omgeving van beide locaties geen objecten of terreinen met een extern veiligheidsrisico die belemmering vormen voor de beoogde opzet. In de omgeving van de locatie zijn evenmin inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) of gevaarlijke transporten. Het plangebied valt niet binnen de plaatsgebonden risico contour van gevaarlijke installaties of inrichtingen en in het plan worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt.
De dichtstbijzijnde installatie in de directe omgeving is een biogasopslag bij de inrichting op het adres Nieuwe Steeg 2 te Heeswijk-Dinther. Deze bevindt zich op meer dan 350 meter van de locatie. Ook deze installatie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verder Pagina 25 van 37
is er de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Deze heeft een plaatsgebonden risico contour die binnen de eigen inrichting blijf.
Figuur 4.5: Uitsnede Risicokaart [risicokaart.nl]
Het plan leidt niet tot de realisering van nieuwe risicobronnen die gevaar opleveren of de veiligheid van de omgeving aantasten. Ook is er geen sprake van nieuwe risicogevoelige objecten zoals woningen. Evenmin is er sprake van een verandering van het groepsrisico. De feitelijke situatie van de bedrijfswoning blijft namelijk ongewijzigd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de locatie niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle activiteit is gelegen. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk.
4.6
Bodem
Algemeen Bij functiewijzigingen is in de planologische procedure van belang dat de beoogde functiewijziging plaats kan vinden op een locatie waar de milieuhygiënische bodemgesteldheid dit toelaat. De Wet bodembescherming en de Bouwverordening staan niet toe dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond.
Pagina 26 van 37
Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn geen bodem- of grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig. Er hebben zich in het verleden geen calamiteiten of activiteiten voorgedaan waardoor de bodem mogelijk verontreinigd is. De locatie kan derhalve als onverdacht aangemerkt worden. Het plan voorziet niet in de oprichting van nieuwe milieugevoelige objecten. Er worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het milieuhygiënische bodemgebruik en het beoogde gebruik ter plaatse. Er is dan ook geen aanleiding een bodemonderzoek voor deze locatie uit te voeren. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk dat er tussen verschillende functies en bestemmingen voldoende afstand wordt gerealiseerd. Dit om te waarborgen dat er tussen bedrijven en woningen geen onnodige hinder wordt veroorzaakt. In de ruimtelijke ordening wordt de VNG brochure Bedrijven en milieuzonering, gehanteerd als referentie voor de afstand die tussen de verschillende functies en activiteiten in acht dient te worden genomen. In de VNG brochure worden hiervoor indicatieve richtafstanden gegeven.
Toetsing Het plangebied is gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Voor de functieverandering van de locatie moet worden beoordeeld of dit inpasbaar is binnen een aanvaardbaar woonklimaat voor de bestaande woningen in de omgeving. Voor een zonnepark is geen milieucategorie benoemd in de VNG brochure. Een zonnepark heeft behoudens de visuele uitstraling, geen externe effecten wat betreft geur, stof, geluid of gevaar. De woning aan de Hazelbergsestraat 2b maakt deel uit van de in richting. Gezien de afstand tot andere woningen (350 meter) en de landschappelijke inpassing van het zonnepark wordt de visuele hinder richting deze woningen beperkt en vormt de ontwikkeling derhalve geen belemmering. Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Waterhuishouding
Beleid Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Waterbeheersplan Waterschap Aa en Maas, Nationaal Bestuursakkoord Water, de Europese Kaderrichtlijn Water, Waterbeleid in de 21e eeuw WB21, Beleidsbrief regenwater Pagina 27 van 37
en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor de waterhuishouding betekenen. Ook is het overleg met de waterbeheerder onderdeel van deze watertoets. Het advies van de waterbeheerder wordt als afzonderlijk schrijven bijgevoegd. Het plangebied valt onder het beheersgebied van het Waterschap Aa en Maas. Het beleid van het waterschap is gericht op duurzaam omgaan met water. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap de volgende acht beleidsuitgangspunten om te komen tot het duurzaam omgaan met water: • scheiding van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’; • hydrologisch neutraal ontwikkelen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen vervuiling; • wateroverlastvrij bestemmen; • waterschapsbelangen.
Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het waterschap. Waterhuishoudkundige situatie De planlocatie is gelegen in bodemtype pZg21 (beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand met grondwatertrap III. De gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG bedraagt 25-40 cm -mv. Bij de locatie Hazelbergsetraat 2b ligt op de zuidelijke perceelsgrens een primaire watergang. Deze watert af naar de Aa. Bescherming van deze waterloop wordt via de Legger en Keur van het Waterschap geregeld. De beschermingszone ligt deels over de gronden van de planlocatie.
Pagina 28 van 37
Figuur 4.6: Leggerwatergang [Waterschap Aa en Maas]
Beoogde ruimtelijke ontwikkeling Bij de locatie wordt een zonnepark opgericht van 3 hectare. Dit komt op momenteel grotendeels onverharde grond. Het water dat op de zonnepanelen valt watert echter direct af op de onderliggende onbebouwde gronden.
Uitwerking uitgangspunten watertoets Scheiding van vuil water en schoon hemelwater De planlocatie is aangesloten op het drukrioleringstelsel. Hierop wordt het huishoudelijke afvalwater geloosd. Het schone hemelwater wordt afgekoppeld, dit mag niet geloosd worden op het rioleringstelsel. Daarmee wordt het vuile water en het schone hemelwater gescheiden. Afweging hergebruik-infiltratie-berging-afvoer Het hemelwater is afgekoppeld en spoelt af naar de aangrenzende eigen agrarische gronden. Het hemelwater wordt op die manier opgevangen, geïnfiltreerd en niet rechtstreeks geloosd op het watersysteem. Hiermee wordt bijgedragen aan het duurzaam omgaan met water, passend binnen de beleidsuitgangspunten van het Waterschap. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Het waterschap heeft per 1 maart 2015 in de Keur, een nieuwe normering voor het gehele beheersgebied van het waterschap, die gehanteerd wordt voor alle watertoetsplichtige plannen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de oppervlaktewaterstand en – Pagina 29 van 37
stroming gelijk blijft, de grondwaterstand en –stroming gelijk blijft en er geen onaanvaardbare wateroverlast plaatsvindt. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt een vrijstelling wanneer die ruimtelijke ontwikkeling minder dan 500 m2 bedraagt. Als dat het geval is worden er geen eisen aan retentie gesteld. In deze situatie is dat het geval. Met de sloop van de stallen is sprake van een hydrologisch positieve ontwikkeling. De aanleg van het zonnepark heeft geen impact, aangezien het hemelwater direct afvloeit naar de onderliggende agrarische gronden. Er worden derhalve geen eisen aan retentie gesteld. Water als kans/meervoudig ruimtegebruik Niet aan de orde. Voorkomen van vervuiling Verder is van belang dat bij de uiteindelijke uitvoering van de bouwplannen aandacht besteed zal worden aan het materiaalgebruik. Dit ter bescherming van de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarom zal zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van bouwmaterialen die niet uitlogen of uitspoelen. Wateroverlastvrij bestemmen Gezien de situering van het perceel en de grondwaterstanden valt het plangebied niet in een mogelijk overstromingsgebied. Wateroverlast is dan ook niet aannemelijk. Waterschapsbelangen Verder is van belang de aanwezigheid van de waterzuiveringsinstallatie van het Waterschap aan de Hazelbergsestraat.
Deze installatie heeft een tweetal milieuzones die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Dit betreft een geluidzone en een geurzone. Aangezien het plan niet voorziet in de realisering van nieuwe milieugevoelige objecten, heeft dit geen consequenties voor de bedrijfsvoering of het functioneren van de RWZI.
Overleg Waterschap De waterparagraaf wordt in het kader van het vooroverleg voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Aa en Maas.
4.9
Cultuurhistorie en archeologie
Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie blijkt dat de locatie en directe omgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarde heeft. Het plangebied zelf maakt geen deel uit van een gebied met bijzondere cultuurhistorische waarden. Op de historische kaart van 1850 is ter plaatse van het plangebied een moeras “Hazelbergs Broek” en pas rond de eeuwwisseling ontgonnen en in de jaren na de oorlog gaan ontwikkelen voor de veehouderij. In de jaren 90 zijn er enkele agrarische intensieve veehouders gevestigd. Het plan wil de cultuurhistorische kenmerken van de open akkercomplex behouden door het historische erf zo compact mogelijk te houden en alleen van direct aansluitende beplanting te Pagina 30 van 37
voorzien. Qua nieuwe bebouwing wordt aansluiting gezocht op de bestaande compacte erfindeling. Uitvoering van het plan leidt dan ook niet tot aantasting van deze waarden.
Figuur 4.7: Cultuurhistorische waardenkaart [Provincie Noord-Brabant]
De locatie Hazelbergsestraat 2b heeft geen archeologische verwachtingswaarde. De aanleg van een zonnepark leidt met de beoogde schroefpalen niet tot werkzaamheden waarbij de grond geroerd wordt. Dit vindt overigens plaats in het gebied zonder archeologische verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Voor het gehele gebied geldt de wettelijke zorgplicht en blijf de beschermende regeling uit het bestemmingsplan Buitengebied van kracht. Daarmee worden de archeologische belangen afdoende beschermd.
4.10 Verkeer en parkeren Een zonnepark is geen inrichting met een grote verkeers- of publieksaantrekkende werking. Er zullen incidenteel onderhouds- en controlewerkzaamheden plaats moeten vinden. Daarom zal er geen sprake zijn van belemmeringen op het gebied van mobiliteit. Derhalve is er geen overlast naar de omgeving te verwachten of problemen voor de verkeersafwikkeling. Op het eigen perceel is voldoende ruimte beschikbaar voor een parkeervoorziening voor bezoekers en personeel. Pagina 31 van 37
4.11 Kabels en leidingen De omgeving is aangesloten op gangbare technische infrastructuur zoals nutsvoorzieningen (riolering, water, gas en elektra). De uitbreiding van het plangebied wordt aangesloten op de bestaande infrastructuur. Hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden. Voor de aansluiting van het netwerk kan gebruik worden gemaakt van de reeds aanwezige voorzieningen. Het bedrijf had al een zware aansluiting en de netbeheerder heeft aangegeven dat terug leveren geen probleem is. Hiervoor is met netbeheerder Enexis reeds een contract gesloten. (Zie bijlage) In de omgeving van het plangebied zijn geen zakelijke rechtstroken in verband met de aanwezigheid van ondergrondse leidingen die planologische bescherming behoeven.
Pagina 32 van 37
5. Afwegingen Met betrekking tot het voornemen om de agrarische gronden aan de Hazelbergsestraat 2b in gebruik te nemen ten behoeve van de aanleg van een zonnepark, kan de volgende afweging gemaakt worden: • De aanleg van een zonnepark past binnen de kaders van het provinciaal en gemeentelijk beleid. • Met het plan wordt bijgedragen aan realisering van de klimaatdoelstellingen en invulling gegeven aan de beoogde energietransitie naar duurzame energiebronnen; • vanuit de omgeving zijn er geen belemmeringen vanuit natuur, landschap, cultuurhistorie, waterhuishouding of milieu die het realiseren van het initiatief op deze locatie in de weg staan; • Het plan leidt niet tot relevante waterhuishoudkundige effecten, het hemelwater kan blijven infiltreren in de ondergrond. Uitvoering vindt plaats binnen de uitgangspunten van het duurzaam waterbeheer van het Waterschap; • Het plan is voorzien van een goede en passende landschappelijke inpassing; • de te verwachten verkeerseffecten zijn verwaarloosbaar en passen in het lokale verkeersbeeld. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen erf. Geconcludeerd kan worden dat het plan ruimtelijk inpasbaar is in de omgeving.
Pagina 33 van 37
Pagina 34 van 37