CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 archeologisch onderzoek

Raadsvergadering 18 april 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Eggerlaan ongenummerd, Vorstenbosch'*10.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), verkennende en karterende fase Woningbouwplan Eggerlaan / Kapelstraat 7 te Vorstenbosch Gemeente Bernheze

KSP Archeologie

Colofon Versie Status

: :

KSP Rapport Auteur ISSN NSN“RDM@EADDKCHMFDM Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie

: : : : :

1.1 29 september 2023 Versie 1.0 (d.d. 28 november 2022) is door de opdrachtgever ter goedkeuring aangeleverd bij de bevoegd overheid. Op 16 augustus 2023 is versie 1.0 beoordeeld. De beoordeling is verwerkt in dit rapport. Over dit rapport heeft voorafgaand aan de beoordeling geen (inhoudelijke) afstemming met de bevoegde overheid plaatsgevonden. 22175 (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven

: :

(senior KNA Prospector) 28 november 2022

www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 UNNQOQNSNBNK¯««­’ATQD@TNMCDQYNDJ“ DMOQNSNBNK¯««®’inventariserend veldonderzoek ¨ NMCDQCDDKNUDQHF“. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn. KSP Archeologie

2

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Tussentijdse conclusie en advies bureauonderzoek 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende & karterende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies 4.4 Advies gemeentelijk adviseur archeologie Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

5 6 6 6 6 7 8 9 9 10 12 15 18 19 21 22 22 22 22 23 23 25 25 25 26 26 27

Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Lijst van afbeeldingen

Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). Figuur 2: Voorlopig ontwerp voor perceel Nistelrode E2643 (bron: via Pittiger in Planologie, 08-11-2022) Figuur 3: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). Figuur 4: Het plangebied op de kadastrale minuut uit ca. 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Figuur 5: Het plangebied op historische kaarten tussen 1850 en 1978 (bron: www.topotijdreis.nl). Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). Figuur 7: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze (Buesink e.a. 2010)

4 7 11 13 14 15 18

Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen (0), onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 16 Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied. 19 Tabel 3: Bodemopbouw binnen het plangebied 23

KSP Archeologie

3

Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens

: : : : :

22175 Pittiger in Planologie, KSP Archeologie, (senior KNA Prospector) Gemeente Bernheze (Monumentenhuis Brabant)

: : : : : :

Periode uitvoering onderzoek

:

5312817100 Noord-Brabant Bernheze Kapelstraat 7 / Eggerlaan Vorstenbosch x: 166.250 / y: 407.290 Nistelrode E 2643 (bebouwd erf ten zuiden van Kapelstraat 7) Nistelrode E 2644 (perceel met Kapelstraat 7) November 2022

Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).

KSP Archeologie

4

Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor een bestemmingsplanwijziging van 'Agrarisch' naar 'Wonen' (Woningbouwplan Eggerlaan) aan de Kapelstraat 7 te Vorstenbosch (percelen Nistelrode E 2643 en E 2644) in de gemeente Bernheze. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een lager deel van de dekzandrug en de relatief grote afstand tot een beekdal is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Het uiterste noorden van het plangebied was begin 19e eeuw onderdeel van een weg, eind 19e eeuw was een woning aanwezig in het noorden van het plangebied (een voorganger van de huidige woning). Het noorden van het plangebied heeft vanwege de ligging in een historisch bebouwingslint een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van een huisplaats in de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd (vóór 1811-1832).

Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat buiten de voormalige bebouwingszones een humeus dek van 60 à 120 cm voorkomt met daaronder veelal een (vermengd) restant van een humuspodzol. Ter hoogte van de zones waar voorheen bebouwing stond is een gemengde bodemopbouw aanwezig. De top van het gele tot witte dekzand ligt in deze verstoorde boringen niet dieper dan bij de intacte boringen. Door de bouw en sloop van de bijgebouwen lijkt de bodem enkel afgetopt, maar veelal niet diep verstoord. Er zijn in de karterende fase echter geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats, waardoor aan het plangebied een lage archeologische verwachting kan worden gegeven. Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie om de archeologische dubbelbestemming te laten vervallen en geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Bovenstaand selectieadvies is beoordeeld door de gemeentelijk adviseur van de gemeente Bernheze (Monumentenhuis Brabant). Deze heeft geadviseerd aan de gemeente Bernheze om in te stemmen met het selectieadvies.

KSP Archeologie

5

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader

In opdracht van Pittiger in Planologie heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor een bestemmingsplanwijziging van 'Agrarisch' naar 'Wonen' (Wonigbouwplan Eggerlaan) aan de Kapelstraat 7 te Vorstenbosch (percelen Nistelrode E 2643 en E 2644) in de gemeente Bernheze. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2

Afbakening plan- en onderzoeksgebied

Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische veldonderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 4.705 m² groot en ligt aan de Kapelstraat 7 te Vorstenbosch. (Figuur 1). Het terrein wordt in het noorden begrensd door de Kapelstraat en in het oosten door de Eggerlaan. Ten zuiden van het plangebied liggen percelen met bebouwing aan het Liebrechtsplein 39-43 (oneven). Ten westen van het plangebied ligt een tuin en bebouwing aan de Kapelstraat 9. 1.3

Overheidsbeleid

M¬´´­GDDESDCDQK@MCGDSTQNODRD’DQCQ@FU@M@KS@“NMCDQSDJDMC MGDSUDQCQ@F is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het ADRSDLLHMFROK@M ’D JNLLDM U@M DQMGDYD“ ‡U@RSFDRteld 01-06-2011) geldt voor het OK@MFDAHDC CD CTAADKADRSDLLHMF ’@@QCD ¨ QBGDNKNFHD  ®“ HS YHIM FQNMCDM LDS DDM LHCCDKGNFD archeologische verwachting waar bij bodemingrepen groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 0,4 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

In het kader van de bestemmingsplanwijziging is voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek nodig dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend en karterend booronderzoek.

KSP Archeologie

6

1.4

Toekomstige situatie

Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen Nistelrode E 2643 (zuidelijk en centrale deel) en E 2644 (noordelijke deel, bebouwing met adres Kapelstraat 7 Vorstenbosch). In november 2021 was dit nog één perceel, perceel Nistelrode E 1389, december 2021 was deze informatie wel bekend (Van Oort Bodemonderzoek 2021). Het gehele plangebied heeft nu een bestemming 'Agrarisch' en deze zal worden omgevormd naar 'Wonen'. De bebouwing aan de Kapelstraat 7 (perceel Nistelrode E 2644) wordt anders bestemd, maar hier zijn vooralsnog geen bodemingrepen gepland. Op perceel E 2643 worden de bestaande agrarische opstallen gesloopt en staan twee twee-onder-een-kapwoningen en een huizenblok van zes woningen gepland (Figuur 2). De exacte fundering is nog niet uitgewerkt, er wordt uitgegaan van een fundering op staal / vaste zand, waarvoor graafwerkzaamheden tot ca. 0,8 à 1,0 m -mv nodig zijn. Op basis van het milieukundig booronderzoek voor de nieuwbouwlocatie (Van Oort Bodemonderzoek 2021) en de gemeentelijke Historisch onderzoek NGE (Dekker 2022) zijn er geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om niet gesprongen conventionele explosieven op te sporen. Het waterpeil c.q.

bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten.

Figuur 2: Voorlopig ontwerp voor perceel Nistelrode E2643 (bron: via Pittiger in Planologie, 08-11-2022)

KSP Archeologie

7

1.5

Onderzoeksdoel en vraagstellingen

Bureauonderzoek

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.

Inventariserend Veldonderzoek

Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het onderzoek is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies. Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen door de bevoegde overheid. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Aan de hand hiervan kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of vrijgave van het plangebied of terreindelen daarvan. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase.

De strategie die gekozen wordt, hangt onder andere af van de omvang van het plangebied, de aard van de geplande werkzaamheden, de verwachte archeologische resten en het archeologiebeleid van de gemeente. Dit onderzoek betreft een verkennend en karterend onderzoek. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die wijzen op een vindplaats. Daarnaast wordt ook gekeken naar de bodemopbouw en de intactheid daarvan.

Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: x Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? x Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats? x Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? x Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? x Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? x In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?

KSP Archeologie

8

2

Bureauonderzoek

2.1

Huidige situatie

Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: x Huidige topografische kaart (Figuur 1); x Luchtfoto“R uit 2016 tot heden (PDOK); x Grondwaterstanden (Wageningen Environmental Research (2022), https://www.dinoloket.nl/ ondergrondmodellen; x Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (geoplaza.vu.nl); x Bebouwde rijksmonumenten (archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten; x Gemeentelijke monumenten1: geen gemeentelijke monument aanwezig; x Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; x Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding); x Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl): bebouwing stamt uit 1900. Het plangebied is momenteel in gebruik als woning met een agrarisch erf. De woning aan de Kapelstraat 7 heeft een woon- en industriefunctie en is volgens de BAG gebouwd in 1900. In de BAG komen ten zuiden daarvan zes opstallen voor die ook in 1900 gebouwd zouden zijn volgens de BAG. Op basis van het historische onderzoek zijn de opstallen jonger en kan (een voorganger van) het woonhuis al eerder in de 19e eeuw aanwezig zijn geweest (zie paragraaf 2.3). De kleinere opstallen haaks op de Eggerlaan zijn voormalige kippenschuren.

De grootste opstal parallel aan de Eggerlaan betreft een voormalige koeienstal. Ten westen daarvan komt een overkapping voor tractoren en een opslag hooi en voer voor. In het zuidwesten van het plangebied is een kuil(voer)bult aanwezig. De aanwezige bebouwing is door de gemeente2 of het rijk (archis.cultureelerfgoed.nl) niet aangemerkt als historisch waardevol. Onder een deel van de opstallen zijn mestgrubben aanwezig (geweest) langs de wanden van de opstallen. Er is geen diepe mestputten aanwezig (geweest) over de gehele breedte van de opstallen. Rondom de bebouwing komt verharding (veelal klinkerverharding) voor, in het centrale en zuidelijke deel is het onbebouwde terrein veelal onverhard. Tussen de Kapelstraat 7 en de Kapelstraat zijn enkele huisaansluitingen bekend (KLIC-melding). Elders op het terrein worden particuliere kabels en leidingen verwacht. Tot 2006 waren de (freatische) grondwater(spiegeldiepte)standen door middel van grondwatertrappen (I, nat t/m VIII droog) gekoppeld aan de kaarteenheden van de bodemkaart 1:50.000 (Bijlage 2). Het plangebied werd toen gekenmerkt door een diepe grondwaterstand, grondwatertrap VI. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 - 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen.

In het meest actuele grondwaterdieptespiegelmodel zijn de verwachte grondwaterstanden gemodelleerd voor blokken van 50 x 50 m. Daarop is de grondwaterdynamiek niet gekarteerd (Wageningen Environmental Research 2022, https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen). Tijdens het milieukundig booronderzoek (Van Oort Bodem onderzoek 2021) is een grondwaterstand waargenomen rond 2,0 mmv in december 2021. Er was sprake van een humushoudende bovenlaag van 0,7 à 1,1 m-mv (op basis van de vijf boringen die dieper dan 0,5 m -mv zijn gezet). Aangezien de enkeerdgrond het verwachte bodemtype is (zie paragraaf 2.2.) en hierbij een humeuze bovengrond van meer dan 50 cm aanwezig is, ligt de gemiddeld laagste grondwaterstand naar verwachting ruim dieper dan het potentiële archeologische niveau in de top van de C-horizont, waardoor 1 https://www.bernheze.org/data/downloadables/4/4/5/monumentenlijst-bernheze.pdf 2 https://www.bernheze.org/data/downloadables/4/4/5/monumentenlijst-bernheze.pdf

KSP Archeologie

9

de conserveringsomstandigheden in de bodem voor onverkoolde organische resten slecht zijn. De gemiddeld hoogste grondwaterstand zou afhankelijk van de dikte van het humeuze dek tot aan de basis van humeuze dek / top van de C-horizont kunnen reiken. Al is dat op basis van de waargenomen grondwaterstand in de winter ook te betwijfelen. 2.2

Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens

Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: x Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021); x Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2020 (BRO 2022, Maas e.a. 2017); x Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2021 (BRO 2022); x Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m); Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied van Nederland. Het is een relatief vlak gebied, dat nooit door het landijs bedekt is geweest (Berendsen 2005). De ondergrond wordt doorsneden door een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken, die de Roerdalslenk en het Peel Blok begrenzen Het plangebied ligt in het dalingsgebied de Roerdalslenk (Geologische Dienst 2021). Het zandpakket waarmee de slenk is opgevuld, is vaak meer dan 15 m dik. De oudere afzettingen zijn als gevolg van tektonische bodemdaling tot grote diepte weggezakt (Berendsen 2005). Het huidige landschap is met name tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 115.000 ¨ 11.755 jaar geleden), ontstaan. Volgens de geologische overzichtskaart bestaat de natuurlijke ondergrond van het plangebied dan ook uit fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Formatie van Boxtel).

In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name in het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 ¨15.700 jaar geleden) en Laat-Glaciaal (ca. 15.700 ¨ 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving is opgetreden (Stouthamer e.a. 2015). Hierbij is een dunne laag dekzand over de rivier- en/of fluvioperiglaciale afzettingen afgezet. Dit (soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 ¨ 210 ßm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend (Stouthamer e.a. 2015). Het reliëf van de dekzanden wordt gekenmerkt door vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen. Op de geomorfologische kaart (Bijlage 1) is het plangebied niet gekarteerd. Andere gebieden met een vergelijkbare hoogte op het AHN (Figuur 3) zijn gekarteerd als dekzandruggen al dan niet bedekt met een bouwlanddek. Binnen deze zone zijn vrij grote reliëfverschillen aanwezig. Op enkele plaatsen zijn duidelijk dekzandkopjes zichtbaar. Één van deze hogere koppen ligt direct ten (zuid)oosten van het plangebied. In het Holoceen (de laatste ca. 11.750 jaar) is het klimaat warmer en vochtiger geworden. Door de toenemende vegetatie is het zand vastgelegd en is het landschap ter plekke van het plangebied door geologische processen weinig veranderd.

De beken hebben zich ingesneden, waarbij beekdalen zijn ontstaan. Op historisch kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl) en het AHN is ten zuiden van Vorstenbosch een nattere zone aanwezig genaamd "(Hazelsberg) Broek". Een waterloop met de naam Leigraaf staat hier gekarteerd. De Leigraaf doorkruist ten oosten van Vorstenbosch een hogere zone en heeft daar een patroon met veel haakse bochten en zal daar gegraven zijn. Ten zuiden van Vorstenbosch heeft de Leigraaf een natuurlijk ogende loop op historische kaarten. Dat deel staat ook aangeduid als beekdalbodem op de geomorfologische kaart (Bijlage 1). Het plangebied ligt op ca. 600 m van deze waterloop.

KSP Archeologie

10

Figuur 3: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

Op basis van de bodemkaart worden in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden verwacht (Bijlage 2, code zEZ21). Enkeerdgronden zijn gronden met een humeuze bovengrond die dikker is dan 50 cm (De Bakker/ Schelling 1989). De humeuze bovengrond betreft vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Plaggendekken zijn ontstaan, doordat in Zuid-Nederland vanaf ca. de 14e en 15e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. Onder het plaggendek kunnen restanten van de oorspronkelijke bodem aanwezig zijn, zoals een podzolbodem. Op de dekzandrug is in de delen waar geen enkeerdgrond is gekarteerd een podzolbodem gekarteerd. De podzolgronden bestaan uit een humeuze, donkere bovengrond (Ap-horizont), die ca. 25 cm dik is, waaronder een E-horizont (uitspoelingshorizont) aanwezig is (De Bakker & Schelling 1989). Hieronder ligt de bruingekleurde B-horizont (inspoelingshorizont), die geleidelijk overgaat in de C-horizont. Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont in meer of mindere mate intact. Tijdens het milieukundig booronderzoek was sprake van een humushoudende bovenlaag van 0,7 à 1,1 m-mv (op basis van de vijf boringen die dieper dan 0,5 m -mv zijn gezet) (Van Oort Bodem onderzoek 2021).

Dit geeft een indicatie dat het humeuze dek ca. 0,7 à 1,1 m dik kan zijn. In het milieukundig onderzoek wordt binnen het humeuze dek vaak geen onderscheid gemaakt tussen een humeus antropogeen dek, oorspronkelijke bouwvoor en de inspoelingshorizont met humus.

KSP Archeologie

11

2.3

Historische situatie en mogelijke verstoringen

Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: x Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 ¨ 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); x Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); x Cultuurhistorische regiobeschrijving Noord-Brabant/ Meierij (CultGIS/Haartsen 2009); x Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; x Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): Het plangebied ligt binnen het gebied van operatie Market Garden. x Kaart van verdedigingswerken/ Militaire landschapskaart (https://rce.webgispublisher.nl/ Viewer.aspx?map=militaire%5Flandschapskaart): er zijn geen verdedigingswerken binnen het plangebied bekend; x Oorlogshandelingenkaart (https://reaseuro.nl/oorlogshandelingenkaart/): het plangebied ligt binnen het de Markten Garden Frontlijn. x Historisch onderzoek NGE Bernheze (Dekker 2022): geen risico op niet-gesprongen explosieven. x Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); x Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: bouwtekeningen hiervan zijn niet beschikbaar.

Aangezien er geen diepe mestkelders aanwezig zijn volgende eigenaren is waarschijnlijk geen meerwaarde door het opvragen van de bouwdossiers. x Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (https://noordbrabant.omgevingsrapportage.nl/): geen melding binnen het plangebied; x Luchtfoto uit 2019 (PDOK); x Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; x Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; x Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; x Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn geen kunstmatige ophogingen en/of afgravingen van ca. 30 à 40 cm zichtbaar; x In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt. Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. Het plangebied is onderdeel van de Meierij. Er worden geen specifieke cultuurhistorische elementen in het plangebied verwacht op basis van CultGIS. (Haartsen 2009).

Buesink e.a. (2010) geven de volgende beschrijving van Vorstenbosch: " het dorp Vorstenbosch is weinig bekend. De eerste schriftelijke vermelding dateert uit 1485. De naam UDQVHIRSLNFDKHIJM@@Q’UNNQRSDANR“ (Van Berkel en Samplonius 2006) Dit zogenaamde ontginningsdorp ligt ten zuiden van Nistelrode. In het midden van de negentiende eeuw omvatte het dorp 89 huizen bewoond door 470 inwoners, die deels tot de gemeente Nistelrode (67 huizen, 360 inwoners) en deels tot de gemeente Dinther (22 huizen, 110 inwoners) behoorden (Van der Aa). Zij vonden hun bestaan uitsluitend in de landbouw. Tot de gemeentelijke herindeling in 1994 behoorde Vorstenbosch tot de gemeente Nistelrode.

KSP Archeologie

12

De oudste bekende kern van Vorstenbosch bevindt zich ter plaatse van het huidige Dintherse hoek (westelijker dan de huidige kern). Op de kadastrale minuut uit circa 1830 wordt de bebouwing die daar @@MVDYHF HR ’NQRSDMANRBG“ FDMNDLC DYD JDQM GDDES FDDM JDQJ Ter plaatse van het huidige Vorstenbosch stond van oudsher een kapel. Deze kapel, gewijd aan de H. Antonius abt, wordt al genoemd in 1446. (Gegevens heemkunde & Van Oirschot e.a. deel 4, p. 278.) De oude kerk werd in 1845 vervangen door een zogenaamde waterstaatkerk. In 1648 was het een bedevaartplaats ter ere van de Heilige Cunera, tegen ziekten van vee. Op de kadastrale minuut uit circa 1830 zijn in de buurt van de kapel ook enkele huizen aanwezig, deze hebben echter geen dorpsnaam. Volgens de Bont zijn er in Noord- Brabant verscheidene dorpen die verplaatst zijn. Na de verplaatsing bleef de kerk vaak op de oude locatie staan, waardoor deze midden in het veld kwam te liggen. Archeologische resten van de vroegmiddeleeuwse dorpskern zijn in dat geval nabij de kerklocatie te vinden (De Bont 1993) Het is daarom mogelijk dat het vroegmiddeleeuwse Vorstenbosch ter plaatse van het huidige Vorstenbosch lag, dat het vervolgens verplaatst is naar Dintherse hoek, waar het in de 19e eeuw lag en uiteindelijk weer naar de huidige locatie.

Het is echter de vraag of de kapel inderdaad al in de vroege middeleeuwen aanwezig was en of daar ook het dorp zelf lag. Helaas heeft er in Vorstenbosch weinig archeologisch onderzoek plaatsgevonden, waardoor deze vraag momenteel onbeantwoord blijft." Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Op het eerste minuutplan uit ca. 1811-1832 is het plangebied vrijwel geheel gelijk aan het toenmalige perceel Nistelrode E 442, dat toen bouwland (akker) was (Figuur 4). Ook het perceel ten westen van het plangebied (perceel 441) was bouwland. Ten oosten van het plangebied waren van noord naar zuid een huis en erf (prceel 443), weiland (perceel 444) en bouwland (perceel 446). Deze waren van een andere eigenaar dan het perceel in het plangebied. Perceel 421 (ten zuiden van het plangebied) was ook bouwland.

Figuur 4: Het plangebied op de kadastrale minuut uit ca. 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Een noordelijke rand van het planebied lag ter hoogte van de toenmalige "Weg van Dinther naar Vorstenbosch". Het toenmalige Vorstenbosch ligt ca. 800 m ten westen, rondom nu de Langenbergsestraat. De bouwlanden in de omgeving van het plangebied staan aangeduid als "Kapel

KSP Archeologie

13

Akkers". De huidige hoofdstructuur van Vorstenbosch was toen al aanwezig met bebouwing aan de weg van Dinther naar Vorstenbosch (nu Kapelstraat), de Broekstraat (nu Hondstraat) en Kapelstraat w-o deel (nu Broekkant). Aan de Kapelstraat n-z (nu Kerkstraat) was enkel de Kapel aanwezig op de kruising met de toenmalige "Weg van Dinther naar Vorstenbosch". Enkele decennia na de opname van de kadastrale minuut was er mogelijk al een woning in het plangebied aanwezig (Figuur 5, kaart 1850), maar eind 19e eeuw was het plangebied zeker bebouwd (Figuur 5, kaart 1899, wat overeenkomt met het bouwjaar in de BAG voor het woonhuis). De opstallen op het terrein waren in 1929 nog niet aanwezig en zijn recenter. Daarbij zijn de kleinere opstallen haaks op de huidige Eggerlaan duidelijk het jongst. Vroeger zijn er op basis van de historische kaarten meer van deze opstallen aanwezig geweest. Vanaf 1988 (niet afgebeeld) zijn ook de grotere stallen parallel aan de Eggerlaan aanwezig. tot 2011 was in het zuiden van het plangebied nog een extra kleine opstal aanwezig haaks op de Eggerlaan.

Figuur 5: Het plangebied op historische kaarten tussen 1850 en 1978 (bron: www.topotijdreis.nl).

Binnen het plangebied zijn enkele hoogteverschillen aanwezig. Veelal ligt het maaiveld rond 9,6 m+NAP. Er is een zone op het noordelijkste perceel die ca. 30 cm lager ligt (donker groene kleuren). In het zuiden komt een zone voor die ca. 30 à 40 cm hoger ligt dan 9,6 m+NAP (gele zone). (Figuur 6). Er zal sprake zijn van ophoogde delen en ontgraven delen. In hoeverre dit voor een verstoring van het archeologische sporenvlak gezorgd heeft is nog onduidelijk.

KSP Archeologie

14

Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

Voor de historische ontwikkeling is ook gekeken naar archeologische resten als gevolg van conflict. Op basis van de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl), Militaire landschappenkaart van de RCE en kaart met oorlogshandelingen samengesteld door REAS Euro wordt duidelijk dat het plangebied gelegen is binnen de (front)linie van Operatie Market Garden uit september 1944. Voor de gemeente Bernheze is een specifiek onderzoek gedaan naar de oorlogshandeling en rondom Vorstenbosch zijn deze bekend, maar niet in het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan (https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/). De bodem kan zijn aangetast door werkzaamheden door het eeuwenlange gebruik als akkerland, voordat het terrein een agrarisch erf werd. Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 ¨ 50 cm beneden maaiveld. Aangezien in het plangebied een enkeerdgrond verwacht wordt (een humeus dek dikker dan 50 cm) kan de top van onderliggende C-horizont en de basis van het humeuze dek nog ongeroerd zijn. Door het gebruik als agrarisch erf kan de bodem dieper vestoord zijn geraakt als gevolg van ophogingen, afgravingen en de bouw en sloop van opstallen.

De omvang van deze verstoringen is nog onduidelijk. 2.4

Beschrijving van archeologische gegevens

Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: x Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); x Archeologische rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); x Archeologische onderzoeken en vondstmeldingen in Archis (archis.cultureelerfgoed.nl);

KSP Archeologie

15

x x x

E-depot archeologie (DANS): rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://archaeology.datastations.nl/); Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); Gemeentelijke archeologische beleidskaart (Buesink e.a. 2010).

Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn tevens geen AMKterreinen, maar wel negen onderzoeksmeldingen en twee vondstmeldingen bekend (Tabel 1, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond Vorstenbosch in de gemeente Bernheze, tenzij anders vermeld in Tabel 1. Onderzoeks/vondstmelding

Locatie en ligging

Type onderzoek

Aard vondstlocatie/resultaten

VM 3120640100

139 m ZO, Aanleg v/e nieuwe weg

Opgraving 1958

Scherven, tot de groep Hilversum-urnen behorend, zonder crematieresten en een 36 cm lang bronzen naald. (BRONMA)

VM 3130206100

490 m ZO Huis familie Rooyakkers

Niet archeologisch graafwerk vóór 1965

Urn (BRONS-MEVB)

OM 2033604100

61 m NO Bergakkers II

Quickscan/booronderzoek in 2001

Rapport niet beschikbaar in Archis of DANS. Via (2005): grotendeels verstoord en oorspronkelijk gelegen in lager gelegen deel dat later opgehoogd is.

Proefsleuven in 2005

(2005): Verstoringen zijn recent van aard (sporen van rupsbanden!) Zuidwesten van het plangebied onverstoord, maar geen archeologisch resten.

OM 2070208100

OM 2157649100

236 m O Rietdijk RvR

Bureau- en karterend booronderzoek in 2007

2009): Bodem verstoord tot 45 à 140, van oorsprong vermoedelijk natte bodem o.b.v grondwaterstand en dikte humeus dek. Æ geen vervolg

OM 2217726100

352 m NO Binnenveld 38

Bureau- en karterend booronderzoek in 2008

(2008): Geen verwacht esdek, direct roestvlekken onder de dunne omgewerkte Ahorizont. Geen indicatoren Æ geen vervolg

OM 2255245100

332 m ZO De Helling

Bureau-en verkennend booronderzoek (met kijkgaten) in 2009

(2009): Bodemopbouw met enkeerdgrond met daaronder een podzolbodem/oude akkerlaag (met houtskoolresten). In kijkgaten zijn grondsporen waargenomen.

Proefsleuven in 2011

(2011): Wijd verbreide Nieuwetijdse ontginningssporen (spitssporen). Daarnaast is een kuil met houtskool (gedateerd: midden Mesolithicum) en fragmenten van een Hilversumse pot (BRONSM)

OM 2313046100

OM 2289144100

302 m NO Binnenveld 36

Bureau- en karterend booronderzoek in 2010

(2010): Afgegraven akkerlaag met daaronder een met stuifzand opgevulde vochtige laagte met veen. Geen indicatoren Æ geen vervolg

OM 2291014100

41 m NW Kapelstraat 24-30

Bureauonderzoek in 2010

(2011): Er is een verkennen booronderzoek geadviseerd vanwege de (middel)hoge verwachting. Æ Woningen zijn in 2015, 2017 en 2021 gerealiseerd (BAG)

OM 4544670100

67 m N Bergakkers

Bureau- en booronderzoek in 2017

(2017): Bodemopbouw is verstoord (A/C menglaag) die samenhangt met vergunde ontgronding aldaar.

Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen (0), onderzoeksmeldingen (OM) en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).

KSP Archeologie

16

Veel onderzoek in de omgeving is gedaan naar de wijk Bergakkers direct ten noorden van het plangebied. Het in 2001/2005 onderzochte deel direct ten noordoosten van het plangebied was verstoord door graafwerkzaamheden. Het zuidwestelijke deel van dit gebied (het deel aangrenzend aan het huidige plangebied), was gelegen in een (opgevulde) laagte zonder archeologisch resten. In 2010 is een bureauonderzoek uitgevoerd voor de bouw van Kapelstraat 26, 28 en 30. (2011) hebben vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van verkennend booronderzoek, maar dit is niet uitgevoerd en in 2015 is de bouw gestart (BAG). Voor een groter gebied ten noorden daarvan, waar op de luchtfoto van dit jaar (PDOK) bouwwerkzaamheden te zien zijn is een booronderzoek uitgevoerd voor de jongste fase van de wijk Bergakkers in 2017. (2017) hebben een verstoorde bodemopbouw aangetroffen, deze werd hier op basis van een vergunde ontgronding ook verwacht (zie ook Bijlage 2). De booronderzoeken in een ruimere omtrek tonen dat de humeuze bovengrond binnen de gekarteerde zone met enkeerdgronden lang niet overal dikker is dan 50 cm. Vaak zijn er door middel van roestvlekken en/of ondiepe grondwaterstanden aanwijzingen dat een groter deel relatief laag en nat gelegen was. Er zijn ook zones die aan de verwachting voldoen en met name ca.

300 à 400 m ten zuidoosten van het plangebied zijn aanwijzingen gevonden voor activiteit in het Mesolithicum en de Midden-Bronstijd (diverse Hilversumse potten/urnen). Deze vondsten zijn gedaan op het hogere deel van dezelfde dekzandrug waar het plangebied op is gelegen. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied veelal een middelhoge verwachting (Figuur 7). Het onverharde deel in het zuiden heeft een hoge verwachting en langs de noordrand schampt het plangebied de zone met een hoge archeologische waarde. De zone met een hoge archeologische waarde verbindt diverse historisch erven. De noordrand van het plangebied heeft een hoge waarde doordat hier een weg heeft gelegen (zie paragraaf 2.3).

KSP Archeologie

17

Figuur 7: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze (Buesink e.a. 2010)

2.5

Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden

Op basis van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) zijn er geen concrete aanwijzingen voor ondergrondse bouwhistorische resten ouder dan ca. 1830-1850.

KSP Archeologie

18

2.6

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode Laat-Paleolithicum ¨ Neolithicum

Verwachting Laag

Verwachte kenmerken vindplaats

Diepteligging sporen

Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen

Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) tot in de C-horizont

Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de C-horizont

Neolithicum ¨ Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw)

Middelhoog

Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen Begravingsresten: kringgreppel, fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten

Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw)¨ Nieuwe tijd

Middelhoog (noorden) Grotendeels laag

Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, bakstenen, fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen

Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt op een lager deel van een dekzandrug/kop op ca. 600 m van een historische waterloop. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Aangezien de gradiëntzone verder naar het zuiden ligt op de overgang van de dekzandrug naar het beekdal van de Leigraaf is aan het plangebied lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum. 1. 2. 3. 4.

5.

6. 7. 8.

Datering: Laat-Paleolithicum - Neolithicum. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot). Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). Aangezien tijdens het milieukundig booronderzoek een humeuze bovenlaag van 70 à 110 cm is waargenomen kan bovenzijde van de podzolbodem ook dieper liggen. Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. Gaafheid en conservering: door het historisch landgebruik als bouwland vanaf minimaal de Late Middeleeuwen is mogelijk dat de oorspronkelijke bodem geheel is opgenomen in het plaggendek. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen. Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in het plaggendek. Voorafgaand of tijdens de aan de aanleg van het plaggendek was dit niveau kwetsbaar voor grondroeringen.

KSP Archeologie

19

Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Aangezien het plangebied op een lager deel van een dekzandrug ligt, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). 1. 2. 3.

4.

5.

6. 7.

8.

Datering: Neolithicum ¨ Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het dekzand (C-horizont). Aangezien tijdens het milieukundig booronderzoek een humeuze bovenlaag van 70 à 110 cm is waargenomen kan bovenzijde van de podzolbodem ook dieper liggen. De top van de C-horizont wordt tussen 70 en 110 cm-mv verwacht. Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting goed zijn beschermd door het plaggendek dat vanaf de Late Middeleeuwen is opgebracht. Wel zal (een deel van) het vondstniveau in de onderzijde van het plaggendek zijn opgenomen. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven.

Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken. Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in het bovenliggende plaggendek terecht zijn gekomen. Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont is verstoord, wordt klein geacht. De verzamelde gegevens in het bureauonderzoek geven geen concrete aanwijzingen dat er met zekerheid diepe (recente) bodemverstoringen in het plangebied hebben plaatsgevonden. Deze zijn echter ook niet uit te sluiten als gevolg van bouw- en sloop van opstallen en gezien de hoogteverschillen in het plangebied.

Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw onbebouwd is. Het plangebied is gelegen aan een weg waaraan elders historische bebouwing aanwezig is. Begin 19e eeuw is het noorden van het plangebied in gebruik al weg, aangezien hier later een woning is gebouwd is de kans klein dat resten van deze (vermoedelijke zandweg) nog dermate intact zijn dat deze behoudenswaardig zijn. Het noorden van het plangebied ligt binnen een deel waar bebouwing ouder dan 1811-1833 niet uit te sluiten is en heeft daardoor een middelhoge verwachting op een huisplaats uit de periode Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd.

KSP Archeologie

20

1. 2. 3. 4. 5.

6. 7.

8.

2.7

Datering: Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (voor 1811-1832) / Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (tot ca. 1850) Complextype: Nederzetting (huisplaats) / infrastructuur (weg). Omvang: Enkele tientallen tot honderden m² (huisplaats), lineair element (weg) Diepteligging: het leesbare sporenniveau wordt onder de bovengrond verwacht (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de bodem. Gaafheid en conservering: omdat de archeologische resten voor de huisplaats naar verwachting uit bouwmateriaal bestaan (baksteen) en relatief jong zijn, kan de gaafheid en conservering goed zijn mits de funderingen niet zijn verwijderd. Locatie: Op het noordelijke perceel. Uiterlijke kenmerken: ter plaatse van de huisplaats kunnen muurresten (baksteen), afvalkuilen, paalkuilen en mogelijk ophogingslagen aanwezig zijn. Daarnaast kan vondstmateriaal aanwezig zijn in de vorm van fragmenten aardewerk, fragmenten metaal, gebruiksvoorwerpen e.d. Mogelijke verstoringen: Door de bouw van de huisplaats kunnen sporen van een eventuele oudere huisplaats en de weg verloren zijn gegaan. Tussentijdse conclusie en advies bureauonderzoek

Op de gemeentelijke, archeologische verwachtingskaart is aan het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting toegekend met aan de noordrand een zone met een hoge waarde door de ligging in een historische bebouwingslint (Figuur 7). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek kan deze verwachting nader worden gespecificeerd per periode/bijgesteld. Op basis van de landschappelijke ligging op een lager deel van de dekzandrug en de relatief grote afstand tot een beekdal is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Het uiterste noorden van het plangebied was begin 19e eeuw onderdeel van een weg, eind 19e eeuw was een woning aanwezig in het noorden van het plangebied (een voorganger van de huidige woning). Het noorden van het plangebied heeft vanwege de ligging in een historisch bebouwingslint een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van een huisplaats in de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd (vóór 1811-1832). Het advies is om de verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase.

Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld. Indien de bodemopbouw niet diep verstoord is wordt gezien de beperkte omvang van het plangebied wordt geadviseerd om deze verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase. Met dit onderzoek wordt de bodem systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Daarnaast wordt ook de bodemopbouw en de intactheid daarvan vastgesteld. Aan de hand van de Leidraad inventariserend veldonderzoek, Deel karterend booronderzoek (Tol e.a. 2012) wordt een booronderzoek aanbevolen in een grid van 20 x 25 m (methode E1, brede zoekoptie). Gezien de archeologische verwachting voor alle perioden en meerdere type vindplaatsen wordt gekozen voor de brede zoekoptie.

KSP Archeologie

21

3

Inventariserend Veldonderzoek, verkennende & karterende fase

3.1

Werkwijze

Voor het verkennend booronderzoek is uitgegaan van een boordichtheid van 6 boringen per hectare met een minimum van 6 boringen per plangebied. Voor het karterend booronderzoek is uitgegaan van de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek (versie 2.0, Tol et al. 2012). In dit geval is BNMENQL ’GDS RSQNNLCH@FQ@LJDTYDNMCDQYNDJRLDSGNCDJ@QSDQDMC CDDK¬“‡OQNSNBNK¯««®~«³ˆ een karterend booronderzoek uitgevoerd voor kleine plangebieden met een brede verwachting. Dit is een booronderzoek met een boordichtheid van minimaal 20 boringen per hectare (methode E1). In totaal zijn 9 boringen gezet (Bijlage 4). Voor zover de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) het toelaten, is een boorgrid van 20 x25 m gebruikt, waarbij de afstand tussen de raaien 20 m en tussen de boringen 25 m bedraagt. Voor een optimale verdeling van de boringen verspringt het beginpunt van een raai 12,5 m ten opzichte van de naastgelegen raai. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is bepaald aan de hand van het AHN4. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont. Het opgeboorde sediment is met de hand gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk.

De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2

Veldsituatie

De situatie in het plangebied was grotendeels zoals verwacht. De enige uitzonderingen waren dat de kuilvoerbult niet meer aanwezig was (nu grasland) en dat de boom ten zuiden van boring 4 niet meer aanwezig was. 3.3

Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens

3.3.1

Lithologie en geologie

3.3.2

Bodem

De natuurlijke ondergrond bestond uit zeer fijn, matig siltig zand dat goed afgerond en goed gesorteerd was. Dit is te typeren als dekzand.

De bodemopbouw in het plangebied was vrij divers (Tabel 3). In boringen 1, 3 en 7 t/m 9 was de verwachte bodemopbouw aangetroffen. Een enkeerdgrond (humeuze donkerbruingrijze bovengrond van tenminste 50 cm) met aan de basis een restant van een podzolbodem (een donkerbruine tot oranjebruine inspoelingshorizont van humus en ijzer/aluminiumoxiden) Bij boringen 1 en 7 was de podzol aanwezig onder een relatief dun humeus dek van 60 à 70 cm. Bij boringen 3, 7 en 9 was het humeuze dek dikker (90 à 100 cm-mv). Bij boring 5 was het humeuze dek 120 cm dik. Hier is de podzolbodem vermoedelijk opgenomen in het humeuze dek.

KSP Archeologie

22

Boring 1 2 3 4

Humeuspakket tot 70 cm-mv 40 cm-mv 100 cm-mv 100 cm-mv

Podzol 70-85 cm-mv 100-130 cm-mv -

5 6 7 8 9

120 cm-mv n.a. 40-60 cm-mv 105 cm-mv 90 cm-mv

60-70 cm-mv 110-115 cm-mv 90-110 cm-mv

Verstoring Podzol zwak geroerd Tot 110 cm-mv Podzol, zwak geroerd Tot 150 cm-mv Tot 100 cm-mv

Tabel 3: Bodemopbouw binnen het plangebied

Oorzaak verstoring Voormalige kippenschuur Lager gelegen gebied, poel? Podzol vermoedelijk opgenomen in humeus dek Voormalig bijgebouw Bouwvoor afgetopt door aanleg wegcunet. Podzol grotendeels opgenomen in humeus dek

Bij boringen 2, 4 en 6 was geen intacte bodemopbouw aanwezig. x Bij boring 2 was onder de bouwvoor van 40 cm een gemengd pakket aanwezig met geel en wit zand van het onderliggende dekzand en het humeuze pakket. Hierin waren ook fragmenten baksteenpuin aanwezig. Deze boring is gezet ter hoogte van een voormalige kippenschuur. x In boring 4 was onder een humeus dek van 100 cm een veelal geel pakket zand aanwezig met humusvlekken tot 150 cm -mv. Op 115 cm was een humeuze band aanwezig. Dit terreindeel ligt lager, mogelijk was hier een poel aanwezig die is opgevuld met humeus materiaal. x In boring 6 waren geroerde lagen aanwezig met moderne fragmenten glas en bouwpuin vanaf het maaiveld tot 1 m -mv. Hier heeft ook een gebouw gestaan. De diepteligging van het gele/witte dekzand (C-horizont) is bij boringen 2 en 6 niet dieper dan bij de andere boringen. Bij boring 4 is een diepere verstoring aanwezig, vermoedelijk door het graven van een poel. 3.4

Archeologische indicatoren

Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Er is baksteenpuin, mortel en glas aangetroffen, maar deze fragmenten waren recent en aanwezig op plaatsen met recente bijgebouwen. 3.5

Toetsing van de archeologische verwachting

In het plangebied komt buiten de voormalige bebouwingszones een humeus dek van 60 à 120 cm voor met daaronder veelal een (vermengd) restant van een humuspodzol. Ter hoogte van de zones waar voorheen bebouwing stond is een gemengde bodemopbouw aanwezig. De top van het gele tot witte dekzand ligt in de verstoorde boringen niet dieper dan bij de intacte boringen. Door de bouw en sloop van de bijgebouwen lijkt de bodem enkel afgetopt, maar veelal niet diep verstoord. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien de podzolbodem is vermengd, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen aangetast. Op basis van de landschappelijke ligging was aan het plangebied reeds een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen. Er zijn in de karterende fase geen indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid een vindplaats. De lage verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum blijft daarom behouden. Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken.

Het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont intact is aangetroffen en bij de niet intacte bodemopbouw ligt de top van de C-horizont op vergelijkbare hoogte

KSP Archeologie

23

als bij de niet-verstoorde boringen. Eventueel aanwezig archeologische resten zullen op basis van de resultaten van de verkennende fase niet zijn aangetast. Tijdens het karterende fase van het booronderzoek zijn echter geen archeologische resten of indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid een vindplaats uit deze periode. Daarom wordt de middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek om archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) aan te treffen voor het plangebied naar laag bijgesteld. De noordrand van het plangebied had een middelhoge verwachting voor een huisplaats uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die duiden op een huisplaats uit die periode. De middelhoge verwachting wordt daarom bijgesteld naar een lage verwachting.

KSP Archeologie

24

4

Conclusie en advies

4.1

Conclusie

Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een lager deel van de dekzandrug en de relatief grote afstand tot een beekdal is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Het uiterste noorden van het plangebied was begin 19e eeuw onderdeel van een weg, eind 19e eeuw was een woning aanwezig in het noorden van het plangebied (een voorganger van de huidige woning). Het noorden van het plangebied heeft vanwege de ligging in een historisch bebouwingslint een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van een huisplaats in de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd (vóór 1811-1832). Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat buiten de voormalige bebouwingszones een humeus dek van 60 à 120 cm voorkomt met daaronder veelal een (vermengd) restant van een humuspodzol. Ter hoogte van de zones waar voorheen bebouwing stond is een gemengde bodemopbouw aanwezig.

De top van het gele tot witte dekzand ligt in deze verstoorde boringen niet dieper dan bij de intacte boringen. Door de bouw en sloop van de bijgebouwen lijkt de bodem enkel afgetopt, maar veelal niet diep verstoord. Er zijn in de karterende fase echter geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats, waardoor aan het plangebied een lage archeologische verwachting kan worden gegeven. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. 4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen x

Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact?

Uit het booronderzoek is gebleken dat buiten de voormalige bebouwingszones een humeus dek van 60 à 120 cm voorkomt met daaronder veelal een (vermengd) restant van een humuspodzol. Ter hoogte van de zones waar voorheen bebouwing stond is een gemengde bodemopbouw aanwezig. De top van het gele tot witte dekzand ligt in de verstoorde boringen niet dieper dan bij de intacte boringen. Door de bouw en sloop van de bijgebouwen lijkt de bodem enkel afgetopt, maar veelal niet diep verstoord. x

Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats?

In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ouder dan het huidige erf dat in de 19e eeuw ontstaan is. x

Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? Niet van toepassing.

x

Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? Niet van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=4263e15c-ac4f-4db3-b78a-7cd6ef21e2a6