CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - ecologische Quickscan aan de Heikantsedijk 1-1a te Heeswijk-Dinther

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Verklaring Van Geen Bedenkingen Heikantsedijk 3, Heeswijk-Dinther*4.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische Quickscan aan de Heikantsedijk 1-1a te Heeswijk-Dinther

Adres opdrachtgever:

Opsteller: Datum: Kenmerk:

Heikantsedijk 1 5473 RL Heeswijk-Dinther

Ecologisch adviesbureau Eceau Ing. T.J.P. den Otter 17 januari 2023 PIT-1QS220906

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige ecologische quickscan uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding en planlocatie ........................................................................................................... 2

2.

Doel en vraagstelling ............................................................................................................... 3

3.

Methode .................................................................................................................................. 4

4.

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek ............................................................................................ 4

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage ................................................................................... 4

Bevindingen ............................................................................................................................. 5 4.1.

Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................... 5

4.2.

Vleermuizen..................................................................................................................... 7

4.3.

Vogels .............................................................................................................................. 9

4.4.

Overige diersoorten....................................................................................................... 10

4.5.

Vaatplanten ................................................................................................................... 11

4.6.

Houtopstanden .............................................................................................................. 11

4.7.

Gebiedsbescherming ..................................................................................................... 12

5.

Samenvatting......................................................................................................................... 13

6.

Vervolgstappen...................................................................................................................... 14 6.1.

Nader onderzoek ........................................................................................................... 14

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering ....................................................................................... 14

Bronnen .......................................................................................................................................... 15 Bijlage 1

Foto’s planlocatie ..................................................................................................... 16

1

1. Inleiding en planlocatie De initiatiefnemer is voornemens een ruimte-voor-ruimtewoning te realiseren en het bestaande perceel kadastraal te splitsen met een extra woonfunctie. Aan de thans aanwezige bebouwing zijn geen werkzaamheden voorzien. De onderzoeklocatie is gelegen in het buitengebied van HeeswijkDinther, aan de Heikantsedijk 1-1a. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het kadastrale perceel HWK02-E-3277. Het projectgebied beschikt over een recent gerealiseerde mantelzorgwoning in de vorm van een bijgebouw en een relatief goed onderhouden tuin. Het overige perceel buiten het plangebied bestaat uit een woonboerderij, enkele bijgebouwen, verharding, tuin en houtige beplanting. De directe omgeving wordt met name gekenmerkt door open agrarisch gebied met kleinschalige bossen. In figuur 1 is de ligging schematisch weergegeven en in bijlage 1 zijn diverse foto’s toegevoegd.

Figuur 1

Schematische weergave van het plangebied, de rode arcering weergeeft de ligging van het plangebied (kaart overzicht: openbasiskaart; detailkaart: PDOK)

2

2. Doel en vraagstelling Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. Tevens biedt de ecologische quickscan inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Onderhavige ecologische quickscan kan voor de initiatiefnemer als bewijsstuk dienen dat onderzoek is verricht ten behoeve van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer is voornemens een woning te realiseren en het bestemmingsplan te wijzigen.

Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ontwikkeling: verwijderen bestrating en terreininrichting bouwrijp maken deel van het terrein aanleg/verplaatsen nutsfaciliteiten realisatie nieuwe woning herinrichting, bestrating en overige revitalisatiewerkzaamheden aan het terrein In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: transport puin, groenafval en bestrating transport nieuwe materialen plaatsen bouwverlichting (mogelijk) plaatsen bouwkeet akoestische, trillings en optische verstoring van de directe omgeving Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden eventueel aanwezige ecologische functies mogelijk vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren.

In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels de ecologische quickscan onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Wet natuurbescherming zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Wet natuurbescherming en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen?

3

3. Methode Middels voorliggende ecologische quickscan is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden van beschermde flora en fauna gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het veldbezoek is uitgevoerd op 30 september 2022.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen beschermde gebieden en overige beschermde onderdelen vanuit de Wet natuurbescherming. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.

4

4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken van welke bijzonderheden sprake is (o.a.: vrijstellingen en bepalingen), welke soorten in het aangetroffen habitat voorkomen en van welke soorten het voorkomen in de nabijheid van de onderzoeklocatie bekend is. Van de beschermde soorten die in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen wordt dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan; waaronder vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.

4.1. 4.1.1.

Grondgebonden zoogdieren Bescherming en soorten

Grondgebonden zoogdieren komen vrijwel overal voor in Nederland. Gezien het opportunistische karakter van diverse van deze algemene soorten zijn een aantal soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De binnen Noord-Brabant vrijgestelde zoogdiersoorten zijn opgenomen in tabel 1. Tabel 1 Vrijgestelde soorten van de provincie Noord-Brabant Aardmuis Haas Tweekleurige bosspitsmuis Bosmuis Huisspitsmuis Veldmuis Dwergmuis Konijn Vos Dwergspitsmuis Ondergrondse woelmuis Wild zwijn Egel Ree Woelrat Gewone bosspitsmuis Rosse woelmuis

4.1.2.

Habitatonderdelen

De projectlocatie betreft een boerderijperceel met enkele gebouwen, houtige beplanting en siertuin. Er is in minimale zin sprake van natuurlijke omstandigheden. De aanwezigheid van onder andere zeezoogdieren (bruinvis, grijze zeehond), soorten van kruidenrijke gebieden (noordse woelmuis, europese hamster) en van gevarieerde waterrijke/verstoringsarme gebieden (waterspitsmuis, bever) kan worden uitgesloten. Er zijn geen grotere bossen of houtopstanden aanwezig, waardoor verblijven van soorten van bosrijke gebieden (boommarter, rode eekhoorn) ook uitgesloten kunnen worden. Voor de steenmarter ontbreken (oude) bebouwing, materiaalhopen, holen en overige potentiële verblijfplaatsen. Door de aanwezigheid van agrarisch gebied, houtwallen en kleinschalig cultuurlandschap in de omgeving kan de aanwezigheid van das en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) niet op voorhand uitgesloten worden. De bunzing, hermelijn en wezel zijn soorten van structuurrijke kleinschalige landschappen, waarbij de bunzing in bossen aangetroffen kan worden, zoals vermeld in de ‘Handreiking Kleine Marters’ van de provincie Noord-Brabant. Daarnaast staat eveneens vermeld dat voor alle drie de kleine marterachtigen het van belang is dat er voldoende dekking is. Het gebied ten noorden, westen en zuiden van het plangebied bestaat uit open agrarisch gebied.

Op grotere afstand is ten noorden en ten oosten potentieel geschikt leefgebied aanwezig. Door de aanwezigheid van bomenlanen, bosranden en dichtere terreininrichtingen, is het mogelijk dat kleine marterachtigen zich via dergelijke dekkinggevende elementen kunnen begeven in de nabijheid van het plangebied. Met name de hermelijn en wezel, maar ook in enige mate de bunzing, verblijven voornamelijk aan bosranden, bij houtwallen en in begroeide greppels, omdat deze soorten relatief kleine zoogdieren betreffen die ten prooi kunnen vallen aan grotere roofdieren en roofvogels wanneer deze zich in open terrein begeven. Met uitzondering van de enkele hogere grassen bestaat het plangebied uit een open structuur van gras en een bijgebouw. Op het overige perceel zijn enkele dichtere structuren aanwezig. De dichtere begroeiing is gecontroleerd op potentiële verblijfslocaties voor kleine

5

marterachtigen. De kleine marterachtigen verblijven onder andere in oude holen van vos, konijn, mol of das. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van rommelhoeken, hopen snoeiafval of andere stabiele schuilgelegenheden. Binnen het plangebied, alsmede binnen de groenstructuur binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, ontbraken holen van andere grondgebonden zoogdieren of hopen materiaalopslag. De combinatie van het niet optimaal zijn van het plangebied als functioneel leefgebied, de matige bereikbaarheid, alsmede het ontbreken van potentiële verblijflocaties, kan de aanwezigheid van kleine marterachtigen uitgesloten worden. De das komt met name voor in gebieden met afwisselend biotopen. Dit betreft hoofdzakelijk kleinschalige akker- en weidelandschappen met bosjes, houtwallen, greppels en heggen. De burcht ligt vaak in een bosrand, houtwal of singel; een locatie met een helling of terreinverhoging, zodat de burcht niet onder water kan lopen. Het gehele plangebied, inclusief de belendende terreindelen van de locatie, zijn onderzocht op de aanwezigheid van burchten, wissels of andere sporen. Binnen en direct belendend aan het plangebied zijn geen burchten, graafsporen of latrines aangetroffen. Tevens zijn er geen andere sporen zoals wissels of pootafdrukken waargenomen. Het voorkomen van de das is echter wel bekend in de directe omgeving.

Het is dan ook mogelijk dat de das de locatie al dan niet opportunistisch kan betreden. Desondanks heeft het plangebied, mede door de huidige inrichting en het ontbreken van burchten, geen functie voor de soort.

4.1.3.

Effecten

Gezien de inrichting van het projectgebied worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht. Algemene en opportunistische grondgebonden zoogdieren zoals huismuis en bruine rat maken mogelijk algemeen gebruik van de directe omgeving. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien zijn alle mogelijk aanwezige beschermde soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit van de provincie NoordBrabant en zal de nieuwe situatie vergelijkbaar zijn met de huidige situatie in het kader van ecologische waarde. Behoudens de Algemene Zorgplicht zijn geen bijzondere maatregelen benodigd in het kader van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren.

6

4.2. 4.2.1.

Vleermuizen Bescherming en soorten

Ondanks dat vleermuizen vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden, zijn er geen vleermuissoorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Door de continue verduurzaming van bestaande en nieuwe bebouwing waarbij gevels en daken worden geïsoleerd is er een sterke afname in potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen. Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd middels de Habitatrichtlijn van de Wet natuurbescherming. Naast de individuen zijn tevens de vaste rust- en/of verblijfslocaties, essentiële vliegroutes en functionele foerageergebieden beschermd.

4.2.2.

Habitatonderdelen

Gebouwbewonende soorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger maken als verblijfplaats met name gebruik van bebouwing. Dit geldt voor zowel de zomer-, paar-, winter- en kolonieverblijven. Open stootvoegen, kierende daklijsten, openstaande/overhangende dakpannen, scheuren in gevels of enige andere opening die toegang verleend tot een holle achterliggende ruimte bieden potentie om als verblijfplaats te dienen. Goede voorbeelden van achterliggende ruimten zijn de spouw, de ruimte onder dakpannen en toegankelijke verstoringsvrije zolderruimten met een stabiel microklimaat. Vanuit de verblijfslocaties verplaatsen vleermuizen zich vaak via vaste routes naar geschikte foerageergebieden, waarbij gebruik gemaakt wordt van lijnvormige structuren als de luwte van bebouwing, bomenlanen en sloten. Dergelijke structuren kunnen beschermd zijn indien er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. Met uitzondering van een mantelzorgwoning, is de planlocatie volledig voorzien van korte vegetatie en verharding. In de verdere omgeving van het plangebied zijn diverse groenstructuren aanwezig. Door de aanwezigheid van een diversiteit aan potentieel foerageergebied in de omgeving, is de aanwezigheid van essentieel foerageergebied uitgesloten. Gezien de ligging van de locatie aan open gebied zonder oriëntatiepunten is tevens geen sprake van essentiële vliegroutes.

Bovendien vormt de nieuwe ruimtelijke inrichting meet oriëntatiepunten dan de huidige situatie. Door het ontbreken van bomen kunnen vleermuisverblijven in bomen uitgesloten worden. Bij controle van de mantelzorgwoning zijn geen openingen aangetroffen die voor vleermuizen toegang bieden tot een potentiële vaste rust- en/of verblijfslocatie. De nokpannen zijn opgevuld, de onderste laag dakpannen is voorzien van vogelschroot, de overgang naar de gevels zijn afgewerkt met houten latten en open stootvoegen zijn voorzien van roosters, zie figuur 2.

Figuur 2

details ten ongunste van een vaste rust- en/of verblijfplaats voor vleermuizen

7

4.2.3.

Effecten

Gelet op de inrichting van het plangebied, alsmede de directe omgeving ervan zijn foerageer- en migreerstructuren binnen de grenzen van het projectgebied niet als functioneel of essentieel aan te merken. Effecten op essentiële vlieg- en foerageerroutes zijn uitgesloten. Gezien de afwezigheid van geschikte boomholtes of openingen in bebouwing en in het verlengde daarvan verblijfslocaties zijn effecten op vaste rust- en/of verblijflocaties van vleermuizen uitgesloten. Desondanks zal de locatie opportunistisch gepasseerd worden door vleermuizen. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende de donkere en schemerende dagdelen dan kunnen aanwezige en passerende vleermuizen verstoord worden door bouwverlichting. Dit is alleen van toepassing in de periode april t/m oktober, buiten de winterrustperiode. Om dergelijke onnodige verstoring te voorkomen dient het de voorkeur in deze periode overdag te werken of vleermuisvriendelijke bouwverlichting toe te passen (naar beneden gericht, convergerend en/of rood-/amberkleurig).

8

4.3. 4.3.1.

Vogels Bescherming en soorten

Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste geldt voornamelijk binnen de broedperiode (medio maart t/m medio juli). Daarnaast is er een categorisering in beschermingsniveau. Er wordt een jaarronde bescherming van nesten (ook buiten broedseizoen, zonder eieren) gehanteerd voor soorten die erg honkvast zijn, ieder jaar terugkeren naar dezelfde locatie of het nest jaarrond gebruiken (cat. 1 t/m 4). Daarnaast geldt aanvullend voor een aantal soorten jaarronde bescherming van nesten indien zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (cat. 5). Gedurende het broedseizoen zijn aanvullend alle in gebruik zijnde nesten beschermd, waaronder die van de veelvoorkomende houtduiven, turkse tortels, kokmeeuwen, scholeksters en koolmezen.

4.3.2.

Habitatonderdelen

Binnen boerderijpercelen met hoofdzakelijk lage begroeiing en enkele gebouwen, zonder open schuren of stallen, kan de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten en leefgebieden van onder andere de boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, gierzwaluw, roek, kerkuil, slechtvalk en steenuil al uitgesloten worden. Enkel één soort van de categorie 1 t/m 4 die wel voorkomt in dergelijke open agrarische gebieden is de huismus. Naast de verwachting dat andere categorie 1 t/m 4 soorten niet verwacht worden zijn op het terrein geen nesten of sporen (braakballen, plukplaatsen, uitwerpselen) aangetroffen die duiden op de aanwezigheid ervan. De huismus maakt als nestlocatie gebruik van openingen in bebouwing; met name pannendaken worden bewoond. In de directe omgeving van een potentiële nestlocatie dienen diverse habitatonderdelen aanwezig te zijn, waaronder schoon drinkwater, voldoende schuilgelegenheid in de vorm van jaarrond bladhoudende struiken, hagen of heesters, grind en/of kleine steentjes, voldoende foerageermogelijkheden, droog zand voor zandbaden en niet te veel grote bomen (Kennisdocument Huismus, 2022). Gelet op de inrichting van het gehele perceel rondom het plangebied voorziet de situatie in voldoende essentieel leefgebied voor de huismus om er voor te komen.

Het projectgebied zelf bestaat echter uit een open structuur met een bijgebouw dat volledig is afgewerkt met vogelwerende middelen, waaronder vogelschroot. Voor de huismus worden derhalve geen potentiële nestlocaties of essentieel leefgebied aangetast. Bovendien blijft de inrichting van het overige perceel in zijn huidige staat behouden.

4.3.3.

Effecten

Binnen het plangebied ontbreken geschikte habitattypen en nestlocaties voor vogels van de categorie 1 t/m 4. Aanvullend doordat er thans geen sprake is van relevante zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die rechtvaardigen om categorie 5 soorten zwaarder te beschermen kunnen effecten op categorie 1 t/m 5 vogelsoorten uitgesloten worden. Gezien het ontbreken van potentieel functioneel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of leefgebieden worden geen effecten verwacht op het leefgebied van deze soorten. Behoudens de aanwezigheid van nesten van algemene soorten binnen het broedseizoen, worden geen significant negatieve effecten verwacht. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn binnen het broedseizoen wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten deze periode (buiten half maart – half juli) aan te vangen of alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen en de locatie niet vooraf ongeschikt is gemaakt dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van nesten.

Bij het eventueel aantreffen van nesten bij een dergelijke inspectie dienen de werkzaamheden opgeschort te worden en dienen de aanvullende instructies van de deskundige opgevolgd te worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

9

4.4. 4.4.1.

Overige diersoorten Bescherming en soorten

Overige diersoorten betreffen de vlinders, libellen, overige ongewervelde, amfibieën, reptielen en vissen. Door de afwezigheid van oppervlaktewateren, kleinschalige poelen, plassen en sloten kan de aanwezigheid van geschikte leefgebieden voor amfibieën, vissen, libellen en watergebonden ongewervelden uitgesloten worden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van de amfibieën zijn door de hoge trefkans enkele soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, dit betreft de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker (vrijstellingen provincie Noord-Brabant). Van de Habitatrichtlijnsoorten wordt louter de rugstreeppad sporadisch aangetroffen op bouwlocaties. Van de rugstreeppad zijn echter enkel populaties bekend op een afstand van meer dan 4km. Een diverse (kruiden- en bloemrijke) vegetatie is voor veel algemene insecten essentieel. Bovendien zijn er voor een groot aantal vlinders, libellen en andere ongewervelde specifieke waardplanten waarvan de soort afhankelijk is. Binnen het plangebied is geen dergelijke specifieke vegetatie aanwezig. Gelet op het ontbreken van waardplanten, bijzondere habitateigenschappen, natuurlijke omstandigheden en de bekende verspreiding van beschermde libellen, vlinders en overige ongewervelde kan het voorkomen ervan redelijkerwijs uitgesloten worden.

Reptielen komen voor in natuurlijke, dynamische en relatief verstoringsarme biotopen. Door de huidige inrichting van het terrein, alsmede de ligging worden reptielen niet verwacht.

4.4.2.

Habitatonderdelen

Gezien het ontbreken van natuurlijke en verstoringsvrije biotopen alsmede bijzondere habitateigenschappen voor beschermde vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen wordt de aanwezigheid van habitatrichtlijnsoorten of bijzondere overige soorten van voornoemde soortgroepen in de huidige situatie niet verwacht.

4.4.3.

Effecten

Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vlinders, libellen, overige ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen, en de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten, alsmede de afwezigheid van potentiële migratieroutes, is een effect uitgesloten. Voor algemene soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken en zijn de te verwachten soorten allen opgenomen in de vrijstellingsverordening van de provincie. Bovendien zal de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie vergelijkbaar zijn in het kader van algemene natuurwaarde. Voor de vrijgestelde soorten zijn er, behoudens de Algemene Zorgplicht, geen bijzondere maatregelen benodigd ter voorkoming van de overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vlinders, libellen, overige ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen.

10

4.5. 4.5.1.

Vaatplanten Bijzonderheden

Ondanks dat een groot deel van de beschermde vaatplanten enkel te determineren is gedurende de periode van bloei, is goed te bepalen of dergelijke soorten potentieel voorkomen op een bepaalde locatie. Veel soorten komen voor in specifieke habitattypen of plantengemeenschappen: een verscheidenheid aan soorten die elkanders potentiële voorkomen aantonen doordat dergelijke soorten in vergelijkbare (abiotische) omstandigheden en biotopen groeien.

4.5.2.

Habitatonderdelen

De geschiktheid van een locatie is direct afhankelijk van de aanwezige (abiotische) omstandigheden, zoals oppervlaktewater, zuurgraad, voedingsrijkdom van de bodem, lichtinval, standplaatsen en onderhoudsintensiteit. Gezien de ligging van de planlocatie binnen een thans bewoond perceel en de inrichting ervan met onderhouden terrein en bebouwing, kan de aanwezigheid van beschermde, zeldzame en bijzondere vaatplanten worden uitgesloten. Aangezien er sprake is van een voedselrijke en verstoorde situatie.

4.5.3.

Effecten

Binnen het plangebied is in beperkte mate natuurlijke vegetatie aanwezig. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten of restanten ervan waargenomen. Er worden geen effecten verwacht en er zijn geen vervolgstappen of bijzondere bepaling van toepassing in het kader van beschermde vaatplanten.

4.6.

Houtopstanden

Artikelen 4.1 t/m 4.9 beschermen houtopstanden krachtens de Wet natuurbescherming, indien van toepassing zal er of sprake zijn van een meldplicht of van een vergunningplicht. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing op de houtopstanden binnen de grenzen van de planlocatie. Wegens het onderstaande: Artikel 4.1: Het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf heeft geen betrekking op: houtopstanden op erven of in tuinen Bovendien zijn er geen bomen of houtopstanden aanwezig binnen de grenzen van het plangebied en zijn er geen werkzaamheden aan houtopstanden voorgenomen.

11

4.7. 4.7.1.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Brabant (NNB)

De projectlocatie is gelegen op ca. 35m tot de aangemerkte NNB-gebieden in oostelijke richting. Gezien dat de ontwikkeling plaatsvindt buiten de grenzen van het NNB, zijn effecten als gevolge van directe fysieke ingrepen uitgesloten. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt naast de nationale toetsingskaders, aanvullend de toetsing van externe werking. De ontwikkeling betreft het realiseren van woongelegenheid op een perceel waar thans bebouwing aanwezig is. Een toename van lichtuitstraling is niet van toepassing. Eveneens zal er geen toename zijn in geluidsverstoring of optische verstoring daar deze locatie thans al in gebruik is. Aanvullend zullen deze effecten niet verder reiken het perceel zelf, als gevolge van de aanwezigheid van noordzuid oriëntatie van de aanwezige bebouwing tussen het plangebied en het NNB in met een bomenlaan langs de Heikantsedijk. Het uitvoeren van de ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen NNB. Tevens is de ontwikkellocatie geen onderdeel van andere beschermde gebieden zoals ecologische verbindingszones, natuurcompensatiegebieden of belangrijke weidevogelbeschermingsgebieden.

4.7.2.

Natura 2000-gebieden

De planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 13,0 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, zie figuur 3. Dit betreft de ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Voorbeelden van externe werking betreffen een permanente toename van geluid, licht of stikstofdepositie of door optreden van een (grote) tijdelijke toename in dergelijke effecten.

Figuur 3

Natura 2000-gebieden zijn gelegen op ca. 3,8km en meer tot de planlocatie (bron: noord-brabant.maps.arcgis.com).

Gelet op de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, alsmede de inrichting van het tussengelegen gebied, waaronder dorpen, een stad en een autosnelweg, kunnen effecten anders dan stikstofdepositie bij voorbaat uitgesloten worden. Tevens zal een potentieel effect als gevolg van een verandering in tijdelijke en permanente stikstofdepositie niet verwacht worden. Het voornemen bestaat uit het realiseren van één woning. De nieuw te realiseren woning dient te voldoen aan diverse verduurzamingseisen (waaronder BENG), waardoor er sprake zal zijn van een verwaarloosbare toename in stikstofuitstoot. Bovendien is de ontwikkeling van beperkt formaat, waardoor een eventuele stikstofdepositie op een afstand van 13,0km niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit gaat eveneens op voor stikstofdepositie gedurende de uitvoering en derhalve niet zal leiden tot een verhoging. Een effect op Natura 2000gebieden is zowel in de gebruiksfase als gedurende de realisatiefase uitgesloten.

12

5. Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Heikantsedijk 1-1a te Heeswijk-Dinther is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het bestemmingsplantechnisch wijzigen van het perceel en het realiseren van een woning, en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rusten/of verblijflocaties, natuurgebieden of andere krachtens de Wet natuurbescherming beschermde zaken. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Vleermuizen passeren en foerageren aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord.

Ten aanzien van overige gebiedsfuncties zijn geen maatregelen benodigd Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen Ten aanzien van algemene amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Wet natuurbescherming Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden, de genomen maatregelen en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht

13

6. Vervolgstappen Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.

6.1.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is aanvullend onderzoek niet benodigd

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering

Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen indien in de periode april t/m oktober gewerkt wordt. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals zwarte roodstaart, turkse tortel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, buiten medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (puin, takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om dieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te laten verplaatsen naar een schuilplaats buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna

14

Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2022. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 2.0. Juni 2022, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. Websites, geraadpleegd 2023: atlasleefomgeving.nl bomen.meetnetportaal.nl decentrale.regelgeving.overheid.nl natura2000.eea.europa.eu noord-brabant.maps.arcgis.com pas.natura2000.nl rug.maps.arcgis.com wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

Bijlage 1

Foto’s planlocatie

Het projectgebied betreft een deel van het perceel aan de Heikantsedijk 1-1a te Heeswijk-Dinther en omvat een mantelzorgwoning en tuin

Het projectgebied bestaat uit een relatief open structuur

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=26ceb06d-889a-4956-8810-ae4205b43917