CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 10 actualisatie ecologische quickscan

Commissie Ruimtelijke Zaken 8 mei 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hofsteeg (tegenover nr. 3), Nistelrode5.424 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Actualisatie Ecologische Quickscan aan de Hofsteeg (ong.) te Nistelrode

Adres opdrachtgever:

Opsteller: Kwaliteitscontrole Datum: Kenmerk:

Weijen 11B 5388 HL Nistelrode

Ecologisch adviesbureau Eceau R.H.A. Meulendijks Ing. T.J.P. den Otter 11 oktober 2023 ROC-1AC230919

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige ecologische quickscan uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding en planlocatie ........................................................................................................... 2

2.

Doel en vraagstelling ............................................................................................................... 3

3.

Methode .................................................................................................................................. 4

4.

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek ............................................................................................ 4

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage ................................................................................... 4

Bevindingen ............................................................................................................................. 5 4.1.

Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................... 6

4.2.

Vleermuizen..................................................................................................................... 9

4.3.

Vogels ............................................................................................................................ 11

4.4.

Overige diersoorten....................................................................................................... 13

4.5.

Vaatplanten ................................................................................................................... 14

4.6.

Houtopstanden .............................................................................................................. 14

4.7.

Gebiedsbescherming ..................................................................................................... 15

5.

Samenvatting......................................................................................................................... 16

6.

Vervolgstappen...................................................................................................................... 17 6.1.

Nader onderzoek ........................................................................................................... 17

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering ....................................................................................... 17

Bronnen .......................................................................................................................................... 18 Bijlage 1

Foto’s planlocatie ..................................................................................................... 19

1

1. Inleiding en planlocatie De initiatiefnemer is voornemens een ruimte-voor-ruimte woning te realiseren. Het perceel is thans ongebruikt akkerland, zeer recent in gebruik om maïs te verbouwen. Aan de westelijke zijde bevindt zich een garagebox en een strook struweel. De onderzoeklocatie is gelegen in het buurtschap Donzel. De directe omgeving van het plangebied heeft een bebouwd agrarisch karakter, met woningen, boerderijen, akkers en weilanden. Direct belendend aan de onderzoeklocatie bevinden zich in noordelijke richting een boomopstand en in zuidelijke richting een woning met (sier)tuin. Op verdere afstand bevinden zich in oostelijke richting een bosachtig gebied met kleinschalige heidevelden en een golfbaan, in westelijke richting agrarisch gebied, en in noordelijke en zuidelijke richting de bebouwde kommen van Nistelrode en Heesch. In figuur 1 is de ligging schematisch weergegeven en in bijlage 1 zijn diverse foto’s toegevoegd.

Figuur 1

Schematische weergave van het plangebied, de rode arcering weergeeft de ligging van het plangebied aan de Hofsteeg te Nistelrode (kaart: openbasiskaart.nl; uitsnede: PDOK)

2

2. Doel en vraagstelling Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. Tevens biedt de ecologische quickscan inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. In het kader van het voornemen is op 29 oktober 2018 een ecologische quickscan uitgevoerd door Econsultancy (IJdema, 2018). Aan de hand van deze quickscan is tevens een nader dassenonderzoek (IJdema, 2019) uitgevoerd en een mitigatieplan kleine marterachtigen, steenmarter, das en steenuil (SAB, 2019) opgesteld. Ecologische onderzoeken zijn doorgaans drie jaar geldig in het kader van juridische procedures. Gezien de uitvoerdatum van het reeds uitgevoerde onderzoek, is onderhavige actualisatie uitgevoerd. De initiatiefnemer is voornemens een woning op het perceel te realiseren.

Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ontwikkeling: bouwrijp maken van het terrein aanleg/verplaatsen nutsfaciliteiten realisatie woongelegenheid herinrichting, bestrating en overige revitalisatiewerkzaamheden aan het terrein In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: transport puin, groenafval en bestrating transport nieuwe materialen (eventueel) plaatsen bouwverlichting (eventueel) plaatsen bouwkeet akoestische, trillings en optische verstoring van de directe omgeving Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden eventueel aanwezige ecologische functies mogelijk vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren.

In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels het actualiseren van de reeds uitgevoerde ecologische quickscan onderstaande vragen wederom beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Wet natuurbescherming zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Wet natuurbescherming en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen?

3

3. Methode Middels voorliggende actualisatie is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten opnieuw in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage

3.1.

Oriëntatie en locatiebezoek

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden van beschermde flora en fauna gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Alle vergaarde data wordt vergeleken met de reeds uitgevoerde quickscan om te constateren of er sprake is van een gewijzigde situatie en vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming. Het veldbezoek is uitgevoerd op 4 oktober 2023.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases, andere (externe) hulpmiddelen en de reeds uitgevoerde ecologische quickscan een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen beschermde gebieden en overige beschermde onderdelen vanuit de Wet natuurbescherming. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing wordt gecontroleerd of de gedane aanbevelingen voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide bij de quickscan actueel zijn. Indien van toepassing worden de gedane aanbevelingen geactualiseerd.

4

4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken van welke bijzonderheden sprake is (o.a.: vrijstellingen en bepalingen), welke soorten in het aangetroffen habitat voorkomen, van welke soorten het voorkomen in de nabijheid van de onderzoeklocatie bekend is en wat de resultaten waren van de reeds uitgevoerde quickscan. Van de beschermde soorten die in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen wordt dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan; waaronder vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.

5

4.1. 4.1.1.

Grondgebonden zoogdieren Bescherming en soorten

Grondgebonden zoogdieren komen vrijwel overal voor in Nederland. Gezien het opportunistische karakter van diverse van deze algemene soorten zijn een aantal soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De binnen Noord-Brabant vrijgestelde zoogdieren zijn opgenomen in tabel 1. Tabel 1 Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren van de provincie Noord-Brabant Aardmuis Haas Tweekleurige bosspitsmuis Bosmuis Huisspitsmuis Veldmuis Dwergmuis Konijn Vos Dwergspitsmuis Ondergrondse woelmuis Wild zwijn Egel Ree Woelrat Gewone bosspitsmuis Rosse woelmuis

4.1.2.

Habitatonderdelen

Uit de quickscan van Econsultancy komt naar voren dat, benevens vrijgestelde soorten, het plangebied, op basis van habitatkenmerken en verspreidingsgegevens, potentie heeft voor rode eekhoorn, kleine marterachtigen, steenmarter en das. Van deze soorten werd rode eekhoorn uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied. Voor kleine marterachtigen, das en steenmarter werd de onderzoeklocatie als geschikt aangewezen. Deze soorten zullen bij de beoogde ingreep mogelijk verstoord worden, en foerageergebied zal verloren gaan. Aanvullend werd genoemd dat het plangebied ook habitat biedt aan diverse vrijgestelde soorten, waaronder egel, ree en vos. Afhankelijk van de locatie van een projectgebied is op voorhand al een selectie te maken op potentieel voorkomende soorten. De projectlocatie betreft een akker in een deels bebouwde agrarische omgeving. De aanwezigheid van onder andere zeezoogdieren (bruinvis, grijze zeehond), soorten van kruidenrijke gebieden (noordse woelmuis, europese hamster), en van gevarieerde waterrijke/verstoringsarme gebieden (waterspitsmuis, bever, otter) kan op voorhand worden uitgesloten. Er zijn geen grotere houtopstanden of bossen aanwezig, waardoor verblijven en leefgebieden van soorten van bosrijke gebieden (boommarter, rode eekhoorn) uitgesloten kunnen worden.

Gezien de ligging in agrarisch cultuurland kan het voorkomen van kleine marterachtigen, das en steenmarter niet worden uitgesloten. De das is een soort die met name voorkomt in kleinschalig (cultuur)landschap met bosjes, houtwallen, akkers en weilanden. Dassen leven in familiegroepen en bezetten gezamenlijk uitgebreide holenstelsels die als burchten bekend staan. Deze zijn vaak te vinden op taluds, in brede heggen, in houtwallen en in bosranden. Het plangebied, alsmede de belendende houtopstand, zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van burchten en andere sporen die op de aanwezigheid van das duiden. Op de noordgrens van het plangebied, en in de houtopstand ten noorden van het plangebied, zijn diverse dassentunnels waargenomen, waaronder enkele die recente gebruikssporen laten zien, zie figuur 2. Tevens zijn graafsporen, snuitpuntjes, voetafdrukken, voedselresten en loopsporen aangetroffen die duiden op het voorkomen van dassen aan de noordzijde van het plangebied. Het plangebied zelf is mogelijk foerageerhabitat, terwijl de verblijfplaats zich ten noorden van het plangebied bevindt. De grote overeenkomst in bevindingen tussen het actualiserende veldbezoek en de quickscan van Econsultancy wijzen erop dat de situatie binnen het plangebied voor das onveranderd is gebleven.

6

Figuur 2

Loopsporen en tunnels, snuitputje en voedselresten van dassen, aangetroffen in de houtopstand ten noorden van het plangebied.

De steenmarter is een soort die verblijfplaatsen heeft in stenige objecten en bebouwing, maar ook in hopen snoeiafval, kruipruimten, ongebruikte schuurtjes, holle bomen of verlaten holen van andere grotere grondgebonden zoogdieren. Overeenkomstig met de bevindingen van de quickscan van Econsultancy zijn er potentiële verblijfplaatsen aangetroffen in de materiaalhopen aan de zuidzijde van het plangebied. Tevens zijn prooiresten aangetroffen in het belenende terrein aan de oostzijde van de onderzoeklocatie, alsmede een loopspoor van steenmarter over de zuidelijke grens van het plangebied. Derhalve is het plangebied aannemelijk nog in gebruik door steenmarter, wat overeenkomt met de conclusies uit de quickscan van Econsultancy. Kleine marterachtigen (wezel, hermelijn, bunzing) zijn soorten die met name voorkomen in kleinschalige landschappen met houtwallen, bosschages, houtstapels en greppels. Met name bunzing en wezel komen ook voor in bosachtige gebieden. Als verblijfplaatsen gebruiken de kleine marterachtigen vaak holen van andere grondgebonden zoogdieren als verblijfplaatsen (van woelmuizen, konijnen, etc.), maar met name bunzing bezet ook takkenhopen, stenenhopen en rommelschuurtjes. Kleine marterachtigen gebruiken vaak lijnvormige landschapselementen als looproutes. Voldoende dekking is noodzakelijk voor het voorkomen van kleine marterachtigen.

Aan de zuidelijke grens van de onderzoekslocatie zijn holen van (woel)muizen aangetroffen, alsmede andere potentiële verblijfplaatsen in vorm van materiaalhopen, zie figuur 3. Bij de quickscan van Econsultancy zijn directe sporen van kleine marterachtigen aangetroffen. Hoewel dergelijke sporen niet bij het actualiserende veldbezoek zijn aangetroffen, is het aannemelijk dat het plangebied nog steeds in dezelfde functies voorziet voor kleine marterachtigen.

Figuur 3

Diverse materiaalhopen zijn aanwezig aan de zuidzijde van het perceel.

7

Algemene en opportunistische grondgebonden zoogdieren zoals egel, ree, vos, bosspitsmuis en veldmuis maken aannemelijk algemeen gebruik van het perceel of de percelen rondom het plangebied. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien zijn deze beschermde soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit van de provincie Noord-Brabant.

4.1.3.

Effecten

In het kader van grondgebonden zoogdieren zijn de bevindingen ten opzichte van de quickscan uit 2018 niet gewijzigd. De onderzoeklocatie en/of het direct belendende terrein is nog steeds in gebruik door das en steenmarter, en gebruik door kleine marterachtigen kan tevens niet worden uitgesloten. De adviezen en vervolgstappen, zoals genoemd in de quickscan van Econsultancy, zijn derhalve nog relevant. Daarnaast komen de bevinden dusdanig overeen met de bevindingen van voorgaande onderzoeken, dat tevens het nader dassenonderzoek en in het verlengde daarvan het mitigatieplan in het kader voor das, steenmarter en kleine marterachtigen, als actueel beschouwd mag worden.

8

4.2. 4.2.1.

Vleermuizen Bescherming en soorten

Ondanks dat vleermuizen vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden, zijn er geen vleermuissoorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Door de continue verduurzaming van bestaande en nieuwe bebouwing waarbij gevels en daken worden geïsoleerd is er een sterke afname in potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen. Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd middels de Habitatrichtlijn van de Wet natuurbescherming. Naast de individuen zijn tevens de vaste rust- en/of verblijfslocaties, essentiële vliegroutes en functionele foerageergebieden beschermd. De gewone dwergvleermuis en in enige mate de laatvlieger zijn beide soorten die vrij algemeen voorkomen in Nederland en gebruik maken van bebouwing om in te verblijven. Overige relatief algemene vleermuissoorten verblijven met name in bomen, waaronder de ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis.

4.2.2.

Habitatonderdelen

In Nederland komen diverse vleermuissoorten voor die als verblijfslocaties onder andere gebruik maken van bebouwing. Voorbeelden hiervan zijn de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Dit geldt voor zowel de zomer-, paar-, winter- en kolonieverblijven. Open stootvoegen, kierende daklijsten, openstaande/overhangende dakpannen, scheuren in gevels of enige andere opening die toegang verleend tot een holle achterliggende ruimte bieden potentie om als verblijfplaats te dienen. Goede voorbeelden van achterliggende ruimten zijn de spouw, de ruimte onder dakpannen en toegankelijke verstoringsvrije zolderruimten met een stabiel microklimaat. Ook onder boombewonende soorten bevinden zich enkele algemeen voorkomende soorten, waaronder rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Deze soorten bezetten verblijfplaatsen in boomholten van met name oude bomen met een grote omvang, zodat de holten een voldoende bufferende werking hebben. Vanuit de verblijfslocaties verplaatsen vleermuizen zich vaak via vaste routes naar geschikte foerageergebieden, waarbij gebruik gemaakt wordt van lijnvormige structuren als de luwte van bebouwing, bomenlanen en oppervlaktewateren. Dergelijke structuren kunnen beschermd zijn indien er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn.

Uit de quickscan van Econsultancy komt naar voren dat geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen geheel ontbreken, en dat foerageerhabitat en vliegroutes niet verstoord worden bij de beoogde ingreep. Tijdens het actualiserend veldbezoek is het gehele plangebied alsmede de belenende houtopstand onderzocht op het voorkomen van holten of andere potentiële verblijflocaties voor zowel gebouw- als boombewonende vleermuizen. De aanwezige garagebox is aan één zijde volledig open en biedt geen wegkruipmogelijkheden, zie figuur 4, terwijl er in de bomen op het belenende terrein geen geschikte holten aangetroffen zijn. Daarnaast hebben de bomen een beperkte stamomtrek, waardoor deze niet de bufferende werking kunnen bieden die vleermuizen nodig hebben voor hun verblijfplaatsen. Overeenkomstig met de quickscan van 2018 zijn derhalve geen potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Tevens is de conclusie dat foerageerhabitat en vliegroutes niet verstoord worden ongewijzigd: alle bestaande groenstructuren blijven intact, en er is geen tekort aan zowel foerageerhabitat als oriëntatiepunten. Ondanks dat de aanwezigheid van essentiële foerageergebieden, migratieroutes en verblijfplaatsen uitgesloten is, is het niet uitgesloten dat vleermuizen de locatie passeren of opportunistisch foerageren in de directe omgeving.

9

Figuur 4

4.2.3.

De garagebox aan de zuidzijde van het plangebied bied geen wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen en is derhalve ongeschikt als vaste verblijfplaats.

Effecten

Gelet op de inrichting van het plangebied is foerageerhabitat niet als essentieel aan te merken, en tevens zal opportunistisch foerageerhabitat behouden blijven. Er zullen geen lijnvormige structuren of andere oriëntatiepunten verloren gaan bij de ingreep. Daarnaast zijn er geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. Desondanks zal de locatie gepasseerd worden of opportunistisch in gebruik genomen worden als foerageerlocatie. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende de donkere en schemerende dagdelen én er bouwverlichting buiten het pand aangebracht wordt, dan kunnen aanwezige en passerende vleermuizen verstoord worden door bouwverlichting. Dit is alleen van toepassing in de periode april t/m oktober, buiten de winterrustperiode. Om dergelijke onnodige verstoring te voorkomen dient het de voorkeur in deze periode overdag te werken of vleermuisvriendelijke bouwverlichting toe te passen (naar beneden gericht, convergerend en/of rood-/amberkleurig). In het kader van vleermuizen zijn de bevindingen ten opzichte van de quickscan uit 2018 niet gewijzigd.

10

4.3. 4.3.1.

Vogels Bescherming en soorten

Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste geldt voornamelijk binnen de broedperiode (medio maart t/m medio juli). Daarnaast is er een categorisering in beschermingsniveau. Er wordt een jaarronde bescherming van nesten (ook buiten broedseizoen, zonder eieren) gehanteerd voor soorten die erg honkvast zijn, ieder jaar terugkeren naar dezelfde locatie of het nest jaarrond gebruiken (cat. 1 t/m 4). Tevens geldt voor een aantal soorten jaarronde bescherming van nesten indien zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (cat. 5). Gedurende het broedseizoen zijn aanvullend in gebruik zijnde nesten van alle algemene vogels beschermd, waaronder soorten als kauw, vink, merel en houtduif.

4.3.2.

Habitatonderdelen

Op basis van habitatkenmerken kunnen een aantal soorten van de categorie 1 t/m 4 op voorhand worden uitgesloten. Dit betreffen onder andere soorten van hoogbouw (slechtvalk) en van stromend water (grote gele kwikstaart). Binnen bebouwd agrarisch terrein is het voorkomen van uilen (ransuil, steenuil, kerkuil), havikachtigen (o.a. buizerd, sperwer, havik), roek, boomvalk, ooievaar en gebouwbewonende soorten (gierzwaluw, huismus) aannemelijk. Binnen de planlocatie en de directe omgeving ervan ontbreekt voor ooievaar geschikte nestlocaties en voor gierzwaluw bebouwing met geschikte holten. Resterend zijn huismus, steenuil, kerkuil en diverse boombroedende soorten. In de quickscan van Econsultancy worden huismuis, steenuil, kerkuil en diverse boombroedende roofvogels nader besproken. Van deze soorten wordt huismus al op voorhand uitgesloten, gezien de enige bebouwing een garagebox is die niet geschikt is als nestlocatie. De huismus stelt hoge eisen aan het habitat. Indien een aantal van de habitateigenschappen niet voorkomt zal de huismus wegblijven. Als nestlocatie wordt gebruik gemaakt van openingen in bebouwing; met name pannendaken worden bewoond.

In de directe omgeving van een potentiële nestlocatie dienen diverse habitatonderdelen aanwezig te zijn, waaronder schoon drinkwater, voldoende schuilgelegenheid in de vorm van jaarrond bladhoudende struiken, hagen of heesters, grind en/of kleine steentjes, voldoende foerageermogelijkheden, droog zand voor zandbaden en niet te veel grote bomen (Kennisdocument Huismus, 2022). Tijdens het veldbezoek is de garagebox gecontroleerd op de aanwezigheid van beschikte holten waar een huismus een nest zou kunnen bouwen. Dergelijke holten zijn, overeenkomstig met de quickscan uit 2019, niet aangetroffen. Het voorkomen van nesten van huismus binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden is uitgesloten. Overige habitatelementen zijn de nabije omgeving ruim aanwezig. Kerkuil komt met name voor in open tot halfopen agrarisch terrein met hier en daar bebouwing, en in mindere mate in de randen van bebouwd gebied. De soort broedt tegenwoordig met name op boerenbedrijven. Om te broeden bezet de kerkuil, benevens speciaal ontworpen nestkasten, vaak holten in gebouwen, zoals een open zolder met een geschikte vliegopening. Steenuil nestelt met name in agrarisch cultuurland, waarbij boomholten, nestkasten en nauwe ruimten in gebouwen, zoals tussen het dakbeschot, gebruikt worden. De steenuil is zeer honkvast en maakt gedurende het gehele jaar gebruik van het broedbiotoop.

Beide soorten kunnen in gebouwen nestelen, maar zijn dan afhankelijk van een geschikte invliegopening. Voor zowel steenuil als kerkuil zijn, binnen het plangebied, geen potentiële nestlocaties aanwezig. Wel is de planlocatie mogelijk geschikt als (opportunistisch gebruikt) foerageergebied. Echter is er in de directe omgeving voldoende alternatief habitat beschikbaar. Voor steenuil bevindt zich daarnaast, overeenkomstig met de quickscan uit 2018, een nestkast in de directe omgeving van het plangebied. Als deze nestkast bezet is, kan verstoring optreden tijdens de werkzaamheden.

11

Diverse categorie 1 t/m 4 soorten broeden in bomen en houtopstanden. Enkele hiervan, zoals sperwer en ransuil, kunnen al in zeer kleine houtopstanden broeden. Hoewel er binnen het plangebied geen bomen aanwezig zijn, kunnen eventuele nesten in de belendende houtopstand verstoord worden. Derhalve is de houtopstand onderzocht op de aanwezigheid van nesten en sporen (o.a. plukresten, braakballen, krijtsporen) van in bomen broedende categorie 1 t/m 4 soorten. Deze zijn niet aangetroffen. Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten van havikachtigen, ransuil, boomvalk en roek is derhalve uitgesloten, wat overeenkomt met de bevindingen uit de quickscan van 2018.

4.3.3.

Effecten

Door het ontbreken van potentiële nestgelegenheid, alsmede functioneel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of leefgebieden (categorie 1 t/m 4) worden, benevens potentiële verstoring van steenuil, geen effecten verwacht. Voor steenuil zullen geen verblijfplaatsen verloren gaan bij de ingreep, maar kan de ingreep mogelijk voor verstoring zorgen. Enkel zijn mogelijk nesten van algemene soorten, zoals de kauw, koolmees, vink en merel binnen het broedseizoen aanwezig in de bomen belendend aan het perceel. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen (buiten half maart – half juli) aan te vangen of alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken (o.a. snoeien van het groen) als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen en de locatie niet vooraf ongeschikt is gemaakt dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van nestlocaties. Bij het eventueel aantreffen van nesten bij een dergelijke inspectie dienen de werkzaamheden opgeschort te worden. In het kader van vogels zijn de bevindingen ten opzichte van de quickscan uit 2018 niet gewijzigd.

12

4.4. 4.4.1.

Overige diersoorten Bescherming en soorten

Overige diersoorten betreffen de vlinders, libellen, overige ongewervelde, amfibieën, reptielen en vissen. Door de afwezigheid van oppervlaktewateren, kleinschalige poelen, plassen en sloten kan de aanwezigheid van geschikte leefgebieden voor amfibieën, vissen, libellen en overige watergebonden ongewervelden uitgesloten worden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van de amfibieën zijn door de hoge trefkans enkele soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, dit betreft de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker (vrijstellingen provincie Noord-Brabant). Een diverse (kruiden- en bloemrijke) vegetatie is voor veel algemene insecten essentieel. Bovendien zijn er voor een groot aantal vlinders, libellen en andere ongewervelden specifieke waardplanten waarvan de soort afhankelijk is. Het terrein is deels verhard en heeft deels een dichte vegetatiestructuur. Gelet op het ontbreken van waardplanten, belangrijke habitateigenschappen (zoals dood en vermolmd hout), alsmede de bekende verspreiding van beschermde libellen, vlinders en overige ongewervelden kan het voorkomen ervan uitgesloten worden. Reptielen komen voor in natuurlijke, dynamische en relatief verstoringsarme biotopen.

Door de huidige inrichting van het terrein zonder begroeide greppels, vergraafbaar zand of een dichte strooisellaag, alsmede de ligging ervan binnen bebouwd gebied, worden reptielen niet verwacht.

4.4.2.

Habitatonderdelen

Gezien het ontbreken van verstoringsvrije biotopen alsmede bijzondere habitateigenschappen en waardplanten voor beschermde vlinders, libellen, ongewervelden, reptielen, amfibieën en vissen wordt de aanwezigheid van habitatrichtlijnsoorten of bijzondere overige soorten van voornoemde soortgroepen niet verwacht. De bevindingen van de actualisatie komen overeen met de bevindingen van de quickscan van Econsultancy in 2018. De inrichting van het plangebied is ten opzichte van destijds niet gewijzigd.

4.4.3.

Effecten

Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen, amfibieën en vissen, en de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten is een effect uitgesloten. Voor algemene soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken en zijn de te verwachten soorten allen opgenomen in de vrijstellingsverordening van de provincie. Bovendien heeft het plangebied geen specifieke functie voor dergelijke soorten. In het kader van de overige soortgroepen betreffende vlinders, libellen, overige ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen, zijn de bevindingen ten opzichte van de quickscan uit 2018 niet gewijzigd. Er dient enkel in het kader van de Algemene Zorgplicht rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen, algemene amfibieën en vissen.

13

4.5. 4.5.1.

Vaatplanten Bijzonderheden

Ondanks dat een groot deel van de beschermde vaatplanten enkel te determineren is gedurende de periode van bloei, is goed te bepalen of dergelijke soorten potentieel voorkomen op een bepaalde locatie. Veel soorten komen voor in specifieke habitattypen of plantengemeenschappen: een verscheidenheid aan soorten die elkanders potentiële voorkomen aantonen doordat dergelijke soorten in vergelijkbare (abiotische) omstandigheden en biotopen groeien.

4.5.2.

Habitatonderdelen

De reeds uitgevoerde quickscan vermeld dat het niet te verwachten is dat er beschermde of zeldzame vaatplanten binnen het projectgebied aanwezig zijn, wegens het ontbreken van geschikt biotoop en de afwezigheid van beschermde vaatplanten in de nabije omgeving. De geschiktheid van een locatie is direct afhankelijk van de aanwezige (abiotische) omstandigheden, zoals oppervlaktewater, zuurgraad, voedingsrijkdom van de bodem, lichtinval en standplaatsen. Aangezien de planlocatie een onbegroeide akker betrof waar recent maïs op is verbouwd, is het voorkomen van beschermde vaatplanten zeer onwaarschijnlijk. Desondanks is het plangebied onderzocht op het voorkomen van (resten van) beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Aanvullend ontbreken potentiële standplaatsen voor beschermde vaatplanten, waaronder natuurlijke poelen, plassen of beken, natte overstromende kleigronden en bijzondere wegbermen, akkers, waterkanten en historische kalkstenen muren. De aanwezigheid van beschermde, zeldzame en bijzondere vaatplanten kan derhalve redelijkerwijs worden uitgesloten.

4.5.3.

Effecten

Er is geen sprake van potentiële standplaatsen voor bijzondere natuurlijke vegetatie binnen het perceel. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten of restanten ervan waargenomen. Er zijn geen afwijkende bevindingen ten opzichte van 2018 en er zijn geen vervolgstappen of bijzondere bepaling van toepassing in het kader van beschermde vaatplanten.

4.6.

Houtopstanden

Artikelen 4.1 t/m 4.9 beschermen houtopstanden krachtens de Wet natuurbescherming, indien van toepassing zal er of sprake zijn van een meldplicht of van een vergunningplicht. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing binnen de grenzen van de planlocatie, aangezien er geen houtopstanden aanwezig zijn binnen de grenzen van het plangebied.

14

4.7. 4.7.1.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Brabant (NNB)

De projectlocatie is gelegen op een afstand van ca. 300m tot de aangemerkte NNB-gebieden. Gelet op de zeer beperkte aanwezigheid van externe invloed van de ontwikkeling in relatie tot de afstand tot het NNB, zijn effecten en derhalve ook vervolgstappen ten behoeve van het NNB niet van toepassing. Tevens is de ontwikkellocatie geen onderdeel van andere beschermde gebieden zoals ecologische verbindingszones, natuurcompensatiegebieden of belangrijke weidevogelbeschermingsgebieden.

4.7.2.

Natura 2000-gebieden

In de quickscan van Econsultancy wordt benoemd dat, gezien de afstand en de aard van de ingrepen, geen effecten op beschermde gebieden worden verwacht. De planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 15,7km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, dit betreft het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Gelet op de afstand tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden in relatie tot het huidige gebruik en de aard van de ontwikkeling binnen het projectgebied, kunnen effecten anders dan stikstofdepositie per definitie uitgesloten worden. Echter gezien de beperkte omvang van de beoogde ingreep en conform de eisen die aan nieuwbouw gesteld zijn in het kader van duurzaamheid, zal de stikstofdepositie onder de norm van 0,00 mol/ha/jaar blijven, zowel ten tijde van de realisatiefase (tijdelijk) als in de gebruiksfase (permanent). In het kader van gebiedsbescherming zijn de bevindingen ten opzichte van de quickscan uit 2018 niet gewijzigd.

15

5. Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Hofsteeg te Nistelrode is een actualisatie van een reeds uitgevoerde ecologische quickscan uitgevoerd. De quickscan was uitgevoerd door Econsultancy op 29 oktober 2018. Het realiseren van een nieuwe woning op een perceel dat thans in gebruik is als akkerland geeft aannemelijk verstoring voor mogelijk aanwezige dassen, steenmarters, kleine marterachtigen en steenuilen. Actualisatie De bevindingen van de actualisatie komen geheel overeen met de quickscan van Econsultancy uit 2018 Ten aanzien van dassen, steenmarters, kleine marterachtigen en steenuilen is, gezien de grote overeenkomsten in bevinden, het reeds uitgevoerde nader dassenonderzoek, alsmede de in het verlengde daarvan opgestelde mitigatieplan als actueel aan te merken. Samenvatting per toetsingskader Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Ten aanzien van dassen, steenmarters en kleine marterachtigen worden verblijfplaatsen aannemelijk verstoord. Door een combinatie van mitigerende maatregelen en werken buiten kwetsbare perioden, als beschreven in het reeds bestaande mitigatieplan, kan overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Ten aanzien van vleermuizen zijn geen essentiële vliegroutes, foerageergebieden of vaste rusten/of verblijfslocaties aanwezig.

Desondanks passeren en foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord indien toegepast Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden kan verstoring optreden voor steenuil. Dit kan voorkomen worden door buiten het broedseizoen van deze soort te werken. Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen in het groen rondom het plangebied Ten aanzien van amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden Voor vlinders, libellen, ongewervelden, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Wet natuurbescherming is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Wet natuurbescherming Gelet op de afstand tot beschermde gebieden (anders dan Natura 2000-gebieden), de aard van de werkzaamheden en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht

16

6. Vervolgstappen Er zijn aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Dergelijk onderzoek is echter al reeds uitgevoerd door Econsultancy. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid. Dit is vastgelegd in het reeds beschreven mitigatieplan.

6.1.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de bevindingen is het reeds uitgevoerde nader dassenonderzoek van Econsultancy in 2019 nog steeds actueel en van toepassing. In het verlengde daarvan zijn ook de mitigerende maatregelen nog van toepassing, conform het mitigatieplan.

6.2.

Maatregelen bij de uitvoering

Voor beschermde, niet-vrijgestelde soorten en vogels met jaarrond beschermde nesten zijn de noodzakelijke mitigerende maatregelen samengevat in een rapportage van SAB uit 2019. Dit betreft maatregelen voor das, steenmarter, kleine marterachtigen en steenuil. Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen in de periode april t/m oktober. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals kauw, koolmees, vink en merel, en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, medio maart t/m medio juli. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna

17

Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Juli 2017. Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2022. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 2.1. februari 2023, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rosse Vleermuis Nyctalis noctula, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Juli 2017, Utrecht Bouwens, S., 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. 11 oktober 2017. IJdema, F.M., 2018. Rapport quickscan Flora en Fauna Hofsteeg tegenover 3 te Nistelrode. 28 november 2018. Econsultancy. Rapportnummer: 6324.003 IJdema, F.M., 2019. Rapport nader Dassenonderzoek Hofsteeg tegenover 3 te Nistelrode. 7 juni 2019. Econsultancy. Rapportnummer: 6324.009 SAB, 2019. Mitigatieplan Nistelrode, Hofsteeg. 30 september 2019. SAB adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling. Projectnummer: 190320 Websites, geraadpleegd 2023: atlasleefomgeving.nl bomen.meetnetportaal.nl decentrale.regelgeving.overheid.nl geocontent.rvo.nl natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl rug.maps.arcgis.com wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

18

Bijlage 1

Foto’s planlocatie

Het plangebied betreft een akker waar kort geleden maïs op werd verbouwd.

Ten noorden van het perceel ligt een kleinschalige houtopstand met dassenburchten.

19

In de houtopstand zijn diverse tunnels, alsmede loopsporen en voedselresten, van dassen aangetroffen.

Ten noorden van het plangebied ligt meer akkerland en enkele woningen met siertuinen.

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=db378b50-1e08-4d1a-852a-bb72b5e0383d