bestemmingsplan Toelichting (met wijzigingen)
Tekst van het document
Soepele toetsing
Het boerderijtype is toegestaan in een kernrandzone en in een bebouwingscluster Gesitueerd nabij hoofdgebouw. Geen dakkapellen. Er moet voldaan worden aan de algemeen geldende bijgebouwenregeling De erfafscheiding bestaat uit hagen en erfbeplanting Een functioneel erf met stoepen en een grindstrook tegen opspatten van regenwater. Rationele indeling. Elementen als moestuin, siertuin en boomgaard of hakhoutbosje met inheemse soorten worden gescheiden door hagen
Reguliere toetsing
Detailaspecten Materiaal gebruik (onderdelen)
Kleurgebruik (onderdelen) Detaillering
Soepele toetsing Soepele toetsing
Specifieke aspecten Bebouwingscluster/ kernrandzone
Bijgebouwen
Erfafscheidingen Tuin
Soepele toetsing
Reguliere toetsing Geen toetsing
De bovenstaande uitgangspunten zullen worden gehanteerd bij het ontwerp van de woning. Landschappelijke inpassing Daarnaast zal de woning landschappelijk worden ingepast overeenkomstig onderstaand inrichtingsplan. 40
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Bestaande situatie:
41
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Nieuwe situatie/landschappelijke inpassing:
42
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Met de stedenbouwkundige opzet is expliciet rekening gehouden met de ambities zoals verwoord in de Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties. De landschappelijke inpassing is vervolgens verankerd in de regels van dit bestemmingsplan:
Artikel 6 Algemene gebruiksregels 6.1 Algemeen Het is verboden gronden te gebruiken in strijd met de bestemming. 6.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden en gebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘Specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ conform de aanduiding ‘Specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’ is alleen toegestaan, indien de landschappelijke inpassing binnen maximaal 24 maanden na het onherroepelijk worden van
43
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
dit bestemmingsplan is aangelegd conform het inrichtingsplan en aldus in stand wordt gehouden. Onder inrichtingsplan wordt in deze planregels verstaan het landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in de bijlage 1 bij deze regels, met als kenmerk “Landschappelijke inpassing”.
44
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
HOOFDSTUK 5 RUIMTELIJKE EN MILIEUHYGIENISCHE ASPECTEN Bij elke ruimtelijke ingreep is het noodzakelijk om in beeld te brengen wat de invloed is op een aantal omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt per aspect weergegeven wat deze invloed is en of deze invloed acceptabel is. Met andere woorden of voldaan wordt aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Achtereenvolgens zal worden ingegaan op: •
Water
•
Natuur
•
Archeologie/Cultuurhistorie
•
Bodem
•
Geluid
•
Luchtkwaliteit
•
Externe veiligheid
•
Bedrijven en milieuzonering
•
Hoogspanningslijnen
•
Spuitzones
•
Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen
•
Geurhinder
•
Stikstof
•
M.E.R.-beoordeling
Per aspect zal geconcludeerd worden wat de impact is van de voorgestane ontwikkeling.
5.1 Water Door Econsultancy is een Rapportage watertoets opgesteld. De notitie, d.d. 10 december 2018, rapportnummer 6324.004 is integraal als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De watertoets is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. In deze rapportage is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (waterschap Aa en Maas en de gemeente Bernheze). 45
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
De watertoets is géén aparte procedure, maar is een traject dat geïntegreerd is in de procedure van het ruimtelijk plan of besluit. Uitgangspunt van de watertoets is dat een ruimtelijk besluit of plan geen slechtere waterhuishoudkundige situatie oplevert dan in het bestaande beleid is vastgelegd. Met het opstellen van de watertoets wordt beoogd dat water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen. Concreet betekent dit dat onderzocht moet worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Uiteindelijk moet het resultaat zijn dat een nieuw plan/project, dan wel een wijziging hiervan, hydrologisch neutraal is, of -indien mogelijk- een verbetering met zich meebrengt. In een zogenaamde "waterparagraaf" (onderdeel toelichting bestemmingsplan) wordt daarbij met name de wijze waarop de afvoer van hemelwater van daken en verhardingen plaats zal vinden, in de toelichting van het bestemmingsplan vastgelegd. De onderhavige watertoets ligt hieraan ten grondslag. Verhard oppervlak De planlocatie is voor zover bekend altijd in agrarisch gebruik en onbebouwd geweest. De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen. De herontwikkeling voorziet in de bouw van een woning en de inrichting van het perceel met een terras en parkeerplaatsen.
Er wordt uit gegaan dat de planlocatie in de toekomstige situatie voor circa 25 % verhard zal worden. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van ± 575 m2 (met inbegrip van bijgebouwen, erf verharding en/of bestrating). Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak dan ook toenemen met 575 m2. Waterbergingsopgave Uitgaande van het toekomstig verhard oppervlak en het hemelwaterbeleid van de gemeente Bernheze bedraagt wateropgave voor het plan 35 m3 (575 m2 x 0,06 m). In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het veiligstellen van deze wateropgave van 35 m³. Hemelwaterafvoersysteem In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen het plangebied worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is een voorbeeld uitgewerkt waarbij hemelwater wordt geborgen in een laagte in de tuin.
In een tuin kan zonder hinder tijdelijk water geborgen worden in lager gelegen onverharde delen. Na een heftige bui zal water even blijven staan en geleidelijk wegzakken. Het is aan te raden om de dieper gelegen delen van de tuin op enige afstand van de bebouwingen te realiseren. Hiermee wordt wateroverlast en schade in de toekomst voorkomen. Bij een verlaging van 0,3 m is circa 180 m2 tuinoppervlak benodigd om de totale wateropgave van 35 46
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
m3 te kunnen bergen. Hierbij is tevens uitgegaan van een relatief geleidelijk maaiveldverloop en een talud van 1 op 4. Het planvoornemen voorziet in voldoende ruimte om de wateropgave volledig te bergen.
Figuur Verbeelding laagte in de tuin
Riolering Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een toename in het aanbod van vuilwater op het riool. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Voor de toekomstige woning wordt uitgegaan van een gemiddelde bezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 0,3 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. CONCLUSIE Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
5.2 Natuur Door Econsultancy is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport, d.d. 28 november 2018, nummer 6324.003 is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de
47
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Toetsing aan gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 16 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 300 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. Het betreft droog bos met productie. Daarin ligt ook het natuurbeheertype kruiden- en faunarijk grasland. Circa 450 meter ten noordwesten van de locatie bevindt zich het natuurbeheertype hoogstamboomgaard. Daarnaast ligt evenals het natuurbeheertype kruiden- en faunarijk grasland. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast, mits geluid- en lichttoename niet zal toenemen in de richting van het Natuurnetwerk Nederland. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Toetsing aan soortenbescherming Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar de bij deze toelichting opgenomen rapportage van Econsultancy, d.d. 28 november 2018, rapportnummer 6324.003. Samengevat kan het volgende worden gesteld:
48
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
49
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
VOORLOPIGE CONCLUSIE De Das Op basis van de onderhavige quickscan flora en fauna dient voor uitvoering van de bouw middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de das rondom de onderzoekslocatie. Marterachtigen Ten aanzien van de bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel wordt er geadviseerd om met behulp van een ecologisch werkprotocol. AANVULLEND ONDERZOEK Dassen Het plangebied betreft een akker waar maïs op wordt verbouwd. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een bosperceel, hierbij gedefinieerd als de onderzoekslocatie voor onderhevig onderzoek. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een grindpad met aan de overzijde akkerland. Ten westen van het plangebied bevindt zich tevens akkerland. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een woonhuis met siertuin. Zie onderstaande afbeelding:
ONDERZOEK Het aanvullend onderzoek naar de das is uitgevoerd om vooraf aan de werkzaamheden de functie van de planlocatie voor de das in beeld te krijgen. Om te bepalen of de das gebruik maakt van de onderzoekslocatie is conform het Kennisdocument Das (BIJ12, versie 1.0, juli 2017), 2x een periode van 2 weken onderzoek uitgevoerd (tabel I). Tijdens de eerste 2 weken van dit onderzoek kon worden vastgesteld of de potentiële burcht in gebruik is. 50
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Vervolgens is in een 2 weken durend onderzoek in de kraamperiode onderzocht of de locatie in gebruik is als voortplantingsburcht. Hiervoor zijn per onderzoeksperiode twee wildcamera ingezet. Tijdens het plaatsen van de camera’s tijdens de eerste en tweede onderzoeksperiode is tevens de omgeving onderzocht op de aanwezigheid van eventuele nieuwe dassenpijpen en is gezocht naar sporen als wissels, prenten, latrines, mest- en snuitputjes. RESULTATEN Op de onderzoekslocatie is in de periode 7 t/m 21 december 2018 meerdere waarnemingen van de das gedaan. In de twee weken durende periode is de das op 10 dagen waargenomen, wat indiceert dat de das regelmatig gebruik van de burcht maakt (zie onderstaande afbeelding). Op alle beelden is slecht een enkele das waargenomen, waardoor het niet duidelijk is of er meerdere dassen van de burcht gebruik maakt. Naast de das zijn er in deze periode tevens waarnemingen gedaan van een merel, konijn, gaai, buizerd, vos, en koolmees. In de onderzoeksperiode 1 t/m 15 mei 2019 is de das niet meer waargenomen, echter zijn er op de onderzoekslocatie meerdere waarnemingen van een volwassen vos met minstens 6 jongen gedaan.
In de twee weken durende periode hebben de camera’s op 4 verschillende pijpen van de burcht verspreid over de onderzoekslocatie gestaan en op alle beelden zijn de jonge vossen waargenomen, wat indiceert dat de gehele burcht in gebruik is door de vossenfamilie (zie onderstaande afbeelding). Hoewel het mogelijk is dat de das en vos gedeeltelijk gebruik kunnen maken van de dassenburcht, indiceert het ontbreken van waarnemingen van de das gedurende deze periode dat de das (tijdelijk) niet aanwezig is in de burcht. Tevens sluiten deze beelden uit dat de burcht voor de das de functie van voortplantingsburcht heeft. VOORLOPIGE CONCLUSIE Op de planlocatie zelf zijn geen vluchtpijpen van de das aanwezig. Aan de noordelijke rand van de planlocatie is één pijp aanwezig, welke in vervallen staat verkeerd en hoogstwaarschijnlijk niet meer in gebruik is. In het bosperceel direct ten noorden van de planlocatie zijn actieve pijpen aanwezig. Uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat de das de burcht wel gebruik maakt van de burcht, maar dat de das niet het gehele jaar aanwezig is. Tevens is er uitgesloten dat de burcht voor de das een voortplantingsfunctie heeft. De burcht op de onderzoekslocatie heeft derhalve hoogstwaarschijnlijk enkel de functie van bijburcht.
Als gevolg van de voorgenomen plannen zullen geen pijpen verloren gaan, echter kunnen de werkzaamheden en de realisatie van een Ruimte-voor-Ruimte woning een verstorend effect kunnen hebben op de das. De initiatiefnemer is voornemens het gehele bosperceel in de toekomstige situatie te behouden en een duurzame barrière tussen de planlocatie en de bospassage te realiseren. De benodigde mitigerende maatregelen zullen worden vastgelegd in een mitigatieplan. De functionaliteit van de bijburcht van de das moet voor, tijdens en na uitvoer van de geplande activiteiten gegarandeerd kunnen worden door het treffen van mitigerende maatregelen. Deze maatregelen zullen worden opgenomen in een mitigatieplan. 51
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
MITIGATIEPLAN Sab Adviseurs heeft een mitigatieplan opgetseld. Het plan, d.d. 30 september 2019, projectnummeer 190320, is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In aanvulling op dit Mitigatieplan heeft Eceau een memo opgesteld (d.d. 11 oktober 2023, kenmerk ROC-1AC230919), welke memo ook als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Het Mitigatieplan moet in combinatie met deze Memo worden gelezen. Met de voorgenomen plannen en zonder aanvullende maatregelen bestaat de mogelijkheid dat de betreffende soorten verstoord worden in hun kwetsbare periode en daardoor hun verblijfplaats en/of nestlocatie verlaten. Daarnaast kunnen enkele rustplaatsen van kleine marterachtigen verloren gaan. In dat geval is sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Met mitigerende maatregelen is het echter mogelijkheid verstoring te voorkomen en daardoor de Wet natuurbescherming niet te overtreden. Deze mitigerende maatregelen worden in onderstaand mitigatieplan beschreven. Effect van de geplande ruimtelijke ingreep Dassen In- en nabij het plangebied zijn functies aanwezig van de das. Het betreft een vaste rust- en verblijfplaats in het bosperceel ten noorden van het plangebied in de vorm van een bijburcht en functioneel foerageergebied op het plangebied. De bijburcht heeft geen voortplantingsfunctie voor de das.
In de voorgenomen herontwikkeling vindt geen verplaatsing of vernietiging van een vaste rust- en verblijfplaats plaats, echter kunnen de werkzaamheden en de toekomstige realisatie van de Ruimte-voor-Ruimte woning een verstorend effect op de aanwezige das hebben. Steenuil Ten zuiden van het plangebied is een steenuilenkast waargenomen. Het is niet met zekerheid vastgesteld of de kast in gebruik is. In de nieuwe situatie is het leefgebied echter nog steeds functioneel voor een eventueel broedpaar. Een broedend steenuil paar is echter wel gevoelig voor verstoring, waardoor werkzaamheden in de broedperiode een negatief effect kunnen hebben. Kleine marterachtigen In het plangebied zijn meerdere potentiële verblijfplaatsen van kleine marterachtigen waargenomen. In de directe omgeving zijn echter voldoende alternatieve potentiële verblijfplaatsen aanwezig, waardoor de functionele leefomgeving niet significant negatief beïnvloed hoeft te worden door de voorgenomen plannen. Indien de dieren echter aanwezig zijn in de verblijfplaats in het plangebied tijdens de werkzaamheden kunnen de dieren echter wel verstoord, verwond of gedood worden. Alle bovengenoemde effecten zijn te voorkomen door voldoende mitigerende maatregelen te nemen.
Met de goede maatregelen kan verstoring, verwonding of doding van beschermde soorten voorkomen worden en wordt de functionele leefomgeving niet significant negatief beïnvloed, waardoor een ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is.
52
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Mitigerende maatregelen Das Dassenraster De bijburcht van de das ligt in het kleine bosperceel wat direct grenst aan het plangebied. Om te zorgen dat er zowel in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen verstoring van de burcht is, is het belangrijk dat er een duurzame barrière tussen het woonperceel en het bosperceel komt. Op deze manier kunnen de dassen niet per ongeluk op het woonperceel (of bouwperceel) terecht komen en daar verwond raken en kun-nen ook bewoners en eventuele honden van bewoners minder makkelijk bij de dassenburcht komen. Dassen zijn erg goede gravers en kunnen met gemak onder een normaal hekwerk doorgraven. Om een duurzame barrière te maken dient er daarom een dassenraster gerealiseerd te worden. Dit is een hekwerk waarvan het raster doorloopt tot onder de grond en afbuigt richting de dassenburcht. Dit maakt het zeer moeilijk voor de das om onder het hekwerk door te graven. In onderstaand figuur staat een voorbeeld weergegeven van een dassenraster. Omdat het woonperceel nog makkelijk toegankelijk moet blijven voor de bewoners, is het niet realistisch het dassenraster volledig rondom het woonperceel te plaatsen. Eén van de belangrijkste foerageergebieden voor de das zal de rest van de maisakker ten westen van het plangebied zijn.
Het is dus voornamelijk belangrijk om de dassen vanuit de burcht richting de akker te begeleiding en te zorgen dat de das op de terugweg naar de burcht niet gevangen raakt binnen het dassenraster. Om hier voor te zorgen wordt geadviseerd het dassenraster volledig om de noord-, west-, en zuidkant van het woonperceel te plaatsen. Indien mogelijk moet het raster ook nog een deel van de oostkant van het perceel afschermen indien de das vanuit het oosten richting de burcht gaat. Het is wel toegestaan een opening in het dassenraster te houden aan de oostkant van het woonperceel zodat er een oprit gemaakt kan worden voor de bewoners. De das heeft ten slotte geen reden zich op het woonperceel te bevinden, maar kan hier wel per ongeluk terecht komen. Op onderstaande figuur staat aangegeven waar de dassenrasters geplaatst dienen te worden en waar het optioneel geplaatst kan worden. Werken buiten de kwetsbare periode Een hoofdburcht van een das wordt jaarrond gebruikt door de das waardoor werk-zaamheden bij een dergelijke burcht zo veel mogelijk vermeden moeten worden. De burcht bij het plangebied is echter een bijburcht. Uit het aanvullende dassenonderzoek (Econsultancy, 2019) blijkt dat de burcht in de voortplantingsperiode niet gebruikt wordt. In het najaar wordt de burcht wel gebruikt.
Om verstoring van de burcht te minimaliseren dienen de verstorende werkzaamheden zo veel mogelijk plaats te vinden in de periode dat de burcht niet gebruikt wordt. De periode waarin de das het minst verstoring zal ervaren is in de periode januari tot en met augustus. Indien voor de bouw van een woning geheid moet worden, dient dit in deze periode te gebeuren. De aanleg van het dassenraster dient ook in de minst kwetsbare periode te gebeuren. Overige werkzaamheden, zoals de overige bouw van de woning en de aan-leg van buitenvoorzieningen, brengen over het algemeen minder hevige geluids- en trilling verstoring met zich mee. Deze werkzaamheden hoeven daarom niet per sé in de minst kwetsbare periode te gebeuren. 53
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Wel is het van belang dat het dassenraster al gerealiseerd is, voordat de andere werkzaamheden van start gaan. Dit om te voorkomen dat de das het bouwterrein betreedt en zichzelf hier kan verwonden. Steenuil Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een steenuilenkast. Het is niet uitgesloten dat deze kast gebruikt wordt om te broeden. Indien zich in de kast een steenuil broedpaar bevindt, zijn deze erg gevoelig voor verstoring door geluid en trilling. De broedperiode van de steenuil loopt van februari t/m juli. Indien voor de bouw van de woning geheid moet worden, dient dit buiten deze periode te gebeuren. Dit is een andere periode dan de kwetsbare periode van de das. Onderstaand wordt weergegeven welke periode de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden met inachtneming van de kwetsbare perioden van de verschillende soorten. Kleine marterachtigen Alternatieve verblijfplaatsen aanbieden Door de voorgenomen plannen gaan een aantal potentiële verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen verloren. Kleine marterachtigen hebben altijd meerdere verblijfplaatsen binnen hun territorium. Om er zeker van te zijn dat er te allen tijde voldoende verblijfplaatsen in de omgeving aanwezig zijn. Dient een marterhoop gerealiseerd te worden. Een marterhoop bestaat een bodem van dun materiaal zoals takjes, riet of gras.
Daarop komt een kern, bestaande uit gestapelde stammen en dikke takken van minimaal een meter hoog. In de holten die ontstaan worden vervolgens takken en twijgen gestoken. Zo wordt voorkomen dat de stapel snel inzakt. Vervolgens wordt de marterhoop voorzien van een isolerende laag riet of hooi, van minimaal een halve meter dik. Deze laag wordt idealiter jaarlijks aangevuld om de isolatiewaarde te behouden. Onderhoudsvriendelijker is het om de marterhoop te voorzien van een nestkast of bijvoorbeeld betonnen U-elementen voorzien van hooi. De marterhoop is minimaal één meter hoog, twee meter breed en drie meter lang. Onderstaand is een schets van een marterhoop te vinden. Kleine marterachtigen maken vaak gebruik van randzones om zich te verplaatsen. De marterhoop dient aangebracht te worden in de bosrand van één van de omliggende kleine bospercelen. Planning mitigerende maatregelen In bovenstaande hoofdstukken is per soort beschreven welke maatregelen getroffen dienen te worden en wanneer bouwactiviteiten en realisaties van maatregelen plaats mogen vinden. Het is van belang dat de maatregelen in de goede volgorde en in de goede perioden gebeuren. De volgorde van de maatregelen en activiteiten is als volgt: 1. Plaatsen marterhoop in omgeving (jaarrond mogelijk). 2. Bouwrijp maken van het plangebied (oktober t/m half maart). 3.
Plaatsen van het dassenraster (januari t/m half augustus). 4. Eventueel heien (januari of augustus). 5. Overige bouwwerkzaamheden (jaarrond wanneer maatregelen zijn getroffen). Onderstaand is schematisch weergegeven wat de geschikte perioden voor het uitvoeren van mitigerende maatregelen en het realiseren van de voorgenomen plannen zijn. Tevens zijn de kwetsbare perioden van de verschillende soorten weergegeven. 54
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Actualisatie Ecologische Quickscan Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. Tevens biedt de ecologische quickscan inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. In het kader van het voornemen is op 29 oktober 2018 een ecologische quickscan uitgevoerd door Econsultancy (IJdema, 2018). Aan de hand van deze quickscan is tevens een nader dassenonderzoek (IJdema, 2019) uitgevoerd en een mitigatieplan kleine marterachtigen, steenmarter, das en steenuil (SAB, 2019) opgesteld. Ecologische onderzoeken zijn doorgaans drie jaar
55
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
geldig in het kader van juridische procedures. Gezien de uitvoerdatum van het reeds uitgevoerde onderzoek, is een actualisatie uitgevoerd. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Conclusies Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Hofsteeg te Nistelrode is een actualisatie van een reeds uitgevoerde ecologische quickscan uitgevoerd. De quickscan was uitgevoerd door Econsultancy op 29 oktober 2018. Het realiseren van een nieuwe woning op een perceel dat thans in gebruik is als akkerland geeft aannemelijk verstoring voor mogelijk aanwezige dassen, steenmarters, kleine marterachtigen en steenuilen. Actualisatie •
De bevindingen van de actualisatie komen geheel overeen met de quickscan van Econsultancy uit 2018
•
Ten aanzien van dassen, steenmarters, kleine marterachtigen en steenuilen is, gezien de grote overeenkomsten in bevinden, het reeds uitgevoerde nader dassenonderzoek, alsmede de in het verlengde daarvan opgestelde mitigatieplan als actueel aan te merken.
Vervolgstappen •
Er zijn aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Dergelijk onderzoek is echter al reeds uitgevoerd door Econsultancy.
•
Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid. Dit is vastgelegd in het reeds beschreven mitigatieplan.
•
Naar aanleiding van de bevindingen is het reeds uitgevoerde nader dassenonderzoek van Econsultancy in 2019 nog steeds actueel en van toepassing. In het verlengde daarvan zijn ook de mitigerende maatregelen nog van toepassing, conform het mitigatieplan.
CONCLUSIE Indien de werkzaamheden en de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimte woning conform het mitigatieplan worden uitgevoerd, wordt verstoring ten opzichte van de das, steenuil en kleine marterachtigen voorkomen en wordt een ontheffing niet noodzakelijk geacht. Ter meerdere zekerheid is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen. Het aspect natuur vormt alsdan geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3 Archeologie/Cultuurhistorie Archeologie In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed.
56
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Door Econsultancy is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het rapport, d.d. 13 mei 2019, kenmerk 6324.002 is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Binnen het kader van de Erfgoedwet (juli 2016), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, is men verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de Bouwverordening, alsmede een bestemmingsplanherziening. Doel van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek is erop gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens zullen, indien mogelijk, kansrijke en kansarme zones worden geïdentificeerd. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel plan-aanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting De gespecificeerde archeologische verwachting is met name gebaseerd op de gunstige landschappelijke ligging vanwege het kleine aantal eerder uitgevoerde onderzoeken binnen het onderzoeksgebied. De verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum is laag, vanwege de grote afstand tot stromend water gedurende deze periodes. De verwachting vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd is hoog, vanwege de hogere ligging op de peelhorst. Conclusie bureauonderzoek De gespecificeerde archeologische verwachting is met name gebaseerd op de gunstige landschappelijke ligging vanwege het kleine aantal eerder uitgevoerde onderzoeken binnen het onderzoeksgebied.
De verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum is laag, vanwege de grote afstand tot stromend water gedurende deze periodes. De verwachting vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd is hoog, vanwege de hogere ligging op de peelhorst.
57
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Resultaten inventariserend veldonderzoek Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat het archeologisch niveau, namelijk de top van het dekzand, in het plangebied ongestoord aanwezig is. De gespecificeerde archeologische verwachting wordt behouden. Advies Econsultancy Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging op de hooggelegen Peelhorst de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De gespecificeerde archeologische verwachting is met name gebaseerd op de gunstige landschappelijke ligging vanwege het kleine aantal eerder uitgevoerde onderzoeken binnen het onderzoeksgebied. De verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum is laag, vanwege de grote afstand tot stromend water gedurende deze periodes. De verwachting vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd is hoog, vanwege de hogere ligging op de Peelhorst. De aangetroffen bodemopbouw komt overeen met de verwachting op basis van het bureau onderzoek.
In alle boringen is sprake van een deel van een podzolprofiel in dekzand. In één boring zijn onder het dekzand rivierafzettingen aangetroffen, die vallen onder de Formatie van Beegden. Op de podzolprofielen is een plaggendek aangetroffen, met een dikte tussen de 35 en 75 cm. Het archeologisch niveau, wat wordt verwacht in de top van het dekzand, is intact. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureau onderzoek, wordt behouden. Op basis van het behoud van een hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Op basis van boring 2 kan de top van het dekzand vanaf 35 cm onder maaiveld verwacht worden. Daarom wordt aangeraden om bodemingrepen te beperken tot de eerste 30 cm onder maaiveld. Mocht het niet mogelijk zijn om de archeologische waarden in situ te behouden, dan adviseert Econsultancy om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren gericht op alle periodes.
Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
58
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Advies Monumentenhuis Brabant Het advies en de rapportage van Econsultancy zijn voorgelegd aan het Monumentenhuis Brabant (adviseur gemeente). Het Monumentenhuis komt tot de volgende conclusie: Met het advies, zoals gegeven door het onderzoeksbedrijf, kan worden ingestemd met de volgende kanttekening. Het advies tot het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek als behoud in situ niet mogelijk blijkt, is correct op basis van de archeologische monumentencyclus. Echter voor de realisatie van één woning lijkt dit toch een te zware belasting. In dit geval zou het plangebied voor de voorgenomen ontwikkeling kunnen worden vrijgegeven. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ dient o.i. wel in het bestemmingsplan overgenomen te worden voor eventuele toekomstige grootschaliger ontwikkelingen. Monumentenhuis Brabant adviseert, in het gemeentelijk selectiebesluit op te nemen, dat de voorziene planontwikkeling mag plaatsvinden onder voorwaarden. Bij eventuele toevalsvondsten dient hiervan melding te worden gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Cultuurhistorie Algemeen Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening.
Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 in het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle en cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen. Onderstaand een afbeelding van de Cultuurhistorische waardenkaart:
59
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Onderzoek Uit deze kaart blijkt, dat binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn gelegen, noch sprake is van een cultuurhistorisch waardevol landschap. CONCLUSIE Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Nader onderzoek is niet nodig. Ook cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief.
5.4 Bodem Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de initiatieflocatie. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725:2009 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn verricht onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002. De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Het onderzoeksrapport, d.d. 30 november 2018, met als nummer 6324.001, is integraal als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
60
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Samenvatting Vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Veldonderzoek De bodem bestaat voornamelijk uit matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus en lokaal zwak grindhoudend. De ondergrond is plaatselijk zwak siltig en zwak tot matig grindig. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. Deze metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metaal in het grondwater. CONCLUSIE Gelet op het regionale karakter van de lichte zinkverontreiniging in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd.
Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten, waardoor nader onderzoek naar asbest in bodem/puin niet behoeft te worden uitgevoerd. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
5.5 Geluid Ingevolge de Wet geluidhinder moet de geluidbelasting vanwege een weg worden bepaald door middel van een akoestisch onderzoek. Niet alleen wordt hiermee uitsluitsel verkregen over de te verwachten geluidsbelasting over 10 jaar maar ook of en met welke planologische maatregelen eventueel nog wel kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Het resultaat van dit onderzoek, betrekking hebbende op de verkeersintensiteit en het wegdek van alle wegen met een geluidszone die strekt over de planlocatie, wordt getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Econsultancy heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van een nieuwbouwwoning aan de Hofsteeg te 61
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Nistelrode. De rapportage, d.d. 20 november 2018, kenmerk 6324.005 is integraal als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Berekeningsresultaten De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 4.41. Alle resultaten zijn inclusief een aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder weergegeven, tenzij expliciet anders vermeld. De berekende geluidsbelasting voor de woning is in tabel 4.1 beknopt weergegeven, de volledige berekeningsresultaten zijn in bijlage 3 van de rapportage opgenomen.
De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woning bedraagt maximaal 39 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. CONCLUSIE Er gelden, rekening houdend met de bestaande rooilijn, vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
5.6 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden ter vervanging van het Besluit luchtkwaliteit 2005. De nieuwe Wet luchtkwaliteit ziet op een actualisatie van de luchtkwaliteitseisen, zoals opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. Het project zelf biedt geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het project het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. Voor projecten van geringe omvang geldt bovendien op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en op grond van het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) dat hiervoor geen afzonderlijke luchtkwaliteit toets nodig is. Dit is het geval als aannemelijk is dat een project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. In de ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) van 31 oktober 2007 worden enkele concrete projecten of activiteiten genoemd waarbij het voorgaande in ieder geval van toepassing is en waarvoor dus geen specifieke luchtkwaliteit toets hoeft te worden uitgevoerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van minder dan 100.000 m² of woningbouwprojecten van niet meer dan 1.500 woningen.
62
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Goede ruimtelijke ordening Het Besluit gevoelige bestemmingen benadrukt het belang van een ‘goede ruimtelijke ordening', maar is geen volledige invulling daarvan voor het aspect luchtkwaliteit. Het Besluit dekt niet alle gevoelige situaties. Zo gaat het Besluit niet over bijvoorbeeld woningen en drukke binnenstedelijke wegen. Ook zegt het Besluit niets over gezondheidseffecten beneden de grenswaarden. Daarom blijft het belangrijk om de blootstelling aan luchtverontreiniging een plek te geven in de onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening. Beoordeling Het plan voorziet in de realisatie van één vrijstaande woning. Geconcludeerd kan worden dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid c van de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteitseisen leveren derhalve geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. Het plan wordt niet aangemerkt als een luchtkwaliteit gevoelige bestemming. Met behulp van de NSL-monitoringstool is beoordeeld of er langs de Heescheweg sprake is van een (dreigende) normover-schrijding. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2016, 2020 en 2030 voor de relevante stoffen de resultaten weergegeven. Tabel Resultaten jaren 2016, 2020 en 2030 langs de Heescheweg stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM10 overschrijdingsdagen PM2,5 concentratie
2016 20,7 µg/m3 19,4 µg/m3 7,1 dagen 12,0 µg/m3
2020 15.9 µg/m3 19,9 µg/m3 7,5 dagen 12,3 µg/m3
2030 11,0 µg/m3 16,8 µg/m3 6,0 dagen 9,7 µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. CONCLUSIE Onderhavig plan voorziet in een enkele woning. Gezien de beperkte omvang hiervan draagt deze “niet in betekenende mate” bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een Luchtkwaliteitonderzoek is derhalve niet nodig. Het plan is niet in strijd met de Wet luchtkwaliteitseisen.
5.7 Externe veiligheid Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
63
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.
De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeenten Lith, Maasdonk, Bernheze en Landerd hebben de Beleidsvisie externe veiligheid opgesteld met als doel het verduidelijken en nader invullen van het beleidsthema externe veiligheid. De centrale ambitie is dat de gemeenten streven naar het optimaliseren van externe veiligheid in de gemeenten. Deze ambitie is uitgewerkt in 6 deelambities: 1. In ruimtelijke plannen de bestaande veiligheidssituatie zoveel mogelijk te optimaliseren en te beheren en het ontstaan van nieuwe externe veiligheidsknelpunten te vermijden. 2. Dit wordt bereikt door allereerst de signalering van EV-relevante situaties te verbeteren door het maken van een signaleringskaart. 3. De externe veiligheidsrisico’s van het transport van gevaarlijke stoffen te onderzoeken en bij ruimtelijke- of verkeersbesluiten rekening te houden met deze risico’s. Daar waar de provincie of de Rijksoverheid beheerder is van de transportassen, volgen de gemeenten de ontwikkelingen op het gebied van risico-inventarisatie en wet- en regelgeving actief. 4. Zorg te dragen voor actuele en adequate milieu-, bouw- en gebruiksvergunningen bij risicovolle bedrijven; 5. Zorg te dragen voor adequaat toezicht en handhaving van risicovolle bedrijven; 6.
Optimaal voorbereid te zijn op calamiteiten en rampen bij situaties waar de externe (on-) veiligheid aanwezig is Vervoer gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid 64
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer. Beoordeling van het plangebied Bedrijven Het besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) bevat veiligheidsnormen voor bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein.
Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen, LPG-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Daardoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit wil die risico’s beperken. Het verplicht gemeenten en provincies rekening te houden met externe veiligheid bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen. Het bevoegd gezag kan op grond van het Bevi een veiligheidscontour vaststellen rond een gebied waar risicovolle inrichtingen liggen. Dit is de grens tot waar de risicocontouren (PR10-6) van bedrijven mogen uitbreiden. Binnen de contour wordt niet meer getoetst aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico. Zo kan het bevoegd gezag ruimte reserveren voor de groei van risicovolle bedrijven. Binnen de veiligheidscontour is woningbouw, of de bouw of vestiging van andere kwetsbare objecten, niet toegestaan. Op die manier kan een veiligheidscontour worden ingezet om de ruimte van een nieuw bedrijventerrein te verdelen tussen een gebied bestemd voor risicovolle activiteiten en een gebied bestemd voor (beperkt) kwetsbare bestemmingen (zoals woningen). In de volgende figuur is een uitsnede van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant.
65
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Figuur Uitsnede risicokaart Noord-Brabant De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen een te hanteren afstand tot een inrichting die is aangeduid op de kaart externe veiligheid van de provincie Noord-Brabant. Bovendien heeft de kleinschalige ontwikkeling, gesitueerd op verre afstand van bedrijven in het kader van Bevi geen invloed op het groepsrisico. Transport Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Bernheze bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten kunnen plaatsvinden is de Rijksweg A50. Deze is gelegen op circa 1,2 km afstand van het plangebied. Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies, d.d. 15 januari 2020, is verwerkt in de verantwoording en als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk.
Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. 66
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.
Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. 67
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Vervoer over water In de omgeving van het plangebied bevindt zich geen waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit aspect is dus evenmin van toepassing. Buisleidingen Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande transportleidingen voor gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. Ten westen van het plangebied ligt op circa 750 meter een tweetal landelijke hogedruk aardgastransportleidingen. Het grootste invloedsgebied van leidingen in Nederland bedraagt 620 meter. Er bestaat geen overlap met het invloedsgebied van de leidingen en het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing. CONCLUSIE Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.
5.8 Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Hiervoor wordt in het algemeen gebruikt gemaakt van de categorie-indeling op basis van de VNGbrochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2012. In deze brochure worden richtafstanden gegeven van functies op o.a. gevoelige bestemmingen. Deze brochure kan ook omgekeerd worden toegepast. De bestaande bedrijven hebben invloed tot op een bepaalde afstand. Indien binnen die afstand de gevoeligheid verandert, heeft dat invloed op een bestaand bedrijf. In het kader dit onderzoek wordt bezien welke bedrijven in de omgeving aanwezig zijn wiens invloedgebied reikt tot de nieuwe gevoelige bestemmingen. Voor zover dit van toepassing is dient vervolgens bezien te worden welke invloed er te verwachten is. De bevindingen voor wat betreft de milieuzonering zijn hieronder opgenomen.
68
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
Beoordeling situatie Het plangebied ligt in het bestemmingsplan Buitengebied Bernheze (geheel onherroepelijk, d.d. 08 oktober 2014). Op basis van de vigerende bestemmingen is onderstaande afbeelding opgesteld.
Uit bovenstaande afbeelding blijkt, dat er overwegend burgerwoningen in de nabijheid van het plangebied liggen en op enige afstand van de onderzoekslocatie een agrarisch bedrijf. Het is mogelijk dat deze activiteit hinder voor de beoogde ontwikkeling veroorzaakt of belemmerd wordt door de beoogde ontwikkeling. Agrarisch bedrijf aan ‘Hoekske Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied” heeft deze locatie de bestemming “Agrarisch met waarden – leefgebied dassen” met functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Op het bedrijf zijn in ieder geval varkens en biggen aanwezig, als gevolg waarvan voor dit bedrijf op basis van de VNGbrochure een richtafstand van 200 meter aangehouden moet worden voor het aspect geur. Geur wordt in de volgende paragraaf behandeld. De grootste afstand die vervolgens aangehouden moet worden ten opzichte van de nieuwe woonfunctie is 50 meter voor wat betreft geluid. De grens van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf ten opzichte van het nieuwe woonfunctie bedraagt circa 200 meter. Bovendien zijn op veel kortere afstand van het bedrijf al bestaande woningen gelegen. De nieuwe woning zal het agrarisch bedrijf derhalve niet belemmeren in zijn bedrijfsvoering en andersom zal het agrarisch bedrijf (voor het aspect geluid) geen hinder veroorzaken richting de initiatieflocatie, waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. 69
Bestemmingsplan Hofsteeg ong. (tegenover 3) Nistelrode Toelichting
CONCLUSIE De voorgenomen ontwikkeling zal het in de nabijheid gelegen agrarisch bedrijf niet belemmeren in de bedrijfsvoering en andersom geen hinder ondervinden van het bedrijf, waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het aspect geur komt in de volgende paragraaf aan de orde.