CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan 'Schaapsdijk 1a, Loosbroek' - Toelichting

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 17 september 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Schaapsdijk 1a, Loosbroek13.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting

Schaapsdijk 1a Loosbroek

Toelichting

Datum: Status:

1 mei 2024 Vastgesteld

Inhoudsopgave 1 Inleiding ............................................................................................................................ 1 1.1 Huidige en gewenste situatie ................................................................................................ 2 1.2 Ruimtelijke en functionele structuur ...................................................................................... 2 2 Planologisch kader ............................................................................................................ 3 2.1 Rijksbeleid........................................................................................................................... 3 2.1.1 De Ladder voor duurzame verstedelijking ....................................................................... 3 2.2 Provinciaal beleid ................................................................................................................. 4 2.2.1 Structuurvisie ............................................................................................................... 4 2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant ...................................................................................... 5 2.2.3 Interim omgevingsverordening ......................................................................................

6 2.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................. 9 2.3.1 Structuurvisie ............................................................................................................... 9 2.3.2 Bestemmingsplan.........................................................................................................11 2.3.3 Woonvisie ...................................................................................................................13 3 Ruimtelijke aspecten ....................................................................................................... 14 3.1 Stedenbouw en landschap ...................................................................................................14 3.2 Verkeer en infrastructuur ....................................................................................................14 3.3 Cultuurhistorie en archeologie .............................................................................................15 3.4 Externe veiligheid ...............................................................................................................16 4 Milieuaspecten .................................................................................................................

19 4.1 Geluid ................................................................................................................................19 4.2 Luchtkwaliteit .....................................................................................................................19 4.3 Geur ..................................................................................................................................22 4.4 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................22 4.5 Gezondheid ........................................................................................................................26 4.6 Water ................................................................................................................................27 4.7 Natuur ...............................................................................................................................31 4.8 Bodem ...............................................................................................................................32 4.9 Overig ................................................................................................................................32 5 Uitvoerbaarheid en procedure .........................................................................................

34 5.1 Economische uitvoerbaarheid ..............................................................................................34 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................34 5.3 Te volgen procedure ...........................................................................................................34 6 Conclusie ......................................................................................................................... 35 Bijlage ................................................................................................................................. 36

1 Inleiding De locatie Schaapsdijk 1a betreft een bouwkavel ten behoeve van een vrijstaande woning op basis van ruimte voor ruimte. Initiatiefnemers wensen op de kavel een twee-onder-één kap woning te realiseren. Hiervoor is reeds een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten. Om dit mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig. Onderhavige onderbouwing vormt de toelichting bij het bestemmingsplan. Met het bestemmingsplan wordt de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ gewijzigd naar twee-aaneen.

Ligging

De locatie is gelegen aan de rand van de kern Loosbroek in de gemeente Bernheze. Het betreft de kadastrale percelen Bernheze, sectie D nummers 1770 en 1875. Voorheen lag deze locatie buiten de bebouwde kom. Met het bestemmingsplan ‘Schaapsdijk, Loosbroek’ komt de locatie in stedelijk gebied te liggen. Het bestemmingsplan ‘Schaapsdijk, Loosbroek’ heeft reeds in ontwerp ter inzage gelegen. Dit is uitgangspunt voor deze onderbouwing. De ligging is weergegeven op onderstaande afbeelding evenals het bovenaanzicht van de locatie.

Afbeelding 1: Ligging in de omgeving, bron: ruimtelijkeplannen.nl

1

Afbeelding 2: Bovenaanzicht locatie, bron: ruimtelijkeplannen.nl

1.1 Huidige en gewenste situatie De locatie Schaapsdijk 1a betreft nu een bouwkavel ten behoeve van een vrijstaande woning. In de beoogde situatie is een twee-onder-één kap woning toegestaan. Enkel de aanduiding dient gewijzigd te worden.

1.2 Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied is gelegen tegen het nieuwbouwplan Schaapsdijk, Loosbroek waarvoor nu een bestemmingsplanprocedure loopt. Ook onderhavige locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan. De locatie behoort hiermee tot de kern van Loosbroek. In de straat zijn met name vrijstaande woningen gelegen in de richting van het buitengebied. Verder de kern in gaat de bebouwing over in geschakelde woningen. Aan de overzijde zijn bedrijven gevestigd.

2

2 Planologisch kader De ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als deze past binnen het gestelde beleid door de diverse overheden. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.

2.1 Rijksbeleid In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De SVIR is vastgesteld en inwerking getreden op 13 maart 2012. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040. Het doel van deze structuurvisie is een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland creëren. Het Rijk richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:  Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland;  Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt daarnaast 13 nationale belangen. hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In het MIRT wordt de samenhang van deze rijksbelangen met decentrale belangen en regionale opgaven besproken.

De nationale belangen uit de SVIR worden op basis van de Wet ruimtelijke ordening juridisch geborgd middels twee besluiten. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een gedeelte van de bepalingen in het Barro worden in de regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitgewerkt. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen betrekking op de nationale projecten zoals genoemd in het Barro. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. Aspecten waaronder milieu, waterhuishouding en overige zaken welke van belang zijn en geborgd zijn middels het Bro zullen in deze toelichting worden getoetst.

2.1.1 De Ladder voor duurzame verstedelijking Vanaf 1 juli 2017 moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken op grond van artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden getoetst aan de nieuwe ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Artikel 3.1.6 tweede lid van het Bro luidt als volgt:

‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.’ Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' 3

In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling dat: 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.’ Onderhavige ontwikkeling betreft de toevoeging van één woning. De laddertoets is derhalve niet vereist.

2.2 Provinciaal beleid Het planologische beleid van de provincie is verwoord in de structuurvisie ruimtelijke ordening en juridisch geborgd middels de Interim omgevingsverordening.

2.2.1 Structuurvisie Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Deze partiële herziening is in werking getreden op 19 maart 2014. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. De locatie aan Schaapsdijk 1a is gelegen in ‘Kernen in het landelijk gebied’. De provincie onderscheidt binnen de stedelijke structuur twee ontwikkelingsperspectieven: stedelijk concentratiegebied en kernen in het landelijk gebied. De kernen in het landelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorzien in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken, voorzieningen).

Ruimtelijke kwaliteit

De provincie vindt het belangrijk dat gemeenten in hun structuurvisies aandacht geven aan de wijze waarop stedelijke ontwikkelingen het eigen karakter van de kernen en de relatie met het landschap kunnen versterken. De stedelijke ontwikkelingen passen qua maat en schaal bij de kern. De ontwerpopgave hangt daarnaast samen met de historische gegroeide identiteit van de kern en omliggend landschap en met de fase van verstedelijking van de kern.

Wonen

De kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van 'migratiesaldo-nul'. Er is ruimte beschikbaar voor specifieke verbeterprojecten van enige omvang. Het gaat om kwalitatieve verbeteringen in bestaand stedelijk gebied zoals het saneren van milieuhinderlijke bedrijvigheid in de kern en het behouden van vrijkomende cultuurhistorisch waardevolle complexen. Regionale afstemming vindt plaats in de regionale agenda's voor wonen.

4

Werken

In de kernen in het landelijk gebied hanteert de provincie als uitgangspunt dat alleen bedrijven worden gevestigd die qua aard, schaal en functie in de omgeving passen. Gemeenten hebben ruimte voor vestiging van kleinschalige en middelgrote bedrijvigheid. Als doorgroei van bedrijven ertoe leidt dat deze qua aard, schaal of functie niet meer passen in de omgeving, wil de provincie dat deze worden opgevangen op een daarvoor geschikt terrein in het stedelijk concentratiegebied.

Voorzieningen

In de kernen in het landelijk gebied hanteert de provincie als uitgangspunt dat er alleen voorzieningen worden gevestigd die qua aard, schaal en functie passen. Dit zijn voorzieningen met een lokaal verzorgingsgebied.

Afbeelding 3: Uitsnede structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

De locatie is door de gemeente opgenomen in de kern van Loosbroek. De locatie en daarachterliggende gebied is geschikt bevonden voor woningbouw. Daarnaast is door de gemeente bepaald dat behoefte is aan nieuwe woningen in het gebied. De locatie heeft de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – wonen en werken’. Bedrijven in de milieucategorie 1 zijn hier toegestaan, en passend bevonden. Dit is passend in het beleid en de visie van de gemeente voor dit gebied.

2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

5

2.2.3 Interim omgevingsverordening Op 25 oktober 2019 hebben Gedeputeerde Staten de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Sindsdien is deze enkele malen aangepast. Alle wijzigingen zijn verwerkt in de geconsolideerde versie van 15 april 2022. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De beleidsneutrale omzetting betekent niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. De wijzigingen zijn in de toelichting van de verordening toegelicht en zijn schematisch weergegeven in het Nu-Straks overzicht, dat als bijlage in de toelichting is opgenomen. Op hoofdlijnen gaat het om:  een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder bijlagen;  aanpassingen waardoor de regels beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden;  aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. De locatie is gelegen in ‘Stedelijk gebied, Landelijke kern’.

Daarnaast is de locatie gelegen in waterwingebied en een boringsvrije zone. De werkzaamheden gaan echter niet zo diep dat dit een belemmering is.

6

Afbeelding 4: Uitsnede kaarten behorende tot Interim Omgevingsverordening

Hierboven is de locatie weergegeven op de van toepassing zijnde kaarten behorende tot de Interim Omgevingsverordening. Naast de regels specifiek voor de gebieden waarin de locatie is gelegen, zijn de instructieregels voor gemeenten en waterschappen van toepassing. Hieronder wordt getoetst aan de regels welke van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling.

Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie.

7

Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; 2. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: 1. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

3. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 1. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 2. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. De locatie is gelegen in stedelijk gebied op het perceel waar de bouw van een vrijstaande woning reeds toegestaan is. In de gemeente is vraag naar nieuwe burgerwoningen om daarmee de wooncapaciteit uit te breiden. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaande locatie met de bestemming ‘Wonen”, gelegen in stedelijk gebied.

Hiermee wordt toepassing gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik.

8

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Omgevingsvisie Op 7 maart 2024 is de omgevingsvisie Bernheze 2040 vastgesteld. Dit is een richtinggevende visie voor de fysieke leefomgeving. Nieuwe initiatieven worden getoetst op basis van deze omgevingsvisie. De Omgevingswet verplicht gemeenten een omgevingsvisie op te stellen. Het schets de ambities voor de komende 20 jaar. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving behouden en versterken. Daarvoor hanteren we de volgende aanknopingspunten om slim met de ruimte om te gaan: • Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen; • Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan; • Voorkomen van afwenteling. Deze omgevingsvisie vervangt de gemeentelijke structuurvisie en andere lange termijn visies op de fysieke leefomgeving van de gemeente, tenzij de omgevingsvisie niet of nauwelijks aandacht besteed aan een beleidsdomein. Hieronder de ambities van de gemeente in vijf thema’s. Voor onderhavige ontwikkeling zal het thema ‘leefbare kernen’ het meeste raakvlakken hebben.

Afbeelding 5: Ambities

Gezonde leefomgeving

De bedoeling is een gezonde leefomgeving te realiseren door de kwaliteit van de lucht, bodem en water te verbeteren. De overlast door geur, geluid en dergelijke bij voorkeur terugdringen in en nabij de kernen, evenals de risico’s van zoönose. Onderhavige ontwikkeling is getoetst aan het huidig beleid op deze aspecten en voldoet. De ontwikkeling kan niet bijdragen aan het terugdringen van de overlast het betreft immers geen bedrijf dat emissies uitstoot. Gezondheid is ook zorgen voor elkaar, het bouwen aan gemeenschappen en inwonerscollectieven voor wonen, voedsel, energie en dergelijke en het benutten van het erfgoed voor maatschappelijke functies. Onderhavige ontwikkeling betreft geen erfgoed maar draagt wel bij aan het aanbod van woningen waarnaar vraag is binnen de gemeente.

Leefbare kernen

De leidende principes voor dit gebied voor de ambitie ‘leefbare kernen’ ziet verder niet op onderhavige ontwikeling met uitondering van het klimaatbestendig bouwen. Gezien de huidige normen voor nieuwbouw woningen wordt hier rekening mee gehouden in het ontwerp.

9

Klimaatbestendig en biodiversiteit

Klimaatverandering en de sterke afname aan biodiversiteit vragen om ingrijpende maatregelen op het hele grondgebied van Bernheze. Verdroging en extreme wateroverlast zijn twee uitersten waar de gemeente zich op voor wil bereiden. Onderhavige ontwikkeling draagt hieraan bij door het hemelwater op eigen terrein op te vangen en te infiltreren.

Vitale en duurzame landbouw & economie

Onderhavige ontwikkeling betreft geen landbouw of economische functie. Wel is onderzocht of de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft voor de omliggende functies waaronder bedrijven, zowel agrarisch als niet-agrarisch.

Kwaliteit landschap en erfgoed

Het landschep in Bernheze is uniek en divers, gezien de ligging van de hoge Peelhorst, de Peelrandbreuk en de kenmerkende wijstgronden (Geopark), de flanken met lager gelegen kommen en het laag gelegen beekdallandschap. De kenmerken van dit landschap dient behouden te blijven. Daarnaast dient het erfgoed behouden te blijven maar wordt wel ruimte geboden aan nieuwe ontwikkelingen die hieraan geen afbreuk doen maar juist een toevoeging zijn. Onderhavige locatie betreft geen erfgoed. Daarnaast was deze locatie reeds bestemt voor woningbouw, hetzij in een andere vorm. De ontwikkeling doet derhalve geen afbreuk aan het landschap of erfgoed. Dit wordt in deze onderbouwing ook verder getoetst. De gemeente wordt opgedeeld in drie gebieden. Onderhavige locatie is gelegen ter plaaste van de dekzandgronden. De themakaart geeft aan dat de locatie is gelegen in zoekgebied voor onder andere wonen. De ontwikkeling past binnen dit thema.

Afbeelding 6: Gebiedsindeling

10

Afbeelding 7: Uitsnede themakaart

2.3.2 Bestemmingsplan Op de locatie gelden de bestemmingsplannen ‘Schaapsdijk – Krommedelseweg Loosbroek’, vastgesteld 10 maart 2016 en ‘Schaapsdijk, Loosbroek’, vastgesteld 11 november 2019. Conform het eerstgenoemde bestemmingsplan heeft de locatie de enkelbestemming ‘Wonen’ met een bouwvlak, de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’, specifieke vorm van wonen – wonen en werken’ en gedeeltelijk de functieaanduiding ‘ontsluiting’. Daarnaast heeft de locatie de bouwaanduiding ‘vrijstaand’, een maatvoerings- en gebiedsaanduiding. Met het bestemmingsplan ‘Schaapsdijk, Loosbroek’ wordt de locatie aan de bebouwde kom toegevoegd. In het bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ gewijzigd kan worden in ‘twee-aaneen’. Dit wordt daarom mogelijk gemaakt middels een partiële herziening.

11

Afbeelding 8: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Schaapsdijk – Krommedelseweg Loosbroek

12

Afbeelding 9: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Schaapsdijk, Loosbroek

2.3.3 Woonvisie In de Woonvisie 2022-2026 heeft de gemeente de woningbouwopgave beschreven. In de periode tot en met 2026 worden 1.160 woningen toegevoegd. Gezorgd wordt voor voldoende planvoorraad, waarbij rekening gehouden wordt met planvertraging of -uitval. In alle kernen wordt gebouwd, in hoofdlijn naar verhouding van de grootte van de kernen. De verdeling van de opgave ziet er dan als volgt uit:

Afbeelding 6: Uitsnede woningbouwopgave per kern, bron: woonvisie 2022-2026

Voor Loosbroek is een opgave van 60 woningen opgenomen waarvan maximaal 25% mag bestaan uit koopwoningen in het duurdere segment. De te realiseren woning op onderhavige locatie valt in deze categorie en past in de opgave.

13

3 Ruimtelijke aspecten De ruimtelijke aspecten stedenbouw en landschap, cultuurhistorie, archeologie en externe veiligheid komen in dit hoofdstuk aan bod. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het beleid omtrent deze aspecten.

3.1 Stedenbouw en landschap De locatie is gelegen aan de rand van de kern van Loosbroek. Aan de overzijde van de weg zijn bedrijven (bedrijventerrein) gevestigd. Aan de achterzijde van de locatie worden nieuwe woningen ontwikkeld. Voorheen maakte zowel onderhavige locatie als de nieuwe woningen daarachter deel uit van het buitengebied. In verband met de aanwezige milieuruimte van bedrijven op het bedrijventerrein aan de overzijde van de Schaapsdijk is voor de locatie gekozen te voorzien in de mogelijkheid tot de realisatie van bedrijfswoningen met bijbehorende kleinschalige bedrijfsgebouwen in milieucategorie 1. Op deze manier is een milieukundige afbouw van de milieucategorieën van hoog naar laag richting de ontwikkeling van woningbouw achter Schaapsdijk 1a gerealiseerd. Dit geldt tevens voor de nieuwe woning welke met onderhavig bestemmingsplan wordt gerealiseerd. Om te voorkomen dat te grote en daarmee moeilijk verkoopbare kavels ontstaan is bij de opstelling van het vigerende bestemmingsplan gekozen voor kavels met een beperkte breedte en daarbij passende diepte van de kavels. Door de kavel voor de vrijstaande woning te wijzigen in twee kavels ten behoeve van en tweekapper wordt het aantrekkelijker voor de verkoop doordat daarmee de kavels in een lagere prijsklasse vallen. Het plangebied heeft een breedte van 20 meter.

In de beoogde situatie hebben beide kavels een breedte van 10 meter. De kavels worden op de Schaapsdijk ontsloten. Hierbij zullen de watergang en de bestaande bomen gerespecteerd en behouden moeten worden. Inritten mogen slechts tussen en op voldoende afstand van bestaande bomen worden aangelegd. Ten opzichte van het huidige plan dient een extra inrit te worden gerealiseerd. Deze inrit is gesitueerd nabij een bestaande boom. Ten behoeve van het behoudt van deze boom is een boom effect analyse uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in de bijlage. Indien de geadviseerde maatregelen in acht worden genomen is aanleggen van een inrit geen belemmering. De realisatie van de nieuwe woning leidt niet tot aanpassing van de inrichting van de weg, in zoverre dat slechts door middel van een nieuwe inrit vanaf het perceel op de bestaande wegen wordt aangesloten. Parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden.

3.2 Verkeer en infrastructuur Met de komst van de nieuwe woning zal sprake zijn van een zeer geringe toename van het aantal motorvoertuigbewegingen, personenwagens. Voor een vrijstaande woning geldt volgens CROW een norm van 8,6 verkeersbewegingen. Voor een twee-onder-één-kapwoning geldt een norm van 8,2. Per saldo gaat het in de nieuwe situatie over een toename van 7,8 verkeersbewegingen per dag. Deze beperkte toename van het aantal motorvoertuigbewegingen is niet van invloed op de verkeerssituatie. Gezien het profiel van de Schaapsdijk kunnen deze wegen de minimale toename van het aantal verkeersbewegingen goed verwerken. Parkeren voor woningen groter dan 60 m² geldt volgens het parkeerbeleid van de gemeente Bernheze een parkeernorm van twee parkeerplaatsen per woning. Voor beide woningen zal worden voorzien in twee parkeerplaatsen op het eigen terrein. Bezoekers kunnen incidenteel op of langs de weg parkeren. Hiermee is voldoende ruimte beschikbaar. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm. De parkeerplaatsen zijn aangegeven op de situatietekening.

14

Afbeelding 10: Ligging parkeerplaatsen

De woningen krijgen ieder een eigen inrit. Hiervoor wordt een omgevingsvergunning aangevraagd.

3.3 Cultuurhistorie en archeologie Het ‘verdrag van Malta’, Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, is in 1998 bekrachtigd in Nederland. Dit verdrag krijgt binnen Nederland vorm middels de Wet op de archeologische monumentenzorg. De Nota Belvedère geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met eventuele cultuurhistorie ter plaatse. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie in haar beleid het cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd.

Cultuurhistorie

Om cultuurhistorisch erfgoed te kunnen beschermen en behouden heeft de Provincie Noord-Brabant de Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld. Deze kaart bevat informatie over archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. De cultuurhistorische waarden worden verwerkt in het provinciaal beleid. Hieronder is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weergegeven. Hieruit blijkt dat de locatie niet is gelegen in cultuurhistorisch waardevol gebied of ter plaatse van een cultuurhistorisch waardevol complex.

15

Afbeelding 11: Uitsnede kaart Cultuurhistorische waardenkaart, provincie Noord-Brabant

Archeologie

De gemeente verwerkt het provinciale archeologische beleid in haar eigen beleid. In het bestemmingsplan heeft de gemeente gebieden met ‘archeologische verwachtingswaarde’ aangegeven. Op onderhavige locatie is deze verwachtingswaarde niet van toepassing. Verder onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

3.4 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid-buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

16

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:

1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10%en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100%letaliteitgrens bevinden.

Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)

Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt binnenwater (Bevt) genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:

1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.

Conclusie

Het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ heeft geen betrekking op de activiteiten welke plaatsvinden op onderhavige locatie. De provinciale risicokaart geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. In provincies, gemeenten en regio’s worden risico-inventarisaties en risicoanalyses uitgevoerd. De provinciale Risicokaart geeft een beeld van deze inventarisaties en analysen.

17

Volgens de provinciale risicokaart is in de directe omgeving van het plangebied één bedrijf gevestigd die gevaarlijke stoffen transporteren of opslaan. Het betreft een propaantank bij de veehouderij gevestigd aan de Hanenbergsestraat 2a in Loosbroek. Voor de propaantank is geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 bekend. Het plangebied ligt op voldoende afstand. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen leidingen. Ook bevinden zich geen transportroutes van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied. Aangenomen kan worden dat aspect externe veiligheid geen belemmering geven voor de gewenste ontwikkeling.

18

4 Milieuaspecten In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de verschillende bepalingen omtrent geluid, fijnstof, geur, water, natuur en bodem. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op het milieu wordt hiermee in beeld gebracht.

4.1 Geluid Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder richt zich vooral op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) in relatie met belangrijke geluidsbronnen zoals (spoorweg)verkeer en gezoneerde industrieterreinen. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 (opgenomen in de Wet milieubeheer) geldt de Wet geluidhinder niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. Om de optredende geluidbelasting vanwege wegverkeer te bepalen ter plaatse van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van het vigerende bestemmingsplan ‘Schaapsdijk – Krommedelseweg Loosbroek’. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn als volgt: “De Schaapsdijk is een weg met een maximumsnelheid van 30 km/uur en hoeft daarom niet

te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. In het kader van de goede ruimtelijke ordening is echter de geluidbelasting berekend. De geluidbelasting aan de zijde van de Schaapsdijk bedraagt 55 à 56 dB. Hierdoor is de milieukwaliteit als “matig tot redelijk” te beoordelen. De woningen hebben echter allemaal een geluidluwe achtergevel met daaraan een buitenruime. Door de aanwezigheid van de geluidluwe gevels kan gesteld worden dat, mede gezien de ligging van de planlocatie, een goed leefklimaat wordt gegarandeerd. Door het vervangen van de bestaande elementenverharding (betonstraatstenen) door een asfaltverharding (dab of sma) wordt een reductie van ca. 3 dB gerealiseerd en waarmee het woon- en leefklimaat als “redelijk” kan worden bestempeld. Middels het in de omgevingsvergunning voorschrijven van een minimale geluidwering van 23 dB in geval van het op de Schaapsdijk handhaven van de elementenverharding dan wel 20 dB in geval van een asfaltverharding wordt bovendien een aanvaardbaar binnenniveau bereikt (33 dB of minder).” Deze maatregelen gaan ook gelden voor de extra toe te voegen woning, dus voor beide woningen deel uitmakende van de tweekapper.

4.2 Luchtkwaliteit In het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk aan te tonen dat de ontwikkeling niet tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. De ontwikkeling vormt geen probleem ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit indien er geen sprake is van een overschrijding van de gestelde normen of de ontwikkeling per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit danwel het project ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

19

In het kader van de Wet milieubeheer zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Deze grens is vertaald naar een ontwikkeling van 1.500 woningen. Aannemelijk is dat gepaard met deze woningen 7.500 verkeersbewegingen per dag zijn gemoeid. Hieruit kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling, de toevoeging van één woning, met enkele verkeersbewegingen per dag een zeer geringe bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en dan ook ‘Niet In Betekenende Mate’ is.

Woon- en leefklimaat

Op de afbeeldingen hieronder is de achtergrondconcentratie van (zeer) fijnstof en stikstofdioxide te zien. De waarden voldoen aan de grenswaarden, 40 μg/m³ voor NO2 en PM10 en 25 μg/m³ voor PM2,5. Voor het aspect luchtkwaliteit kan dan ook geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde burgerwoningen. De bedrijven in de omgeving hebben nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden wat luchtkwaliteit betreft.

Afbeelding 12: Achtergrondconcentratie PM10 gegevens 2021, bron: RIVM

20

Afbeelding 13: Achtergrondconcentratie PM2,5 gegevens 2021, bron: RIVM

Afbeelding 14: Achtergrondconcentratie stikstofdioxide gegevens 2021, bron: RIVM

21

4.3 Geur Aangetoond dient te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast dient gekeken te worden of de nieuwe woonbestemming beperkingen in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen veehouderijen geeft.

Omliggende bedrijven

In de nabije omgeving is aan Krommedelseweg 5 een paardenhouderij gevestigd. De woningen zijn niet gelegen binnen de vereiste minimumafstand van 25 meter tussen het emissiepunt en de woning zoals opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021 of binnen 25 meter van de gevel van het dierenverblijf zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. De extra woning is gesitueerd ter plaatse van het reeds aanwezige bouwvlak op de locatie. Belemmering van veehouderijen is tevens uitgesloten omdat er andere geurgevoelige objecten liggen tussen het plangebied en de veehouderijen. Gezien voornoemde wijzigt de situatie voor omliggende veehouderij en eventuele uitbreidingsmogelijkheden niet.

Woon- en leefklimaat

Daarnaast moet ook beoordeeld worden in hoeverre sprake is van een goed woon- en leefkwaliteit ter plaatse van de woning. Een belangrijke factor hierin is de zogenaamde achtergrondgeurbelasting. Hierbij wordt beoordeeld of de cumulatie van geur van alle agrarische bedrijven binnen 2 km een goed woon- en leefklimaat in de weg staat. De berekening is uitgevoerd met V-stacks gebied en hieruit blijkt dat de achtergrondgeurbelasting op de hoekpunten varieert van 9,29 tot 9,43 OUE/m3. Hieronder zijn de resultaten weergegeven. De invoergegevens zijn in de bijlage opgenomen. Recep ID 1 2 3 4

x-coord 163194 163193 163227 163228

Y-coord 409699 409681 409679 409698

Geurbelasting OU/m³ 9.41 9.43 9.42 9.29

Tabel 1: Resultaten V-stacks gebied

De gemeente Bernheze heeft de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013 opgesteld. Hierin is opgenomen dat in de bebouwde kom, woonkernen, nieuwe woongebieden een achtergrondbelasting van maximaal 13 OUE als voldoende geldt. Op onderhavige locatie wordt ruimschoots voldaan aan de toetswaarde.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Het ruimtelijk ordeningsbeleid regelt de situering van milieubelastende en milieugevoelige functies. Het doel is de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In deze brochure is onderscheid gemaakt in verschillende bedrijfsactiviteiten en gebieden. In de brochure is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’, dan kan de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden. Het gebied waarin onderhavig plangebied is gelegen kan getypeerd worden als gemengd gebied. In de omgeving zijn zowel niet-agrarische bedrijven als burgerwoningen aanwezig. Aan de Schaapsdijk zijn met het vigerende bestemmingsplan woon-werkkavels gerealiseerd.

Dit blijft in de beoogde situatie gelijk. Hierdoor wordt een overgangszone ontwikkeld tussen de bedrijfspercelen op het bedrijventerrein en het nieuwe woongebied achter het plangebied. Op de 22

woon-werkkavels kunnen woningen en bedrijven in milieucategorie 1 ontwikkeld worden. Bedrijven in milieucategorie 1 zijn bedrijven met een lage milieu-impact, zoals kantoren. Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 10 meter tot nabijgelegen woningen. Middels een afwijking is het onder voorwaarden ook mogelijk om bedrijven in milieucategorie 2 te ontwikkelen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘De Kommen van Bernheze’ blijkt dat in de omgeving van de woningen alleen bedrijven aan de oostzijde van de Schaapsdijk zijn gelegen. Op dit bedrijventerrein mogen zich conform het bestemmingsplan bedrijven vestigen in milieucategorie 1 en 2. Daarnaast hebben de meeste percelen een functieaanduiding voor een bedrijf uit een hogere milieucategorie. In de tabel en de afbeelding hieronder zijn de nabijgelegen bedrijven weergegeven met bijbehorende richtafstanden.

23

Afbeelding 15: Gevestigde bedrijven Schaapsdijk, bron: ‘Bestemmingsplan De Kommen van Bernheze’

Uit de toetsing in het vigerende bestemmingsplan volgt dat er voor de richtafstanden voor geluid niet voldaan wordt bij de bedrijven aan de Schaapsdijk. Daarnaast voldoet één richtafstand voor geur niet.

Geluid

Aan de wettelijke bepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voldaan. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen wat de daadwerkelijke en de maximale geluidproductie van de bedrijven is. Omdat het bouwvlak waarbinnen de tweekapper is beoogd reeds getoetst is, kan uitgegaan worden van dit onderzoek. Een samenvatting van het onderzoek is afkomstig uit het vigerende bestemmingsplan en hieronder weergegeven.

Akoestisch onderzoek Om te bepalen of de bedrijven in de huidige situatie ook daadwerkelijk de milieuruimte, die de milieucategorie biedt, kunnen gebruiken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. In het onderzoek wordt uitgegaan voor de (mogelijk te vestigen) inrichtingen van de huidige bedrijfssituatie en de maximale bedrijfssituatie volgens het Activiteitenbesluit. Hierbij moeten de bestaande (bedrijfs)woningen van derden in de beoordeling betrokken worden. In navolgende afbeelding zijn de bestemde bedrijfswoningen (blauwe vlakken) weergegeven.

24

Bij de onderstaande bedrijven hebben geluidmetingen plaatsgevonden van de huidige geluidproductie:  Bouw 2000, Schaapsdijk 4;  Thema Timmerwerken, Schaapsdijk 2a;  HBL, Schaapsdijk 2. Uit de metingen volgt dat de geluidbelasting van ieder van de drie bedrijven niet meer bedraagt dan 50 dB(A) bedraagt. Het maximale geluidniveau bedraagt 65 dB(A) op de terreingrens. Voor de geprojecteerde nieuwe woningen betekent dit dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet meer dan 45 dB(A) bedraagt in de dagperiode en dat het maximale geluidsniveau beperkt blijft tot ten hoogste 60 dB(A). Daarnaast is er zeer kortstondig sprake van 70 dB(A) op de gevel. Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij de bepaling van het langtijd gemiddeld beoordelingsniveau geen bedrijfsduurcorrectie is toegepast, de bedrijven worden continue gedurende de dagperiode in werking verondersteld. In de praktijk vinden bij de bedrijven slechts beperkt werkzaamheden plaats. Uit de berekening op basis van de maximale representatieve bedrijfssituatie op grond van het Activiteitenbesluit is berekend wat het zou betekenen als ten aanzien van de (mogelijk te vestigen) inrichtingen aan de Schaapsdijk in Loosbroek uitgaan wordt van de maximale bedrijfssituatie volgens het Activiteitenbesluit. Dit betekent concreet: 50 dB(A) ter plaatse van de dichtstbijgelegen woning(en).

Hierbij moeten de bestaande (bedrijfs) woningen van derden in de beoordeling betrokken worden. In onderhavige situatie bedraagt de (grootste) afstand tot de meest nabijgelegen bestaande woning zo’n 20 meter. Ter plaatse van de voorgenomen eerstelijnsbebouwing a/d Schaapsdijk (6 meter uit de voorste perceelsgrens) bedraagt de geluidbelasting in deze situatie overeenkomstig ca. 50 dB aangezien deze (ook) op ca. 20 meter afstand tot de terreingrens van ieder van de inrichtingen ligt. De 45 dB(A) – contour ligt op zo’n 60 meter afstand tot de inrichtingen en daarmee binnen het plangebied. Geur

De reeds aanwezige naastgelegen woningen vormen de beperking voor de aanwezige bedrijven waaronder Schaapsdijk 2, voor wat betreft geur. De richtafstanden betreffen geen wettelijke bepaling. Het aspect geur moet wettelijk voldoen voor de naastgelegen woningen en daarmee voor de nieuwe te splitsen woning. In het vigerende bestemmingsplan is hierover het volgende opgenomen:

25

Voor het onderdeel geur (Schaapsdijk 2) heeft geen onderzoek plaatsgevonden. Hiervoor kan ook de gedachtegang gehanteerd worden dat de bedrijfswoningen bij de naastgelegen percelen de bedrijven reeds hinderen in de bedrijfsvoering. Conclusie

Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de beoogde tweekapper sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De nabijgelegen bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmert, er zijn reeds woningen op dezelfde dan wel kleinere afstand gelegen.

Hinder vanuit plangebied

De richtafstand tussen de bouwvlakken voor wonen en de percelen waar woonwerken mag plaatsvinden, zoals op onderhavige kavels, bedraagt 10 meter. De toekomstige woningbouw aan de westzijde van de woonwerkkavels ligt op een minder dan 10 meter afstand van de woonwerkkavels ontwikkeld worden. Hierover is in het vigerende bestemmingsplan:

“De afstand tussen de bouwvlakken voor wonen en de percelen waar woonwerken mag plaatsvinden moet 10 meter bedragen. Het meest noordelijke woonwerkkavel moet daarom op minimaal 10 meter afstand van de bouwvlakken aan de Pastoor de Grootstraat ontwikkeld worden. De toekomstige woningbouw aan de westzijde van de woonwerkkavels moet op minimaal 10 meter afstand van de woonwerkkavels ontwikkeld worden. Indien in het bestemmingsplan in de achtertuinen bedrijfswerkzaamheden uitgesloten worden mogen de tuinen van de woonwerkkavels bij de bepaling van de afstand meegenomen worden.” Deze situatie wijzigt met onderhavig plan niet. Geconcludeerd kan worden dat de situatie voor achterliggende woningen niet wijzigt en het plan derhalve geen belemmering vormt.

4.5 Gezondheid Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Daarom is in de notitie ‘Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Recentelijk zijn de resultaten van het gezondheids- (VGO) en het endotoxineonderzoek gepubliceerd. Uit het VGO onderzoek is onder andere gebleken dat er een afname is van de longfunctie bij iedereen die woont in een gebied met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1000 meter. Het is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk dat deze effecten veroorzaakt worden door de blootstelling aan stoffen afkomstig van veehouderijen. Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Met het VGO-3 onderzoek is dit bevestigd. Uit VGO-3 onderzoek blijkt verder dat er geen relatie is tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen en het voor komen van longontsteking.

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan en richtafstanden om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is opgesteld voor om ontwikkelingen bij veehouderijen te beoordelen. Daarnaast kan het eventueel gebruikt worden bij de afweging om nieuwe gevoelige objecten toe te staan. Het stappenplan is in de bijlage volledig weergegeven: Stap 1 Endotoxine Voldoet aan richtafstanden Stap 2 Emissies Niet van toepassing Stap 3a Geur, wettelijk kader Voldoet Stap 3b Geur, gezondheid advies Voldoet Stap 4a Meerdere diersoorten Nee, andere combinatie varkens en rundvee

26

Stap 4b Afstand Stap 5a Geitenhouderij Stap 5b Pluimveebedrijf Stap 5c Overig Stap 6 Mest be- of verwerking Stap 7 Ongerustheid omgeving

Voldoet Niet gelegen binnen 2 km Achterdonksestraat 11, circa 720 meter en Nistelrodensedijk 1, circa 840 meter Hanenbergstraat 2A, circa 220 meter Niet van toepassing Niet bekend

Toelichting stap 5b: In overleg met de GGD heeft de ODBN echter besloten om bij deze stap een afstand van 500 meter te hanteren, zie onderstaande tekst (deze kan worden overgenomen):

“Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGO-III (looptijd 2017-2024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGO-III de onderzoeksresultaten geactualiseerd. Voor de periode 2017 – 2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, heeft de ODBN in overleg met de GGD besloten om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij.” Uit het stappenplan volgt, ingevolge stap 5c, dat een advies kan worden opgevraagd bij de GGD. De gemeente dient een afweging te maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Bij het vigerende bestemmingsplan is geconcludeerd dat op deze locatie gen sprake is van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. De situatie met de afstanden tot de veebedrijven blijft ongewijzigd met onderhavig plan. Het opvragen van advies bij de GGD is daarom niet noodzakelijk.

4.6 Water Het nationale kader ten aanzien van water is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet (vastgesteld op 22 december 2009) is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Met de Waterwet heeft het Rijk invulling gegeven aan de Europese Kaderrichtlijn Water. De taak van de provincies is het nationale Waterplan te vertalen in provinciaal beleid. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant zijn bepalingen opgenomen ter bevordering van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem, een betere waterveiligheid door preventie en de koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en hoe hiermee om te gaan zijn beschreven in het Provinciaal Water Plan. De gemeenten en de waterschappen dienen hun beleid te baseren op dit Provinciaal Water Plan. De watertoets is van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.

27

Beleid Rijk

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan vastgesteld. In het nieuwe Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door de veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe waterbeleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik naar 2050. Onderdeel zijn de Deltabeslissingen, de Beleidsnota Noordzee met ruimtelijk plan, de verankering van waterafspraken uit het Energieakkoord, de Natuurvisie, de Internationale Waterambitie en de plannen en maatregelenprogramma’s waarmee we voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu.

Provincie

Op 18 december 2015 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Met het PMWP draagt de provincie bij aan een Brabant waar mens, plant en dier gezond en prettig kunnen leven, met ruimte voor een elkaar versterkende economische, maatschappelijk en ecologische ontwikkeling. Met andere woorden:  voldoende water voor mens, plant en dier;  schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);  bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s;  verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met haar partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.

De locatie heeft de functie ‘water voor het gemengd landelijk gebied’ (zie onderstaande afbeelding). Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. De locatie is niet gelegen in een gebied met een rol voor de bescherming van het (grond) water dat is bestemd voor menselijke consumptie.

28

Afbeelding 16: Kaart Gezondheid 1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021

Op 3 december 2021 is de structuurvisie ‘Regionaal Water en Bodem Programma 2022 – 2027’ (RWP) vastgesteld. Het opgenomen beleid in dit RWP is een doorontwikkeling van het beleid zoals opgenomen in het ‘Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021’. De urgente van het beleid is echter de afgelopen jaren sterk toegenomen. Het RWP geeft invulling aan het op orde houden van de basis van het natuurlijk water- en bodemsysteem en is mede gebaseerd op wettelijke regels en beleid. Dit is onder andere vastgelegd in de wettelijk omschreven rollen en taken in het waterbeleid Nederland, dat uitgaat van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het RWP formuleert de tussendoelen voor 2027 die nodig zijn om de uiteindelijke ambitie in 2050 te behalen. Onderhavige ontwikkeling is niet van negatieve invloed op de doelen en ambities uit het RWP. Dit vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=e47a2be7-aaf7-4246-b224-42c95e1dabac