CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan 'Lange Kruisdelstraat 7 Heeswijk Dinther' - Toelichting

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 17 september 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Lange Kruisdelstraat 7, Heeswijk-Dinther19.964 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

HEESWIJK-DINTHER, LANGE KRUISDELSTRAAT 7 bestemmingsplan

Heeswijk-Dinther, Lange Kruisdelstraat 7 bestemmingsplan

Datum: 21 april 2024

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan

3 4 4 4 5 8 9 9 10 12 12 14 20 23 23 34 40 44 45 48 48 48 49 50 50 50 52

2

T oelichting

3

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" en het bestemmingsplan "Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018" en de herzieningen daarop van gemeente Bernheze ten behoeve van het beëindigen van de intensieve veehouderij aan de Lange Kruisdelstraat 7 te Heeswijk-Dinther. Daarbij zal de bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning en zal een bestaande loods worden behouden ten behoeve van de stalling van machines en materialen. De aanwezige bedrijfsbebouwing is verder in zijn geheel gesloopt. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de veehouderij, volgen elkaar in zeer hoog tempo op. De wet- en regelgeving voor veehouderijen wordt steeds strenger, waardoor steeds meer eisen aan veehouderijen worden gesteld op onder andere het gebied van milieu, ammoniak, stikstof, dierwelzijn, gezondheid, duurzaamheid, zorgvuldigheid, milieu, beeldkwaliteit, energie en ruimtelijke kwaliteit. Door deze steeds strengere eisen moeten veehouders steeds vaker forse investeringen doen om aan deze eisen te kunnen blijven voldoen.

Het is voor veel veehouders daarom moeilijk om te kunnen blijven bestaan als een duurzaam, volwaardig en rendabel bedrijf met voldoende toekomstperspectief. Voor de initiatiefnemer zijn de investeringen die nodig zijn niet haalbaar en rendabel gebleken op deze locatie. Derhalve is het voor de initiatiefnemer wenselijk de bedrijvigheid op deze locatie te beëindigen. De Rijksoverheid had, met name om maatregelen te treffen om de huidige problematiek rondom stikstof in goede banen te leiden, de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) in het leven geroepen. Vanuit deze regeling kon, als aan de voorwaarden werd voldaan, voor de beëindiging van een intensieve veehouderij een subsidie worden verkregen. In ruil daarvoor diende, door middel van het herbestemmen van de intensieve veehouderij, te worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij mogelijk kan worden gemaakt. De initiatiefnemer neemt deel aan deze regeling. De beëindiging van het agrarisch bedrijf en de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning kunnen mogelijk worden gemaakt op basis van een wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling.

Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan Lange Kruisdelstraat 7 te Heeswijk-Dinther en ligt aan de oostkant van Heeswijk-DInther in het landelijk gebied van gemeente Bernheze. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nummer 688. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

4

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2012 en de herziening daarop "Buitengebied Bernheze 2012-1" van de gemeente Bernheze, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2016, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de bestemming 'Agrarisch Landbouwontwikkelingsgebied' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'intensieve veehouderij' en 'overige zone - behoud herstel watersysteem' van toepassing.

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. 5

Daarnaast is het bepaalde in het bestemmingsplan "Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018" en de herziening daarop van toepassing. De bestemmingen en aanduidingen ter plaatse zijn in dit plan echter niet gewijzigd. Het plan "Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018" en de herziening daarop bieden ruimere mogelijkheden voor vervolgfuncties op voormalige agrarische bedrijven. In artikel 4.9.1, sub g van het bestemmingsplan "Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018" is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een woonbestemming onder voorwaarden. Hiermee kan de gewenste omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een burgerwoning mogelijk worden gemaakt. De voorwaarde uit deze wijziingsbevoegdheid zijn als volgt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

ter plaatse alle bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd; géén sprake is van een duurzame locatie intensieve veehouderij; het aantal woningen niet toeneemt; sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik; de regels in artikelen 3.2.7 en 29.2 in acht genomen worden; sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling; een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan; op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'groenblauwe mantel' de wijziging uitsluitend is toegestaan, indien een positieve bijdrage wordt geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden en kenmerken; 10. de wijziging gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied. Ad. 1: Het bedrijf wordt in zijn geheel beëindigd en gesaneerd. Vanuit de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) geldt eveneens de voorwaarde dat geborgd moet worden dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij meer gevestigd kan worden.

Met de voorgenomen herbestemming naar een burgerwoning is dit in voldoende mate geborgd en is daarnaast geborgd dat geen agrarische bedrijvigheid meer kan plaatsvinden. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 2: De locatie is gelegen in een gebied dat van oudsher voornamelijk agrarisch van aard was, maar waarin de afgelopen jaren steeds meer agrarische ondernemers zijn gestopt met de agrarische bedrijfsvoering. Veel van de agrarische bedrijven in de omgeving zijn reeds omgeschakeld naar burgerwoningen. Vanwege de milieubelasting op de omliggende woningen is het steeds moeilijker om de intensieve veehouderij verder te ontwikkelen in dit gebied. De locatie biedt daarmee onvoldoende mogelijkheden om een volwaardige intensieve veehouderij te kunnen blijven uitvoeren met voldoende toekomstperspectief. Er is daarmee geen sprake meer van een duurzame locatie voor intensieve veehouderij. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3: De bestaande bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Deze woning wordt niet gesplitst in meerdere wooneenheden. Er is daarmee geen sprake van een toename van het aantal woningen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 4: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) is op elk van de milieuaspecten ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5: 6

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Bodem" (paragraaf 4.1.8) is op basis van een uitgevoerd bodemonderzoek nader aangetoond dat de bodem ter plaatse geschikt is voor de gewenste vervolg activiteiten. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 6: De regels uit de betreffende artikelen worden in acht genomen en zijn opgenomen in de planregels behorende bij dit plan. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 7: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd en gesaneerd. Daarbij is een grote oppervlakte (ongeveer 6.535 m²) aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Dit komt ten goede van de beeldkwaliteit en de ruimtelijke uitstraling op de locatie. Daarnaast is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), door een landschapsdeskundige ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de locatie is opgenomen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 8: Met de gemeente is een overeenkomst gesloten met betrekking tot planschade en het verhalen van de eventuele kosten. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad.

9: De locatie is niet gelegen op gronden met de aanduiding 'groenblauwe mantel'. Het gestelde in dit lid is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 10: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd en gesaneerd. Een intensieve veehouderij heeft een grote uitstoot van geur, fijnstof, ammoniak, geluid en mogelijke ziektekiemen en zoönosen. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote energiebehoefte en stoot het broeikasgassen uit. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de uitstoot van geur, fijnstof, ammoniak, geluid en mogelijke ziektekiemen en zoönosen in zijn geheel komen te vervallen. Tevens zal de energiebehoefte aanzienlijk afnemen en zal nagenoeg geen sprake meer zijn van de uitstoot van broeikasgassen. Hiermee zal de omgevingskwaliteit en het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk verbeteren en zal sprake zijn van een aanzienlijk verbeterde situatie op beschermde natuurgebieden. Daarnaast is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), door een landschapsdeskundige ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de locatie is opgenomen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Tevens zal het waterverbruik aanzienlijk afnemen met de beëindiging van de intensieve veehouderij en is geen sprake meer van het produceren van meststoffen die in de bodem en/of het (grond)water kunnen lekken. Daarmee is eveneens sprake van een aanzienlijke verbetering voor de bodem en de waterhuishouding ter plaatse. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de voorwaarden uit de in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor de omschakeling naar wonen. Echter is bij de voorgenomen ontwikkeling eveneens sprake van het behoud van extra vrijstaande bijgebouwen bij de woning met een oppervlakte van 240 m².. In artikel 4.2.4 van het geldende bestemmingsplan is opgenomen dat de oppervlakte van bijgebouwen bij 7

woningen maximaal 100 m² mag bedragen. In artikel 4.4.1 is hier een afwijking voor opgenomen waarin de maximale oppervlakte van bijgebouwen bij de woning, in ruil voor sloop van bebouwing, met maximaal 25% van de te slopen oppervlakte mag worden vergroot tot een maximum van 200 m². In het bestemmingsplan "Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018" is deze afwijking echter vervangen. Op basis van dit bestemmingsplan mag bij sloop van bebouwing de maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij woningen worden vergroot met 75% van de te slopen oppervlakte tot een maximum van 500 m². Met de sloop van ongeveer 6.535 m² aan bedrijfsgebouwen kan het maximum oppervlakte aan bijgebouwen tot 500 m² toegestaan worden. De gewenste grotere oppervlakte van te behouden bijgebouwen bij de woning past binnen deze gestelde voorwaarde en is daarmee mogelijk met toepassing van de afwijkingsmogelijkheid uit artikel 4.4.1, sub b van het bestemmingsplan "Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018". Met de voorgenomen ontwikkeling kan daarmee aan de wijzigingsbevoegheid voor omschakelen naar een woonbestemming en aan de afwijkingsmogelijkheid voor extra m² aan bijgebouwen in ruil voor de sloop van voldoende bedrijfsbebouwing worden voldaan.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

8

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Bernheze. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een agrarisch landschap bestaande uit voornamelijk landbouwgronden met enkele lijnvormige groenstructuren in de vorm van wegbegeleidende en kavelbegeleidende beplanting. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Voorheen was ter plaatse een volwaardige intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd. Op de locatie ruste een vergunning voor het houden van 994 guste en dragende zeugen, 343 kraamzeugen, 3 dekberen, 494 gespeende biggen en 745 opfokzeugen en vleesvarkens. De dieren worden gehuisvest in de aanwezige varkensstallen (acht stuks) gebouwd in 1963, 1968, 1992 (2 stuks), 2009 (2 stuks) en 2014 (2 stuks). De stallen waren onderling allen met elkaar verbonden. Daarnaast waren er op het erf nog een bedrijfswoning, loods en diverse voeropslagen aanwezig. Op de zuidoostelijke dakvlakken zijn in 2019 nog 1.000 zonnepanelen geinstalleerd en in bedrijf genomen.

Na het ondertekenen van de deelname overeenkomst aan de SRV is gestart met de sloop van alle bedrijfsgebouwen en overige voorzieningen, behoudens de bedrijfswoning en een loods. Deze sloop is reeds afgerond. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,65 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het bouwvlak is daarin rood omlijnd en uitgelicht weergegeven.

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse met bouwvlak aangegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. 9

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de intensieve veehouderij in zijn geheel te beëindigen en te saneren. Hiervoor neemt de initiatiefnemer deel aan de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). Het is voor de initiatiefnemer wenselijk de intensieve veehouderij om te schakelen naar een woonbestemming, waarbij de bedrijfswoning omgeschakeld wordt naar een burgerwoning. Daarbij is de aanwezige bedrijfsbebouwing, ongeveer 6.535 m², reeds gesloopt. De beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse zal een aanzienlijke vermindering van de uitstoot van mogelijk schadelijke stoffen en de milieuhinder tot gevolg hebben, waarmee de omgevingskwaliteit en het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk zal verbeteren. Bij deelname aan de Srv dient geborgd te worden dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij kan worden gevestigd. De Srv komt echter alleen tegemoet aan de restwaarde van de stallen en niet aan de sloopkosten van de stallen en de procedurekosten voor de omschakeling en herbestemming van de locatie. Het is voor de initiatiefnemer daarom noodzakelijk om op andere wijze nog waarde uit het bedrijf te kunnen halen. Derhalve wenst de initiatiefnemer, naast de omschakeling van het bedrijf naar een burgerwoning en extra m² aan bijgebouw bij de woning te behouden.

Daarmee wordt voldoende waarde uit de locatie behaald om de kosten voor de sanering van de intensieve veehouderij te kunnen dragen. De initiatiefnemer heeft nog gronden in eigendom nabij de locatie. Het is van belang dat deze gronden goed worden onderhouden om ze vruchtbaar en geschikt voor landbouw te houden. Voor het onderhoud en hobbymatig gebruik van de gronden zijn echter machines en materialen nodig. Deze dienen ergens te kunnen worden opgeslagen en gestald. Vanuit het geldende bestemmingsplan is echter slechts 100 m² aan bijgebouwen bij een woning toegestaan. Dit is niet voldoende voor de stalling van machines en materialen voor het noodzakelijke onderhoud van de landbouwgronden. Daarvoor wenst de initiatiefnemer een bestaande loods te behouden van ongeveer 240 m². De grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning kan, op basis van het bestemmingsplan met betrekking tot vrijkomende agrarische bedrijfslocaties mogelijk worden gemaakt in ruil voor sloop van bebouwing. Bij de voorgenomen ontwikkeling is een grote oppervlakte aan bedrijfsbebouwing gesloopt, waarmee de grotere oppervlakte mogelijk gemaakt kan worden.

Het bouwvlak van het huidige bedrijf zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind tot een passende omvang voor de voormalige bedrijfswoning en het te behouden bedrijfsgebouw als bijgebouw bij de woning.Daarbij zal de oppervlakte van het bouwvlak voor de woning met het te behouden bijgebouw aanzienlijk kleiner zijn dan het huidige bouwvlak. De totale oppervlakte van het bouwvlak zal 5.000 m² bedragen en is daarmee (aanzienlijk) kleiner dan de oppervlakte van het huidige bouwvlak.

2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

10

Tekening landschappelijke inpassing. Bron: GV Advies Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

11

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 12

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.

De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 13

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Aan de hand van deze definitie kan gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt. Hiermee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijke beleid. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? 14

Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof is. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied.

Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit wil zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatsveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie. Bij de gewenste ontwikkeling is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1), geen sprake van onevenredige belemmeringen ten aanzien van milieu. Het woon- en leefklimaat van de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling , door de beëindiging van de intensieve veehouderij, (aanzienlijk) verbeteren. Dit draagt bij aan de omgevingskwaliteit en een duurzame leefomgeving. Daarnaast zal de energiebehoefte van de te herontwikkelen bedrijfslocatie aanzienlijk afnemen. Dit draagt bij aan de energie- en klimaatdoelstellingen. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling worden voorzien in voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie.

Daarbij zal voldoende energie worden opgewekt om niet alleen in de eigen energiebehoefte te kunnen voorzien, maar ook in die van een groot aantal huishoudens binnen de gemeente. Dit draagt bij aan de doelstellingen met betrekking tot het klimaat en energie. 15

Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 1 van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De interim omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. De Interim omgevingsverordening is verschillende keren geactualiseerd en gewijzigd. De meest recente versie is op 8 december 2020 geconsolideerd en in werking getreden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de huidige bedrijfswoning met een bijbehorend bijgebouw wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in het gebied dat is aangemerkt als 'landelijk gebied' met de nadere aanduidingen 'gemengd landelijk gebied' en 'stalderingsgebied'. Binnen het stalderingsgebied zijn aanvullende regels van toepassing voor veehouderijen waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden juist beëindigd en niet verder ontwikkeld. Daarmee zijn de aanvullende regels met betrekking tot het stalderingsgebied niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Voor de beëindiging van een intensieve veehouderij zijn in de verordening geen specifieke regels opgenomen. Wel geldt vanuit artikel 3.68 van de verordening dat alleen bestaande bedrijfswoningen en burgerwoningen zijn toegestaan. In feite is de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning daarmee niet zomaar mogelijk. Echter is in artikel 3.69 de volgende afwijking opgenomen op artikel 3.68: "Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt." Op basis van artikel 3.69, onder c kan het gebruik van een voormalige bedrijfswoning mogelijk worden gemaakt indien geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal alleen de bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Deze zal niet in meerdere wooneenheden worden gesplitst. Er is daarmee geen sprake van splitsing in meerdere woonfuncties. Daarnaast is als onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling ongeveer 6.535 m² aan (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Er is daarmee eveneens sprake van sloop van overtollige bebouwing. Gezien het voorgaande wordt daarmee aan de voorwaarden voor afwijking uit artikel 3.69 voldaan. De omschakeling van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning past daarmee binnen de mogelijkheden uit de verordening. 16

Naast specifieke regels voor bepaalde ontwikkelingen gelden voor ontwikkelingen in het landelijk gebied algemene regels ten behoeve van het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor geldt vanuit artikel 3.5 van de verordening het volgende: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2.

er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een intensieve veehouderij, waarbij de bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. De voorgenomen ontwikkeling vindt geheel plaats binnen het ruimtebeslag van het bestaande bouwvlak. Het huidige bouwvlak zal daarbij worden verkleind tot een bij de ontwikkeling passende omvang. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling binnen het bestaande ruimtebeslag. Zoals nader is omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Alle aanwezige bebouwing wordt geconcentreerd binnen de bouwpercelen. Er is na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel.

Er is daarmee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering 17

Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan voor elk van de locaties gemaakt (zie bijlage 1 van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving. Een goede landschappelijke inpassing wordt op basis van artikel 3.9 gezien als een meerwaardecreatie. Daarnaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een intensieve veehouderij beëindigd. Daarbij zal de uitstoot van geur, ammoniak, fijnstof, stikstof en van mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen (aanzienlijk) afnemen.

Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving verbeteren, waarmee sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit. Zoals reeds aangegeven bevat artikel 3.9 aanvullende regels voor wat betreft de kwaliteitsverbetering van het landschap (meerwaardecreatie). Het gestelde in artikel 3.9 luidt daarbij als volgt: "Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 18

Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterk ing van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken." De gemeente Bernheze sluit aan bij de Brabantbrede uitgangspunten voor de toepassing van de regeling kwaliteitsverbetering landschap. Daarbij wordt een indeling gemaakt in de volgende categoriën: Categorie 1: Deze initiatieven hebben geen impact op de omgeving, of leiden op zichzelf al tot een versterking van het landschap. Geen aanvullende inspanning vereist Categorie 2: een relatief kleinschalige ontwikkeling met een beperkte impact op de omgeving. Tegenover deze ontwikkeling dient een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer te staan. Categorie 3: Deze initiatieven zijn van relatief grote omvang en hebben een grote impact op de omgeving en het landschap. Tegenover deze ontwikkelingen dient een berekende kwaliteitsverbetering te staan; daarbij wordt uitgegaan van een bijdrage van minimaal 20% van de bestemmingswinst (bestemmingswaarde plan minus bestemmingswaarde nu).

Een aanpak waarbij altijd een goede landschappelijke inpassing wordt gevraagd, aangevuld met een berekening op basis van een beargumenteerd vast bedrag per m² en eventuele andere aanvullende maatregelen zoals een sloopverplichting, wordt als gelijkwaardig gezien. In het regionale afsprakenkader van de regio Noordoost is een nadere duiding gegeven aan de categorieindeling. Tot categorie 2 behoort de volgende ontwikkeling: "Wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500m² voormalige bedrijfsbebouwing resteert." Onderhavige ontwikkeling, waarbij het agrarische bedrijf wordt beëindigd, het bouwvlak een functieaanduiding 'Wonen' krijgt met een omvang van 5.000 m² en de oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 240 m² bedraagt, past binnen de kaders van bovenstaande ontwikkeling en wordt beschouwd als een categorie 2 ontwikkeling. Bij dit type ontwikkelingen dient er een goede landschappelijke 19

inpassing plaats te vinden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf Landschappelijke inpassing, paragraaf 2.2.2, past de voorgenomen ontwikkeling binnen de gemaakte afspraken die tussen de gemeente en de provincie zijn gemaakt. Hiermee wordt met de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate voldaan aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit, zoals geldt vanuit artikel 3.9 van de verordening. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan , sprake is van meerwaardecreatie en wordt voldaan aan een kwaliteitsverbetering van het landschap wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Bernheze 2040 Op 4 oktober 2023 is (naar aanleiding van het raadsbesluit op 28 september 2023) de ontwerp-omgevingsvisie van de gemeente Bernheze in ontwerp gepubliceerd. In de visie wordt onderscheid gemaakt tussen drie deelgebieden met voor elk van deze gebieden een eigen ontwikkelingsperspectief. Deze gebieden zijn als volgt in de visie omschreven: "Drie deelgebieden met drie ontwikkelperspectieven De visie maakt onderscheid in drie deelgebieden. 1. De hoog gelegen Peelhorst (de rug) met de Maashorst als kenmerkend natuurgebied. De westgrens van de Peelhorst is de kenmerkende Peelrandbreuk met de wijstgronden. In een ‘levendige schil’ rondom het natuurgebied extensiveert de landbouw en bieden we mogelijkheden voor meer bos en andere natuur. 2. De Dek zandgebieden (de flank) waar de intensieve veehouderij bijdraagt aan grootschalige en innovatieve voedselproductie. Hier ontwikkelen we ook kansen voor nieuwe verdienmodellen op het gebied van bijvoorbeeld de productie van biobased grondstoffen, natuur en landschap in perceelsranden, toerisme en recreatie, klimaatadaptatie (zoals tijdelijke waterberging), lokaal voedsel et cetera. 3. Het Beekdallandschap van de Aa en de Leijgraaf, waar het watersysteem van afvoeren ombuigt naar water vasthouden in combinatie met natuurontwikkeling en extensieve landbouw." De locatie is gelegen in het Beekdallandschap.

Dit gebied is aangemerkt als een gebied waar ruimte wordt geboden aan het vasthouden van water in combinatie met natuurontwikkeling en extensieve landbouw.

20

Uitsnede kaart landschappen Omgevingsvisie Bron: gemeente Bernheze. Binnen de drie deelgebieden wordt gestuurd op een vijftal thema's, te weten 'gezonde leefomgeving', 'leefbare kernen', 'klimaat en biodiversiteit', 'vitale en duurzame landbouw & economie' en 'kwaliteit landschap & erfgoed'. Onderstaand wordt per thema uiteengezet wat de leidende principes zijn binnen het deelgebied Beekdallandschap en op welke wijze onderhavig initiatief hieraan bijdraagt. Bij het thema 'gezonde leefomgeving' wordt ingezet op een leefomgeving die de gezondheid van de inwoners van alle leeftijden bevordert. Het gaat dan zowel om het beperken van gezondheidsrisico's als ook een positieve gezondheid, lees: betekenisvol leven, te stimuleren. Bij het beperken van gezondheidsrisico's is er rondom de kernen speciale aandacht voor het schoner maken van lucht, gronden oppervlaktewater en bodem, het verminderen van geluids- en geuroverlast en het verkleinen van de risico's op zoönose. De gemeente Bernheze heeft gebieden aangewezen, groene gezonde zones, rondom de kernen waar zij dit aan willen pakken. Hoewel de initiatieflocatie niet in zo'n groene gezonde cirkel is gelegen is er wel sprake van een deelnemer aan de SRV-regeling. Voor deze regeling komen enkel bedrijven in aanmerking die een bepaalde mate van geuroverlast veroorzaken op woningen in de omgeving.

Door dit bedrijf te saneren en de voormalige bedrijfswoning te herbestemmen naar een burgerwoning wordt er bijgedragen aan een gezondere leefomgeving. Bij het thema 'leefbare kernen' wordt ingezet op het creëren van aantrekkelijke kernen waar het fijn wonen is voor een goede leeftijd mix aan mensen, door innovatief, groen en compact te bouwen en te ondernemen. Onderhavig initiatief is gelegen buiten de dorpskernen en niet aan een recreatieve of hoofdontsluitingsweg. Derhalve zal het initiatief geen bijdrage leveren of afbreuk doen aan de visie voor dit thema. Bij het thema 'klimaat en biodiversiteit' wordt ingezet op het voorbereiden op een toekomst met extremere weersomstandigheden door anders om te gaan met de omgeving en het herstellen van biodiversiteit. Bij nieuwe ontwikkeling dienen water en bodem sturend te zijn. Daarbij zal water zoveel mogelijk vastgehouden worden in het gebied om een buffert te hebben in tijden van droogte. Om de biodiversteit te herstellen zal het landschap van Bernheze de komende jaren veranderen. Landschappelijk inpassing is één van de maatregelen om de biodiversiteit te laten toenemen. Onderhavig initiatief leidt tot een aanzienlijke afname van het verhard oppervlakte binnen het plangebied. Stallen maken plaats voor cultuurgrond, waardoor er minder hemelwater hoeft te worden geborgen en afgevoerd.

Dit komt het infiltratievermogen van de grond ten goede. Daarnaast zal het plangebied met inheemse soorten 21

landschappelijk worden ingepast, wat de biodiversiteit bevorderd. Bij het thema 'vitale en duurzame landbouw & economie' wordt ingezet op een toekomstbestendige economie en het vormgeven van de landbouwtransitie. Gemeente Bernheze wil daarbij een voorbeeld zijn van hoe voedselproductie op een diverse wijze kan. Eén van de maatregelen om de beoogde ontwikkelingsrichting te bereiken is om agrarische ondernemers te ondersteunen bij de transitie van hun intensieve agrarische bedrijfsvoering naar een extensievere wijze óf het ondersteunen bij de verplaatsing naar het Dekzandlandschap. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarbij is de bedrijfsbebouwing gesloopt en zal de bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Ten behoeve van het (hobbymatig) onderhouden en bewerken van de agrarische gronden van de initiatiefnemer zal bij de om te schakelen bedrijfswoning één van de bestaande bedrijfsgebouwen (van ongeveer 240 m²) worden behouden. Dit is in lijn met de gewenste extensivering van de landbouw in het beekdallandschap. Bij het thema 'kwaliteit landschap & erfgoed' wordt ingezet op het inzetten van landschappelijke kwaliteit als katalysator voor toekomstige ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen wordt de lagenbenadering gevolgd en zijn bodem en water leidend.

Daarmee wordt beschermd en ontwikkeld op een manier die rekening houdt met toekomstige generaties en voor hen kansen biedt. De leidende principes binnen het beekdallandschap zijn gericht op het herstellen en beschermen van historische gebouwen met bijbehorende landerijen en van andere cultuurhistorische structuren en meer aandacht voor een gezond bodemleven. De initiatieflocatie maakt geen onderdeel uit van een cultuurhistorische structuur. Onderhavig initiatief zal hier dan ook niet op van invloed zijn. Voor wat betreft een verbetering van het bodemleven wordt door de sloop van de stallen en daardoor een toename van de oppervlakte cultuurgrond het bodemleven verbeteren. Gezien het voorgaande past dat de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Omgevinsvisie Bernheze 2040 van gemeente Bernheze.

22

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarbij wordt de bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning en zal daarbij een van de bestaande bedrijfsgebouwen worden gebruikt als bijgebouw bij de woning. Burgerwoningen hebben geen onevenredige milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. De omschakeling van de intensieve veehouderij naar een burgerwoning zal daarmee niet leiden tot een onevenredige hinder aan omliggende gevoelige objecten. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. In feite is sprake van een bestaande gevoelige functie. Er is ter plaatse immers een woning en dit blijft een woning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=2e162930-3faa-4075-8171-498e579da88e