Bestemmingsplan 'Lange Kruisdelstraat 7 Heeswijk Dinther' - Toelichting
Tekst van het document
Echter verandert de bestemming van agrarisch naar wonen, waarmee dit formeel beschouwd dient te worden als een nieuwe burgerwoning. Derhalve dient te worden onderzocht of deze nieuwe gevoelige objecten de omliggende bedrijven en/of functies in de ontwikkelingsmogelijkheden kunnen beperken. In de nabije omgeving van de locatie zijn de volgende inrichtingen gelegen: Liniedijk 3a: Agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij. Korte Kruisdelstraat 4: Voormalig agrarisch bedrijf met functieaanduiding 'wonen. Korte Kruisdelstraat 1: Voormalig agrarisch bedrijf met functieaanduiding 'wonen. Liniedijk 6: Agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij. Lange Kruisdelstraat 5-5b-5c: Agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij. Lange Kruisdelstraat 5a: Agrarisch bedrijf, zijnde een veehouderij. Liniedijk 3a: Aan de Liniedijk 3a is een intensieve veehouderij gevestigd. Volgens gegevens uit het Bestand Veehouderijbedrijven Brabant (BVB) worden ter plaatse voornamelijk varkens gehouden. Daarnaast worden enkele paarden en koeien gehouden. Paarden en koeien veroorzaken minder milieuhinder dan varkens en hebben daarom vanuit de VNG handreiking kleinere richtafstanden dan varkenshouderijen. Derhalve is getoetst aan de richtafstanden voor een varkenshouderij. Hiervoor gelden vanuit de VNG handreiking de 23
volgende richtafstanden: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter. Het bouwvlak van het betreffende bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 129 meter van het gewenste bouwvlak. Daarmee wordt aan de richtafstanden, behalve aan die voor geur, voldaan. De richtafstanden zijn geen harde afstanden, maar richtlijnen waarvan kan worden afgeweken, mits dit voldoende wordt gemotiveerd. Voor het aspect geur is in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) een aanvullende toetsing opgenomen. Daaruit blijkt dat ter plaatse, ondanks de ligging nabij de betreffende intensieve veehouderij aan de Liniedijk 3a, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Daarmee is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden af te wijken en zal dit bedrijf niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Korte Kruisdelstraat 1 en Korte Kruisdelstraat 4: Op de locaties aan de Korte Kruisdelstraat 1 en de Korte Kruisdelstraat 4 zijn voormalige agrarische bedrijven aanwezig die zijn omgeschakeld naar burgerwoningen. In het geldende bestemmingsplan zijn deze locaties voorzien van de functieaanduiding 'wonen', waarmee deze locaties worden beschouwd als zijnde burgerwoningen.
Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving en worden derhalve niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt door de komst van nieuwe gevoelige objecten. De voorgenomen ontwikkeling zal dan ook niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van deze locaties. Liniedijk 6: Aan de Liniedijk 6 is een agrarisch bedrijf zijnde een intensieve veehouderij gevestigd. Volgens gegevens uit het BVB worden ter plaatse varkens gehouden. Hiervoor gelden vanuit de VNG handreiking de volgende richtafstanden: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter. Het bouwvlak van het betreffende bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 220 meter van het bouwvlak van de initiatiefnemer gelegen. Hiermee wordt aan de richtafstanden voldaan en zal het betreffende bedrijf aan de Liniedijk 6 niet onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Lange Kruisdelstraat 5-5b-5c: Aan de Lange Kruisdelstraat 5-5b-5c is een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij gevestigd. Volgens gegevens uit het BVB worden ter plaatse alleen nog paarden gehouden, waarmee sprake is van een paardenhouderij. Hiervoor gelden vanuit de VNG handreiking de volgende richtafstanden: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter.
Het bouwvlak van het betreffende bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 210 meter van het bouwvlak van de initiatiefnemer. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan en zal het betreffende bedrijf aan de Lange Kruisdelstraat 5-5b-5c niet onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Lange Kruisdelstraat 5a: Aan de Lange Kruisdelstraat 5a is een agrarisch bedrijf, zijnde een veehouderij gevestigd (geen intensieve veehouderij). Volgens gegevens uit het BVB worden ter plaatse melkkoeien, jongvee en enkele schapen 24
gehouden. Schapen veroorzaken minder milieuhinder dan melkkoeien en jongvee en hebben daarom vanuit de VNG handreiking kleinere richtafstanden dan melkrundveehouderijen. Derhalve is getoetst aan de richtafstanden voor een melkrundveehouderij. Hiervoor gelden vanuit de VNG handreiking de volgende richtafstanden: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het bouwvlak van het betreffende bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 320 meter van het bouwvlak van de initiatiefnemer. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan en zal het betreffende bedrijf aan de Lange Kruisdelstraat 5a niet onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en bedrijven.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd.
De bedrijfswoning zal daarbij worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Burgerwoningen veroorzaken geen geurhinder aan de omgeving. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij komt de uitstoot van geur van de locatie in zijn geheel te vervallen. Daarmee zal sprake zijn van een aanzienlijke afname van de geurhinder aan de omgeving, waarmee het woon- en leefklimaat in de omgeving aanzienlijk zal verbeteren. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving dient, wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht, te worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Formeel is geen sprake van nieuwe geurgevoelige objecten. De om te schakelen woning is reeds een woning. De om te schakelen woning heeft, omdat het een woning betreft die op of na 19 maart 2000 bij een veehouderij (heeft) behoord, een afwijkend beschermingsregime dan een reguliere burgerwoning. In plaats van te toetsen aan de voorgrond- en achtergrondbelasting hoeft bij dergelijke woningen uitsluitend te worden getoetst aan de vaste afstanden uit de Wgv. Gezien het gewenste bouwvlak van de initiatiefnemer op ongeveer 129 meter van het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen wordt ruimschoots aan de vaste afstanden uit de Wgv voldaan.
Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd op het gebied van geur. Gezien het voorgaande zijn ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van geur te verwachten. 25
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd. De bedrijfswoning zal daarbij worden omgeschakeld naar een burgerwoning. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is opgenomen hoe wordt omgegaan met woningen in het kader van NIBM. Vanuit deze regeling is, in bijlage 3a, voor woningbouwlocaties opgenomen dat deze als NIBM worden beschouwd als sprake is van niet meer dan 1.500 nieuwe woningen wanneer er één ontsluitingsweg aanwezig is en niet meer dan 3.000 nieuwe woningen wanneer er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van de huidige bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er worden geen extra woningen gebouwd. In totaal is sprake van één woning. Hiermee is sprake van een NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Daarnaast dient ook een eventuele uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. De beëindiging van de intensieve veehouderij zal leiden tot een aanzienlijke afname van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de luchtkwaliteit en zal het woon- en leefklimaat in de omgeving verbeteren.
Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden dient, wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht, tevens te worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. In feite is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een nieuw gevoelig object. Er is sprake van een bestaande woning die wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Omdat de bestemming echter wijzigt is de om te schakelen woning voor de volledigheid wel getoetst als zijnde een nieuwe woning en is bekeken of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. 26
Vanuit de landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 40 µg/m³ bedraagt. De provincie Noord-Brabant heeft deze norm in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant echter aangescherpt. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedragen. Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin eveneens de resultaten uit de Monitoringstool van het NSL zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van PM10, PM2,5 en stikstofoxiden op de locatie 19 µg/m³ (PM10), 9 µg/m³ (PM2,5) en 16 µg/m³ (stikstofoxiden). Dit is ruimschoots onder de norm van 40 µg/m³ voor PM10 en stikstofoxiden en 25 µg/m³ voor PM2,5 en waarmee ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd op het gebied van luchtkwaliteit. Daarnaast zal de achtergrondconcentratie van zowel fijnstof als stikstofoxiden door de beëindiging van de intensieve veehouderij afnemen, waarmee het woonen leefklimaat ter plaatse alleen maar beter wordt.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie PM10. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
27
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie PM2,5. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
28
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de geluidsbelasting aan de omgeving alleen maar afnemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde).
Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Een bedrijfswoning heeft in feite eenzelfde bescherming als een burgerwoning, mits geen sprake is van een vastgestelde hogere grenswaarde. Ter plaatse is geen besluit tot hogere grenswaarde bekend, waarmee de bedrijfswoning eenzelfde bescherming heeft als een burgerwoning en daarmee vanuit de Wgh geen sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object. Nader onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevel van de woning als gevolg van verkeerslawaai. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. Daarmee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid worden geborgd.
29
4.1.5 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.5.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.
De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. 4.1.5.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter.
De locatie ligt buiten de richtafstanden voor pluimveehouderijen en buiten de richtafstand voor de meeste varkenshouderijen in de omgeving. Slechts één varkenshouderij is gelegen op een afstand van minder dan 200 meter van de locatie. Echter is bij de voorgenomen omschakeling van de huidige bedrijfswoning sprake van een reeds bestaande woning. Het gebruik en de personendichtheid in deze woning zal niet wijzigen, waarmee het aantal blootgestelden niet wijzigt. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van de om te schakelen woning. Tevens heeft de om te schakelen woning altijd behoord tot een varkenshouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de varkenshouderij van de initiatiefnemer zelf beëindigd, waarmee de risico's voor de volksgezondheid juist afnemen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 4.1.5.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking.
Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. 30
Op ongeveer 1.860 meter van de locatie van de locatie is een geitenhouderij gelegen met een vergunning voor het houden van 2.770 geiten. De om te schakelen agrarische bedrijfswoning is al in gebruik als woning en dit zal met de voorgenomen ontwikkeling zo blijven. Er is daarmee geen sprake van een wijziging van het gebruik en/of een toename van het aantal blootgestelden. Voor wat betreft de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning zijn daarmee geen verhoogde risico's ten aanzien van de volksgezondheid te verwachten. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Daarnaast worden de meeste ziektekiemen verspreid door middel van fijnstof. De ziektekiemen hechten zich aan het fijnstof en worden op die manier door de lucht verplaatst. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) is de concentratie fijnstof op de locatie beperkt en is deze voornamelijk afkomstig uit de directe omgeving van de locatie. Daarmee is de kans op het binnenkrijgen van ziektekiemen vanaf de betreffende geitenhouderij, die zich op grote afstand bevindt (ruim 1,6 kilometer) zeer beperkt.
Tevens is de locatie buiten de overheersende windrichting van de betreffende geitenhouderij gelegen, waarmee de risico's in de praktijk aanzienlijk lager zijn dan op basis van de richtafstand blijkt omdat mogelijke ziektekiemen eerder van de locatie af waaien. Gezien het voorgaande wordt het risico voor de volksgezondheid als gering en aanvaardbaar geacht. 4.1.6 Spuitzones Aan de noordoostzijde en de zuidwestzijde van het plangebied liggen fruitboomgaarden. Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van bomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te 2 houden tussen een boomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. De boomgaarden aan de zuidwestzijde zijn gelegen op hetzelfde kadastrale perceel als het plangebied, namelijk gemeente Heeswijk- Dinther, sectie F, nummer 688. Deze fruitboomgaarden liggen op een afstand van ruim 70 meter van de woning binnen het plangebied.
Het vruchtgebruik van de gronden aan de overzijde van de Lange Kruisdelstraat, waar eveneens een fruitboomgaard gelegen is, is in dezelfde handen als de bewoner van de woning binnen het plangebied. De afstand tussen deze fruitboomgaard en de woning bedraagt 32 meter. Tussen de fruitboomgaard en de woning staat een haag met een hoogte die hoger is dan de fruitbomen. Deze haag vangt de eventuele drift van de gewasbeschermingsmiddelen af. Als vruchtgebruiker van het perceel blijft dit ook gewaarborgd. Ten aanzien van spuitzones is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.1.7 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
31
4.1.7.1 Risicovolle inrichtingen Het plaatsgebonden risico wordt bepaald aan de hand van risicovolle inrichtingen. Daarbij geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de locatie is een mogelijk risicovolle inrichting gelegen. Het betreft een bedrijf waarop een opslagtank voor propaan aanwezig is. Bij propaantanks wordt het invloedsgebied gelijk gesteld aan de risicocontour. De grootte van de risicocontour van een propaantank is afhankelijk van de maximale inhoud van de tank. Daarbij bedraagt de grootste risicocontour voor een propaantank 25 meter. De locatie is niet binnen 25 meter van het bedrijf waarop de propaantank aanwezig is gelegen. De afstand tot het betreffende bedrijf bedraagt ongeveer 255 meter. De locatie is daarmee niet in het invloedsgebied van mogelijke risicovolle inrichtingen gelegen. 4.1.7.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid ten aanzien van externe veiligheid bij vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.
Voor buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen is het invloedsgebied afhankelijk van de dikte van de leiding en de druk in de leiding. Daarbij bedraagt het grootste invloedsgebied maximaal 540 meter. Binnen 540 meter van de locatie zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Op grotere afstand van de locatie is de autosnelweg A50 gelegen. Over deze weg worden stoffen van de categorieën LF1, LF2, LTl, LT2 en GF3 vervoerd. De stof LT2 heeft het grootste invloedsgebied en is daarom bepalend voor het groepsrisico. De stof LT2 heeft, wanneer vervoerd over de weg, een invloedsgebied van 880 meter. De locatie is gelegen op een afstand van ongeveer 1,7 kilometer van de autosnelweg A50. Hiermee is de locatie niet binnen het invloedsgebied van de autosnelweg A50 gelegen. 32
De locatie is, gezien het voorgaande, niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.7.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
4.1.8 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bestaande bedrijfswoning die wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. De woning is reeds in gebruik als woning en zal in gebruik blijven als woning. Door Geonius Milieu B.V. is een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5750, NEN 5707+C2 en een vooronderzoek conform de NEN 5725. Dit onderzoek is als bijlage 2 en 3 te raadplegen. Uit het bodemonderzoek is gebleken dat in één van de proefsleuven een sterke verontreiniging met asbest is aangetroffen. Deze grond dient onder milieukundige begeleiding gesaneerd te worden.
Na sanering van deze grond kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan. Middels een voorwaardelijke verplichting is de sanering van de verontreinigde grond geborgd in de regels van het bestemmingsplan.
4.1.9 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen. Daarnaast is de drempelwaarde alleen van toepassing wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename met 2.000 of meer woningen en is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee de voorgenomen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
33
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek) is gelegen op een afstand van ongeveer 14 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarbij zal de huidige 34
bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. De huidige aanwezige bedrijfsbebouwing is, uitgezonderd een te behouden schuur als bijgebouw bij de woning, in zijn geheel gesloopt. De beëindiging van de intensieve veehouderij zal leiden tot een aanzienlijke afname van de uitstoot van ammoniak. Daarmee zal de depositie van stikstof op de betreffende gebieden als gevolg van ammoniak eveneens aanzienlijk afnemen. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen afnemen, waarmee de uitstoot van stikstofoxiden vanuit de voertuigen van en naar de locatie zal afnemen. Hiermee zal ook de depositie van stikstof op de betreffende gebieden als gevolg van de uitstoot van stikstofoxiden afnemen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee leiden tot een afname van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden, waarmee voor de betreffende gebieden sprake zal zijn van een verbeterde situatie. Middels AERIUS berekeningen is inzichtelijk gemaakt dat onderhavig plan zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase geen enkel depositie veroorzaakt wordt op de in de nabijheid gelegen Natura 2000 gebieden. De berekeningen zijn opgenomen als bijlage 4. Naast de depositie van stikstof zijn aspecten als licht, geluid en trillingen mogelijk van invloed op Natura 2000 gebieden.
Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen werkzaamheden plaats met een structurele uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk.
Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten 35
opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitatrichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5, 6 en 7 van deze toelichting. Het ecologisch onderzoek heeft aangetoond dat er huismussen gevestigd waren in een van de gesloopte bedrijfsgebouwen. Bij de voorgenomen ontwikkeling kunnen er dan ook duurzame waarborgen worden gegeven ter bescherming van de huismussen op de planlocatie. Ten behoeven van deze bescherming is een mitigatieplan opgesteld. Door uitvoering te geven aan de voorgestelde maatregelen, zoals het creëren van nieuwe nestlocaties en beschutte plekken op plaatsen met voldoende etensaanbod dan wel foeregeermogelijkheden, beschermt initiatiefnemer de huismus bij de voorgenomen ontwikkeling. Voordat de bedrijfsgebouwen gesloopt zijn, zijn nestkasten gehangen tegen de muur van de loods die niet gesloopt wordt en de afgelopen broedperiode heeft een huismus hier al gebruik van gemaakt.
36
37
Foto's gehangen Mussenkasten De huidige mussenkasten betreffen tijdelijke voorzieningen en deze zullen voor 2028 vervangen worden door permanente duurzamere nestkasten. Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling voldoende waarborgen dat de flora en fauna, en met name de huismus, niet onevenredig aangetast wordt. Het onderdeel soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening. 4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste 38
leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies die in het ruimtelijk beleid regels dienen op te nemen ten behoeve van het behoud en de versterking van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). In de ruimtelijke verordening hebben zij vervolgens regels opgenomen ten behoeve van het behoud en de versterking van deze gebieden. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 470 meter.
Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen en de ruime afstand tot het dichtstbijzijnde gebied zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
39
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Daarnaast is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarmee de uitstoot van ammoniak in zijn geheel zal komen te vervallen. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee juist alleen maar een positief effect op de Wav-gebieden. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
De gemeente Bernheze heeft de archeologische (verwachtings)waarden vastgelegd in een archeologische beleidskaar en in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan.
40
U itsnede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Gemeente Bernheze. De locatie is deels gelegen binnen een gebied met een lage en deel met een middelhoge archeologische verwachting. Dit komt ook terug in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ter plaatse. Binnen deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe bebouwing. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld. Wel is als onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling bebouwing gesloopt. De gronden ter plaatse van deze bebouwing is tijdens de bouw van van de bebouwing echter al geheel verstoord. Daarmee zijn ter plaatse van de voormalige bedrijfsbebouwing geen archeologische resten te verwachten. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Ook de gemeente Bernheze heeft haar eigen cultuurhistorische waardenkaart. Zoals te zien in de volgende figuren is de locatie in een gebied met enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
41
Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord-Brabant.
Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Gemeente Bernheze. De verschillende wegen in de omgeving, waaronder ook de Lange Kruisdelstraat, zijn aangemerkt als historisch geografische lijnen in het landschap. Deze lijnen maken deel uit van de structuur van het landschap en dienen zoveel mogelijk behouden te blijven. 42
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op het reeds bestaande bouwperceel en zal geen wijzigingen aan de omliggende wegen en/of de structuur daarvan tot gevolg hebben. Daarnaast zal de bebouwde oppervlakte (aanzienlijk) afnemen, waarmee sprake is van een positief effect op de waarden van het landschap en de betreffende lijnen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de betreffende historisch geografische lijnen in het landschap. Aan de noordwestzijde van het plangebied zijn enkele bomen aanwezig die aangeduid zijn als 'monumentale boom'. Met onderhavig plan blijven deze bomen intact en zal de cultuurhistorische waarde onaangetast blijven. Hiermee zal de met voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
43
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Lange Kruisdelstraat. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Het terrein biedt in de huidige situatie voldoende ruimte voor personenauto's en vrachtwagens om te keren en te parkeren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor er geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven te rijden. Na de beëindiging van het bedrijf en de omschakeling naar een burgerwoning hoeven geen vrachtwagens meer op het terrein te komen. Na omschakeling zal er ruim voldoende gelegenheid voor personenauto's aanwezig zijn om op het terrein te keren. Ook in de gewenste situatie zal daarmee geen sprake zijn van voertuigen die op de openbare weg moeten keren of achteruit de openbare weg op moeten rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt.
Vanuit de parkeernormen en het parkeerbeleid van de gemeente dient per vrijstaande woning in het buitengebied voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn voor twee auto's. Dit betekent dat op de locatie dient te worden voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen. De locatie heeft reeds voldoende verharding voor (aanzienlijk) meer dan twee personenauto's om te kunnen parkeren. Er zal bij de voorgenomen omschakeling voldoende verharding behouden blijven voor meer dan twee personenauto's om te kunnen parkeren zonder daarbij eventueel ander verkeer dat de locatie zal betreden te belemmeren. In de gewenste situatie zal daarmee eveneens ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn om volledig op eigen terrein te kunnen parkeren. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toenemende parkeerdruk op de omgeving en de openbare ruimte.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de huidige bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. In de huidige situatie vinden reeds verkeersbewegingen ten behoeve van de huidige bedrijfswoning plaats. Deze bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij blijft de huidige woning in gebruik als een woning. Het aantal verkeersbewegingen van de om te schakelen bedrijfswoning zal daarmee niet wijzigen. In de huidige situatie wordt echter een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij uitgevoerd. Ten behoeve van deze intensieve veehouderij vinden gemiddeld genomen de volgende verkeersbewegingen plaats: Leveren van dieren: 3 vrachtwagens per week, leidt tot 6 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van dieren: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Leveren van voer: 2 vrachtwagen per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van mest: 2 vrachtwagen per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Controle/bezoek dierenarts: 2 bestelauto of personenauto per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met personenvervoer.
Levering van overige diensten en goederen: 7 bestelauto's en/of personenauto's per week, leidt tot 14 verkeersbewegingen per week met personenvervoer.
44
Totaal: gemiddeld 36 verkeersbewegingen per week, waarvan 18 met vrachtverkeer. Deze verkeersbewegingen komen in zijn geheel te vervallen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Door het vervallen van het aandeel vrachtverkeer zal ook sprake zijn van een aanzienlijke afname van de overlast vanwege het verkeer.
4.5
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap). De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd.
Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt.
Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen.
Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt. 45
4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij in zijn geheel beëindigd. De bedrijfswoning zal daarbij worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Ten slotte zal één van de bestaande bedrijfsgebouwen behouden blijven en worden gebruikt als bijgebouw bij de om te schakelen bedrijfswoning. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak niet toeneemt of met minder dan 500 m² toeneemt is geen aanvullende compensatie nodig. Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m², dient compenserende waterberging te worden toegepast. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de rekenregel.