bestemmingsplan 'Achterstraat-Delst' - Bijlage T7 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
.
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ACHTERSTRAAT (ONG.) TE NISTELRODE
Rapportage quickscan flora en fauna Achterstraat (ong.) te Nistelrode Opdrachtgever
Jansen Bouwontwikkeling Bijsterhuizen 3161 6604 LV Wijchen
Rapportnummer Versienummer
10798.003 D2
Status
Eindrapportage
Datum
21 november 2019
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
F. Boonk, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ir. F.M. IJdema
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie ................................................................ 3
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
6
Vogels ............................................................................................................................... 8 Vleermuizen ...................................................................................................................... 9 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 10 Reptielen ......................................................................................................................... 11 Amfibieën en vissen ....................................................................................................... 11 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Vaatplanten..................................................................................................................... 12
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 13 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 6 Houtopstanden ................................................................................................................. 7
Broedvogels .................................................................................................................... 13 Eekhoorn ........................................................................................................................ 13 Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel ..................................................................... 13 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 14 Algemene amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 14
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 15 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 15 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 16
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 17
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 18
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 10798.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Jansen Bouwontwikkeling opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Achterstraat (ong.) te Nistelrode. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en woningbouw en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 1 van 20
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
De onderzoekslocatie (± 6.000 m²) ligt aan de Achterstraat (ong.), circa 600 meter ten zuiden van de kern van Nistelrode. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 167.422, Y = 412.213.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een onbebouwd en onverhard terrein dat momenteel in agrarisch gebruik is. Ten tijde van het veldbezoek was het terrein in gebruik als ponyweide. Voor zover bekend is de locatie altijd in agrarisch gebruik geweest. Ten zuiden van het perceel is grasland gelegen en de overige zijden zijn door woningbouw omsloten. De initiatiefnemer is voornemens op de locatie nieuwbouw te realiseren. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 2 van 20
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Overzicht vanaf westzijde perceel.
Figuur 4. Ruigte langs de woningen aan de noordzijde van het perceel.
Figuur 5. (Beuk)haag langs noordzijde van het perceel.
Figuur 6. Overzicht op perceel met ruigtesoorten.
Figuur 7. Toegang naar perceel vanaf de Achterstraat.
Figuur 8. Perceel ten noordwesten van de onderzoekslocatie.
2.1
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie
De initiatiefnemer is voornemens op de locatie woningbouw te realiseren. Hiertoe wordt een nieuwe toegangsweg gerealiseerd waarvoor de begroeiing langs de zuidzijde van het perceel en de daaronder gelegen sloot (gedeeltelijk) verwijderd en gedempt gaat worden. Het is vooralsnog onduidelijk of de aanwezige eik eveneens gekapt zal worden.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 3 van 20
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 14 oktober 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 4 van 20
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 5 van 20
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 6 van 20
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 7 van 20
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Aan de rand van de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, boomvalk, havik, buizerd, kerkuil, steenuil, ransuil, roek, sperwer, wespendief. Van deze soorten kunnen de soorten die broeden op bebouwing zoals de slechtvalk, huismus en gierzwaluw op voorhand worden uitgesloten. Op de onderzoekslocatie is namelijk geen bebouwing aanwezig. De grote gele kwikstaart kan vanwege de afwezigheid van (snel)stromend water eveneens worden uitgesloten. Steenuil Het perceel in zijn huidige staat voldoet aan de eisen die een steenuil stelt aan zijn foerageergebied, in de vorm van een paardenweide met begroeide overhoeken. Uit contact met de plaatselijke steenuilenwerkgroep is gebleken dat er op 100 meter en 200 meter afstand van de onderzoekslocatie steenuilkasten in gebruik zijn, waarvan de laatste een succesvol broedgeval betreft. Het is mogelijk dat de onderzoekslocatie sporadisch door steenuilen gebruikt wordt als foerageergebied. De percelen in directe nabijheid van de steenuilkasten bieden echter eveneens geschikt foerageergebied en daarom kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie een essentieel onderdeel uitmaakt van dit foerageergebied.
Kerkuil Volgens gegevens van de NDFF zijn er waarnemingen gedaan van kerkuilen aan de oostzijde van de A50, op ongeveer 500 meter afstand van de onderzoekslocatie. De kerkuil broedt in schuren, kerktorens, voornamelijk in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. Op en rond de onderzoekslocatie zijn er geen kerkuil nestkasten aangetroffen. Evenmin is er sprake van boomholtes die door een kerkuil gebruikt zou kunnen worden. Een broedgeval van de kerkuil kan derhalve worden uitgesloten. Evenmin is er sprake van afname van belangrijk foerageergebied gezien binnen de actieradius van de waargenomen kerkuilen meer geschikt foerageergebied aanwezig is, in de vorm van akkers en akkerranden. Boomvalk, sperwer en ransuil De sperwer broedt bij voorkeur in dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Dergelijk habitat is op de onderzoekslocatie niet aanwezig. De boomvalk en ransuil broeden in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De boomvalk komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. Het grootste deel van de aanwezige bomen waren vanwege de jonge leeftijd en daardoor beperkte hoogte niet geschikt voor
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 8 van 20
een jaarrond beschermd nest. Dergelijke nesten zijn hier ook niet aangetroffen. Op het perceel is echter één boom aanwezig die ten tijde van het veldbezoek nog dusdanig dichtbegroeid en onoverzichtelijk bleek dat een nestgeval aldaar niet geheel kan worden uitgesloten. Dit geldt eveneens voor een boom net buiten de onderzoekslocatie, op de noordwestelijke hoek (zie hoofdstuk 6). Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. De bomen die binnen het plangebied vallen en die met de uitvoering van de plannen mogelijk verloren gaan zijn goed onderzocht op dergelijke grote nesten. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Wespendief De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie aan de rand van de bebouwde kom en het kleine aantal bomen, waarvan slechts één grote boom, is een nestplaats van de wespendief niet te verwachten. 5.1.2
Overige broedvogels
De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals winterkoning en roodborst. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens Limpens et al. en de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, franjestaart, baardvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, bosvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. De aanwezige bomen op en in nabijheid van de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Dit is niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen eveneens uit te sluiten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 9 van 20
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Een dergelijke houtsingel is aanwezig langs de zuidzijde van het perceel. Echter zijn er in de directe omgeving meer geschikte verbindingen in de vorm van bomenrijen en andere lijnvormige elementen tussen west en oost aanwezig die deze functie te behouden. Wel wordt er vrijblijvend geadviseerd om in de toekomstige plannen een landschappelijke inpassing te realiseren om de west-oost verbinding te behouden. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: eekhoorn, das, bunzing, wezel, hermelijn en steenmarter. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt gedeeltelijk geschikt habitat voor de steenmarter, met name als foerageergebied. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Dergelijke ruimtes zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig, maar mogelijk wel in de omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie door deze soort. Dat een steenmarter gebruikt maak van het perceel als migratieroute of als foerageergebied is niet geheel uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). Hermelijn, wezel en bunzing De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de hermelijn, wezel en bunzing. De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels.
Een gedeelte van de onderzoekslocatie, te weten de zuidgrens, biedt dekkingsmogelijkheden voor genoemde soorten. Vanwege de dichte begroeiing kon dit gedeelte niet goed worden onderzocht en kan niet geheel worden uitgesloten dat hier een verblijflocatie van een van genoemde soorten aanwezig is (zie hoofdstuk 6). Das De onderzoekslocatie is door de afwezigheid van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving geen loop- en eetsporen gevonden die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. In de directe omgeving bevindt zich meer geschikt foerageergebied in bosstroken en in de bosranden zoals rond natuurgebied Maashorst. Vanwege de afwezigheid van geschikt habitat en sporen kan het voorkomen en daarmee verstoring van de das worden uitgesloten.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 10 van 20
Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge eik op de zuidgrens en bomen in nabijheid van de onderzoekslocatie konden door het dichte bladerdek niet goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn niet kan worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muizensoorten. De verblijfplaatsen van deze soorten kunnen door de voorgenomen ingrepen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen
Volgens gegevens van de NDFF is er in de afgelopen 10 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de streng beschermde levendbarende hagedis waargenomen. Deze waarnemingen hebben betrekking op natuurgebieden ten oosten van de A50, zoals de Maashorst. De levendbarende hagedis komt voornamelijk voor op bos- en heideterreinen en maakt daarnaast gebruik van habitattypes als structuurrijke bermen en spoorwegen. Dergelijk habitat is op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Doordat de onderzoekslocatie niet binnen het kerngebied van de soort valt en het habitat minder optimaal is, is het niet aannemelijk dat er een bestaande populatie aanwezig is. Daarbij is het vanwege de afstand tot de waarnemingen redelijkerwijs uit te sluiten dat zich een individu op de onderzoekslocatie ophoudt. 5.5
Amfibieën en vissen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 10 jaar in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie zich bevindt, de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker, heikikker en rugstreeppad. Waarnemingen zijn gedaan in natuurgebied de Maashorst aan de overzijde van de A50 ten oosten van de onderzoekslocatie en een enkele waarneming ten noorden van Nistelrode. Langs de zuidzijde van de onderzoekslocatie loopt een sloot die ten tijde van het veldbezoek niet toegankelijk bleek vanwege uitbundige begroeiing (braamstruweel). Kamsalamander en alpenwatersalamander De kamsalamander en alpenwatersalamander zijn op respectievelijk 1 en 1,5 kilometer afstand aan overzijde van de A50 van de onderzoekslocatie waargenomen. Genoemde soorten zijn minder kritisch op hun voortplantingswater ten opzichte van andere beschermde amfibieën. De mate van eutrofiering door naastgelegen (mais)akker is derhalve geen reden om genoemde soorten uit te sluiten. Echter heeft de kamsalamander een voorkeur voor relatief grote, diepe wateren met gedeeltelijk veel waterplanten voor de eiafzet en daarnaast een gedeelte onbegroeid voor de paring. Dergelijk open en diep voortplantingswater voor de kamsalamander is op de onderzoekslocatie niet aanwezig. De alpenwatersalamander heeft een voorkeur voor beschaduwde watergangen in, of in nabijheid van, loofbos.
Loofbos is op de onderzoekslocatie evenmin aanwezig. Gezien de minimale geschiktheid van het habitat op de onderzoekslocatie, in combinatie met de afstand tot waarnemingen volgens de NDFF, kan het voorkomen van een individu van zowel de kamsalamander als de alpenwatersalamander redelijkerwijs worden uitgesloten. Heikikker De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Dergelijk habitat is op de onderzoekslocatie niet aanwezig. De heikikker blijkt bij uitstek een vennensoort en komt daarnaast voor in kleine geïsoleerde wateren en in sloten.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 11 van 20
Volgens de verspreidingsgegevens is er een enkele observatie van de heikikker voorgekomen 2 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Op basis van de afstand van de waarneming tezamen met de ongeschiktheid van het habitat is uit te sluiten dat een individu zich op de onderzoekslocatie ophoudt. Poelkikker De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde, voedselarme en schone wateren. De soort overwintert meestal op het land. Omdat de sloot langs het perceel geheel begroeid was tijdens het veldbezoek en de naastgelegen maisakker zorgt voor eutrofiering kan uitgesloten worden dat de sloot geschikt voortplantingswater biedt voor een soort als de poelkikker. Dit, tezamen met de afstand tot de waarnemingen (circa 1,5 kilometer ten oosten van de planlocatie aan overzijde van de A50) kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat zich een individu ophoudt op de planlocatie. Algemene amfibieën en vissen Ten tijde van het veldbezoek was het vanwege de dichte begroeiing niet mogelijk om de aanwezige sloot goed te beoordelen op geschiktheid voor algemene amfibieën als de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander of voor algemene vissoorten. Zodra er sprake is van een aaneengesloten watergang met voldoende diepte zal bij het dempen van de watergang zonder maatregelen algemene amfibieën en vissen kunnen worden gedood.
De onderzoekslocatie vormt eveneens geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de braamstruweel en begroeide overhoeken (zie hoofdstuk 6). 5.6
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.7
Vaatplanten
De onderzoekslocatie bestaat uit gras, bestaande uit een pioniervegetatie met verschillende ruigtesoorten. Een deel van het terrein bestaat uit opslag van wilgen. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vaatplanten waargenomen: brandnetel, paardenbloem, ijzerhard, zuring. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke pioniersvegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 12 van 20
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Boomvalk, sperwer en ransuil
Nesten van boomvalk, sperwer en ransuil zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 4 van vogelnesten. In geval van kap van de eik op de zuidgrens van het perceel geldt dat middels een nestinspectie tijdens het bladerloze seizoen vastgesteld zal moeten worden of zich in de te kappen boom een nest van boomvalk, sperwer of ransuil aanwezig is. Indien dit inderdaad aan de orde is dan zal aanvullend onderzoek ten aanzien van de desbetreffende soort moeten uitwijzen of er sprake is van een broedgeval. Voor het wegnemen of verstoren van een jaarrond beschermd nest geldt een ontheffingsplicht. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Eekhoorn
De eekhoorn is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. In geval van de kap van de eik op de zuidgrens geldt dat middels een nestinspectie tijdens het bladerloze seizoen vastgesteld zal moeten worden of zich in de te kappen bomen een eekhoornnest bevindt. Deze inspectie kan gecombineerd worden met de nesteninspectie voor jaarrond beschermde nesten van vogels. Voor het wegnemen of verstoren van een eekhoornnest geldt een ontheffingsplicht. 6.3
Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel
De steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel zijn beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het verwijderen van de beplanting kan mogelijk leiden tot het wegnemen van vaste
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 13 van 20
rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en daarmee overtreding van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen dient uit te wijzen of de aanwezige beplanting een functie heeft voor genoemde soorten. 6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5
Algemene amfibieën en vissen
Ten tijde van het veldbezoek was het vanwege de dichte begroeiing niet mogelijk om de aanwezige sloot goed te beoordelen op geschiktheid voor algemene amfibieën als de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander of voor algemene vissoorten. Zodra er sprake is van een aaneengesloten watergang met voldoende diepte zal bij het dempen van de watergang zonder maatregelen algemene amfibieën en vissen kunnen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Er geldt echter wel een zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen en amfibieën voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de individuen in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. De onderzoekslocatie vormt eveneens geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de braamstruweel en begroeide overhoeken. De werkzaamheden op het land kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuillocaties worden beschadigd.
Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. 6.6
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 14 van 20
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 17,5 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 9).
Figuur 9. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 17,5 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 15 van 20
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel enigszins in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 800 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 10 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is op circa 800 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 16 van 20
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Het wordt aanbevolen contact op te nemen met de desbetreffende gemeente of er een melding- en herplantingsplicht bestaat vanuit gemeentelijke verordening.
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 17 van 20
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Achterstraat (ong.) te Nistelrode. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en woningbouw en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie De initiatiefnemer is voornemens op de locatie woningbouw te realiseren. Hiertoe wordt een nieuwe toegangsweg gerealiseerd waarvoor de begroeiing langs de zuidzijde van het perceel en de daaronder gelegen sloot (gedeeltelijk) verwijderd en gedempt gaat worden. Het is vooralsnog onduidelijk of de aanwezige eik eveneens gekapt zal worden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I.
In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
steenuil
ja
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Algemene grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van egel, konijn en diverse muizensoorten
Kleine marterachtigen en steenmarter
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar mogelijke verblijfplaats van bunzing, hermelijn of wezel en gebruik van perceel door steenmarter
Eekhoorn
ja
mogelijk
ja
mogelijk
indien grote eik op de zuidgrens gekapt dient te worden, een nestinspectie uitvoeren in het bladerloze seizoen
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander middels een werkprotocol
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene vissoorten middels een werkprotocol
Broedvogels
Vleermuizen
Algemene amfibieën
Rapport 10798.003 versie D2
Bijzonderheden / opmerkingen*
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren indien grote eik op de zuidgrens gekapt dient te worden, een nestinspectie uitvoeren in het bladerloze seizoen
Pagina 18 van 20
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Rapport 10798.003 versie D2
Bijzonderheden / opmerkingen*
Pagina 19 van 20
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
17,5 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
800 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
bij kap van eik op de zuidgrens de gemeente raadplegen over mogelijke herplantplicht.
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient voor de eventuele kap van de eik op de zuidgrens tijdig duidelijk te zijn of er nesten aanwezig zijn van sperwer, ransuil, boomvalk of eekhoorn. Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van deze soorten mogelijk aan de orde is en of aanvullend soort specifiek onderzoek gewenst is. Mogelijk geldt er voor genoemde eik een herplantplicht. Neem hiervoor contact op met de desbetreffende gemeente. Ten aanzien van het verwijderen van de beplanting op de zuidgrens dient eerst duidelijk te zijn of deze een functie heeft voor marterachtigen als de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Bij het wegnemen van een vaste rust- en/of verblijfplaats van genoemde soorten is er sprake een ontheffingsaanvraag in combinatie met het nemen van mitigerende maatregelen. Bij het dempen van de watergang langs de zuidgrens zal bij aanwezigheid van algemene vissoorten en amfibieën middels een ecologisch werkprotocol schade aan individuen moeten worden geminimaliseerd om zo te voldoen aan de zorgplicht. In een ecologisch werkprotocol zijn maatregelen opgenomen die schade beperken.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient altijd rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Econsultancy Boxmeer, 21 november 2019
Rapport 10798.003 versie D2
Pagina 20 van 20
GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied ‘Nistelrode’, periode 2009-2019 Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie NoordBrabant en Zoogdiervereniging, Nijmegen. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën en reptielen) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.vleermuis.net (soortgegevens vleermuizen) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF)
Rapport 10798.003 versie D2
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 10798.003 versie D2
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 10798.003 versie D2
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,