CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Besluit weigering omgevingsvergunning d.d. 7 maart 2024

Raadsvergadering 23 oktober 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Afgeven verklaring van geen bedenkingen Langenbergsestraat 7-9, Heeswijk-Dinther7.543 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BESLUIT WEIGERING OMGEVINGSVERGUNNING Aanvraag Wij hebben op 27 december 2015, met wijziging op 18 juni 2018, van de heer L.A.A. van der Heijden, Langenbergsestraat 9 in Heeswijk-Dinther een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder a, c en e, sub 2 en 3 en artikel 2.6 (revisie) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een rundvee- en geitenhouderij en het bouwen van een geitenstal naast de bestaande melkgeitenstal. De stal wordt gebouwd ten behoeve van het dierenwelzijn. Er komen niet meer geiten binnen de inrichting, maar het leefoppervlak voor de geiten wordt vergroot. De inrichting ligt aan de Langenbergsestraat 7 en 9 in Heeswijk-Dinther. De aanvraag is geregistreerd onder nummers 790840 en Z2023-00000088.

Concreet wordt verzocht om een omgevingsvergunning voor:  het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1, onder a van de Wabo);  het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wabo);  het veranderen, of het veranderen van de werking, en het in werking hebben van een inrichting, (artikel 2.1, lid 1, onder e, sub 2 en 3 en artikel 2.6 (revisie) van de Wabo);  het verrichten van een andere activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving, te weten het realiseren van een project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 Wnb (artikel 2.1 aanhef, lid 1 onder i van de Wabo, juncto artikel 2.2aa onder a van het Bor). Op 21 juli 2022 heeft de heer L.A.A. van der Heijden bij ons een verzoek gedaan tot aanpassing van het m.e.r-beoordelingsbesluit van 21 september 2018. Aanpassing van het m.e.r.-beoordelingsbesluit is nodig, omdat het beoogde project is gewijzigd waarbij de beoogde dieraantallen ongewijzigd zijn gebleven. Het beoogde project heeft nu betrekking op het bouwen van een nieuwe geitenstal voor 800 melkgeiten.

De veranderingen, ten opzichte van het voorgenomen plan waarop ons besluit van 21 september 2018 is gebaseerd, betreffen:  de nieuwe stal 10 wordt vergroot en dus anders uitgevoerd;  in de nieuwe stal 10 worden 350 melkgeiten meer gehouden. In deze stal worden in totaal 800 melkgeiten gehouden. Het verzoek tot aanpassing van ons m.e.r.-beoordelingsbesluit van 21 september 2018 is ingediend, omdat het een activiteit betreft die krachtens artikel 7.2, lid 4 van de Wet milieubeheer (Wm) is aangewezen als een activiteit die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Het initiatief heeft betrekking op een activiteit zoals bedoeld in artikel 2, lid 5, onder a van het Besluit milieueffectrapportage (besluit m.e.r.).

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

1/15

Procedure Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Overige procedurele overwegingen zijn in een aparte bijlage bij het besluit meegenomen. Besluit Wij besluiten dat voor de wijziging inhoudende het oprichten van stal 10 voor het houden van 800 melkgeiten géén milieueffectrapport (MER) hoeft te worden gemaakt. Wij nemen dit besluit gelet op:  het aangepaste verzoek waarin initiatiefnemer schriftelijk kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn de inrichting te veranderen;  de informatie die de initiatiefnemer heeft verstrekt over deze activiteit en de waarschijnlijk belangrijkste gevolgen voor het milieu van deze activiteit en tevens alle andere relevante omstandigheden waaronder hij de activiteit zal uitvoeren. Wij besluiten om, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze beschikking en gelet op artikel 2.1, 2.10, 2.12 en 2.20a van de Wabo: 

de vergunning te weigeren voor de volgende activiteiten: o het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1, onder a Wabo); o het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo); o het veranderen, of het veranderen van de werking, en het in werking hebben van een inrichting, (artikel 2.1, lid 1, onder e, sub 2 en 3 en artikel 2.6 Wabo (revisie)); o het verrichten van een andere activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving, te weten het realiseren van een project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 Wnb (artikel 2.1 aanhef, lid 1 onder i van de Wabo, juncto artikel 2.2aa onder a van het Bor);

de weigering verklaring van geen bedenkingen door het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant d.d. 22 november 2022 maakt onderdeel uit van dit besluit;

de afgifte verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad d.d. 6 juli 2023 maakt onderdeel uit van dit besluit.

Zienswijzen ontwerpbesluit De aanvraag en de ontwerpbeschikking met bijbehorende stukken zijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 8 november 2023 ter inzage gelegd tot en met 20 december 2023. Een ieder is in de gelegenheid gesteld om daartegen zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. Er is op 30 november 2023, ingekomen 6 december, een schriftelijke zienswijze ingebracht door de heer R. Verkoijen van Goorts + Coppens Advocaten namens de heer LA.A. van der Heijden. De zienswijze is ontvangen binnen de termijn waarin de ontwerp-beschikking ter inzage heeft gelegen. De zienswijze is ontvankelijk. We hebben de zienswijze voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant omdat de zienswijze volledig is gericht op de geweigerde Verklaring van geen bedenkingen van de provincie. De reactie van de provincie op de zienswijze luidt puntsgewijs als volgt. 1. Er had een Verklaring van geen bedenkingen verleend moeten worden De indiener van de zienswijze is van mening dat de aangevraagde activiteit niet in strijd is met de regels inzake afwijking die zijn opgenomen in artikel 2.71, vierde lid, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zodat de verklaring van geen bedenkingen had moeten worden verleend.

Volgens die bepaling kan het bevoegd gezag, in dit geval dus het college van burgemeester en wethouders omdat er sprake is van een afwijkingsvergunning, een omgevingsvergunning verlenen

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

2/15

als er (1) geen sprake is van een toename van dieren, (2) de toename van de oppervlakte dierenverblijf is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept en (3) het dierenwelzijnsconcept per aanwezige melkgeit tenminste 1,30 m2 dierenverblijf hanteert. Reactie De indiener van de zienswijze stelt dat uit artikel 2.71 IOV volgt dat het primaat van de beoordeling van de aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders ligt. Als er vervolgens concrete afwijkingsregels worden genoemd in de provinciale verordening en aan die afwijkingsregels wordt voldaan, zal de verklaring van geen bedenkingen verleend moeten worden. Dit standpunt achten wij onjuist. Gedeputeerde Staten dienen bij het al dan niet verlenen van een Verklaring van geen bedenkingen te beoordelen of zij al dan niet medewerking willen verlenen aan het verzoek. Gedeputeerde Staten hebben een discretionaire bevoegdheid om wel of niet mee te werken aan een uitzondering op het geitenmoratorium. Gedeputeerde Staten hebben daarbij beleidsvrijheid; het enkele feit dat Provinciale Staten hebben aangegeven dat een uitzondering gemaakt kan worden, betekent niet dat zij gehouden is medewerking te verlenen. Gedeputeerde Staten willen slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik maken van hun beleidsvrijheid om een uitzondering van het geitenmoratorium te verlenen.

Dit te meer nu het geitenmoratorium met het oog op de bescherming van de volksgezondheid is opgenomen. Het verbod op uitbreiding van geitenhouderijen is naar aanleiding van een aanvullend VGO-rapport (16 juni 2017) van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) (7 juli 2016), (wederom) opgenomen in de ‘Wijziging Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017’, inwerkingtreding 15 juli 2017. Ten aanzien van een mogelijke relatie tussen gezondheid van omwonenden en veehouderijen loopt er een langjarig onderzoek, het onderzoek Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) uitgevoerd door RIVM en de Universiteit van Utrecht (IRAS). De eerste resultaten van het onderzoek zijn in 2016 gepubliceerd. De onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land. Naar aanleiding daarvan heeft er aanvullend, meer gericht onderzoek plaatsgevonden naar deze indicatie. Op 16 juni 2017 zijn de uitkomsten daarvan door het RIVM gepubliceerd in het rapport “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden – aanvullende studies (hierna het VGO-II onderzoek). Uit het VGO-II onderzoek blijkt dat er een verhoogde kans op longontsteking is voor mensen die in een straal van 1,5 – 2 km rondom een geitenhouderij wonen ten opzichte van mensen die niet in de buurt van een geitenhouderij wonen.

De oorzaak van deze verhoogde kans kon daarbij niet worden aangegeven. Hier vindt nog nader onderzoek naar plaats in het VGO-III vervolgonderzoek. Belangrijke achterliggende reden voor het opnemen van het geitenmoratorium is dat uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking op een afstand tot 2 km van een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het moratorium is een voorzorgmaatregel met het oog op de volksgezondheid. Opname van het geitenmoratorium is noodzakelijk omdat: - de oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking onbekend is. Bedrijfsgerichte maatregelen die het risico op longontsteking beperken zijn nu dan ook nog niet mogelijk; - het (nog) onbekend is welke veranderingen op een bedrijf het gezondheidsrisico vergroten (bijvoorbeeld de toename van het aantal geiten, meer oppervlakte per melkgeit, het al dan niet houden van geiten op een strobed); - voorkomen moet worden dat (nieuwe) knelpunten ontstaan vanwege de volksgezondheid rond geitenhouderijen door het bouwen van nieuwe dierenverblijven voor geiten, die mogelijk later met veel inspanning en kosten moeten worden weggenomen.

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

3/15

Gelet op deze onzekerheden zijn wij dan ook zeer terughoudend ten aanzien van het veranderen van bedrijfssituaties van geitenhouderijen. Ook wanneer het gaat om een toename van bedrijfsbebouwing zonder een toename van het aantal dieren. De indiener van de zienswijze geeft verder aan dat uit de beslissing van Gedeputeerde Staten van 22 november 2022 met betrekking tot de verklaring van geen bedenkingen volgt dat het bevoegd gezag over de omgevingsvergunning vindt dat aan het gestelde in artikel 2.71 lid 4 van de IOV wordt voldaan. Ook GS vinden dat het bevoegd gezag voldoende heeft gemotiveerd waarom een toename aan oppervlakte dierenverblijf aanvaardbaar is, aldus de indiener van de zienswijze. Gedeputeerde Staten hebben in het besluit niet geconcludeerd dat voldoende is gemotiveerd dat de uitbreiding van stalruimte aanvaardbaar is. Er is aangegeven dat de gemeente voldoende heeft gemotiveerd waarom zij de toename staloppervlak aanvaardbaar vindt. Dat betekent dat de gemeente in haar afweging alle relevante aspecten heeft betrokken maar zegt niets over hoe Gedeputeerde Staten die aspecten wegen. Uit de navolgende passages van het besluit blijkt dat Gedeputeerde Staten gelet op het zwaarwegende volksgezondheidsbelang en het principe van voorzorg, de conclusie van de gemeentelijke afweging niet delen. 2.

Reikwijdte van het geitenmoratorium De indiener van de zienswijze stelt dat het geitenmoratorium niet zover kan gaan dat zelfs een uitbreiding van oppervlakte zonder toename van dieren en met toepassing van verbeterde technieken niet wordt toegestaan. In ieder geval is door Gedeputeerde Staten ook niet gemotiveerd waarom de toe te passen technieken niet tot een verbetering leiden. Bewaarmaker zou in ieder geval niet weten wat hij meer zou kunnen doen om wél voor een verklaring van geen bedenkingen in aanmerking te kunnen komen. Reactie Allereerst wordt benadrukt dat de gedragslijn geen criteria bevat maar een verduidelijking richting initiatiefnemers hoe Gedeputeerde Staten wil omgaan met haar bevoegdheid. Anders dan de indiener van de zienswijze stelt, wordt met de afweging dat er sprake moet zijn van een ‘uitzonderlijk belang’ dus geen nadere voorwaarde of nadere regel gesteld. De afweging voor uitzonderlijk belang heeft betrekking op wanneer Gedeputeerde Staten wel/geen toepassing geven aan hun wettelijke discretionaire bevoegdheid om wel of niet mee te werken aan een uitzondering op het geitenmoratorium. Gedeputeerde Staten hebben daarbij beleidsvrijheid; het enkele feit dat Provinciale Staten hebben aangegeven dat een uitzondering gemaakt kan worden, betekent niet dat zij gehouden zijn medewerking te verlenen.

Gedeputeerde Staten willen slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik maken van hun beleidsvrijheid om een uitzondering van het geitenmoratorium te verlenen. Dit te meer nu het geitenmoratorium met het oog op de bescherming van de volksgezondheid is opgenomen. Verder wijzen wij erop dat Provinciale Staten op 11 maart 2022 de Omgevingsverordening NoordBrabant hebben vastgesteld. Provinciale Staten hebben besloten geen uitzonderingsgronden op het geitenmoratorium meer op te nemen, juist vanwege de onzekerheid rondom gezondheidsrisico’s bij geitenhouderijen, waarbij onderzoekers hebben aangegeven dat de oorzaak van de verhoogde infectiedruk ook gelegen kan zijn in bijvoorbeeld dierenwelzijnsconcepten. Zowel de uitkomsten van de onderzoeken als de besluitvorming van Provinciale Staten in maart 2022 sterken Gedeputeerde Staten in hun mening dat sprake moet zijn van een uitzonderlijke situatie. Belangrijk aspect in de afweging van Gedeputeerde Staten is dat uit de eerdergenoemde VGO-onderzoeken blijkt dat onbekend is welke veranderingen op een geitenbedrijf het gezondheidsrisico vergroten (bijvoorbeeld de toename van het aantal geiten, meer oppervlakte per melkgeit, het al dan niet houden van geiten op een strobed).

Om deze reden zijn Gedeputeerde Staten van mening dat met de onderbouwing van de gemeente Bernheze, ondanks dat deze van voldoende kwaliteit is, niet beargumenteerd kan worden dat met de uitbreiding van de oppervlakte dierenverblijven de gezondheidsrisico’s worden beperkt en de volksgezondheid van omwonenden voldoende wordt beschermd.

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

4/15

Gelet op het voorgaande zien Gedeputeerde Staten geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt tot weigering van afgifte van een verklaring van geen bedenkingen te herzien. Vanwege de weigering verklaring van geen bedenkingen door GS moet de omgevingsvergunning worden geweigerd. Burgemeester en wethouders van Bernheze, namens dezen,

Mark-Jan Janssen Teamcoach VTHV Besluitdatum: 7 maart 2024 Verzenddatum: 7 maart 2024 Een exemplaar van deze beschikking is gezonden aan:  de aanvrager;  ZLTO, de heer H.W.M. Cruijsen (per e-mail);  Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, o.v.v. kenmerk: C2297319/5108095 (per e-mail);  Omgevingsdienst Brabant Noord, mw. H. van den Boomen; Beroep Belanghebbenden en eenieder die zienswijzen heeft ingebracht kunnen binnen 6 weken na de dag dat het besluit ter inzage is gelegd, na publicatie van de kennisgeving, beroep aantekenen bij de Rechtbank Oost-Brabant. Het beroepschrift moet uw naam en adres bevatten, en gemotiveerd, gedateerd en ondertekend zijn. Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij de Sector Bestuursrechtspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, Postbus 90125, 5200 MS ’s-Hertogenbosch. Voorlopige voorziening De dag nadat de beroepstermijn is verstreken, treedt de beschikking in werking. Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, Postbus 90125, 5200 MA, ’s-Hertogenbosch. Leges Wij brengen leges in rekening voor het behandelen van uw aanvraag.

U ontvangt hiervan ter zijner tijd een nota. De legeskosten bestaan uit (volgens legesverordening 2015): 2.3.1.1.1 Bouwactiviteit (bouwkosten € 200.000,-) € 4602,00 2.3.1.5 Beoordeling aanvullende gegevens € 80,20 2.3.3.3 Planologisch strijdig gebruik € 5.971,60 2.3.3.6 Provinciaal belang € 289,10 2.5.1.3 Teruggaaf op de bouwactiviteit (10%) € -460,20 € 10.482,70

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

5/15

BIJLAGE I.

PROCEDURELE OVERWEGINGEN

PROCEDURELE ASPECTEN Gegevens aanvrager Op 27 december 2015, gewijzigd op 18 juni 2018, hebben wij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder a, c en e, sub 2 en 3 en artikel 2.6 (revisie) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen voor het veranderen van een rundvee- en geitenhouderij en het bouwen van een geitenstal naast de bestaande melkgeitenstal. Het betreft een aanvraag van de heer L.A.A. van der Heijden voor de inrichting aan de Langenbergsestraat 7 en 9 in Heeswijk-Dinther. Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt aangevraagd is als volgt te omschrijven: het bouwen van een melkgeitenstal naast de bestaande melkgeitenstal. De bouw van deze geitenstal is gewenst omdat het leefoppervlak voor de melkgeiten vergroot wordt ten behoeve van dierenwelzijn. Het aantal geiten wordt met deze aanvraag niet uitgebreid. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:  het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1, onder a);  het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1, onder c);  het veranderen, of het veranderen van de werking, en het in werking hebben van een inrichting, (artikel 2.1, lid 1, onder e, sub 2 en 3 en artikel 2.6 (revisie)).

Onderdelen aanvraag De aanvraag bestaat uit:  een aanvraagformulier, aanvraagnummer: 2122515, d.d. 27 december 2015;  een gewijzigde bouwtekening, d.d. 12- december 2017;  wijziging aanvraag, 6 juni 2018;  een bijlage 2 omgevingsvergunning, datum: 06-06-2018/07-03-2022/20-07-2022;  een overzicht van de aan- en afvoerbewegingen en interne bewegingen;  een document “Nieuwbouw geitenstal ter verbetering van het dierwelzijn voor de melkgeiten”;  een verzoek tot mer-beoordeling d.d. 21 juli 2022;  een document “onderbouwing randeffect Langenbergsestraat 9 Heeswijk- Dinther”;  een plattegrondtekening van de inrichting met situatietekening, onderdeel: Milieutekening, tekeningnummer: M 01, d.d. 9 maart 2022;  een plattegrondtekening van de inrichting met situatietekening, onderdeel: Milieutekening, tekeningnummer: M 01, d.d. 20 juli 2022;  een verschilberekening situatie PAS melding en beoogde situatie met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: RQ775kvXR4SK, d.d. 21 juli 2022;  een berekening in verband met randeffect 25 kilometer met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: RtBSNMakwGPE, d.d. 21 juli 2022;  een berekening Wnb-rekengrid incl. eigen rekenpunten met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: RowGYsrvTVhj, d.d. 21 juli 2022;  een verschilberekening situatie PAS melding en beoogde situatie incl. BG met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: RcVE3fv1btg7, d.d.

21 juli 2022;  een berekening Wnb-rekengrid incl. eigen rekenpunten met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: RVmUEVNvZ3Es, d.d. 21 juli 2022;  een berekening Wnb-rekengrid incl. eigen rekenpunten met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: Rf3KbZASMpTe, d.d. 21 juli 2022;  een berekening in verband met randeffect 25 kilometer met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: S2pGLx4qRxlc, d.d. 21 juli 2022;  een berekening Wnb-rekengrid incl. eigen rekenpunten met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: RkRYRasRDRxT, d.d. 21 juli 2022;  een verschilberekening wabo 2015 en beoogd met AERIUS CALCULATOR, AERIUS kenmerk: RgW4C1JRHcfz, d.d. 21 juli 2022.

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

6/15

Vergunde situatie Op 24 november 2015 hebben wij voor de inrichting een omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu (revisie) verleend. De vergunning is onherroepelijk en in werking getreden. Verandering van de inrichting De aanvraag heeft betrekking op de volgende veranderingen van de inrichting:  het bouwen van stal 10 voor het houden van 800 melkgeiten, zonder een uitbreiding van het totaal aantal dieren op het bedrijf. Het gaat om reeds vergunde dieren. Een deel van de dieren uit stal 9 wordt verplaatst naar de nieuw te bouwen stal 10. In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren aanwezig zijn:

Ontvankelijkheid Artikel 2.8 van de Wabo biedt de grondslag voor een geharmoniseerde regeling van de indieningsvereisten. Dit betreft de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moeten worden aangeleverd om tot een ontvankelijke aanvraag te komen. De regeling is uitgewerkt in paragraaf 4.2 van het Bor, met een nadere uitwerking in de Regeling omgevingsrecht. Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid (hierbij is ook gecontroleerd of alle activiteiten zijn aangevraagd). Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. De aanvrager is hier op in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens te leveren. We hebben de aanvullende gegevens ontvangen. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag, alsmede de latere aanvulling daarop, voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen. Bevoegd gezag De aanvraag heeft op basis van artikel 2.1 van het Bor, in samenhang met de onderdelen B en C van bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht, betrekking op een vergunningplichtige inrichting. Binnen de inrichting:  worden meer dan 2.000 geiten gehouden (categorie 8.3). M.E.R.-(BEOORDELINGS)plicht

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

7/15

Algemeen Op grond van het Besluit m.e.r. moet het bevoegd gezag, voor alle activiteiten die beneden de m.e.r.beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen aanzienlijke milieugevolgen heeft. Overwegingen ten aanzien van relevante criteria In artikel 7.17, lid 3 van de Wet milieubeheer (Wm) is een verwijzing opgenomen naar de relevante criteria van bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. De relevantie criteria kunnen zijn dat gezien de kenmerken van de activiteiten bij een bestaande rundvee- en geitenhouderij, de plaats waar het bedrijf is gevestigd, de samenhang met andere activiteiten ter plaatse en de kenmerken van de gevolgen die de activiteit veroorzaakt, er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Deze criteria kunnen aanleiding geven om een plicht tot het opstellen van een MER op te leggen. Hiervoor dient de initiatiefnemer ten minste de volgende informatie te verstrekken:  Een beschrijving van de activiteit, met in het bijzonder: 1. een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en, voor zover relevant, van sloopwerken; 2.

een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn;  een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben;  een beschrijving, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is, van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van: 1. indien van toepassing, de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; 2. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. In het verzoek tot aanpassing van ons m.e.r.-beoordelingsbesluit van 21 september 2018 heeft initiatiefnemer de relevante criteria en voor zover relevant, de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van gevolgen voor het milieu beschreven. In het verzoek om aanpassing heeft de heer L.A.A. van der Heijden de benodigde informatie verstrekt over het bedrijf en de activiteit die ondernomen wordt, waardoor wij in de gelegenheid zijn deze te beoordelen. Deze relevante criteria worden hierna ten aanzien van de activiteit(en) nader beschouwd. De kenmerken van de activiteit De activiteit betreft het oprichting van stal 10 met 800 dierplaatsen voor melkgeiten.

De activiteit vormt een onderdeel van een bestaande rundvee- en geitenhouderij. Na realisatie van de activiteit kunnen er binnen deze inrichting in totaal 32 zoogkoeien, 105 stuks vrouwelijk jongvee, 850 opfokgeiten tot en met 60 dagen, 400 opfokgeiten van 61 dagen tot en met 1 jaar en 1.520 melkgeiten worden gehuisvest. De plaats waar de activiteit wordt verricht De inrichting ligt in het buitengebied van Vorstenbosch. Op ongeveer 650 meter ligt de bebouwde kom van Vorstenbosch. In de directe nabijheid van de inrichting zijn enkele burgerwoningen en woningen behorende bij (voormalige) veehouderijen gelegen. De directe omgeving waar de activiteit wordt verricht is voornamelijk in gebruik als grasland en bouwland. De kenmerken van de gevolgen van de activiteit Ammoniak/stikstofdepositie Voor de beoordeling van de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt met betrekking tot het aspect ammoniak moet getoetst worden aan de artikelen 3.112 tot en met 3.114 van het De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

8/15

Activiteitenbesluit en indirect aan het Besluit houdende regels met betrekking tot emissiearme huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren (Besluit emissiearme huisvesting). De dierenverblijven liggen niet in een zeer kwetsbaar gebied, zoals bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), dan wel in een zone van 250 meter daaromheen. De aangevraagde situatie heeft een ammoniakemissie van 3.971,2 kg. De ammoniakemissie blijft gelijk aan de ammoniakemissie van de vergunde situatie. Uit de gegevens van het RIVM (2021) blijkt dat in het roostervlak waarin het bedrijf zich heeft gevestigd, de achtergronddepositie circa 2.054 mol N-totaal per hectare per jaar bedraagt. Het dichtst bijgelegen zeer kwetsbare gebied (Noord-Brabant, nummer 568) ligt op circa 1.680 meter van de inrichting. De achtergronddepositie op het zeer kwetsbare gebied bedraagt circa 1.986 mol Ntotaal per hectare per jaar. De inrichting valt met het gevraagde veebestand niet onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn. Daarom hoeft niet aan de Beleidslijn te worden getoetst. Hierdoor kan worden volstaan met de toepassing van BBT. Om te bepalen of een huisvestingssysteem als BBT mag worden aangemerkt dient het Besluit emissiearme huisvesting geraadpleegd te worden. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de maximale emissiedrempelwaarden wordt een dergelijk systeem als BBT aangemerkt.

Voor zoogkoeien, vrouwelijk jongvee, melkgeiten en opfokgeiten zijn geen maximale emissiedrempelwaarden vastgesteld. De huisvestingssystemen voor deze diercategorieën zijn altijd BBT op het gebied van ammoniak. De inrichting kan door stikstofdepositie door de uitstoot van ammoniak, schadelijke effecten veroorzaken op Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten. De m.e.r.-beoordeling beperkt zich tot de effecten die veroorzaakt worden door de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden, in dit geval de wijziging of uitbreiding van een installatie (de verandering). Uit de bij dit besluit gevoegde berekening met AERIUS CALCULATOR (AERIUS kenmerk: ReeBhzggKcdU, d.d. 3 oktober 2023) blijkt dat de ammoniakdepositie op natura 2000-gebieden ten opzichte van de wabo-vergunde situatie toeneemt met maximaal 0,01 mol/ha/j. Deze uitbreiding in depositie betreft geen belangrijke nadelige gevolg voor het milieu. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning als het gaat om geurhinder vanuit dierenverblijven van veehouderijen. De cumulatieve bijdrage van geurhinder naar geurgevoelige objecten in de omgeving van de aangevraagde locatie hoeft in het kader van de Wgv niet te worden berekend, maar is verdisconteerd in de geurnormen en vaste afstanden in de Wgv.

Gezien de achtergrondbelasting aan geur in het gebied waar de inrichting ligt, is er voor gekozen een gemeentelijke geurverordening vast te stellen waarin wordt afgeweken van de geurnormen en afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Uit de notitie blijkt dat de geuremissie gelijk blijft. Uit het aangepaste verzoek blijkt dat de geurbelasting op de geurgevoelige objecten past binnen de geldende normen. Omdat de geurbelasting gelijk blijft, blijft ook de cumulatieve geurbelasting naar de omgeving gelijk. Fijn stof

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

9/15

In het voorgenomen plan is het aantal dieren binnen de inrichting ongewijzigd. De fijn stof emissie is daarom gelijk aan de fijn stof emissie van de vergunde situatie. Titel 5.2 van de Wm vormt het toetsingskader voor de emissie van fijn stof vanuit dierenverblijven. Uit de beoordeling blijkt dat aan Titel 5.2 van de Wm wordt voldaan. Nu de voorgestelde opzet van de inrichting, de plaatselijke omstandigheden van de omgeving in het kader van de ammoniakemissie en –depositie, de geuremissie en -belasting en de fijn stof im- en emissie niet bijzonder zijn en er wordt voldaan aan de eisen uit de Wav, Wgv en Titel 5.2 Wet milieubeheer, kan gesteld worden dat deze emissies niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Geluid Het voorgenomen plan ziet toe op het oprichten van stal 10. Deze stal wordt mechanisch geventileerd. Gezien de afstanden van de inrichting tot geluidsgevoelige objecten is niet te verwachten dat het uitvoeren van de activiteit tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal leiden. Risico’s op ongevallen De aard van de activiteiten van een rundvee- en geitenhouderij zijn niet van dien aard dat zij, bij een normale bedrijfsvoering, leiden tot extra risico op ongevallen. De voorschriften die voor de inrichting van toepassing zijn, zijn voldoende om de kans op calamiteiten te beperken.

Volksgezondheid Op 7 juli 2016 zijn de onderzoeksrapporten “Veehouderij en gezondheid omwonenden” (hierna: VGO) en “Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij” gepubliceerd, waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s kunnen lopen door de blootstelling aan emissies uit deze veehouderijen. Met name endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op 16 juni 2017 is het onderzoeksrapport “Veehouderij en gezondheid omwonenden” (aanvullende studies) gepubliceerd (hierna: VGO-2). Uit het aanvullend VGO-onderzoek volgt dat er een verhoogde kans is op longontsteking voor mensen die binnen een straal van 1,5 – 2 kilometer van een geitenhouderij wonen. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontsteking is niet bekend waardoor het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. In september 2018 is het onderzoek “Veehouderij en gezondheid omwonenden III: longsontstekeningen in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen, actualisering 2014-2016” (hierna: VGO-3) gepubliceerd. In het VGO-3 onderzoek is opnieuw gekeken naar verschillende afstanden tussen woningen en geitenhouderijen (500, 1000, 1500 en 2000 meter). Bij een kleinere afstand neemt het risico op longontsteking toe.

Daarnaast neemt het risico op longontsteking toe als er meer geitenhouderijen in de omgeving van de woning zijn. In september 2021 is het rapport “Longontstekingen in de nabijheid van geitenhouderijen in NoordBrabant en Limburg, actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2017 – 2019” verschenen. In dit rapport is opnieuw vastgesteld dat er een verband is tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van veel veehouderijen en meer in het bijzonder geitenhouderijen. In lijn met de vorige onderzoeken neemt het risico op longontsteking toe bij een kleinere afstand (500 meter). Verder heeft de minister van LNV bij brief van 24 november 2021 (kenmerk: DGA-DAD / 21297099) de Tweede Kamer bericht over de laatste stand van zaken van het nader onderzoek in het VGOtraject. Zij heeft het rapport ‘Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Noord-Brabant en Limburg, actualisering 2017-2019’ van het NIVEL en een samenvattend rapport van het RIVM aangeboden aan de Tweede Kamer. Op basis van deze meest recente onderzoeksrapporten wordt geconcludeerd dat er een associatie is tussen het wonen nabij een geitenhouderij (tot 500 meter) en

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

10/15

een verhoogde kans op longontsteking. Er is over deze jaren geen associatie gevonden tussen het wonen binnen een straal van 1.000 of 2.000 meter afstand van een geitenhouderij en een verhoogde kans op longontsteking. Aanknopingspunten over de mogelijke oorzaak ontbreken nog. Wanneer er inzicht is in de oorzaak van het verband, kan worden gekeken naar gerichte maatregelen die het risico op longontsteking voor omwonenden verkleinen, aldus de Minister. De Minister ziet nog geen aanknopingspunten voor landelijk beleid en verwijst naar de geitenmoratoria die provincies op basis van het voorzorgsbeginsel hebben ingezet. Bovenstaande rapporten betreffen de nieuwste wetenschappelijke inzichten en worden daarom bij de afweging voor gezondheid betrokken. Naast de hiervoor aangehaalde rapporten zijn er op dit moment voor de beoordeling van de risico’s voor de volksgezondheid veroorzaakt door emissies vanuit veehouderijen, twee in Noord-Brabant ontwikkelde toetsingskaders beschikbaar. Dit zijn de “Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0” (hierna: Handreiking) en de “Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0” (hierna: Notitie). De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, dan wel dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht.

De Notitie bevat een specifiek toetsingskader voor endotoxine, dat is opgesteld naar aanleiding van het VGO-1 rapport en het Endotoxine rapport uit 2016. Tot slot is op 17 oktober 2017 in Brabant de memo “Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen” uitgebracht. Deze memo gaat in op de uitwerking van het op 7 juli 2017 door de provincie Noord-Brabant vastgestelde geitenmoratorium. Het geitenmoratorium is verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant en vervolgens door vertaald in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV). Omdat het voorgenomen plan voorziet in een uitbreiding van stalruimte voor het houden van melkgeiten, wordt hierna als eerste ingegaan op de IOV. IOV Zoals hiervoor al aangegeven, laten de aanvullende analyses uit het VGO-2 rapport zien dat sprake is van een verhoogde kans op longontsteking voor mensen die in een straal van 1,5 - 2 kilometer rondom een geitenhouderij wonen. Uit het onderzoek is af te leiden dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij groter is dan het risico rond een pluimveehouderij. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009 - 2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten. De oorzaak is nog onbekend.

De oorzaak van het verhoogde risico is dus onbekend en een (landelijk) wettelijk vastgelegd toetsingskader voor dit gezondheidsaspect bij omwonenden is niet beschikbaar. Bij de aanbieding van het VGO-2 rapport middels de Kamerbrief van 16 juni 2017 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken wel aangegeven “de verhoogde ziektedruk een zorgelijk signaal te vinden”. Verder gaf hij aan dat het daarom “van belang is dat het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten op het gebied van ruimtelijke ordening en, voor zover mogelijk, bij het nemen van besluiten over het verlenen van vergunningen, rekening houdt met deze zorgelijke signalen”. Naar aanleiding hiervan is vanuit gemeenten in Brabant aan de provincie gevraagd het uitbreiden van geitenhouderijen tegen te gaan. Hierop is door Provinciale Staten op 7 juli 2017 besloten tot een moratorium voor de geitenhouderij dat een toename in oppervlakte voor het houden van geiten verbiedt. Het moratorium is een tijdelijke voorzorgsmaatregel met het oog op de volksgezondheid en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

11/15

Brabant. Zoals wij hierboven al hebben aangegeven zijn de regels uit de Verordening ruimte NoordBrabant door vertaald in de IOV. In artikel 2.71, lid 1 van de IOV is het volgende opgenomen: Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.47 Tijdelijk verbod geitenhouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor geitenhouderijen in Landelijk gebied dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten is verboden. In artikel 2.71, lid 4 van de IOV is het volgende opgenomen: In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verlenen, als: a. de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten die de geitenhouderij krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 7 juli 2017 mag houden; b. het dierenwelzijnsconcept per aanwezige melkgeit ten minste 1,30 m² dierenverblijf hanteert.

In het voorgenomen plan is sprake van een toename van de bestaande oppervlakte van dierenverblijven voor het houden van geiten. Verder blijkt uit het voorgenomen plan dat deze toename is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept dat voldoet aan de eis zoals opgenomen in artikel 2.71, lid 4, onder b van de IOV. Wij kunnen ons dan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de risico’s voor de volksgezondheid geen aanleiding geven om een MER te verlangen voor de voorgenomen activiteit. Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 In de Handreiking zijn 7 stappen opgenomen op grond waarvan eventueel advisering vanuit de GGD noodzakelijk wordt geacht. De ontwikkeling is hieraan getoetst. Op grond van de toetsing aan de Handreiking is sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Binnen de inrichting worden geiten en meerdere diersoorten gecombineerd gehouden. Op 8 augustus 2017 hebben wij een advies van de GGD ontvangen. Dit advies heeft nog betrekking op het uitbreiden van het aantal geiten binnen de inrichting en is dus nog een advies van voor de wijziging van de aanvraag op het gebied van dierenwelzijn (juni 2018). In de gewijzigde aanvraag is geen sprake meer van uitbreiding in dieren. Uit het aangepaste verzoek blijkt dat er geen verhoging plaats vindt van de totale fijn stof, ammoniak en geuremissie.

Verder wordt in stal 10 een fijn stof reduceerde techniek toegepast. Hierdoor zal de feitelijk uitstoot van fijn stof lager zijn dan de berekende fijn stof emissie (omdat voor de toegepaste reduceerde techniek geen formele factor is vastgesteld). Aan de omgevingsvergunning wordt een voorschrift verbonden ter beperking van zoönose. Zoals hierboven onder het kopje IOV is aangegeven hebben wij van gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een positieve vvgb ontvangen. Wij kunnen ons dan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de risico’s voor de volksgezondheid geen aanleiding geven om een MER te verlangen voor de voorgenomen activiteit. Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

12/15

Op 25 november 2016 is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de Notitie uitgebracht. Deze Notitie beschrijft een aanpak voor het beoordelen van het risico op verspreiding van endotoxinen van (uitbreidende) veehouderijen. Het doel van de Notitie is dat er, in de periode totdat er een landelijk toetsingskader voor endotoxine beschikbaar komt, voor omwonenden geen nieuw of grotere knelpunten op het gebied van volksgezondheid ontstaan. De Notitie biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. De Notitie richt zich op pluimvee- en varkensbedrijven omdat hier de emissie van fijn stof en grovere stofdeeltjes het hoogste is. Beoordeling op grond van de Notitie is in deze situatie niet noodzakelijk. Het doel van de Notitie is immers dat er in de periode totdat er een landelijk toetsingskader endotoxine beschikbaar komt, voor omwonenden geen nieuwe of grotere knelpunten op het gebied van volksgezondheid ontstaan. Omdat er in dit geval geen sprake is van het houden van pluimvee of varkens, is niet bekent dat de ontwikkeling voor wat betreft endotoxine een verhoogd risico oplevert.

Conclusie volksgezondheid Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen verhoogde risico’s oplevert voor de volksgezondheid dat op grond van het voorzorgbeginsel een MER moet worden opgesteld. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Ten behoeve van de bedrijfsvoering worden de volgende hulpbronnen gebruikt: voedsel voor het rundvee en de geiten, elektriciteit, aardgas en leiding- en grondwater. Het rundvee en de geiten worden met droogvoer en ruwvoer gevoerd. De aangegeven verbruiken zijn niet zodanig hoog dat hiervoor een MER moet worden opgesteld. Productie van afvalstoffen Binnen de inrichting ontstaan bedrijfsafvalwater, kadavers en dierlijke mest. De initiatiefnemer heeft bovenstaande aspect voldoende uitgewerkt in het aangepaste verzoek. De afvalstromen worden op een verantwoorde wijze worden opgeslagen en afgezet. Verontreiniging en hinder Verontreiniging van bodem, grondwater en oppervlaktewater is niet te verwachten. Dierlijke mest wordt opgeslagen in de stallen. De grond- en hulpstoffen en afvalstoffen worden opgeslagen in daarvoor bestemde opslagen die vloeistofdicht of vloeistofkerend zijn en geschikt zijn voor de opgeslagen stof. Vervuild water wordt niet geloosd op het oppervlaktewater of in de bodem. Wet natuurbescherming Uit de bij dit besluit gevoegde berekening met AERIUS CALCULATOR (AERIUS kenmerk: ReeBhzggKcdU, d.d.

3 oktober 2023) blijkt dat de ammoniakdepositie op natura 2000-gebieden ten opzichte van de wabo-vergunde situatie toeneemt met maximaal 0,01 mol/ha/j. Deze uitbreiding in depositie betreft geen belangrijke nadelige gevolg voor het milieu. Grondwaterbeschermingsgebieden, stiltegebieden en dergelijke De inrichting ligt niet in of in de nabijheid van andere bijzondere gebieden. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu De gevraagde oprichting van de geitenstal bij een bestaande inrichting leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Kenmerken van het potentiële effect

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

13/15

De kenmerken van de belangrijkste (mogelijk) optredende nadelige gevolgen voor het milieu zijn hiervoor aan de orde gesteld. Daaruit kan het volgende worden afgeleid. De aangeleverde gegevens bieden voldoende inzicht in het bereik, waarschijnlijkheid, orde, grootte en complexiteit van de effecten vanuit de inrichting. Er is geen sprake van grensoverschrijdende effecten. De aangeleverde gegevens bieden voldoende inzicht in duur, frequentie, cumulatie en de onomkeerbaarheid van de effecten. Conclusie Samengevat kan worden gesteld dat gelet op:  gezien de kenmerken van het oprichten van geitenstal 10 bij een bestaande rundvee- en geitenhouderij;  de plaats waar de activiteit wordt verricht;  de kenmerken van de gevolgen van de activiteit. er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het niet noodzakelijk is een MER op te stellen. Verzoek verklaring van geen bedenkingen (vvgb) De aanvraag is in strijd met artikel 3.2.1 onder j en 3.2.2 onder a van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Bernheze”. Vergroting van de bebouwing van een geitenhouderij is niet toegestaan. Daarnaast moeten bedrijfsgebouwen op minimaal 15 m van de bestemming ‘verkeer’ worden gebouwd. De stal komt op kleinere afstand.

Om deze reden is de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” (artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo) aangevraagd. Uit artikel 2.12, lid 1, onder c van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor de hiervoor genoemde activiteit slechts kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en als de activiteit niet in strijd is met regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening, voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan. Gemeente Artikel 3.4.1 onder c van de bestemmingsplanvoorschriften biedt het college de mogelijkheid tot het bouwen op een kleinere afstand van de bestemming ‘verkeer’. Voorwaarden hiervoor zijn dat dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en niet leidt tot een aantasting van de verkeersveiligheid. De afstand tot de verkeersbestemming wordt te klein omdat de weg ter plaatse een slinger maakt. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt met de voorgevel gelijk aan het bestaande bedrijfsgebouw geplaatst. Hierdoor ontstaat een rustig beeld. Beide bedrijfsgebouwen staan ruim achter de bedrijfswoning waardoor de erfcompositie klopt. De afstand tot de bestemming ‘verkeer’ blijft voldoende. Mede door de beperkte verkeersintensiteit ontstaan er naar verwachting niet veel conflictsituaties.

Medewerking aan een uitbreiding van de bebouwing voor een geitenhouderij is enkel mogelijk via een procedure ex artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo. Een onderdeel van de procedure is de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad van Bernheze (art. 2.27 Wabo jo. art. 6.5 lid 1 Bor). Op 6 juli 2023 heeft de gemeenteraad besloten een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Het bouwen van de nieuwe stal staat ten dienste van het dierenwelzijn. Met de nieuwe stal is het familiebedrijf met bedrijfsopvolger klaar voor de toekomst. Provincie Provinciale Staten hebben op basis van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) vastgesteld. In deze IOV zijn onder andere regels vastgesteld op basis van artikel 4.1, derde lid Wro ten aanzien van geitenhouderijen. In deze regels (art. 2.71 en 3.47 IOV) is een verbod opgenomen voor het uitbreiden van de oppervlakte dierenverblijf voor geiten. Voor uitzonderlijke gevallen is een afwijkingsmogelijkheid van het verbod opgenomen. In artikel 6.6, lid 1 van het Bor is opgenomen dat alleen van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt nadat Gedeputeerde Staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

14/15

hebben. Wij hebben daarom Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (GS) op 22 april 2022 verzocht om een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Op 22 november 2022 hebben GS besloten om de gevraagde verklaring van geen bedenkingen te weigeren. In het besluit tot weigering hebben GS aangegeven dat:  onzeker is of de met onderbouwing van de gemeente over de uitbreiding van de oppervlakte dierenverblijven de gezondheidsrisico’s voldoende worden beschermd;  voldoende is geborgd dat het aantal (melk)geiten niet zal toenemen;  voldoende geborgd is dat – bij het bekend worden van mogelijke oorzaken van het verhoogde gezondheidsrisico’s – maatregelen hiervoor zullen worden doorgevoerd in de nieuwe stal;  voldoende duidelijk is dat er sprake is van een goed dierenwelzijnsconcept;  onvoldoende is aangetoond dat hier sprake is van een uitzonderlijk belang. Vanwege de weigering afgifte verklaring van geen bedenkingen door GS moeten wij op grond van artikel 2.20a Wabo de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan” weigeren. De aanvraag heeft ook betrekking op de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” (artikel 2.1, lid 1, onder a) en het “veranderen, of het veranderen van de werking, en het in werking hebben van een inrichting” (artikel 2.1, lid 1, onder e, sub 2 en 3 en artikel 2.6 (revisie)).

Deze activiteiten zijn onlosmakelijk verbonden met de te weigeren activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. Daarom wordt de aanvraag, gelet op artikel 2.7 van de Wabo, in zijn geheel geweigerd.

De heer L.A.A. van der Heijden, langenbergsestraat 7 - 9, Heeswijk - Dinther

15/15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=de20433c-7b8c-4b38-8ceb-2b14960d5175