Beoordeling en selectieadvies, d.d. 10 maart 2025
Tekst van het document
BEOORDELING EN SELECTIEADVIES ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK 2025 Beoordeling van rapport proefsleuvenonderzoek (IVO-P) Bevoegd gezag:
Datum: Project: Door:
Gemeente Bernheze Postbus 19, 5384 ZG Heesch 22-04-2025 Heesch, Schoonstraat (ong.) Monumentenhuis Brabant B.V. Almystraat 14, 5601 PA, Oisterwijk Dr. N. Groot Tel: 06 -27 34 22 04 E-mail: n.groot@monumentenhuisbrabant.nl
Inleiding In opdracht van de gemeente Bernheze heeft Transect B.V. in februari 2025 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Schoonstraat (ong.) in Heesch (gemeente Bernheze). Aanleiding voor dit onderzoek is de realisatie van 29 flexwoningen. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij de voorgenomen bodemingrepen. In het kader van de vergunningaanvraag is volgens het bestemmingsplan archeologisch onderzoek verplicht. Daarom is in september 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd (Van der Klooster, 2024b). Uit dit onderzoek blijkt dat onder het plaggendek in delen van het plangebied een restant van een podzolbodem aanwezig is. Eerder onderzoek Uit het bovengenoemde onderzoek blijkt dat onder het plaggendek in delen van het plangebied een restant van een podzolbodem aanwezig is. Volgens de auteurs geldt er een lage archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Pas vanaf 1995 is er sprake van activiteit op het plangebied, met de aanleg van een drijfmestbassin. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek heeft de bevoegde overheid besloten dat een vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
Dit onderzoek moet de vraag beantwoorden of zich in het plangebied archeologische vindplaatsen bevinden, of deze behoudenswaardig zijn, en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Projectgegevens Titel rapport
Projectnummer Auteurs Versie Datum Archis Onderzoeksmeldingsnummer
Heesch, Schoonstraat (ong.), Gemeente Bernheze (NB), een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase Transect-rapport 5750 A.C. de Hoop en J. Rap Versie 1.0 10-03-2025 5689939100
1
Onderzoeksstrategie Het veldwerk is uitgevoerd van 18 tot en met 21 februari 2024. Het betrof een proefsleuvenonderzoek. Conform het Programma van Eisen (PvE) werd uitgegaan van een dekkingsgraad van circa 10% van het onderzoeksgebied (onderzoeksmethode A2). In het plangebied zijn 17 proefsleuven aangelegd, elk met een afmeting van 15 bij 4 meter (60 m² per stuk; in totaal 1.020 m², wat neerkomt op 8% van het plangebied). De sleuven zijn haaks op de breuklijn georiënteerd. De Schoonstraat vormt een grens/breuklijn tussen de hoger gelegen Horst ten oosten en de lager gelegen slenk ten westen van de Schoonstraat. Het vlak is aangelegd in de top van het dekzand. De top van het dekzand loopt op richting het zuidoosten: van 8,6 m +NAP in het noordwesten naar 9,3 m +NAP in het zuidoosten. Het vlak is aangelegd met behulp van een graafmachine, voorzien van een gesloten bak met een glad snijvlak. De bodem is verdiept in lagen van maximaal 10 cm, en vlak boven het archeologisch relevante niveau in lagen van 2 tot 5 cm. Conform het PvE is een selectie van de sporen gecoupeerd, gefotografeerd en getekend. De bodemopbouw is gedocumenteerd aan de hand van twee profielkolommen van minimaal 1 meter breed, aangebracht aan het begin en einde van de meest representatieve wand van de put. Tijdens het veldonderzoek zijn geen bodemmonsters genomen.
Vondsten die niet aan sporen of spoorvullingen kunnen worden gekoppeld (aanlegvondsten), zijn per laag en per vak van 4 bij 5 meter verzameld en geregistreerd. Vondsten die wél aan sporen kunnen worden gekoppeld, zijn per spoor(vulling) geregistreerd en verzameld. Er zijn ook vondsten uit de verstoorde lagen verzameld om de aard en datering van de verstoring te bepalen. Tijdens het veldonderzoek is gebruikgemaakt van een metaaldetector om metaalvondsten op te sporen. Resultaten In het plangebied is een veldpodzol aangetroffen. De top van het bodemprofiel bestaat uit een moderne bouwvoor (S.1000), met daaronder een bouwlanddek (S.1100) en een oude bouwvoor (S.2000; A-horizont). De onderzijde van het bouwlanddek wordt gekenmerkt door een spit-/akkerlaag (S.500), die plaatselijk de oorspronkelijke podzolbodem heeft afgetopt. Op andere plaatsen in het plangebied is de oorspronkelijke podzolbodem nog intact, bestaande uit een E-horizont (S.2100) en een B-/BC-horizont (S.2200) in de top van het dekzand (S.3000; C-horizont). In het plangebied zijn geen grootschalige bodemverstoringen aangetroffen. Tijdens het onderzoek zijn 114 archeologisch relevante grondsporen aangetroffen. Het betreft greppels, kuilen, paalsporen, spitsporen, grondverbeteringssporen en wandgreppels. Op basis van uiterlijke kenmerken, vondstmateriaal en oversnijdingen dateren de sporen uit: 1.
de IJzertijd – Romeinse tijd en 2. de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Er zijn drie structuren aangetroffen: twee gebouwen en één bijgebouw of spieker. Alle structuren dateren uit de IJzertijd – Romeinse tijd. Uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd zijn uitsluitend sporen van landgebruik of -bewerking aangetroffen, zoals esgreppels en spitsporen. Waar de sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd verspreid over het plangebied liggen, bevinden de structuren uit de IJzertijd – Romeinse tijd zich in het noordwesten van het plangebied. Langs de oost- en zuidgrens van het plangebied lopen twee greppels uit deze periode, die mogelijk een afbakening van de nederzetting of het erf vormen (S.107 en S.107: de zuidelijke continuering van S.26). Structuur 1 betreft een gebouwplattegrond in werkput 10, bestaande uit een rij parallelle paalsporen waar een wandgreppel tussendoor loopt. Structuur 2 bevindt zich in de westelijke helft van werkput 3 en bestaat uit paalsporen en wandgreppels. In tegenstelling tot structuur 1 vertoont structuur 2 geen evenredig verspreide paalsporen met tegenhangers aan weerszijden van de wandgreppels. Structuur 3 betreft een zespalige spieker of bijgebouw in werkput 12. Vier paalsporen kruisen de structuur. De datering van deze sporen is onduidelijk, en het is niet bekend of deze bij een andere structuur horen. 2
In totaal zijn 109 vondsten aangetroffen. Deze dateren voornamelijk uit de IJzertijd en de Late Middeleeuwen, met uitzondering van het vuursteen, dat uit het Mesolithicum stamt. Het vondstmateriaal bestaat hoofdzakelijk uit keramiek, onderverdeeld in twee categorieën: keramiek uit de IJzertijd – Romeinse tijd en keramiek uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. De keramiek uit de latere periode is vooral aangetroffen in de moderne bouwvoor en het oud-bouwlanddek. In het oud-bouwlanddek is naast keramiek uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd ook aardewerk uit de IJzertijd – Romeinse tijd gevonden. Ook in de bovengenoemde spit-/akkerlaag is keramiek met uiteenlopende dateringen aangetroffen, hoewel het grootste deel van de vondsten uit deze laag dateert uit de IJzertijd (besmeten, handgevormd aardewerk). Het betreft zogenoemde opspit. Het aangetroffen keramisch bouwmateriaal dateert ten minste uit de Middeleeuwen of later. Het vuursteen bestaat uit objecten van Wommersom-kwartsiet. De vondsten zijn verspreid over de werkputten aangetroffen. De artefacten zijn afkomstig uit de ploeglaag of via bioturbatie in sporen met een jongere datering terechtgekomen. Het vuursteen is niet goed genoeg geconserveerd om de artefacten nauwkeuriger te dateren dan het Mesolithicum. Het betreft dan ook verploegde, geïsoleerde vondsten.
Interpretatie Er zijn twee archeologische vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats 1. Dit betreft drie structuren uit de IJzertijd – Romeinse tijd, namelijk twee gebouwen en één bijgebouw of spieker. De exacte datering, aard en ruimtelijke indeling van het complex is namelijk nog niet bekend. Vindplaats 2. Dit betreft sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd, bestaande uit esgreppels en spitsporen. De esgreppels van vindplaats 2 zijn met het proefsleuvenonderzoek reeds in kaart gebracht. Advies uit het onderzoek Op basis van de uitgevoerde waardestelling concluderen de auteurs dat vindplaats 1 behoudenswaardig is, vanwege de hoge zeldzaamheid en informatiewaarde. Vervolgonderzoek ter plaatse van vindplaats 1 kan nieuwe inzichten opleveren. Daarnaast vertonen de keramiekvondsten, die behoren tot of in verband kunnen worden gebracht met dit complex, een mengvorm van inheemse en uitheemse technieken. Nader onderzoek kan daarom bijdragen aan onze kennis over culturele interacties en de uiting daarvan in de materiële cultuur in Heesch gedurende de IJzertijd – Romeinse tijd. Vindplaats 2 verkeert in goede fysieke staat, maar heeft een lage inhoudelijke waarde en wordt daarom niet als behoudenswaardig beschouwd. Aanvullend onderzoek zal naar verwachting weinig nieuwe informatie opleveren.
De overige delen van het plangebied, buiten de vindplaatsen, kunnen naar ons oordeel worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Deze overige sporen bestaan uit esgreppels en losse paalsporen. Het betreft off-site fenomenen met een lage informatiewaarde. Indien vindplaats 1 vanwege de geplande bodemingrepen niet in situ kan worden behouden, adviseert Transect om de vindplaats op te graven, zodat de resten ex situ behouden kunnen blijven. Vindplaats 1 beslaat een oppervlak van 4.510 m². Het advies is om een archeologische opgraving uit te voeren volgens Protocol 4004, op de locaties waar het archeologisch niveau binnen de vindplaats wordt bedreigd (vanaf 40 cm beneden; 9,0 – 9,7 m +NAP). Hierbij is rekening gehouden met een verticale bufferzone van minimaal 30 cm tussen de bodemingrepen en het archeologisch niveau.
3
Beoordeling Hoewel het rapport in opzet summier is, blijkt duidelijk dat er sprake is van twee vindplaatsen, waarvan vindplaats 1 op basis van sporen, context en vondstmateriaal als behoudenswaardig wordt aangemerkt. Enkele aanvullende opmerkingen zijn echter op hun plaats om het onderzoek in een bredere context te plaatsen en richting te geven aan eventueel vervolgonderzoek. 1. Karakter en omvang van vindplaats 1. Hoewel het rapport in opzet summier is, blijkt duidelijk dat er sprake is van twee vindplaatsen, waarvan vindplaats 1 op basis van sporen, context en vondstmateriaal als behoudenswaardig wordt aangemerkt. Enkele aanvullende opmerkingen zijn echter op hun plaats om het onderzoek in een bredere context te plaatsen en richting te geven aan eventueel vervolgonderzoek. 2. Relatie met omliggende vondsten op archis. Ook wordt er geen link gemaakt met vondsten in de omgeving? Die lijken toch wel op zaken aan te sluiten. 3. Relatie met historische kaarten. De greppels uit de Nieuwe Tijd vertonen deels overeenkomsten met perceleringslijnen/-sloten op de kadastrale minuutplannen van 1811–1832. Met name in de oostelijke zone lijkt echter sprake van greppels die niet overeenkomen met historische kadastrale informatie, wat mogelijk wijst op oudere percelering of landgebruik.
Vergelijking met deze kaarten en historische verkavelingspatronen verdient daarom nadere aandacht om tot een juiste duiding te komen. 4. Ligging van de archeologische niveaus proefsleuven. We krijgen weinig informatie over de algemene diepteligging van west naar oost. In het oosten is een dikkere bouwvoor/A-horizont. Noodzakelijk voor behoud in situ is de vraag hoe diep de archeologisch vlak nu per sleuf is en hoe we behoud in situ mogelijk kunnen maken door een buffer van 30 cm onder de verstoringsdiepte te hanteren. Kan dit bv in een eenvoudig kaartje weergegeven worden? Deze punten zouden moeten worden aangevuld. Dit hoeft niet uigebreid te zijn, maar wel iets meer in detail dan nu. Selectieadvies Gezien de archeologische waarde van het plangebied kan het volgende selectieadvies richting de gemeente Bernheze worden gegeven: 1. Er dient vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving te komen, ten minste in het blauw omkaderde gebied zoals aangegeven in het rapport van Transect (bijlage 9). 2. Gelet op de vondsten in de omgeving en ook enkele losse sporen, moet een bufferzone van 20 meter worden opgenomen, waarbij de opgraving optioneel kan worden uitgebreid als: a. De sporen/vondsten doorlopen. Enkel gebieden met duidelijke continuïteit aan sporen moeten dan worden opgegraven na overleg met het bevoegd gezag. b.
De diepteligging ten opzichte van de verstoring te klein is; De beoordeling van uitbreiding in de bufferzone moet streven moet zijn behoud in situ en, als dat niet mogelijk is, een opgraving. Dus dit zou als stelpost moeten worden opgenomen in de uitvraag. 3. Handhaaf de hoge archeologische verwachting conform de beleidskaart voor het hele plangebied, dat wil zeggen voor de gebieden die niet verstoord zullen worden. Bij de uitvraag voor een offerte voor een definitieve opgraving (DO), hoort ook de uitvraag voor een PvE op bovenstaande worden gedaan. Het archeologisch onderzoek dient immers plaats te vinden conform een door de gemeente Bernheze goed te keuren Programma van Eisen. Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die beschikt over een certificaat tot opgraven op grond van artikel 5.1 van de Erfgoedwet 2016. Voor die onderzochte delen van het plangebied waar na een DO (definitieve opgraving) de archeologische waarden zijn veiliggesteld door een afgerond definitief archeologisch onderzoek zal een advies tot vrijgave 4
opgesteld worden voor de realisatie van de beoogde werkzaamheden. Een en ander in afwachting van het bij het bevoegd gezag in te dienen evaluatie-en/of eindrapport. Dit blijft echter een advies, en het is aan de bevoegde overheid om te besluiten wat ermee wordt gedaan. Het besluit hierover ligt derhalve bij de gemeente Bernheze.
5