Beantwoording door college advies IPG Wmo verordening 2024
Tekst van het document
IPG Bernheze Dr. Saal van Zwanenberglaan 69 5384BV Heesch
Mieke van der Donk Telefoonnummer: 0412 458888 Bijlage(n): Uw advies inzake Wmo-verordening 2024 Onderwerp: Behandeld door:
Uw brief van:
25 september 2023
Uw kenmerk: Registratienummer: Datum:
45829/46623 24 oktober 2023
Beste leden van het Integraal Platform Gehandicapten, Op de eerste plaats onze hartelijke dank voor uw advies van 25 september jl. U geeft in uw brief aan dat u het waardeert dat we u betrokken hebben. Laten wij daar tegenover stellen dat wij het zeer waarderen dat u de nodige energie en tijd hebt gestopt in het voorbereiden en het geven van het advies. U benoemt in uw adviesbrief een aantal zaken. In deze brief gaan wij daar graag op in. 1)
Procedure melding: verlengen doorlooptijd met instemming van de cliënt
Toelichting verordening. Hoofdstuk 2 onder “Vooraf” U adviseert om de zinsnede “met instemming van de cliënt” te verwijderen. Dit omdat er doorgaans geen instemming van de cliënt is omdat de gemeente sec een brief stuurt met mededeling dat termijn van 6 weken met 2 weken wordt verlengd. Onze reactie: Deze zinsnede laten wij staan. Op de zgn. fase van melding is de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Dit betekent dat de gemeente formeel juridisch geen mogelijkheden heeft tot verlenging van de onderzoekstermijn behoudens instemming van de cliënt. Het zondermeer sturen van een brief met mededeling tot verlengen is dan ook niet correct. Het is aan de medewerkers van Wegwijzer om hierover vooraf contact/afstemming te hebben met cliënten. Mogelijk dat dit niet altijd correct verloopt. We hebben aan de medewerkers van team Wegwijzer hiervoor aandacht gevraagd.
Gemeentehuis: De Misse 6 Postbus19, 5384ZG Heesch Telefoon 0412 458888 Bij voorkeur digitaal: www.bernheze.org gemeente@bernheze.org
Overigens is onze ervaring dat inwoners veelal begrip hebben voor verlenging van de onderzoekstermijn van 6 weken. Dit omdat het vaak praktisch onmogelijk is om binnen een termijn van 6 weken (te rekenen vanaf het eerste contact: het doen van een melding) het onderzoek af te ronden. 2)
Artikel 10: informatie over uitvoering pgb (hoe en door wie)
In artikel 10 lid 2 onder b is bepaald dat de cliënt in geval van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb moet aangeven hoe de ondersteuning wordt uitgevoerd en door wie. Omwille van de keuzevrijheid van de cliënt maar ook om praktische redenen bent u het daar niet mee eens. Onze reactie: Met het IPG is de gemeente Bernheze van mening dat de keuzevrijheid van de cliënt tussen zorg in natura en pgb een groot goed is. Artikel 10 doet aan die keuzevrijheid niets af. Wel wordt de cliënt via artikel 10 lid 2 om informatie verzocht over de uitvoering van de aangevraagde voorziening in de vorm van een pgb. Dit om de gemeente in staat te stellen om de aanvraag goed te kunnen beoordelen. Het is de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente om een check te doen op het feit dat de cliënt een goede en doordachte keuze maakt voor een pgb (in plaats van zorg in natura) en ook in staat is om een pgb te beheren (zowel administratief/financieel maar ook vanuit de inhoud als regievoerder). Máár het is ook een wettelijke taak van de gemeente om er op toe te zien dat de pgb-dienstverlening aan de cliënt aan de benodigde kwaliteitseisen voldoet. Zie bijvoorbeeld artikel 2.3.6 lid 2, onder c Wmo 2015. Dit betekent dat de gemeente, voorafgaande aan de verstrekking, een inhoudelijke check doet zoals geformuleerd in artikel 10 van de verordening.
Ook na verstrekking van de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb heeft de gemeente overigens ruimte om een check te doen op kwaliteit en voortgang, bijvoorbeeld via controle van de te sluiten/te wijzigen zorgovereenkomst tussen cliënt en pgb-dienstverlener, maar ook via (periodieke) hercontroles. Deze checks/controles voeren gemeenten overigens met name uit ter waarborging van een goede dienstverlening aan de cliënt. Op die manier is de gemeente dus wel degelijk betrokken bij pgb-dienstverlening. 3)
Artikel 11: inhoud beschikking: vermelden van resultaat
U gaat in op het thema van resultaatgericht beschikken. U geeft o.a. met verwijzing naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep aan dat resultaatgericht beschikken onwenselijk is. Onze reactie: De jurisprudentie is inmiddels glashelder. Resultaatgericht beschikken zondermeer mag niet. Maar dat is in de gemeente Bernheze ook niet aan de orde. In geval van een (voorgenomen) besluit tot toekenning maatwerkvoorziening voor een dienst (huishoudelijke verzorging of begeleiding) stelt de aanbieder met de inwoner een zorgplan (ondersteuningsplan HV en Trajectplan begeleiding) op. In het zorgplan worden activiteiten beschreven inclusief tijdsomvang/frequentie. Het opgestelde zorgplan ontvangt de gemeente retour. De gemeente (medewerker team Wegwijzer) doet een check op het zorgplan. De inwoner ontvangt vervolgens een beschikking tot toekenning met verwijzing naar het (door de cliënt ondertekende) zorgplan dat de inwoner reeds in zijn/haar bezit heeft.
-2-
4)
Artikel 15 lid 2 sub f: geen pgb indien collectieve maatwerkvoorziening in gevaar komt
U bent het niet eens met deze bepaling. Deze bepaling doorkruist naar uw mening de keuzevrijheid van een cliënt om te kunnen kiezen voor een pgb in plaats van zorg in natura. Onze reactie: Deze bepaling ziet feitelijk toe op het kleinschalig collectief vervoer (regiotaxi) zoals we dat als regio hebben georganiseerd via de gemeenschappelijke regeling GR KCV Regiotaxi. Indien inwoners een ondersteuningsbehoefte hebben in de vorm van vervoer verstrekken wij primair een pas voor het collectief vervoer. Alleen in geval van een contra-indicatie (mensen kunnen om medische redenen of anderszins niet met collectief vervoer) verstrekken wij als gemeente een alternatief. Indien, kort gezegd, inwoners massaal zouden kiezen voor een pgb, zouden wij als gemeenten het collectief vervoer vanwege financiële redenen niet in stand kunnen houden. Daarom hebben wij de keuze gemaakt om deze bepaling op te nemen. 5)
Artikel 17: hoogte pgb in geval van informele dienstverlening
Kort gezegd sluit u zich bij de recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 16 augustus jl. aan waarin de CRvB heeft bepaald dat gemeenten in geval van informele dienstverlening niet langer kunnen aansluiten bij het wettelijk minimum loon (Wml). Onze reactie: Wij gaan niet mee in uw advies en zullen aan de gemeenteraad het voorstel doen om vooralsnog het pgb-tarief voor informele dienstverlening te handhaven op 100% Wml. Dit in afwachting van de uitkomsten van afstemming VNG met ministerie. De uitspraken van de CRvB hebben ons verbaasd. De CRvB heeft aan de uitspraken ten grondslag gelegd dat gemeenten bij de hoogte van het pgb ervoor moeten zorgen dat zorgverleners uit het sociale netwerk een reële vergoeding krijgen. Maar wat is een reële vergoeding voor de informele zorgverlener? En waarom is het wettelijk minimumloon geen reële vergoeding (meer)? Hoewel de wetgever niet in de wet zelf heeft bepaald dat Wml een reëel tarief is voor informele dienstverlening, blijkt dit wel uit de wetsgeschiedenis. Ook citeren we graag de VNG: “We vinden het onderscheid onduidelijk tussen het tarief voor een informele, niet gediplomeerde hulp en een beroepskracht. De CRvB gaat daar niet op in. De wetgever maakt naar onze mening wel onderscheid tussen de beloning van een beroepskracht en een informele hulp. In het derde lid van artikel 5.4.
Uitvoeringsbesluit Wmo staat dat de kosten van de beroepskracht een van de kostprijselementen vormen waarop de reële prijs voor een dienst moet worden gebaseerd. Een informele hulp is over het algemeen geen beroepskracht.” Nog aanvullend op de zienswijze van de VNG: Waarom moet informele hulp meteen betaald worden op de hoogste trede van de loonschaal (zoals de CRvB stelt). Hulpen in loondienst doen er 5 jaar over om die te bereiken. Als je dan toch een analogie trekt, moet het wel consequent worden toegepast. Kortom, het laatste woord over deze uitspraken is nog niet gezegd. Daarom wachten we graag af.
-3-
6)
Artikel 20: pgb woningaanpassing, overleggen van 2 offertes
U vraagt aandacht voor de mogelijkheid dat cliënten niet altijd in staat zullen zijn om (minimaal) 2 offertes over te leggen. Onze reactie: Uw bemerking is terecht. Wij zullen in de toelichting bij artikel 20 hier expliciet op ingaan. 7)
Artikel 36: klachtregeling aanbieders
U adviseert tot het inregelen van een laagdrempelige onafhankelijke klachteninstantie (persoon of instantie), die los staat van de aanbieder. Dit adviseert u om een aantal redenen waaronder de afhankelijkheidspositie en effectiviteit. Onze reactie: Wij vinden het om zowel om principiële als om praktische redenen gewenst dat cliënten een klacht in eerste instantie melden bij de aanbieder. Zo hebben wij al onze contracten ingeregeld. Indien we dat principe loslaten creëren we ons inziens juist een situatie die u niet wenst. • Het zal leiden tot een bepaalde mate van stroperigheid. Immers veel tijd zal verloren gaan met het moeten overhandigen/aanleveren van stukken, het begrijpen/inlezen door de klachtafhandelaar en wellicht opvragen van nadere info bij cliënt en aanbieder, het voeren van hoor en wederhoor en het vervolgens formeel moeten doen van een uitspraak. • Als het gaat om de afhankelijkheidsrelatie zien wij ook geen meerwaarde. Het zal, zo denken wij, eerder escalerend/negatief werken indien een formele externe klachtencoördinator/orgaan een klacht gaat behandelen dan wanneer een aanbieder in staat wordt geacht om een gerezen probleem/klacht zelf laagdrempelig af te kunnen handelen. • Ook voorzien wij dat het juist drempelverhogend zal werken.
Mensen kunnen immers niet volstaan met een (kort) telefoontje of mailtje naar een aanbieder maar moeten een behoorlijk opgetuigde procedure in. Dat zal, zo verwachten wij, veel mensen afschrikken. Overigens hebben cliënten altijd de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de gemeente indien een klacht door de aanbieder niet naar tevredenheid wordt afgewikkeld. Hopelijk geeft deze brief u afdoende inzicht in onze afwegingen rondom de door u benoemde thema’s/artikelen. Mocht u naar aanleiding van deze brief nog vragen hebben dan kunt u daartoe contact opnemen met Mieke van der Donk, beleidsadviseur Wmo van het team Zorgzame Gemeente (m.vander.donk@bernheze.org). Wij zullen uw adviesbrief met onze reactie ter kennisname doorleiden naar de gemeenteraad.
-4-
Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders,
Peggy Hurkmans secretaris
Antoine Walraven waarnemend burgemeester
-5-