CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2018

Commissie Bestuur en Strategie 20 september 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 202121.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Registratienummer:

Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2018

Vastgesteld door de gemeenteraad op: 15 maart 2018 Gepubliceerd op www.overheid.nl/qemeenteraad Inwerkingtreding op:

2018

972317/988355

Inhoudsopgave APV Bernheze 2018 Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1 Artikel 1

Begripsbepalingen Beslistermijn Indiening aanvraag [gereserveerd] Voorschriften en beperkingen Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Termijnen Weigeringsg ronden

Hoofdstuk 2

Openbare orde

Afdeling 1

Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

Afdeling 2

Betoging

Artikel 2:2 Artikel 2:3 Artikel 2:4 Artikel 2:5

Optochten [gereserveerd] (opgenomen in artikel 2:24) Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Afwijking termijn [gereserveerd] (opgenomen in artikel 2:3) Te verstrekken gegevens [gereserveerd] (opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3

Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen [gereserveerd]

Afdeling 4

Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:7 Artikel 2:8 Artikel 2:9

Feest, muziek en wedstrijd e.d. [gereserveerd] Dienstverlening [gereserveerd] Straatartiest e.d.

Afdeling 5

Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10

Artikel 2:12

Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en verande­ ren van een weg Maken en veranderen van een uitweg

Afdeling 6

Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 Artikel 2:14 Artikel 2:15 Artikel 2:16 Artikel 2:17 Artikel 2:18 Artikel 2:19 Artikel 2:20 Artikel 2:21 Artikel 2:22 Artikel 2:23

Veroorzaken van gladheid [gereserveerd] Winkelwagentjes [gereserveerd] Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Openen straatkolken e.d. Kelderingangen e.d. [gereserveerd] Rookverbod in bossen en natuurterreinen Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Vallende voorwerpen [gereserveerd] Voorzieningen voor verkeer en verlichting Objecten onder hoogspanningslijn [gereserveerd] Veiligheid op het ijs [gereserveerd]

Artikel 2:11

-2-

Afdeling 7

Evenementen

Artikel 2:24 Artikel 2:25 Artikel 2:26

Begripsbepaling Evenementenvergunning Ordeverstoring

Afdeling 8

Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Artikel 2:28 Artikel 2:29 Artikel 2:30 Artikel 2:31 Artikel 2:32 Artikel 2:33

Begripsbepalingen Exploitatie openbare inrichting Sluitingstijd Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Verboden gedragingen Handel binnen openbare inrichtingen Het college als bevoegd bestuursorgaan

Afdeling 8A

Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet

Artikel 2:34A Artikel 2:34B Artikel 2:34C

Begripsbepalingen Schenktijden paracommerciële rechtspersonen Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Afdeling 9

Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Artikel 2:36 Artikel 2:37 Artikel 2:38

Begripsbepaling Kennisgeving exploitatie Nachtregister [gereserveerd] Verschaffing gegevens nachtregister

Afdeling 10

Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:39 Artikel 2:40

Speelgelegenheden Kansspelautomaten

Afdeling 10A

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat en woonomgeving

Artikel 2:40A Artikel 2:40B

Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven

Afdeling 11

Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Artikel 2:42 Artikel 2:43 Artikel 2:44 Artikel 2:44B Artikel 2:45 Artikel 2:46 Artikel 2:47 Artikel 2:48 Artikel 2:49 Artikel 2:50 Artikel 2:51 Artikel 2:52

Betreden gesloten woning of lokaal Plakken en kladden Vervoer plakgereedschap e.d. Vervoer inbrekerswerktuigen Vermommingen Betreden van plantsoenen e.d. Rijden over bermen e.d. [gereserveerd] Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Verboden drankgebruik Verboden gedrag bij of in gebouwen Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Neerzetten van fietsen e.d. Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein

-3-

Artikel 2:53 Artikel 2:54 Artikel 2:55 Artikel 2:56 Artikel 2:57 Artikel 2:58 Artikel 2:59 Artikel 2:60 Artikel 2:61 Artikel 2:62 Artikel 2:63 Artikel 2:64 Artikel 2:65

e.d. Bespieden van personen [gereserveerd] Bewakingsapparatuur [gereserveerd] Nodeloos alarmeren [gereserveerd] Alarminstallaties [gereserveerd] Loslopende honden Verontreiniging door honden Gevaarlijke honden Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Wilde dieren [gereserveerd] Loslopend vee Duiven [gereserveerd] Bijen [gereserveerd] Bedelarij [gereserveerd]

Afdeling 12

Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Artikel 2:67 Artikel 2:68

Artikel 2:70

Begripsbepaling Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Vervreemding van door opkoop verkregen goederen [gereserveerd] Handel in horecabedrijven (verplaatst naar artikel 2:32)

Afdeling 13

Vuurwerk

Artikel 2:71 Artikel 2:72

Begripsbepaling [gereserveerd] Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen [gereserveerd] Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling [gereser­ veerd]

Artikel 2:69

Artikel 2:73

Afdeling 14

Drugsoverlast

Artikel 2:74 Artikel 2:74a

Drugshandel op straat Openlijk drugsgebruik

Afdeling 15 Artikel 2:75 Artikel 2:76 Artikel 2:77 Artikel 2:78 Artikel 2:79

Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Bestuurlijke ophouding Veiligheidsrisicogebieden Cameratoezicht op openbare plaatsen Gebiedsontzeggingen Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

Afdeling 16

Carbidschieten

Artikel 2:80 Artikel 2:81 Artikel 2:82

Begripsomschrijvingen Carbidschieten Bij zich hebben van carbid

Hoofdstuk 3

Seksinrichtinqen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

Afdeling 1

Begripsbepalingen

Artikel 3:1 Artikel 3:2

Begripsbepalingen Bevoegd bestuursorgaan

-4-

Artikel 3:3

Nadere regels

Afdeling 2

Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.

Artikel 3:4 Artikel 3:5 Artikel 3:6 Artikel 3:7 Artikel 3:8

Seksinrichtingen Gedragseisen exploitant en beheerder Sluitingstijden Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Straatprostitutie Sekswinkels [gereserveerd] Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischpornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke [gereserveerd]

Artikel 3:9 Artikel 3:10 Artikel 3:11

Afdeling 3

Beslissingstermijn: weigeringsgronden

Artikel 3:12 Artikel 3:13

Beslistermijn [gereserveerd] Weigeringsgronden

Afdeling 4

Beëindiging exploitatie; wijziging beheer

Artikel 3:14 Artikel 3:15

Beëindiging exploitatie Wijziging beheer

Afdeling 5

Overgangsbepaling

Artikel 3:16

Overgangsbepaling [gereserveerd]

Hoofdstuk 4

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1

Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Artikel 4:2 Artikel 4:3 Artikel 4:4 Artikel 4:5 Artikel 4:5A Artikel 4:6 Artikel 4:6A Artikel 4:6B Artikel 4:6C Artikel 4:6D

Begripsbepalingen Aanwijzing collectieve festiviteiten Kennisgeving incidentele festiviteiten Verboden incidentele festiviteiten [gereserveerd] Onversterkte muziek Traditioneel schieten Overige geluidhinder (Geluid)hinder in de openlucht (Geluidhinder door dieren (Geluid)hinder door bromfietsen e.d. (Geluid)hinder door vrachtauto's

Afdeling 2

Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Artikel 4:8 Artikel 4:9

Straatvegen [gereserveerd] Natuurlijke behoefte doen Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Afdeling 3

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Artikel 4:11

Begripsbepalingen Kapverbod bomen op de bomenlijst

-5-

Artikel 4:11A Artikel 4:11B Artikel 4:11C Artikel 4:11D Artikel 4:11E Artikel 4:11F Artikel 4:12

Criteria ontheffing bomen op bomenlijst Kapverbod bomen in structuren Criteria vergunning bomen in structuren Aanvraag HerplantZ-instanthoudingsplicht Bestrijding van boomziekten Vergunning van rechtswege [gereserveerd]

Afdeling 4

Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Artikel 4:14 Artikel 4:15 Artikel 4:16

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Stankoverlast door gebruik van meststoffen [gereserveerd] Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Vergunningplicht lichtreclame [gereserveerd]

Afdeling 5

Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Artikel 4:18 Artikel 4:19

Begripsbepaling Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Aanwijzing kampeerplaatsen

Hoofdstuk 5

Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1

Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Artikel 5:2 Artikel 5:3 Artikel 5:4 Artikel 5:5 Artikel 5:6 Artikel 5:7 Artikel 5:8 Artikel 5:9 Artikel 5:10 Artikel 5:11 Artikel 5:12

Begripsbepalingen Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Te koop aanbieden van voertuigen [gereserveerd] Defecte voertuigen [gereserveerd] Voertuigwrakken [gereserveerd] Kampeermiddelen e.a. Parkeren van reclamevoertuigen Parkeren van grote voertuigen Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen [gereserveerd] Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Overlast van fiets of bromfiets [gereserveerd]

Afdeling 2

Collecteren

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen

Afdeling 3

Venten

Artikel 5:14 Artikel 5:15 Artikel 5:16

Begripsbepaling Ventverbod Vrijheid van meningsuiting

Afdeling 4

Standplaatsen

Artikel 5:17 Artikel 5:18 Artikel 5:19 Artikel 5:20 Artikel 5:21

Begripsbepaling Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Toestemming rechthebbende Afbakeningsbepalingen Aanhoudingsplicht [gereserveerd]

-6-

Afdeling 5

Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Artikel 5:23

Begripsbepaling Organiseren van een snuffelmarkt

Afdeling 6

Openbaar water

Artikel 5:24 Artikel 5:25 Artikel 5:26 Artikel 5:27 Artikel 5:28 Artikel 5:29 Artikel 5:30 Artikel 5:31

Voorwerpen op, in of boven openbaar water Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Aanwijzingen ligplaats Verbod innemen ligplaats Beschadigen van waterstaatswerken Reddingsmiddelen Veiligheid op het water Overlast aan vaartuigen

Afdeling 7

Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebie­ den

Artikel 5:31A Artikel 5:32 Artikel 5:33

Begripsbepalingen Crossterreinen Beperking verkeer in natuurgebieden

Afdeling 8

Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Afdeling 9

Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Artikel 5:36 Artikel 5:37

Begripsbepaling Verboden plaatsen Hinder of overlast

Hoofdstuk 6

Sanctie-, overqanqs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Artikel 6:2 Artikel 6:3 Artikel 6:4 Artikel 6:5 Artikel 6:6 Artikel 6:7

Sanctiebepaling Toezichthouders Binnentreden woningen Intrekking oude verordening Overgangsbepaling Inwerkingtreding Citeertitel

-7-

Raadsbesluit Datum vergadering:

15 (Tiaart 2018

Agendapunt:

12

onderwerp:

Vaststelling Algemene Plaatselijke Verordening Bernheze 2018

De raad van de gemeente Bernheze besluit, op basis van het bijbehorende voorstel van burgemeester en wethouders van 9 januari 2018, en gelet op artikel 149 van de Gemeentewet 108, 147, 149, 151c, 151d, 154, 154a, 156 en 174 van de Gemeentewet, artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), artikel 30c Wet op de Kansspelen, artikel 4 Wet openbare manifestaties (Wom), artikel 2.18, 2.21 en artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4 van de Drank- en Horecawet: vast te stellen de volgende Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Bernheze 2018.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevings­ recht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; c. bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening Bernheze daaronder wordt verstaan; d. college: het college van burgemeester en wethouders; e. gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; f. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk be­ oogd wordt een commercieel belang te dienen; g. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; h. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt ver­ staan; i. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoon­ lijk recht; j. weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan. Artikel 1:2 Beslistermijn 1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 (evenementen) en artikel 3:4, eerste lid (seksinrichtingen), binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 3. Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid en tweede lid bedoelde termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 4. In afwijking van het derde lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10,

-8-

tweede lid (voorwerpen op de weg), of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 (aanleggen, ver­ anderen weg) of artikel 4:11 (vellen bomen op Bomenlijst) en 4:1 IA(vellen bomen in aangewezen structuren). Artikel 1:3 Indiening aanvraag [gereserveerd] (opgenomen in artikel 1:8 tweede lid) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.

2.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. indien de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. 2.

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing an­ ders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. In afwijking van het bepaalde in lid 2, geldt een termijn van 12 weken voor aanvragen van

-9-

een vergunning voor een evenement (artikel 2:25) en een seksinrichting (artikel 3:4).

Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, te vechten, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifesta­ ties. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4 1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 2 Betoging Artikel 2:2 Optochten [gereserveerd] (opgenomen in artikel 2:24) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

-10-

4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 Afwijking termijn [gereserveerd] (opgenomen in artikel 2:3) Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens [gereserveerd] (opgenomen in artikel 2:3) Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen [gereserveerd] Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. [gereserveerd] Artikel 2:8 Dienstverlening [gereserveerd] Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren, 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebrui­ ken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

-11 -

2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid onder j of k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabij­ heid gelegen onroerende zaak. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op voon/verpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 6. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Verordening wegen Noord-Brabant. 7. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarop het verbod in het eerste niet van toepassing is. 8.

De weigeringsgrond van het derde lid, onder a is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 9. De weigeringsgrond van het derde lid, onder b is niet van toepassing op bouwwerken. 10. De weigeringsgrond van het derde lid, onder c is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 11. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuurs­ recht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven ofte spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4.

Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Verordening wegen Noord- Brabant, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Bemheze. 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

- 12-

1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: a. degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het col­ lege, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de be­ staande situatie; of b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Verordening wegen NoordBrabant. Afdeling 6 Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid [gereserveerd] Artikel 2:14 Winkelwagentjes [gereserveerd] Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hin­ der of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. [gereserveerd] Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een

-13-

afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen ofte laten liggen. 2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen ofte hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2. Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen [gereserveerd] Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn [gereserveerd] Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs [gereserveerd] Afdeling 7 Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen, theatervoorstellingen en toneelvoorstellingen en andere voorstellingen in daartoe bestemde accommodaties; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en

-14-

artikel 5:22 (snuffelmarkt) van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen waarbij dit behoort tot de normale bedrijfsvoering; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 (straatartiest ed) en 2:39 (speelgelegenheid) van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie en een snuffelmarkt in de openlucht; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. nader door de burgemeester aan te wijzen soorten vechtsportwedstrijden of gala's. f. een klein evenement. 3. Onder een klein evenement wordt verstaan een evenement met kleinschalige activiteiten van vermaak op één dag. . Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a.

het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 200 personen; b. het evenement plaatsvindt tussen 08.00 en 24.00 uur op een vrijdag of een zaterdag of tussen 08.00 uur en 23.00 uur op een andere dag; c. alleen muziek ten gehore wordt gebracht tussen de onder b genoemde tijden; d. het evenement niet plaatsvindt op een doorgaande weg, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object; f. er een organisator is; en g. de organisator tenminste 17 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 7 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Evenementen als bedoeld in artikel 2:24, lid 2 onder e zijn te allen tijde vergunningplichtig. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning voor het organiseren van dergelijke evenementen geweigerd indien de organisator c.q. vergunningaanvrager van slecht levensgedrag is. 6.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

-15-

Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: 1. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; 2. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid. b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt. 2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een bijbehorend terras. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. 2.

3.

4.

5.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burge­ meester. De burgemeester weigert de vergunning indien: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; b. voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet is vereist en deze vergunning is geweigerd; In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar diens oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatba­ re wijze nadelig wordt beïnvloed. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of-restaurant; e een school De burgemeester kan op verzoek of ambtshalve vrijstelling verlenen van het verbod ge­ noemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in arti­ kel 1 van de Drank- en Horecawet, indien: a. er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in het tweede en derde lid; b.

zich in de zes maanden voorafgaand aan de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en/of-handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel: c. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en zich er geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in het tweede en derde lid.

- 16-

6.

7. 8.

De burgemeester kan vrijstelling verlenen van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen voor zover deze niet een horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet en voor zover de activiteiten van de openbare inrichting on­ dergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit. De vergunning of de vrijstelling kan door de burgemeester worden ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder b. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictie beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen, niet zijnde inrichtingen als bedoeld in lid 2 en lid 3, zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd), met dien verstande dat op zaterdag en zondag na 02.00 uur geen nieuwe bezoekers meer mogen worden toegelaten. 2. Openbare inrichtingen, waar al dan niet door middel van een automaat, eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 02.30 uur en 06.00 uur. 3. Openbare inrichtingen, welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik zijn bij een spotl­ of jeugdorganisatie, welzijnsorganisatie of-instelling, dan wel in gebruik is als buurtof dorpshuis zijn gesloten gedurende de tijd gelegen tussen twee uur na en twee uur voor het gebruik overeenkomstig de bestemming van de accommodatie. 4. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 6. Voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit.

7. Het eerste, tweede, derde en vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 8. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras, tenzij in het geval van verstrekking van zwak-alcoholisch drank hiervoor ontheffing is verleend op grond van de Drank- en Horecawet;

-17-

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:34A Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder alcoholhoudende drank en paracommerciële rechtsper-soon, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. Artikel 2:34B Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1.

Paracommerciële rechtspersonen, met uitzondering van die genoemd in lid 2, mogen alco­ holhoudende drank uitsluitend verstrekken gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de paracommerciële rechtspersoon, maar niet voor 12:00 uur en niet later dan 1:00 uur. 2. Een natuurtheater dat een paracommerciële rechtspersoon is, mag alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindi­ gende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelom­ schrijving van de paracommerciële rechtspersoon, maar niet voor 12:00 uur en niet later dan 2:00 uur. 3. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op de voetbalsport mogen op zondag, wanneer het eerste elftal een uitwedstrijd speelt, alcoholhoudende drank verstrekken tot uiterlijk 20:00 uur. 4. Paracommerciële rechtspersonen mogen maximaal zes keer per jaar tijdens gelegenhedenalcoholhoudende drank verstrekken buiten de genoemde schenktijden. 5. De in het vierde lid benoemde gelegenheden moeten uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester worden gemeld. Artikel 2:34C Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1.

Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 2. De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in lid 1 gestelde verbod. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4,1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

-18-

beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefe­ ning van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kampe­ ren wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister [gereserveerd] Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, betrek­ king, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling 10 Toezicht op speelqeleqenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel I, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

-19-

Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen; b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet; c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 10A Tegengaan onveilig, niet leefbaaren malafide ondernemersklimaat en woonkli­ maat Artikel 2:40A Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is.

Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten be­ perken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de bur­ gemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijfjaar en kan - indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is - eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijfjaar. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of b. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of c. in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. 4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking

-20-

tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of h. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. Naast en in aanvulling op artikel 1:4 lid 1 APV kunnen voorschriften en beperkingen worden wor­ den verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het derde lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling. 6. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

Bij de aan­ vraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een verklaring omtrent gedrag (VOG); g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. h. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft. i. indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: a.

in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; g. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of

-21 -

gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; h. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; i. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; j. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of k indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd. 8. Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. 9. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploi­ teerd of indien van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, van toepassing is. 10.

Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven. 11. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen. 12. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt. 13. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 14.

Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzings­ besluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aange­ wezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangs­ termijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40B Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen en/of erven 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten, als daar: a. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of b. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; of c. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of

-22-

d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de bur­ gemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig ge­ vaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid. 2. Onverminderde hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het erf. 3. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of erf verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te verblijven. 5. Het is eenieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblij­ ven. 6. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. 7.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet. Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen ofte doen aanbrengen. 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de

-23-

meningsuitingen en bekendmakingen. 7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42 van deze verordening. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44B Vermommingen leder die zich gemaskerd, vermomd of op andere wijze onherkenbaar gemaakt op of aan een openba­ re plaats of op een andere voor publiek al dan niet met enige beperking toegankelijke plaats bevindt, is op eerste vordering van een politieambtenaar verplicht zich onmiddellijk van zijn masker te ontdoen of zich op andere wijze duidelijk herkenbaar te maken. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. [gereserveerd] Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

-24-

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2 Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=6f114aba-7686-448c-b480-208fda874419