5. Plantoelichting vaststelling bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Cereslaan-West'
Tekst van het document
De gekoppelde verkeerslichtenregeling op de Cereslaan kan het verkeer in de ochtend- en avondspits goed afwikkelen met een cyclustijd <120 seconden. De cyclustijd is 96 seconden (ochtendspits) en 87 seconden (avondspits). Voor wat betreft de daluren is de cyclustijd lager. Bij de interne verkeersafwikkeling ligt de nadruk op tweerichtingsverkeer om de bereikbaarheid van de percelen te vergroten. Fietsverkeer maakt gebruik van dezelfde wegen als het gemotoriseerde verkeer, maar voor hen wordt de mogelijkheid geboden om het bedrijventerrein snel te verlaten via de vrijliggende fietsroutes. Met de komst van een nieuw tweerichtingsfietspad aan de noordzijde van het bedrijventerrein en het behouden van de fietsroute langs de Bosschebaan is het bedrijventerrein voor de fiets in alle windrichtingen te bereiken.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
30
Verkeersveiligheid Voor het (vracht)autoverkeer is er niet of nauwelijks effect op de verkeersveiligheid. Er komt geen nieuwe infrastructuur voor de (vracht)auto bij. De nieuwe bedrijfspercelen worden via de bestaande wegen ontsloten die het verkeer vlot en veilig kunnen afwikkelen. Voor het fietsverkeer is de verkeersveiligheid geborgd. Door het realiseren van meerdere fietsdoorsteken (maaswijdte ca. 250 meter) vanaf het vrijliggende fietspad langs de verlengde Bosschebaan ontstaat er voor het fietsverkeer een prima alternatief om vanuit het oosten maar met name vanuit het westen Cereslaan-West te bereiken anders dan via de Bosschebaan. Daarmee worden meerdere fietsoversteekbewegingen over de Bosschebaan en door het bedrijventerrein voorkomen. Ook voor de fietsers komend vanuit de Bosschebaan is de verkeersveiligheid op peil met een nieuw vrijliggend tweerichtingsfietspad.
Aanvullend onderzoek bajonetaansluiting en enkelstrooksrotonde. In de zomer van 2023 zijn twee alternatieve ontwerpen opgesteld: een bajonetaansluiting (met en zonder middenberm) en een enkelstrooksrotonde. In een aanvullende notitie zijn de drie kruispuntvormgevingen beoordeeld op het gebied van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.
Verkeersafwikkeling Uit de kwantitatieve toets blijkt dat alle varianten het verkeer goed kunnen afwikkelen. Vanuit verkeersafwikkeling is er geen sterke voorkeur voor één van de varianten. Zowel de bajonetaansluiting als de enkelstrooksrotonde kunnen de toekomstige intensiteiten goed afwikkelen in de ochtend- (OS) en avondspits (AS). De I/C-waarde blijft met maximaal 0,47 voor beide kruispuntvormgevingen in de avondspits ruim onder de 0,7. Verkeersveiligheid De bajonetaansluiting met doorgetrokken middenbermscheiding heeft vanuit verkeersveiligheidsoogpunt de voorkeur en biedt een passend alternatief voor de op te heffen aansluiting. Het grootste verkeersveiligheidsrisico is het zicht op het fietsverkeer. Bij de enkelstrooksrotonde staat de bestuurder parallel aan het fietspad in tegenstelling tot de bajonetaansluiting waar de bestuurder haaks op het fietspad staat. Bij een bajonetaansluiting kan de bestuurder het fietsverkeer dus beter zien aankomen dan bij een enkelstrooksrotonde.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
31
Afbeelding 4.1.: ontwerp bajonetaansluiting Cereslaan Cereslaan-West
Parkeren Het plan wordt getoetst aan de ‘Parkeernormennota gemeente Bernheze’. Hiertoe is in de regels van het bestemmingsplan een verplichting opgenomen. Het parkeren van bezoekers van het plangebied wordt conform het gemeentelijk beleid volledig op eigen terrein (op de bedrijfspercelen) opgelost. De bedrijven moeten kunnen aantonen dat de vraag naar parkeervoorzieningen voor gemotoriseerd verkeer, auto- en vrachtverkeer voldoende is gewaarborgd op eigen terrein. Buiten het eigen terrein wordt vooralsnog niet voorzien in een algemene parkeervoorziening voor auto- en vrachtverkeer. Er is geen indicatie dat verkeer in de toekomstige situatie, als gevolg van de ontwikkeling, in openbaar gebied gaat parkeren.
4.3
Conclusie
De voorgestelde verkeersstructuur en wegprofielen bieden een snelle en doeltreffende afwikkeling van het bestemmingsverkeer voor bedrijventerrein Cereslaan-West en het langzaam verkeer. De parkeerbehoefte wordt ingepast op de nieuwe bedrijfspercelen. Het aspect mobiliteit vormt daarom geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
32
Hoofdstuk 5 Cultuurhistorische waarden 5.1
Archeologie
5.1.1
Kader
Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals dit in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening.
In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten moeten een inventarisatie (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. 5.1.2
Onderzoek en conclusie
Door Antea Group is in april 2024 een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 13 bij deze toelichting. Uit de rapportage blijkt dat het plangebied een verwachting heeft op archeologische resten uit de ijzertijd/Romeinse tijd en de late middeleeuwen/nieuwe tijd. Niettemin kunnen resten uit andere periodes niet worden uitgesloten. Deze verwachting is gebaseerd op de onderzoeken die in de omgeving van het plangebied zijn uitgevoerd, de geomorfologische situatie ter plaatse en de historische informatie die bekend is over het gebied. Er wordt geadviseerd om in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen. Op die manier kan een gefundeerd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. Deze onderzoeken zullen bij vergunningverlening moeten worden overgelegd.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
33
5.2
Cultuurhistorische waarden en monumenten
5.2.1
Kader
Cultuurhistorische waardenkaart Gemeente Bernheze (2014) In 2014 heeft de gemeente Bernheze een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Op de cultuurhistorische waardenkaart worden niet alleen de rijks- en gemeentelijke monumenten aangeduid, maar worden ook de overige cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen (in de brede zin van het woord) binnen de gemeente in beeld gebracht. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan kenmerkende landschapsstructuren, historische verkavelingspatronen en historische bouwkunst zoals te zien in afbeelding 5.1.
Afbeelding 5.1.: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Gemeente Bernheze (2014)
5.2.2
Onderzoek
Het plangebied ligt grotendeels op grond van de oude akkers (esdek). De gronden vallen inmiddels onder het bestaand stedelijk gebied van Heesch, en zijn voorzien van een archeologische dubbelbestemming . Ook is een deel van het plangebied gelegen op een oude bebouwingsconcentratie. Deze bebouwing is inmiddels grotendeels verdwenen. Aan de zuidzijde van het bedrijventerrein Cereslaan-West bevindt zich de Bosschebaan, die is aangemerkt als oude hoofdverbinding. Kenmerkend voor deze historische structuur zijn de vele monumentale bomen aan beide zijden van de weg. Deze bomen blijven ongemoeid. Ook zijn een aantal gemeentelijke monumenten in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Dit zijn boerderijen verder ten zuiden van het bedrijventerrein, buiten het plangebied. Ook hier zijn geen ontwikkelingen voorzien. Tot slot is ten noorden van het plangebied een oud wegtracé gelegen met redelijk hoge waarde. Ter hoogte van deze lijn komt de Verlengde Bosschebaan te liggen. Dit tracé is opgenomen in het bestemmingsplan voor Heesch West. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt dit tracé landschappelijk ingepast met waar mogelijk behoud van bestaande groen- en waterstructuren, zoals houtopstanden. In het stedenbouwkundig plan (bijlage 1) wordt hier nader op ingegaan. In het gemeentelijk beleid worden geen specifieke gevolgen benoemd in het kader van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
34
5.2.3 Conclusie Ten aanzien van archeologie is in dit bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen met onderzoeksverplichting, voorafgaand aan verstoring. Daarmee is het archeologisch belang geborgd. Er vindt geen aantasting plaats van de cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
35
Hoofdstuk 6 Milieu 6.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse milieuaspecten die relevant zijn voor het plangebied. Per milieuaspect wordt het geldende wettelijk en/of het beleidskader beschreven. Daarnaast wordt het uitgevoerde onderzoek belicht waarbij de resultaten kort worden weergegeven. Tenslotte wordt op basis van het kader en het onderzoek de conclusie weergegeven.
6.2
Geluid
6.2.1
Kader
Conform artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) (2007) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Alvorens geluidgevoelige objecten - zoals woningen of scholen - kunnen worden geprojecteerd, dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Normstelling Als er nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de onderzoekszone van een weg worden gerealiseerd, dan mag de geluidsbelasting van het wegverkeer niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde. Deze hogere waarde mag de maximale ontheffingswaarde niet overschrijden. Daarnaast worden in het Bouwbesluit 2012 eisen gesteld aan de karakteristieke geluidwering. Dit zijn eisen aan de geluidwering van de gevel zodat deze zodanig wordt geconstrueerd dat voldaan wordt aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Voor een bedgebied (verblijfsgebied waarin bedden aanwezig zijn) is de waarde van de karakteristieke geluidwering 5 dB hoger.
Dit betekent dat de binnenwaarde in het bedgebied niet hoger mag zijn dan 28 dB. Voor woonerven en voor wegen waarop de maximum snelheid 30 km/h bedraagt, geldt geen onderzoekszone, waardoor ze - strikt formeel gezien - niet hoeven te worden getoetst aan de normen van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk dat deze wegen mee worden genomen in de afweging. 6.2.2
Onderzoek
Industrielawaai Woningen buiten het bedrijventerrein Uit het onderzoek “Deelonderzoek geluid; MER en bestemmingsplan ‘Heesch West’” uit 2019 blijkt dat voor de bepalende woningen Bosschebaan 39 / 41/ 43 sprake is van een toename van ten hoogste 0,25 dB voor industrielawaai ten gevolge van de uitbreiding van Cereslaan. Deze toename is zeer gering. Verder blijkt uit het onderzoek voor Cereslaan dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai circa 60 dB bedraagt. Daarmee is de het wegverkeer maatgevend voor de geluidsituatie.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
36
Woningen op het bedrijventerrein Zoals uit het akoestisch onderzoek blijkt ondervinden de bepalende woningen (Middelste Groes 13b; Vismeerstraat 7 en 11; Voorste Groes 6, 10 en 10a) op het bedrijventerrein een geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai die varieert van 58 tot 65 dB. Daarnaast ondervinden deze woningen al een geluidbelasting van omliggende bestaande bedrijven, die op basis van het Activiteitenbesluit 55 dB(A) per bedrijf mag bedragen. Tevens ondervinden deze woningen al een geluidbelasting ten gevolge van de eigen bedrijfsvoering. Zoals ook uit het onderzoek “Deelonderzoek geluid; MER en bestemmingsplan ‘Heesch West’ “ uit 2019 blijkt, is ter plaatse van deze woningen geen sprake van een significante toename ten gevolgen van Cereslaan. Wegverkeerslawaai In het kader van dit bestemmingsplan is door KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Dit onderzoek is noodzakelijk omdat het plan de aanleg van nieuwe ontsluitingswegen op het bedrijventerrein mogelijk maakt. Door de aanleg van dit nieuwe deel van het bedrijventerrein zal de verkeersintensiteit op de wegen van het bedrijventerrein veranderen. Voor dit aspect is onderzocht of dat voor de bestaande (bedrijfs-)woningen een significante verslechtering van de geluidssituatie oplevert.
Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer op de nieuwe weg tussen de Vismeerstraat en de Middelste Groes op geen enkele bestaande (bedrijfs-)woning een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, Onderzoek naar maatregelen en het vaststellen van een hogere waarde is niet noodzakelijk. De planontwikkeling veroorzaakt bij geen enkele bestaande (bedrijfs-)woning tot een toename van de geluidsbelasting van 1,5 dB of hoger omdat de afschermende werking van de nieuwe bedrijfsbebouwing groter is dan de geluidstoename door de relatief beperkte verkeerstoename op de interne wegen op het bedrijventerrein Cereslaan West. De planontwikkeling leidt daarom niet tot significante verslechtering van het woon- en leefklimaat bij de bestaande (bedrijfs-)woningen. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid op grond van de Wgh niet leidt tot belemmeringen of het doorlopen van een hogere waarde procedure. 6.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid op grond van de Wgh niet leidt tot belemmeringen of het doorlopen van een hogere waarde procedure.
6.3
Luchtkwaliteit
6.3.1
Kader
Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
37
Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; projectsaldering kan worden toegepast.
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 6.3.2
Onderzoek
In de nabijheid en rond het plan zijn de Rijksweg A59, de Cereslaan en de Bosschebaan gelegen die voor luchtkwaliteit van belang zijn. De nieuw te realiseren bedrijven veroorzaken eveneens een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Het onderzoek heeft tot doel vast te stellen of de uitbreiding van het bedrijventerrein Cereslaan-West mogelijk is binnen de grenswaarden van Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Door KuiperCompagnons is daarom onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. Het rapport is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat op een afstand van 10 meter uit de rand van de beschouwde wegen, ter plaatse van de bestaande (bedrijfs-)woningen en op de grens van het bouwvlak binnen de bedrijfsbestemming geen concentraties optreden die hoger zijn dan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Daarnaast is ook sprake van een dusdanig geringe toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen dat de planontwikkeling kan worden als NIBM. Omdat de grenswaarde uit de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden en omdat sprake is van een NIBM-project veroorzaakt de Wet luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plan. De WHO-advieswaarden voor de onderzochte stoffen worden eveneens gerespecteerd. 6.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
6.4
Externe veiligheid
6.4.1
Kader
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
38
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 6.4.2
Onderzoek
In het kader van de ruimtelijke procedure voor de uitbreiding van bedrijventerrein Cereslaan-West te Heesch is het aspect externe veiligheid beschouwd. Hiertoe is door Antea Group een rapportage opgesteld, welke als bijlage 7 bij deze toelichting is gevoegd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee risicobronnen: A59 en het LPG-tankstation. Risicobeschouwing Rijksweg A59 •
De maximale PR 10-6-contour van deze snelweg bedraagt conform de Regeling basisnet 0 meter. Het plangebied ligt op circa 19 meter afstand van de A59. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico.
•
In de Regeling basisnet is voor deze snelweg aangegeven dat er geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) is.
•
Het groepsrisico van de A59 blijft door de voorgenomen verandering onder de oriëntatiewaarde.
•
Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing.
LPG-tankstation •
De ontwikkeling ligt buiten de PR 10-6-contouren van het LPG-tankstation. De PR 10-6-contour vormt daarom geen belemmering.
•
Het groepsrisico van het LPG-tankstation blijft onder de oriëntatiewaarde ten gevolge van de ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
39
•
Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing.
Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is voor de A59 en het LPG-tankstation verplicht. Het groepsrisico van zowel A59 als het LPG-tankstation blijft onder de oriëntatiewaarde. In hoofdstuk drie is geconcludeerd dat de het groepsrisico van snelweg en het LPG-tankstation beperkt toeneemt. In de rapportage is een aanzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico, aan de hand van een algemene beschouwing van de veiligheidssituatie en de thema’s zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met bewoners (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hieraan invulling kan worden gegeven. Op de website van Veiligheidsregio Brabant-noord staan onder ‘Wat te doen bij een ongeval met gevaarlijke stof’ instructies over wat te doen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een plasbrand Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen moeten aanwezige personen zich in veiligheid brengen op een afstand van ten minste 30-50 meter (en bij voorkeur op een grotere afstand), buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Personen binnen dit gebied kunnen ernstige (dodelijke) brandverwondingen oplopen. In het geval van het LPG-tankstation wordt er aanbevolen zo snel mogelijk van de brand weg te vluchten. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een BLEVE In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen (die zich onbeschermd buiten bevinden) in de directe omgeving slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Bij een warme BLEVE is er in principe tijd om te vluchten tot buiten het invloedsgebied van het spoor en daar te schuilen (er is eerst brand en daarna volgt pas een explosie). Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario.
Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op het spoor of op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgeschakeld kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
40
giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Beperkt zelfredzame groepen Binnen het plangebied worden geen specifieke functies mogelijk gemaakt die de aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen faciliteren. De appartementen worden derhalve be-stemd als reguliere wooneenheden. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt gemeente Bernheze geadviseerd in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio Brabant-noord. Plasbrandscenario Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan, kan de brandweer snel ter plaatse zijn. Een plasbrand is dan goed te bestrijden. Door het tijdig arriveren van de brandweer wordt voorkomen dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen.
BLEVE-scenario Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan kunnen wel bestreden worden. De brandweer is in principe toegerust om de gevolgen van een warme BLEVE te bestrijden (en een explosie te voorkomen). Relevant is dat in Nederland met de LPG-branche is afgesproken dat bevoorrading van LPG-tankstations plaatsvindt met ketelwagens die voorzien zijn van een warmtewerende coating. Deze coating beschermt de tank voor een periode van tenminste 75 minuten tegen de externe warmtestraling, waardoor de brandweer in de gelegenheid is die externe warmtebron weg te nemen. Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Bernheze, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico stelt de gemeente Bernheze in het kader van de ruimtelijke procedure de Veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid advies uit te brengen. 6.4.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
41
6.5
Kabels en leidingen
6.5.1
Kader
In bestemmingsplannen worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Het gaat dan altijd om de hoofdtransportstructuur. In elk bestemmingsplangebied bevinden zich uiteraard ook kabels en leidingen voor distributie en huisaansluitingen, maar die worden niet in het plan opgenomen. 6.5.2
Onderzoek
In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen of andere belemmeringen aanwezig die een planologische bescherming behoeven, of die de planuitvoering in de weg staan. 6.5.3
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.
6.6
Bodemkwaliteit
6.6.1
Kader
Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. 6.6.2
Onderzoek
Door Antea Group is in april 2024 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemkwaliteit in het plangebied in beeld te brengen. De rapportage is opgenomen in bijlage 8. Het doel van het historisch onderzoek is het verzamelen van relevante bodeminformatie over de projectlocatie en in de directe omgeving, zodat kan worden aangetoond of de bodemkwaliteit geschikt is voor een bedrijfsbestemming. Het historisch bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit de NEN 5725. Aandachtspunten en verdachte locaties binnen plangebied •
Tijdens voorgaande onderzoeken binnen het plangebied en de aangrenzende percelen zijn in zowel de boven- als ondergrond over het algemeen ten hoogste licht verhoogde gehalten aan onderzochte parameters gemeten.
•
In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde concentraties aan zware metalen gemeten, die gerelateerd kunnen worden aan van nature verhoogde achtergrondwaarden.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
42
•
Tijdens voorgaande onderzoeken zijn daarnaast verspreid over het gehele plangebied (lokaal) bijmengingen met puin waargenomen. Dergelijke bijmengingen maken een locatie in beginsel verdacht op de aanwezigheid van asbest, tenzij op basis van onderzoeksgegevens en/of bewijzen van herkomst het tegendeel kan worden bewezen. Voor zover bekend heeft geen asbestonderzoek volgens de NEN 5707 plaatsgevonden.
•
Binnen de locatie zijn ook bebouwing met asbestverdachte daken aanwezig en asbestverdachte funderingen onder wegen en opritten.
•
Ter plaatse van Middelste Groes 9 zijn tanks aanwezig (geweest). Het is niet bekend of deze tanks nog aanwezig zijn. Er is geen informatie naar voren gekomen over de sanering van de tanks en onderzoek naar eventuele bodemverontreinigingen.
•
Ter plaatse van de Middelste Groes 11/11a zijn in 2015 twee bodemverontreinigingen met minerale olie aangetoond in de grond tot 1,5 m-mv. Uit de verzamelde informatie is gebleken dat de verontreiniging niet onder het pand is afgeperkt. Verder staat er in de verzamelde informatie dat de verontreiniging in 2017 volledig gesaneerd is. Op luchtfoto’s is te zien dat in de periode 2017-2018 de loods gesloopt is.
•
Binnen het plangebied zijn onverharde wegbermen aanwezig. Onverharde wegbermen zijn verdacht op de aanwezigheid van bodemverontreiniging als gevolgd van de uitstoot (run off) van het verkeer door de jaren heen. Dergelijke bermen zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
Verder zijn op diverse percelen aangrenzend aan het plangebied in het verleden verontreinigingen aangetoond en/of zijn verdachte activiteiten aanwezig (geweest). Dit kan de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied hebben beïnvloed. Dit dient later tijdens een verkennend onderzoek uitgezocht te worden. Vervolgonderzoek i.k.v. de omgevingsvergunning In een latere fase zal een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740/NEN 5707) benodigd zijn voor bijvoorbeeld het verkrijgen van een omgevingsvergunning of voorgenomen grondverzet, ook ten aanzien van asbest en PFAS. Geadviseerd wordt om de uitvoering van een bodemonderzoek af te stemmen met het moment van uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden en wanneer er meer duidelijkheid is over de uiteindelijke inrichting van het plangebied. Zoals eerder genoemd worden de resultaten van een bodemonderzoek voor een periode van vijf jaar representatief geacht voor onverdachte locaties en korter voor verdachte locaties. Het is aan het bevoegd gezag om dat te beoordelen. Daarnaast wordt geadviseerd om ter plaatse van de bebouwing bodemonderzoek te laten uitvoeren na sloop van de bebouwing, zodat ook een uitspraak kan worden gedaan over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem onder de bebouwing. 6.6.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
43
6.7
Milieuzonering
6.7.1
Kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 6.7.2
Onderzoek
De VNG-brochure
Bij dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering', Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk van 2009' (VNGpublicatie). De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten' (standaard SvB, lijst 1) zijn gebaseerd op de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Deze lijst kan als basis gebruikt worden voor een Staat van Bedrijfsactiviteiten bij een bestemmingsplan voor een bedrijventerrein. De lijst gaat uit van activiteiten, gerangschikt naar SBI-codes. Voor elke activiteit zijn milieuactiviteiten en richtafstanden vermeld, rekening houdend met de normaliter bij deze activiteiten voorkomende opslagen en installaties. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen afstand en milieucategorie.
Tabel 6.1.: Richtafstandentabel
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
44
Richtafstanden en omgevingstypen De gewenste afstand tussen een bedrijfsactiviteit en woningen (of andere gevoelige functies zoals scholen) wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functie zich bevindt. In overeenstemming met de VNG-publicatie worden daarbij twee omgevingstypen onderscheiden: rustige woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype, zoals een rustig buitengebied) en gemengd gebied. De richtafstanden die vermeld zijn in 'Lijst 1' van de Staat van Bedrijfsactiviteiten gelden ten opzichte van een rustige woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype). Voor een gemengd gebied (en daarmee te vergelijken gebieden) gelden kleinere afstanden. Daarnaast dient in de milieuzonering rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van eventuele bedrijfswoningen op een bedrijventerrein. De milieuzonering ter plaatse van de nieuwe bedrijfskavels is gebaseerd op de richtafstanden van omliggende bedrijfs- en burgerwoningen. In het plangebied liggen een aantal woningen die door de GR zijn aangekocht. Deze woningen worden gesloopt, behoudens één woning waarop persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is. Met deze woningen hoeft geen rekening meer te worden gehouden. Verder zijn er op het bestaande bedrijventerrein een aantal (bedrijfs)woningen aanwezig. Deze woningen worden buiten beschouwing gelaten.
Een motivering hiervoor is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Bernheze’ (vastgesteld d.d. 27-06-2013). In de VNG-brochure is aangegeven: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend". Het plangebied Cereslaan-West is aan te merken als een gemengd gebied. In en in de nabijheid van het plangebied is op meerdere locaties lintbebouwing aanwezig, met daarnaast overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Bovendien is het gehele plangebied gelegen in de directe invloedssfeer van Rijksweg A59. Er is geen sprake van stiltegebieden, beschermde natuur- of recreatiegebieden. Milieuzonering ter plaatse van Cereslaan-West De milieucategorieën ter plaatse van het plangebied zijn opgenomen op basis van de richtafstanden voor een gemengd gebied.
Zodoende wordt rekening gehouden met de woon- en leefkwaliteit ter plaatse van omliggende (bedrijfs)woningen. Bestemmingsregeling Op basis van de richtafstanden van woningen buiten het bedrijventerrein zijn de maximale milieucategorieën bepaald. In totaal wordt 54.073 m2 aan bedrijfskavels met ten hoogste categorie 3.2 mogelijk gemaakt. Aan de zuidwestzijde, direct langs de Bosschebaan, is een klein perceel aanwezig (367 m2) waar ten hoogste categorie 3.1 is toegestaan (afbeelding 7.2). Op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan zijn de maximale milieucategorieën geborgd door middel van functieaanduidingen.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
45
Afbeelding 6.1.: Bedrijfscategorie en oppervlaktes nieuwe bedrijfspercelen in het plangebied
6.7.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan Cereslaan-West.
6.8
Mer-beoordeling
6.8.1
Kader
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. 6.8.2
Toetsing
Of en zo ja welke verplichtingen gelden ten aanzien van een m.e.r. is vastgelegd in Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. 2. Hierin wordt onderscheid gemaakt in m.e.r. (een uitgebreide procedure) en m.e.r.-beoordeling (een lichtere procedure). Binnen de m.e.r.-beoordeling wordt onderscheid gemaakt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling (als de activiteit beneden drempelwaarden blijft) en een m.e.r.-beoordeling (niet vormvrij) (als de activiteit drempelwaarden overschrijdt). Inhoudelijk zijn er geen verschillen. Daarnaast kan sprake zijn van een m.e.r.-plicht vanuit de Wet Natuurbescherming. Dit is het geval als een passende beoordeling moet worden opgesteld omdat negatieve effecten op Natura2000-gebieden niet op voorhand (in een voortoets) uitgesloten kunnen worden.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
46
Uitbreiding Bedrijventerrein Cereslaan-West in relatie tot m.e.r.-verplichtingen De uitbreiding van Cereslaan-West valt onder categorie D 11.3: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.” De gevallen en drempelwaarden die behoren bij deze categorie zijn opgenomen in onderstaande tabel 6.1.
Tabel 6.1.: uitsnede uit het Besluit m.e.r.
Voor deze categorie D 11.3 activiteit uit de bijlage van het Besluit m.e.r. geldt een (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht als er sprake is van één van de gevallen genoemd in de kolom ‘Gevallen’. Als de drempelwaarden worden overschreden, geldt er een m.e.r.-beoordelingsplicht. De voorgenomen ontwikkeling van bedrijventerrein Cereslaan-West heeft een omvang van circa 5 hectare (netto uitgeefbaar ca. 4,3 ha) en overschrijdt daarmee de drempelwaarde van 75 hectare niet. Er is daarmee vanuit het Besluit m.e.r. geen verplichting tot een m.e.r.-beoordeling. Echter, conform artikel 2, lid 5, onder b Besluit milieueffectrapportage moet ook onder de drempelwaarden onderzocht worden of er sprake is van belangrijk nadelige milieugevolgen die tot het doorlopen van een m.e.r.procedure moeten leiden. Een aanmeldingsnotitie is daarom bedoeld om antwoord te geven op de vraag of belangrijke nadelige gevolgen op het milieu worden verwacht. De uitbreiding van Bedrijventerrein Cereslaan-West leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden. Er hoeft daarom geen passende beoordeling te worden opgesteld en er geldt daarmee geen m.e.r.-verplichting vanuit de Wet natuurbescherming.
Tot mei 2017 kon bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling bevoegd gezag de afweging maken in het kader van het moederbesluit en kon de inhoudelijke motivatie opgenomen worden als onderdeel van de toelichting / ruimtelijke onderbouwing van het moederbesluit. Sinds de wijziging van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage in mei 2017 kan dit echter niet meer en dient een separate aanmeldnotitie te worden opgesteld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen in bijlage 12. Uit de notitie kan worden geconcludeerd dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht wanneer wordt voldaan aan gestelde eisen en maatregelen. Er is dan ook geen aanleiding om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor deze ontwikkeling.De volgende eisen en maatregelen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn van toepassing: •
Verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van de A59 en het LPG-tankstation in het bestemmingsplan;
•
Uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en het opvolgen van de eventuele maatregelen die hieruit volgen om de bodem geschikt te maken voor de beoogde functie.
•
Uitvoeren van een verkennend archeologisch booronderzoek en het opvolgen van de eventuele maatregelen die hieruit volgen om negatieve effecten op archeologische waarden te voorkomen.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
47
•
Er dient afstemming plaats te vinden met de gemeente Bernheze/rioolbeheerder over de capaciteit van het riool en de omgang met het aanwezige riool.
•
Het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen voor de huismus.
•
Om verstoring van broedvogels te voorkomen moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd worden, moet het plangebied ongeschikt gemaakt worden vóór het broedseizoen, of het werkterrein moet worden gecontroleerd door een ecoloog.
•
Er dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden ten aanzien van marterachtigen, met als doel territoria van marterachtigen te behouden.
In de aanmeldnotitie is ook onderzocht of sprake is van cumulatie met andere projecten. In de omgeving van het plangebied zijn de ontwikkeling van bedrijventerrein Heesch West en Zonnepark Achterste Groes relevant. Er is onderzocht of de beperkte effecten van de uitbreiding van Bedrijventerrein Cereslaan-West samen (cumulatief) met de effecten van Heesch West en/of Zonnepark Achterste Groes Haagse Beemden wel kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Uitbreiding van bedrijventerrein Cereslaan West heeft geen effect op landschappelijke en cultuurhistorische waarden, Natura2000 en NNB gebieden en leidt niet tot een toename van (externe) veiligheidsrisico’s. Er is daarmee geen sprake van cumulatie met effecten van Heesch West en Zonnepark Achterste Groes. Cereslaan West heeft een beperkt en lokaal negatief effect op beschermde soorten. De negatieve effecten worden echter gemitigeerd. Er is daarom geen sprake van cumulatie van negatieve effecten. Verder leiden alle drie de activiteiten tot vergraving (mogelijke aantasting archeologische waarden), bodemverzet en effect op waterhuishouding. Door een onderzoeksverplichting voorafgaand aan vergraving, wet- en regelgeving ten aanzien van bodemkwaliteit en het treffen maatregelen om negatieve effecten op de waterhuishouding te voorkopen, is ook voor deze aspecten geen sprake van cumulatie.
Zowel uitbreiding van Cereslaan West als aanleg van Heesch West leidt tot een toename van verkeer, geluid en luchtverontreinigende stoffen. De toename van Cereslaan West is echter gering en lokaal. De effecten van Heesch West op het plangebied en omgeving van Cereslaan West is beschouwd en afgewogen in het MER en Bestemmingsplan Heesch West. Daarin is ook rekening gehouden met de (beperkte) toename door Cereslaan West. In het kader van het MER en bestemmingsplan Heesch West zijn de effecten op verkeer, geluid en luchtkwaliteit cumulatief beschouwd. In de aanlegfase kan hinder worden ervaren van zowel uitbreiding van Cereslaan West als de aanleg van Heesch West en Achterste Groes. Dit vraagt afstemming van de aanlegwerkzaamheden, maatregelen om de hinder in de aanlegfase zoveel mogelijk te beperken en communicatie met de omgeving. Dit effect wordt echter niet beschouwd als zo belangrijk nadelig dat het zou moeten leiden tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure voor Cereslaan West. Concluderend kan gesteld worden dat er geen sprake van belangrijk nadelige cumulatie van effecten met andere ontwikkelingen in de nabijheid van Cereslaan West. 6.8.3
Conclusie
Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. Daarmee is geen aanleiding om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
48
Hoofdstuk 7 Water 7.1
Kader
Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes:
integraal waterbeheer: het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen; afwenteling voorkomen: het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteitsen waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken; ruimte en water verbinden: bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
49
Nationaal Bestuursakkoord Water (NWB) In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater.
Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerders (in dit geval het waterschap Aa en Maas en de Gemeente Bernheze) in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.
7.2
Onderzoek
Door Antea Group is in april 2024 een watertoets uitgevoerd. De volledige toets is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. In deze paragraaf worden de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten toegelicht. Bestaande situatie Maaiveldhoogte Om de maaiveldhoogtes in het plangebied te analyseren is de AHN-viewer geraadpleegd. Het maaiveld binnen het plangebied varieert tussen de 6,33 m + NAP tot 7,55 m + NAP.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
50
Bodemopbouw Om de bodemopbouw ter plaatse van de planlocatie te analyseren zijn de grondboringen van het DINOloket geraadpleegd. Uit de boorprofielen blijkt dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn zand. Grondwater Om de grondwaterstand in het plangebied te kunnen analyseren is een peilbuis van DINOloket en zijn meetreeksen van grondwatertools.nl gebruikt. Met een benadering aan de hand van de gegevens van de peilbuis bevindt de GHG zich op 5,61 m + NAP. De grondwaterstanden in het plangebied zullen zich op basis hiervan tussen de 0,7 m -mv. en 1,9 m – mv. bevinden. Watersysteem In het plangebied is door het waterschap geen waterpeil vastgesteld. Vuil- en hemelwater Het is aannemelijk dat er in het plangebied een gescheiden rioolstelsel is aangelegd bij de aanleg van het reeds gerealiseerde bedrijventerrein. Het vuilwater wordt afgevoerd naar de waterzuivering. Het hemelwater wordt binnen het plangebied afgevoerd naar het oppervlaktewater. Een deel van het plangebied bestaat uit weide/landbouwgrond waar hemelwater kan infiltreren. Aandachtspunt is dat er volgens de gemeente Bernheze (Gemeentelijk Rioleringsplan Bernheze 2020 t/m 2023) ‘risicoriool’ aanwezig is binnen het plangebied. Waterveiligheid Er zijn geen effecten op de waterveiligheid. In de buurt van het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.
De legger van waterschap Aa en Maas bevestigd dat het plangebied zich niet in de kernzones of beschermingszones van waterkeringen bevindt. Het plangebied bevindt zich ook niet in overstroombaar gebied. Er is geen risico op overstroming doordat een waterkering bezwijkt.
Afbeelding 7.1.: weergave bestaand watersysteem ter hoogte van het plangebied, leggerkaart van Waterschap Aa en Maas
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
51
Toekomstige situatie Maaiveld Om de maaiveldhoogtes in het plangebied te analyseren is de AHN-viewer geraadpleegd. In het plangebied varieert het maaiveld van 6,33 m + NAP tot 7,55 m + NAP, afhankelijk van de definitieve inrichting van het gebied kan dit in de toekomst afwijken. Op de voorgenomen locaties van sloten en het infiltratieveld wordt logischerwijs het maaiveld verlaagd. Grondwater De grondwaterstanden in het plangebied bevinden zich tussen de 0,7 m -mv. en 1,9 m – mv. bevinden (bron: DINOloket en grondwatertools.nl) en zullen naar verwachting niet veranderen als gevolg van de ontwikkeling. De gemiddelde ontwateringsdiepte voor bouwgrond in de gemeente Bernheze is 0,7 m mv. Hier wordt aan voldaan. De sloten en het infiltratieveld kunnen ook functioneren met de voorkomende ontwateringsdiepte. Toekomstig watersysteem en waterbergingsopgave In de toekomstige situatie wordt een bedrijventerrein ontwikkeld. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe met 11.242 m2. De totale waterbergingsopgave voor het plangebied bedraagt 2.151 m3 en dient bij voorkeur binnen het plangebied gerealiseerd te worden. Echter kan bij het dimensioneren van de compensatie -conform de beleidsregel 13 uit de Keur van het waterschap- 60 mm per toename verhard oppervlak (m2) als vertrekpunt voor de maximale compensatieplicht worden gehanteerd.
De benodigde compensatie bedraagt conform deze beleidsregel 11.242 * 0,06 = 675 m3 In het stedenbouwkundig plan is voldoende rekening gehouden met het vertragen van regenwaterafvoer middels de toepassing van groene daken. Voor de waterbergingsopgave die resteert is voldoende ruimte beschikbaar binnen het stedenbouwkundig plan. Tevens is er in het plan voldoende ruimte beschikbaar voor een resterende waterbergingsopgave die nog openstaat voor de bestaande situatie. De toekomstige situatie van het watersysteem wordt hierna toegelicht. Nieuwe situatie In het plan is rekening gehouden met een waterbergingsvolume van 2.609 m3, bestaande uit sloten, een tijdelijke berging bij piekbuien en een infiltratieveld alvorens het water afwatert in het leggersysteem. Het regenwater van de nieuwe bedrijven wordt op eigen terrein en in de nieuwe waterstructuur geborgen. Het beoogde watersysteem zorgt ervoor dat het water vanaf de bedrijfskavels (en het bestaande bedrijventerrein) afwatert richting het noorden (afbeelding 7.2). Hier wordt een nieuwe waterstructuur aan de zuidzijde van de Verlengde Bosschebaan aangelegd. Via deze watergang vloeit het water richting een nieuw aan te leggen vloei- en infiltratieweide aan de westzijde van het plangebied. De bestaande watergang, evenwijdig aan de snelweg, blijft behouden. Via duikers worden de watergangen met elkaar verbonden.
De huidige inlaat ter plaatse van de Geffensestraat wordt verplaatst naar het nieuwe watersysteem voor Cereslaan-West. Er wordt een nieuwe inlaat uitgewerkt en tevens een noodoverstort ingepast. Deze worden gecombineerd met een fietstoegang naar het bedrijventerrein en het behoud van bestaande bomen (afbeelding 7.3).
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
52
Afbeelding 7.2.: Schematische weergave nieuw watersysteem ter hoogte van het plangebied
Afbeelding 7.3.: Schetsmatige weergave groen- en waterstructuur
Aandachtspunten waterbergende voorzieningen De waterbergingen binnen het plangebied dienen door eigenaar onderhouden en beheerd te worden. Het infiltratieveld zal, gezien de voorkomende ontwateringsdiepte, functioneren als droogvallende voorziening. Daarom zijn in de watertoets diverse aandachtspunten meegegeven voor de infiltratievoorziening en de voorziene waterberging. Er wordt aangeraden om de richtlijnen die het waterschap geeft voor de waterbergende voorzieningen binnen het plangebied te hanteren. Waterveiligheid Er zijn geen effecten op de waterveiligheid. In de buurt van het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.
Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Cereslaan-West’ Vaststelling, d.d. april 2024
53
7.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt, conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan het Waterschap Aa en Maas voorgelegd. In de planontwikkeling heeft vooroverleg plaatsgevonden met het waterschap. Eventuele nadere opmerkingen van het waterschap worden verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan.