CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Toelichting BP 'Derptweg 13-15 Vorstenbosch'

Raadsvergadering 31 oktober 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Derptweg 13-15 Vorstenbosch' *14.260 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Derptweg 13-15 Vorstenbosch Gemeente Bernheze

1

Colofon Rapport: Bestemmingsplan Derptweg 13-15 Vorstenbosch Rapportnummer: 2023.2519 Status: Vastgesteld Datum: 3 september 2024 Projectlocatie Derptweg 13-15 5476 VX Vorstenbosch Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Mgr. Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland 085 043 1949 info@reland.nl

© september 2024 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................... 5

1.3

Leeswijzer ............................................................................................................................... 7

Hoofdstuk 2 Huidige situatie omgeving ................................................................................................... 8 2.1

Inleiding .................................................................................................................................. 8

2.2

Ruimtelijke en functionele structuur........................................................................................ 8

2.3

Geldend bestemmingsplan ................................................................................................... 10

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving ................................................................................................................ 13 3.1

Ontwikkeling ......................................................................................................................... 13

HOOFDSTUK 4 Beleidskader .............................................................................................................. 17 4.1

Rijksbeleid ............................................................................................................................ 17

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ........................................................................................ 17 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ....................................................................... 17 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................. 18 4.2

Provinciaal beleid.................................................................................................................. 18

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant ........................................................................................... 18 4.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................................................ 19 4.3

Gemeentelijke beleid ............................................................................................................ 26

4.3.1 Omgevingsvisie Bernheze 2040 (ontwerp) ................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 4.3.2 Omgevingsvisie Bernheze 2040 ........................................................................................... 26 4.3.3

Kwaliteitsverbetering Bernheze ...................................................................................... 27

HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten .................................................................................................. 29 5.1

Milieu .................................................................................................................................... 29

5.1.1 M.e.r. plicht ........................................................................................................................... 29 5.1.2 Bodem .................................................................................................................................. 30 5.1.3 Lucht ..................................................................................................................................... 30 5.1.4 Geur ...................................................................................................................................... 32 5.1.5 Geluid ................................................................................................................................... 34 5.1.6 Externe veiligheid ................................................................................................................. 34 5.1.7 Bedrijven- en milieuzonering ................................................................................................ 40 5.1.8 Kabels en leidingen .............................................................................................................. 42

3

5.1.9 Spuitzones gewasbescherming ............................................................................................ 42 5.1.10 Volksgezondheid ................................................................................................................ 43 5.2

Water .................................................................................................................................... 43 Beleid .............................................................................................................................. 43

5.2.1 5.3

Natuur ................................................................................................................................... 45

5.3.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 46 5.3.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 47 5.4

Archeologie ........................................................................................................................... 47

5.5

Landschap en cultuurhistorie ................................................................................................ 49

5.6

Verkeer ................................................................................................................................. 50

5.6.1 Mobiliteit................................................................................................................................ 50 5.6.2 Parkeren ............................................................................................................................... 50 HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid ......................................................................................................... 51 6.1

Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................. 51

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 51

BIJLAGEN Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage IVa Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII Bijlage VIII Bijlage IX Bijlage X Bijlage XI Bijlage XII

– Landschappelijke inpassing – Verkennend bodemonderzoek – Verkennend bodemonderzoek inclusief SEM analyse – Geurhinderonderzoek - Aanvullende memo geur – Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai – Waterparagraaf – AERIUS-berekening aanlegfase – AERIUS-berekening gebruiksfase – Rapportage stikstofdepositie – QuickScan Flora en Fauna – Omgevingsdialoog - omgevingsdialoog geur

4

Hoofdstuk 1.1

1 Inleiding

Aanleiding De initiatiefnemer is met zijn gezin woonachtig in een burgerwoning op de locatie Derptweg 13 te Vorstenbosch. Samen met zijn broer (woonachtig op de locatie Derptweg 15) exploiteert hij op de locatie Derptweg 15 een agrarisch bedrijf (kersenboomgaard) met verblijfsrecreatie (groepsaccomodatie). De woning aan Derptweg 13 betreft een voormalige bedrijfswoning van de varkenshouderij die in het verleden op de locatie gevestigd was. De bedrijfswoning vormde daarbij een geheel met de bedrijfsbebouwing (de woning is onderdeel van de stal) van het voormalige agrarisch bedrijf aan Derptweg 15. De woning is sterk verouderd, voorzien van asbest en voldoet niet aan de wooneisen van deze tijd. De initiatiefnemer wil daarom graag investeren in hun woonsituatie. Momenteel loopt er een vergunningsaanvraag voor de herbouw van de woning op dezelfde plek, onder dezelfde voorwaarden (bouwregels) zoals zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Echter conform het bestemmingsplan zou herbouw mogelijk zijn, mits deze op de bestaande fundamenten wordt uitgevoerd en dat betekent dat de woning opnieuw vast zou zitten aan het agrarisch bedrijfsgebouw, behorende bij het bedrijf aan Derptweg 15. Maar wat vooral belangrijk is, is dat het bestaande agrarisch bedrijf dat gevestigd is aan Derptweg 11 vreest voor haar ontwikkelingsmogelijkheden.

Ondanks dat reeds sprake is van een bestaande situatie (planologisch-juridische is de woning bestemd als burgerwoning), is het helemaal niet gek om op zoek te gaan naar een oplossing die bijdraagt aan het woon- en leefklimaat, maar ook het ondernemersklimaat ter plaatse van Derptweg 13-15 en omgeving. Daardoor is het plan ontstaan om de woning (die toch gesloopt moet worden), te herbouwen op een andere plek binnen de ruimtelijke eenheid van het bedrijf aan Derptweg 15. Eén en ander met behoud van de regels van het bestemmingsplan (een beperkte inhoudsmaat, gebaseerd op de bestaande situatie). Deze mogelijkheid is echter niet toegestaan volgens het bestemmingsplan, waardoor een buitenplanse procedure noodzakelijk is. De gemeente heeft in een eerder stadium medewerking verleend aan een mogelijke verplaatsing, echter was die verplaatsing buiten de ruimtelijke eenheid. De provincie had destijds (2020) moeite met deze ruimtelijke ontwikkeling, waardoor die procedure niet is doorgezet. Nu is echter gekeken naar een verplaatsing binnen de ruimtelijke eenheid. In dat kader is daarom ook overleg gevoerd met de provincie, het is namelijk geen alledaags verzoek.

De provincie ziet in dat als deze ontwikkeling, leidt tot een verbetering van de situatie (in kwalitatief opzicht, in woon- en leefklimaat én in ondernemersklimaat), het gek zou zijn als deze kans niet genomen wordt en een duurzame situatie ontstaat. Daarom is besloten om de procedure onder die voorwaarden (zelfde ruimtelijke eenheid, zelfde bouwregels, situering binnen de ruimtelijke eenheid en de borging dat ter plaatse van de huidige woning, geen bebouwing meer kan worden opgericht) op te

5

starten. Daarvoor is het noodzakelijk een bestemmingsplan op te stellen. Na meting van de feitelijke woning is hierbij tevens overeengekomen dat de woning een maximum inhoud van 600m³ meg bedragen. Onderhavig document betreft de toelichting behorende bij dit bestemmingsplan. In deze toelichting wordt de ontwikkeling beschreven en onderbouwd.

1.2

Begrenzing plangebied Het plangebied betreft de locatie aan de Derptweg 13 en 15 te Vorstenbosch. Het plangebied is gelegen op de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Nistelrode, sectie G, nummers: 1355, 807, 1354, 1046 en 1047 (deels). Het plangebied heeft betrekking op het huidige bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan Derptweg 15 (oranje omlijnd) en het bouwvlak van de burgerwoning aan Derptweg 13 (rood omlijnd) (figuur 1).

Figuur 1 Plangebied Derptweg 13 (rood omlijnd) en Derptweg 15 (oranje omlijnd)

6

1.3

Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de gewenste situatie beschreven. Vervolgens is in hoofdstuk 4 een toets op het relevante Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Tot slot voorziet hoofdstuk 6 in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

7

Hoofdstuk 2.1

2 Huidige situatie omgeving

Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de omgeving waarin het plangebied zich bevindt. De beschrijving richt zich op de huidige structuren, kenmerken, functies en waarden van de omgeving van het plangebied.

2.2

Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied ligt in het buitengebied van Bernheze, vlak bij de kern Vorstenbosch (op de grens met de gemeente Maashorst). Het plangebied wordt ontsloten door Derptweg. De weg die van oudsher de kern Vorstenbosch, via het dorp Mariaheide, met de kern Erp verbindt. De grens met de gemeente Maashorst ligt ten zuiden van het plangebied en wordt gevormd door de beek de Leijgraaf. In de omgeving zijn, naast een aantal agrarische bedrijven en burgerwoningen, opvallend veel functies aanwezig die gericht zijn op recreatie (beleving) en zorg. Enerzijds door het zoeken naar nieuwe verdienmodellen (gestart als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf), en anderzijds geënt op de kwaliteiten van de omgeving waarin dit gebied is gelegen. Met de ligging vlak bij de Bedafse Bergen, de Leijgraaf, de Wijstgronden, wat verder weg BillybirdPark Hemelrijk, het centrum van Uden en het Aa-dal een plek die door steeds meer mensen wordt gevonden om te recreëren. Zo zijn er in de buurt campings gelegen, twee zorgboerderijen, een aantal horecagelegenheden en een speelboerderij. In figuur 2 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het omliggend landschap geeft een grootschalig gevoel, terwijl van oudsher een fijne verkavelingsstructuur aanwezig was.

Deze verkavelingsstructuur, inclusief alle landschapselementen zoals randbeplanting, is sinds de ruilverkaveling in de jaren 70 verdwenen. Het plangebied ligt op de rand van een dekzandrug en dekzandvlakte. De dekzandrug is hoger gelegen in het landschap, waardoor het logisch is dat de Derptweg de ligging van de dekzandrug volgt. De bedrijven aan Derptweg 11, 13 en 15 zijn, voor dit gebied, laat (eind jaren ‘80) ontwikkeld. Het bedrijf aan de overgang van de weg is zelfs nog later gevestigd (1998). Aan Derptweg 11 is een agrarisch bedrijf gevestigd dat volgens de kern registratie dieren (KRD) van Brabant, gericht is op het houden van melk- en kalfkoeien, vrouwelijk jongvee en vleesstieren en overig vleesveel van circa 8 tot 24 maanden. Het agrarisch bedrijf aan Derptweg 14 is gericht op het houden van zoogkoeien en schapen. In figuur 3 zijn de verschillende omliggende functies inzichtelijk gemaakt.

8

Vorstenbosc

Figuur 2 Ligging agrarisch bedrijf Derptweg 15 en woning Derptweg 13

Het agrarisch bedrijf aan Derptweg 15, dat voorheen een reguliere varkenshouderij was, is veranderd naar fruitteelt (kersenboomgaard) met verkoop aan huis en een groepsaccomodatie voor verblijfs- en dagrecreatieve activiteiten.

9

De woning aan Derptweg 13 betreft de originele bedrijfswoning van de varkenshouderij en is als onderdeel van een oude varkensstal gebouwd. De woning heeft een inhoud van 440m³, daaraan is een aanbouw met plat dak gerealiseerd van 156 m³, waardoor de huidige inhoud (596 =) 600m³ betreft, De woning is daardoor in fysieke zin nog onderdeel van de bedrijfsbebouwing. De bedrijfsbebouwing aan Derptweg 15 wordt gebruikt voor de kersenteelt, machineopslag en als groepsaccomodatie. De bedrijfswoning van het bedrijf aan Derptweg 15 stamt uit 1998.

11a 11

14

13

15

Figuur 3 Omliggende functies (huisnummers)

2.3

Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Bernheze’ (vastgesteld 08-10-2014), ‘Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ (vastgesteld 18-042019), “Herziening vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’ (vastgesteld 1012-2020) en BPL Teeltondersteunende voorzieningen gemeente Bernheze (vastgesteld

10

op 13-12-2018) de geldende bestemmingsplannen. De laatst twee genoemde bestemmingsplannen hebben betrekking op de ontwikkelmogelijkheden van agrarische bedrijven die transitie ondergaan faciliteert. Het gaat hierbij om functiewijzigingen, toepassen van sloop-bonusregelingen en het uitvoeren van nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. Het bestemmingsplan BPL Teeltondersteunende voorzieningen geeft regels die betrekking hebben op de oprichting en het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen in het buitengebied. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ zijn de bestemmingen opgenomen voor locaties gelegen in het buitengebied van Bernheze. De beide bestemmingsplannen die betrekking hebben op vrijkomende agrarische bebouwing zijn daarop gebaseerd. Het plan Buitengebed Bernheze betreft zogezegd het moederplan. Het plangebied bestaat uit twee delen die samen een ruimtelijke eenheid vormen, namelijk: - Derptweg 13 - Derptweg 15 Voor beide delen geldt dat de bestemming ‘Agrarisch’ de geldende bestemming betreft. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’, gedeeltelijk van toepassing. Beide delen zijn voorzien van een eigen bouwvlak en zijn gelegen binnen een zone die is aangeduid als ‘Wro-zonerecreatieontwikkelingsgebied’.

Het bouwvlak aan Derptweg 13 is voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – beperkte inhoudsmaat’. Het bouwvlak aan Derptweg 15 is voorzien van de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’, ‘specifieke vorm van agrarisch – teelondersteunende voorziening’ en een aanduiding die het aantal bedrijfswoningen maximaliseert op 1. Ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch’ zijn de gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik en ter plaatse van een bouwvlak en de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ is de uitoefening en vestiging van een agrarisch bedrijf toegestaan. In afwijking daarop is ter plaatse van de aanduiding ‘specifiek vorm van wonen – beperkte inhoudsmaat’ uitsluitend een burgerwoning toegestaan. De inhoud hiervan is echter gemaximeerd op 350 m³. Ter plaatse van het agrarisch bouwvlak aan Derptweg 15 is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan. Deze mag een maximale inhoudsmaat hebben van 750 m³. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teelondersteunende voorziening’ zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Met de aanduiding ‘Wro zone – recreatieontwikkelingsgebied’ worden recreatieve ontwikkelingen gestimuleerd. Hier gelden meer mogelijkheden dan op plekken die niet voorzien zijn van deze aanduiding.

De dubbelbestemmingen ‘waarde – archeologie 2’ en ‘waarde – archeologie 3’ hebben betrekking op de verwachtingswaarde van archeologische vondsten. Volgens Europese afspraken (verdrag van Malta) heeft Nederland de verplichting om deze waarden te beschermen. Door een verwachtingswaarde op te nemen (die tot stand zijn gekomen op basis van eerdere archeologische onderzoeken, geografische en geomorfologische

11

kenmerken) is een beschermingsniveau opgenomen. Voor ‘Waarde – Archeologie 2’ geldt een verbod voor werkzaamheden en activiteiten die betrekking hebben op een groter oppervlakte dan 250 m² en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld. Wanneer archeologisch onderzoek aantoont dat er geen vondsten gedaan worden, of archeologische vondsten niet beschadigd worden door de werkzaamheden/ activiteiten. Voor ‘waarde – archeologie 3’ geldt eenzelfde bepaling, behalve dan dat het verbod geldt voor werkzaamheden/activiteiten die een grotere oppervlakte dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld.

12

Hoofdstuk 3.1

3 Planbeschrijving

Ontwikkeling De woning aan Derptweg 13 met een inhoud van 596 m³ is sterk verouderd, voorzien van een asbestdak en zelfs nog deels onderkelderd met de oude mestput. De woning voldoet niet meer aan de woonwensen en -eisen van deze tijd en is daardoor toe aan vervanging. De eigenaar heeft een bouwtekening laten maken en een omgevingsvergunning voor bouwen aangevraagd. Het doel was om de woning op dezelfde plek te bouwen als waar deze in de huidige situatie is gesitueerd. Echter heeft de eigenaar van het naastgelegen veehouderijbedrijf gereageerd op deze omgevingsvergunningsaanvraag. Het is zeer waarschijnlijk dat de toekomstige situatie (wanneer de herbouw van de woning op de huidige plek) niet zorgt voor een verandering van de situatie ter plekke als het gaat om de belemmerende werking. De woning is in de huidige situatie reeds geurgevoelig en heeft derhalve een belemmerende werking voor het veehouderijbedrijf. Dat verandert niet wanneer de woning wordt gesloopt en herbouwt. Een woning is een gevoelige functie en dat verandert niet als dit een nieuwe woning wordt. Echter heeft dit wel geleid tot een overweging bij de initiatiefnemer. Als het tot een oplossing kan leiden om elkaar ruimte te gunnen m.b.t. het woon- en leefklimaat, maar ook tot ondernemersklimaat, dan is dit het moment.

Met de provincie en gemeente zijn gesprekken gevoerd om te bekijken of er mogelijkheden zijn om de woning op een andere plek te herbouwen. De provinciale verordening biedt daarin onder strikte voorwaarden mogelijkheden. In ieder geval dient de verplaatsing dan binnen dezelfde ruimtelijke eenheid plaats te vinden. Omdat de woning aan Derptweg 13 de voormalige bedrijfswoning is van het agrarisch bedrijf aan Derptweg 15, is het bouwvlak van Derptweg 13-15 gecombineerd als ruimtelijke eenheid aan te merken. Wanneer de verplaatsing binnen dit vlak mogelijk en logisch is, dan biedt de verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant daar mogelijkheden voor. Dit heeft geleid tot een overweging om de woning te verplaatsen. Daarvoor is een ruimtelijke studie gemaakt en daaruit blijkt dat de ruimte ten zuiden van de huidige bedrijfswoning aan Derptweg 15 kan voorzien in de vestiging van de woning aan Derptweg 13. Daardoor valt de verplaatsing binnen de ruimtelijke eenheid ter plaatse. Om ervoor te zorgen dat ter plaatse van de huidige woning een goed ondernemersklimaat ontstaat (de plek niet meer zorgt voor een belemmerende werking ten opzichte van bedrijven van derden), worden ter plaatse parkeerplekken gerealiseerd en worden bouwmogelijkheden ter plaatse uitgesloten.

Daarnaast is in de regels opgenomen dat de bestaande bedrijfsbebouwing aan de noordzijde uitsluitend gebruikt mag worden voor opslagactiviteiten van het bedrijf en niet voor menselijk verblijf. Hierdoor zal dit gebouw geen belemmerende werking hebben. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast zodat ook de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse een opwaardering krijgt. In figuur 4 is de nieuwe situatie op bestemmingsplanniveau inzichtelijk gemaakt. In figuur 5 is het nieuwe ontwerp te zien en in figuur 6 de landschappelijke inpassing. In

13

bijlage I is het ontwerp van de nieuwe situatie en de landschappelijke inpassing uitgebreid toegelicht

Figuur 4 Nieuwe situatie op bestemmingsplanniveau (verplaatsing van het bouwvlak binnen dezelfde ruimtelijke eenheid)

14

Figuur 5 Ontwerp nieuwe situatie

15

Figuur 6 Ontwerp landschappelijke inpassing

16

HOOFDSTUK 4.1

4 Beleidskader

Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Daarnaast draagt de landschappelijke inpassing van het plangebied bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te

17

onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'neetenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt gebruik gemaakt van een separate planologische procedure, de ontwikkeling wordt buiten het bestemmingsplan om mogelijk gemaakt doordat de ontwikkeling passend is binnen het provinciale beleid. Voor het overige worden er geen toevoegingen of overwegingen gemaakt om extra mogelijkheden of een gradatie in mogelijkheden op te nemen. Het Barro is dan ook niet relevant voor deze ontwikkeling. Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Daarnaast is de ontwikkeling van kleinschalige aard waardoor verdere toetsing aan het Barro niet noodzakelijk is. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag wanneer er nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro.

De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4 uit de SVIR (efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik). De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De Ladder voor stedelijke ontwikkeling rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is, dit is voor de omzetting van één woning en de ontwikkeling van zes woningen niet het geval. Conclusie De herbouw en verplaatsing van een woning wordt niet gezien als Ladderplichtig. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op deze ontwikkeling.

4.2

Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De

18

Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Hierbij heeft de provincie ambities welke betrekking hebben op energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Met deze ambities werkt de gemeente aan onder andere veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te werken aan een slimme netwerkstad, wordt gericht op zorgvuldig ruimtegebruik. In dit geval wordt een bestaande woning verplaatst en herbouwd. De verplaatsing van deze woning zorgt ervoor dat deze op grotere afstand van een intensieve veehouderij komt te liggen. Op deze wijze zorgt de verplaatsing van deze woning voor een verbetering van het woon- en leefklimaat en het ondernemersklimaat ter plaatse. De nieuwe woning wordt gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak van het agrarische bedrijf, waardoor er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast wordt het geheel landschappelijk ingepast, middels een erfbeplantingsplan waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving. De ontwikkeling ligt daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Noord-Brabant. 4.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven.

Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Omgevingsverordening NoordBrabant die per 1 januari 2024 geldend is. Binnen de Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor gemeenten. Gemeenten dienen, bij het opstellen van een omgevingsplan/het vaststellen van een ruimtelijk besluit rekening te houden met de instructieregels die de provincie in de Omgevingsverordening heeft vastgesteld. Om initiatieven mogelijk te maken, heeft de provincie een proceslijn opgenomen in artikel 5.1.2, basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Hanteerde de provincie voorheen limitatieve regels en maatvoeringen waaraan initiatieven en ontwikkelingen getoetst moeten worden. Met de Omgevingsverordening is het meer een proceslijn die doorlopen moet worden en gemotiveerd dient te worden. Zo gelden regels voor : • een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; • Zorgvuldig ruimtegebruik; • De toepassing van de lagenbenadering; • Het creëren van een meerwaardecreatie; • Het versterken van omgevingskwaliteit.

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1

19

Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Lid 2 Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Het uitgangspunt van dit plan heeft betrekking op een goede omgevingskwaliteit voor gezonde en veilige omgeving voor wonen en bedrijvigheid. De woning wordt verplaatst naar een deel van een bestaand bouwvlak. Het bouwvlak wordt daar niet voor uitgebreid en de achtergebleven plek wordt ingevuld voor parkeren. Er zal geïnvesteerd worden in de totale situatie ter plekke op het gebied van landschap, stedenbouw en functionaliteit. Door de woning aan de kant van de Leijgraaf te positioneren wordt bovendien voorkomen dat ter plaatse bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd die een negatief effect kunnen hebben op de natuurlijke en waterkwaliteiten van het gebied. Ter plaatse wordt geïnvesteerd in landschappelijke kwaliteiten zodat bijgedragen wordt aan de landschappelijke en natuurlijke beleving van de Leijgraaf. Aan de voorwaarden uit dit artikel kan worden voldaan. Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b.

de mogelijkheid voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling; c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel, en; e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan. Er is geen sprake van een stedelijke uitbreiding, er is geen sprake van nieuwvestiging of uitbreiding van een bestaand bouwvlak. Het aantal woningen blijft gelijk, de bouwmogelijkheden nemen af door het opheffen van een woonbestemming en het bestaande bouwvlak (ruimtebeslag) dient als grondlegger voor de te verplaatsen woning. Aan de voorwaarden uit dit artikel wordt voldaan. Lid 2 Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden.

20

Er is sprake van bestaand ruimtebeslag, waardoor lid 2 niet aan de orde is.

Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen. Lid 2 Voor het toepassen van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a. de ondergrond, zoals de bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer en. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving. Lid 3 Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Uitgangspunt bij deze ontwikkeling is de lagenbenadering en de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten ter plekke.

Een nadere uitwerking hiervan is opgenomen in bijlage I bij deze toelichting. Artikel 5.10 Meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Het plan draagt bij aan:

21

-

de verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de verplaatste woning; ondernemersklimaat van het veehouderijbedrijf aan Derptweg 11; verbetering van de stedenbouwkundige situatie door sloop woning (onderdeel van oude varkensschuur) en aanleg van parkeerplekken; verbetering landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten aan de kant van de Leijgraaf; borging van de maximale effecten van het agrarisch-recreatief bedrijf aan Derptweg 15 richting de omgeving (de nieuwe woning komt centraal te staan bij een afweging van activiteiten en het effect daarvan).

Artikel 5.13 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12 en dat de uitvoering is geborgd door: a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in et plan; of b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 7.2 Regionaal samenwerken Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en kenmerken; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4 Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken. De gemeente Bernheze heeft hiervoor beleid vastgesteld in de vorm van de Beleidsnota uitwerking landschapsinvesteringsregeling. Onderhavige ontwikkeling geeft invulling aan dit beleid.

22

Conclusie basisprincipes Aan de basisprincipes kan worden voldaan. Er zullen nog wat aanvullingen of uitwerkingen moeten worden gedaan, maar in hoofdlijnen draagt deze ontwikkeling bij aan de doelstellingen van de provincie m.b.t. een evenwichtige toedeling van functies. Thematische instructieregels De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen. Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld. Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Voor het plangebied zijn de volgende aanduidingen relevant: − landelijk gebied; − beperkingen grootschalige logistiek; − Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied − Groenblauwe waarden − Stalderingsgebied − Diep grondlichaam; − Geen attentiezone waterhuishouding. Binnen het landelijk gebied is ruimte voor een menging van functies. Zo zijn hier naast agrarische ontwikkelingen tevens ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid mogelijk.

Conform artikel 5.46 strekt een omgevingsplan dat van toepassing is op een gebied dat is aangeduid als groenblauwe waarden tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken, biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de sloop, verplaatsing en herbouw van de bestaande woning aan Derptweg 13. De woning zal binnen het bestaande bouwvlak van Derptweg 15 in de groenblauwe mantel worden herbouwd. Door de aanwezigheid van een bouwvlak, is het reeds mogelijk om op deze plek bebouwing op te richten. De woning wordt landschappelijke ingepast aan de zijde van de Leigraaf (groenblauwe mantel) zodat er een betere overgang ontstaat tussen natuur en agrarische gronden. Zodoende draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van de landschappelijke waarden.

23

Figuur 7: Uitsnede basiskaart landelijk gebied met plangebied rood omkaderd

Verplaatsing woning In de Omgevingsverordening is een verplaatsingsartikel voor functies en activiteiten opgenomen in artikel 5.13. Dit artikel is bedoeld voor verplaatsingen waarbij een functie wordt weggehaald in een gebied waar dat nodig of beter is en deze functie verplaatst wordt naar een betere omgeving waarmee omgevingskwaliteit wordt toegevoegd. Omdat sprake is van een ruimtelijke eenheid (de woning aan Derptweg 13 heeft ooit onderdeel uitgemaakt van het agrarisch bedrijf aan Derptweg 15), en de verplaatsing hiervan leidt tot: - een verbetering van het woon- en leefklimaat van de bewoners van de woning, en; - een verbetering van de ondernemer aan Derptweg 11, en; - er ruimtelijke kwaliteit ontstaat (op de huidige plek van de woning, mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht), en; - er geen extra ruimtebeslag ontstaat (vorm van bouwvlak van Derptweg 13-15 blijft gelijk), en; - er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; kan dit artikel worden toegepast.

24

De volgende specifieke voorwaarden zijn van toepassing om gebruik te maken van artikel 5.13 van de Omgevingsverordening. -

Het bouwvlak/bouwperceel van Derptweg 13 én Derptweg 15 mogen niet worden uitgebreid. De oppervlaktes moeten gelijk blijven. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. -

Op het stukje van het bouwvlak waar nu de woning van de Derptweg 13 is gelegen, mag geen bebouwing meer terugkomen. Dit moet goed geborgd worden op de verbeelding en de planregels. Ter plaatse is bouwen uitgesloten en is een aanduiding ‘parkeerterrein’ opgenomen. Binnen deze aanduiding, mogen de gronden uitsluitend worden gebruikt voor parkeervoorzieningen. Aa deze voorwaarde wordt voldaan. -

De inhoudsmaat zoals deze geldt voor de Derptweg 13, mag worden verplaatst met alleen deze beperkte inhoudsmaat. Dit moet in de planregels worden geborgd, evenals de sloop van de huidige woning (nummer 13). De maximale inhoudsmaat blijft geldend voor de nieuw te realiseren woning en is geborgd op de verbeelding en in de regels. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. - De gehele ontwikkeling moet goed landschappelijke worden ingepast. Er is een landschappelijke inpassing opgesteld voor de hele ontwikkeling (zie bijlage 1) bovendien is deze geborgd op de verbeelding en de regels, waardoor aanleg en instandhouding gis verzekerd. -

Het plan moet een uitwerking bevatten op welke manier deze ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die de provinciale verordening beoogt te beschermen. Het plan is getoetst aan de algemeen regels en uitgangspunten van de verordening in deze paragraaf. Aangetoond is dat de ontwikkeling bijdraagt aan de doelstellingen vanuit de provincie en voldoet aan deze voorwaarde. -

Het plan moet een uitwerking bevatten waarom deze ontwikkeling passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. De gebiedsvisie geeft hier namelijk geen aanknopingspunten voor. De gemeente zal hiervoor moeten beschrijven hoe zij die ontwikkelingsrichting ziet. De gemeente streeft naar een omgevingsklimaat dat goed is voor mens, dier en plant. In dit geval wordt geen nieuw ruimtebeslag toegevoegd en vindt zelfs afname van bebouwing plaats. Door de huidige plek van de woning uitsluitend te bestemmen voor parkeren en het achterliggende gebouw voor opslag, worden geurgevoelige objecten uitgesloten op deze plek, waardoor een beter ondernemersklimaat ontstaat voor het agrarisch bedrijf aan Derptweg 11. Bovendien wordt de ontsluiting van het bedrijf aan Derptweg 15 verplaatste, waardoor de overbuurman aan Derptweg 14 geen last heeft van binnenschijnende koplampen. Tot slot wordt de locatie in zijn geheel landschappelijk ingepast, zodat de entree van de gemeente Bernheze vanaf de gemeente Uden, sterk wordt verbeterd en aangeeft waar Bernheze voor staat e, een

25

groene gemeente, met ruimte om te ondernemen. Al deze kleine puntjes zorgen voor een beter woon- en leefklimaat (ook voor ondernemers) ter plaatse, ook al is de ontwikkeling klein, de ontwikkeling draagt bij aan een fijnere omgeving om te wonen en werken. Het plan past binnen de omgevingsverordening.

4.3

Gemeentelijke beleid Het beleid van de gemeente Bernheze is opgenomen in onder andere de Omgevingsvisie Bernheze 2040 en de Structuurvisie Bernheze. 4.3.1 Omgevingsvisie Bernheze 2040 De omgevingsvisie Bernheze 2040 is een richtinggevende visie voor de fysieke leefomgeving. Nieuwe initiatieven worden getoetst op basis van deze omgevingsvisie. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving behouden en versterken. Daarvoor worden de volgende aanknopingspunten gehanteerd om slim met de ruimte om te gaan: • Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen; • Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan; • Voorkomen van afwenteling. De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. In deze uitwerking worden de opgaven vertaald naar ambities en doelen. De vijf thema’s zijn: 1. Gezonde leefomgeving; 2. Leefbare kernen; 3. Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit; 4. Vitale en duurzame landbouw en economie; 5. Kwaliteit landschap en erfgoed. Locatie/omgeving Conform de Omgevingsvisie maakt de locatie deel uit van het landelijk gebied. Hierbinnen heeft de gemeente een visie opgesteld voor aantrekkelijk wonen en leven in het buitengebied en hoe zij ruimte willen geven aan initiatieven vanuit de inwoners.

Aantrekkelijk wonen en leven De gemeente Bernheze richt zich op de lokale behoefte om te wonen, waarbij goede zorg voor elkaar als kenmerk van Bernheze tot uiting komt. • In het buitengebied biedt de gemeente ruimte voor kleinschalige (ecologisch en duurzame) woonlocaties en alternatieve woonvormen (zoals boerderij- en woongemeenschappen). Kleinschalige historische erven en erfgroen in het buitengebied herstellen ze hiermee. Bewoners moeten er wel mee akkoord gaan dat het wonen in een agrarische omgeving mooi is maar soms ook wat ongemakken geeft. • De gemeente biedt meer ruimte aan een divers aanbod aan woon-zorg-concepten in en nabij de kernen.

26

De locatie van de huidige woning is niet ideaal, niet vanuit won- en leefklimaatperspectief, maar ook niet vanuit het ondernemersperspectief van omliggende bedrijven. Door de woning te verplaatsen, wordt niet alleen bijgedragen aan een beter woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning, maar ook bijgedragen aan het perspectief van de omliggende bedrijven. In die zin draagt de verplaatsing bij aan een verbetering van de situatie om meerdere vlakken (gezonde leefomgeving, vitale landbouw en economie). Bovendien worden eisen gesteld aan de realisatie van een landschappelijke inpassing, waardoor de kwaliteit van het landschap verhoogt wordt. We geven ruimte aan inwonersinitiatieven Daarnaast wil de gemeente graag meewerken aan initiatieven van inwoners met in gedachte dat: • Alle ambities waarmaken lukt alleen samen met inwoners en ondernemers. Daarnaast is en blijft samenwerking met gebruikelijke (overheids-)professionals noodzakelijk. • (Zichtbare) betrokkenheid van inwoners bij de kernen stimuleren we. o We stimuleren inwonersinitiatieven door het beschikbaar stellen van kennis en het bieden van procedurele en financiële ondersteuning indien ze bijdragen aan de in deze visie gestelde ambities. o Initiatieven van inwoners om bijvoorbeeld tiny houses, mantelzorgwoningen of knarrenhofjes aan het huidige aanbod toe te voegen zijn welkom.

o De gemeente wil een cultuuromslag maken, naar een ‘”ja, mits” benadering bij initiatieven van inwoners en ondernemers, conform de geest van de Omgevingswet. Met deze instelling laat de gemeente de “nee-tenzij” benadering zoveel mogelijk tot het verleden. Deze cultuuromslag heeft tijd nodig en vraagt om een nieuwe verhouding tussen overheid, inwoners en ondernemers. “ Met de gemeente, provincie en omwonenden is uitgebreid overleg gevoerd, waardoor een breed draagvlak is ontstaan voor dit initiatief en uitvoering is gegeven aan het participatiebeleid van de gemeente, Conclusie Het initiatief en het bijbehorende proces passen perfect binnen de structuur en binnen de gedachte van de Omgevingsvisie. Het draagt bij aan meerdere facetten, waardoor meerwaarde gecreëerd wordt. Het plan is in overeenstemming met de omgevingsvisie 2040. 4.3.2 Kwaliteitsverbetering Bernheze Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad van Bernheze besloten om het beleid van de provincie ten aanzien van kwaliteitsverbetering op Bernheze toe te passen en vast te stellen. Op 14 maart 2013 heeft de gemeenteraad een wijziging op dat beleid vastgesteld. In dat beleid is een categorisering van ontwikkelingen opgenomen. afhankelijk van de categorie (1, 2 of 3) zijn inspanningen nodig ten aanzien van landschappelijke kwaliteiten. Bij categorie 1 is geen extra inspanning nodig. Bij categorie 2 is een

27

landschappelijke inpassing nodig en bij categorie 3 zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. De investering die noodzakelijk is, wordt berekend aan de hand van een excel-formulier waarin de waardering is opgenomen. 20% van de waardevermeerdering dient te worden geïnvesteerd in landschappelijke kwaliteiten. Het slopen en herbouwen van een woning binnen een geldend bestemmingsvlak is als categorie 1 aangemerkt. Vormverandering van een agrarisch bouwvlak of bestemmingsvlak is aangemerkt als categorie 2. Het wijzigen van een agrarisch vlak naar een bestemmingsvlak wonen is weer aangemerkt als categorie 3. In feite hebben we dus te maken met een ontwikkeling die in 3 categorieën kan vallen. Echter blijft de oppervlakte aan bestemmingen gelijk (het blijft een ruimtelijke eenheid), maar nemend e bouwmogelijkheden af (het huidige woongedeelte kan uitsluitend voor parkeren worden gebruikt. Hierdoor kan gesteld worden dat het agrarisch bouwvlak kleiner wordt, de bouwmogelijkheden worden immers beperkt) met de oppervlakte die voor de woonbestemming van toepassing is. De ruimtelijke eenheid betreft een bouwvlak van 7.985m², waarin een deel (460 m²) bestemd is als ‘wonen. Die oppervlakte blijft onveranderd. De bouwmogelijkheden voor het agrarisch bedrijf worden beperkt met 460 m². hierdoor is afname van de waarde ten opzichte van de huidige situatie.

Echter wordt wel voorzien in een goede landschappelijke inpassing voor het hele perceel en is deze ook geborgd op de verbeelding en in de regels. Hierdoor is sprake van ruimtelijke kwaliteit en wordt voldaan aan de voorwaarden ten opzichte van categorie 1, categorie 2 en categorie 3. Het plan is derhalve in overeenstemming met het beleid rondom kwaliteitsverbetering van de gemeente Bernheze.

28

HOOFDSTUK 5.1

5 Omgevingsaspecten

Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan. 5.1.1 M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Met onderhavige ontwikkeling wordt de bedrijfswoning verplaatst binnen de ruimtelijke eenheid van het bedrijf. De realisatie hiervan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r., waardoor er geen sprake is van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het realiseren van woningen en kantoren worden onderverdeeld onder de ontwikkeling: “de aanleg of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject”.

Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject namelijk gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Gezien er sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is formeel geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht overeenkomstig het Besluit m.e.r. (categorie D11.2) Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft slechts de herbouw en verplaatsing van één woning. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft

29

geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woningen dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. 5.1.2 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de herbouw en verplaatsing van een woning. Middels een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Er is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie van de beoogde woning. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit de onderzoeken weergegeven. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar bijlage II. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met koper. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater blijkt licht verhoogd met barium, lood en nikkel. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Bij grondafvoer is ten aanzien van het (her)gebruik van de grond elders, is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. De locatie van de huidige woning aan de Derptweg 13 zal niet gevoeliger worden door het gebruik van uitsluitend parkeren. Hierdoor is het niet noodzakelijk een bodemonderzoek uit te laten voeren op de locatie. Echter zou in een andere procedure (sloop) de bodemkwaliteit weer wel als relevant beschouwd kunnen worden. In het kader van een eerdere vergunningsprocedure om de huidige woning te slopen en op dezelfde plek te herbouwen, is een bodemonderzoek uitgevoerd. Bij dit bodemonderzoek is een SEM analyse uitgevoerd dat opgenomen is in de rapportage van 6 september 2022 in bijlage III. De conclusie van dit onderzoek is dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen verontreinigingen aangetoond zijn die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.1.3 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer.

Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde

30

bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Ter plaatse van de te realiseren woningen dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Voor het vaststellen van de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofdioxide zijn de grootschalige concentratiekaarten van het RIVM geraadpleegd. Fijnstof (PM10) De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 µg/m 3 en de grens voor de daggemiddelde concentratie bedraagt 50 µg/m3. Uit de concentratiekaart blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof binnen het besluitgebied circa 15,66 µg/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden.

Fijnstof (PM2,5) De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 25 µg/m3. Uit de concentratiekaart blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof binnen het besluitgebied circa 8,76 µg/m3 (PM2,5) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden. Stikstof Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide ter plaatse van het besluitgebied bedraagt circa 11,55 µg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer ligt. Niet in betekenende mate (NIBM) Een ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op het aantal verkeersbewegingen dat uiteindelijk effect heeft op de luchtkwaliteit. Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herbouw en verplaatsing van een woning. Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van onderhavige ontwikkeling zal afnemen. Onderhavige ontwikkeling zal derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.

31

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval een ruimte-voor-ruimtewoning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten.

Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de te realiseren ruimte-voor-ruimtewoningen als geurgevoelig aangemerkt kunnen worden. In dit geval worden er geen geurgevoelige objecten toegevoegd. Wel wordt er een geurgevoelig object verplaatst. In de directe omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijen gelegen. Dit betreft de melkveehouderijen aan de Derptweg 11 en 14. Ten aanzien van de geurbelasting afkomstig van omliggende veehouderijen is een onderzoek uitgevoerd naar de voor- en achtergrondbelasting. Dit onderzoek is bijgevoegd als separate bijlage IV bij deze toelichting. Onderstaand zijn de conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Voorgrond De maximaal berekende geurbelasting op het plangebied Derptweg ong. Vorstenbosch bedraagt 2,0 ouE/m3. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geurnorm van 10,0 ouE/m3 en kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor wat betreft de voorgrond geurbelasting. Tevens wordt voldaan aan de vaste afstand tot een emissiepunt van een dierenverblijf waarin dieren zonder

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=057f5479-3034-48ec-9c42-bea0afc8cce7