4. Toelichting BP 'Derptweg 13-15 Vorstenbosch'
Tekst van het document
32
geuremissiefactor worden gehouden. Tot slot bedraagt de afstand van de gevel van een dierenverblijf tot het plangebied meer dan 25 meter. Achtergrond Op basis van de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder’ van gemeente Bernheze kan de achtergrondbelasting aan de Derptweg ong. te Vorstenbosch als ‘voldoende’ worden geclassificeerd. Hiermee is er sprake van een ’aanvaardbaar woonen leefklimaat’. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. De Omgevingsdienst heeft daar een reactie op gegeven en op basis daarvan heeft op 7 mei een overleg plaatsgehad tussen omgevingsdienst, de gemeente Bernheze en Reland. Tijdens het overleg is de manier waarop het aspect geur gemotiveerd wordt, besproken en afgesproken. In dat kader is een aparte memo gemaakt, die als bijlage IVa is toegevoegd aan dit plan. Gebleken is dat de huidige woning aan Derptweg 15 een beperkende werking oplevert voor het veehouderijbedrijf aan Derptweg 14. Hierdoor kan het veehouderijbedrijf aan Derptweg 14 niet de maximale planologische ruimte benutten ten behoeve van de realisatie van dierrenverblijven. Er gelden dan regels ten aanzien van de plaatsing van het emissiepunt.
De realisatie van de nieuwe woning (de te verplaatsen woning), zorgt er voordat deze zone iets uitgebreid wordt, maar deze ligt dan over de huidige bedrijfswoning en bijgebouwen van Derptweg14. Dat betekent dat de woning een zeer geringe en theoretische beperkende werking heeft voor de veehouderij aan Derptweg 14. Stel dat de veehouderij aan Derptweg 14 ter plaatse van die zone een stal wil bouwen en het emissiepunt in die zone wil oprichten, dan dient hij eerst zijn huidige woning en bijgebouwen te slopen en op een andere plek te bouwen. Dat is niet realistisch en wordt ook bevestigd door de eigenaar van het veehouderijbedrijf aan Derptweg 14. De uitkomst van die memo (bijlage IVa) is met de omgevingsdienst, de gemeente en de eigenaar van het veehouderijbedrijf gedeeld en toegelicht. De gemeente kan geen beslissing nemen voor de veehouderij aan Derptweg 14, en heeft daardoor aangegeven dat wanneer de eigenaar kan instemmen met de memo, het initiatief doorgang kan vinden, ondanks dat sprake is van een zeer geringe, theoretische beperking voor het veehouderijbedrijf. Op 2 september 2024 is de memo voorgelegd en toegelicht aan de eigenaar van het bedrijf en heeft hij aangegeven dat hij de conclusies begrijpt en onderstreept.
Wanneer hij niet wordt belemmerd voor de eventuele verbouw van zijn woning en bijgebouwen, stemt hij in met deze ontwikkeling en accepteert hij de zeer geringe en theoretische beperking die dat met zich teweeg brengt. Bevestigd wordt dat de te verplaatsen woning geen enkel effect heeft op eventuele verbouwplannen van de woning of bijgebouwen van de woning aan Derptweg 14. Het aspect geur vormt daardoor geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Een verslag van het overleg van 2 september 2024 is als bijlage XII toegevoegd aan deze toelichting.
33
5.1.5 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −
Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
In dit geval wordt binnen de invloedssfeer van de Derptweg, een weg met een maximumsnelheid van 60 km/uur, nieuwe geluidsgevoelig objecten toegevoegd. Wegverkeerslawaai Uit het akoestisch onderzoek (bijlage V) blijkt dat de 53 dB geluidscontour zich op een afstand van 8,5 meter vanuit de wegas. De 48 dB contour bevindt zich op een afstand van 23,6 meter vanuit de wegas. De nieuwe woning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn van de bestaande woning aan Derptweg 15. Dat wil zeggen dat de woning binnen de 48 dB contour, maar buiten de 53 dB contour zal worden gerealiseerd. De maximale ontheffingswaarde wordt dan ook niet overschreden. Wel wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De gemeente Bernheze wordt dan ook verzocht een hogere waarde vast te stellen voor deze locatie. Spoorweglawaai en industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone(s) van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Een nader akoestisch onderzoek in het kader van de toets aan de Wgh is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 5.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen.
Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
34
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1.
1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
35
Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer sprake groepsrisico of oriëntatiewaarde.
is
van toename van overschrijding van
het de
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de Signaleringskaart EV is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. In figuur 18 is een uitsnede van de Signaleringskaart EV weergegeven.
36
Figuur 18: Uitsnede EV-Signaleringskaart met plangebied blauw omcirkeld
Risicovolle inrichtingen en transport Binnen het plangebied is een propaantank aanwezig met een inhoud van 3 m3. Voor het opslaan van propaan gelden de veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit artikel 3.28. Deze afstanden gelden vanaf de opstelplaats van de propaantank, het vulpunt van de propaantank en de opstelplaats van de tankwagen tot buiten de inrichting gelegen (beperkt) kwetsbare objecten. De afstand is afhankelijk van de inhoud van de tank en het aantal voorradingen. Voor een tank van 3 m3 die tot en met 5 maal per jaar bevoorraad zal worden, geldt een maximale afstand van 10 meter.
37
Zoals hieronder in figuur 19 te zien is, is het vulpunt van de propaantank op een afstand van 10 meter gelegen. Hierdoor zal de beoogde woning buiten het risicogebied van de tank gelegen zijn.
Figuur 8 Afstand vulpunt propaantank tot bouwvlak beoogde woning
Daarnaast is op de Derptweg 14 ook een propaantank gelegen. Deze is op circa 27 meter van het perceel gelegen waar de nieuwe woning beoogd is. Dit is meer dan de 25 meter die aangehouden wordt als richtafstand. Het plaatsgebonden risico van de propaantanks vormt derhalve geen belemmering voor het plan. Transport van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied is op een afstand van circa 2,9 kilometer de snelweg A50 gelegen. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen vervoerd uit de stofcategorie GT4. GT4 heeft een invloedsgebied van >4.000 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij calamiteiten en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld. Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch
Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een verantwoording plaats te vinden van het aanwezige restrisico. Hierbij is de Veiligheidsregio BrabantNoord om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording.
38
Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen nietof verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest.
De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig, conform instructies bijvoorbeeld via NLAlert, te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat (in) het plangebied: - Goed te alarmeren is. - Goed te schuilen is. - Goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken, dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te
39
voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De Veiligheidsregio Brabant-Noord ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit aspect vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.1.7 Bedrijven- en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën.
Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval is de planlocatie gelegen in het buitengebied waar verschillende bedrijfsactiviteiten plaatsvinden waardoor sprake is van een gemengd gebied. De aan
40
te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal veehouderijen en een recreatiebedrijf aanwezig. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woning aan de Derptweg en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. Tabel 1 Omliggende bedrijven en richtafstanden Adres
Soort bedrijf
Derptweg 11
Intensieve veehouderij
Derptweg 14
Grondgebonden
Milieu-
richt
Werkelijke
Voldaan?
cat.
afstand
afstand
4.1
100 m
102 m
Ja
3.2
50 m
25 m
Nee
2
10 m
0m
Nee
veehouderij Derptweg 15
Agrarisch
Uit bovenstaande tabel blijkt dat niet aan de richtafstanden kan worden voldaan ten aanzien van de grondgebonden veehouderij aan Derptweg 14 en de agrarische bedrijfsactiviteiten aan Derptweg 15 die binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan ligt. Ten aanzien van de grondgebonden veehouderij aan Derptweg 14 gelden de volgende richtafstanden (met 1 stap verkleind): • Geur: 50 meter; • Geluid: 30 meter; • Stof: 10 meter; • Gevaar: 0 meter. Ten aanzien van de aspect en geur en geluid wordt niet voldaan aan de richtafstand. De bebouwing aan Derptweg 14 bevindt zich niet op de bouwvlakgrens maar verder ten noordwesten op het perceel. In het bestemmingsplan is geborgd dat bedrijfsbebouwing ten minste 2 meter achter de voorgevelrooilijn dient te worden gerealiseerd. In de praktijk wil dat zeggen dat er geen nieuwe bedrijfsbebouwing voor de bedrijfswoning mag worden opgericht. Aangezien verplaatsing van de bestaande bedrijfswoning een zeer kostbare ontwikkeling betreft en niet aan de orde is. Kan de bedrijfswoning nooit verder richting de verkeersbestemming worden gerealiseerd, omdat deze een minimale afstand van 15 meter aan dient te houden ten opzichte van de verkeersbestemming. Omdat de bedrijfsbebouwing niet verder dan 2 meter achter de voorgevel van de bedrijfswoning gerealiseerd mag worden, betekent dit dat aan de afstand van 30 meter wordt voldaan.
De afstand van de nieuw te realiseren woning tot aan de maximale mogelijkheid om bedrijfsbebouwing op te richten betref 37 meter. Daardoor wordt geconcludeerd dat aan de indicatief aan te houden afstand wordt voldaan m.b.t. het aspect geluid.
41
Ten aanzien van het aspect geur is een uitwerking opgesteld in overleg met de Omgevingsdienst. Deze uitwerking is te lezen in paragraaf 5.1.4 van de toelichting. Hieruit blijkt dat het aspect geen belemmering vormt voor de ontwikkeling en voor bedrijven in de omgeving. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling. 5.1.8 Kabels en leidingen Op een afstand van ongeveer 4 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering. Voor de rest zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een planologischjuridische bescherming behoeven en als gevolg daarvan een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling. 5.1.9 Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv.
appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende gronden (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom de woningen, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast zijn omliggende gronden in eigen bezit en worden de graslanden gebruikt voor recreatief medegebruik. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woning terecht komt.
Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De aanwezigheid van de bestaande woningen aangrenzend aan
42
het perceel en de huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan. 5.1.10 Volksgezondheid Pluimvee- en varkenshouderijen In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen, met name varkens- en pluimveehouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn geen varkens- en/of pluimveehouderijen aanwezig die relevant zijn in het kader van het aspect volksgezondheid. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet bij mensen die woonachtig zijn in de directe omgeving van geitenhouderijen. Met onderhavig plan wordt een woning herbouwd en verplaatst. Gesteld kan worden dat sprake is van een gevoelige functie in het kader van geitenhouderijen en volksgezondheid, waardoor deze onderzoeken relevant zijn voor deze ontwikkeling.
Het is daarom van belang om te weten of binnen een straal van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig zijn, en waar deze zijn gelegen ten opzichte van het besluitgebied. Binnen een straal van 2 kilometer zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Het aspect volksgezondheid vormt geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
5.2
Water Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van waterschap Aa en Maas. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden.
5.2.1
Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, het Waterbeheerplan 2022-2027 van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water, de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening.
43
De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tevens zijn de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Aa en Maas van belang. Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.
Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaat robuust watersysteem waarin: − schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; − de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; − de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; − de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschap verordening en omvat samen met de Waterwet alle gebodsen verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties
44
hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.
Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m2. Compensatie is derhalve niet aan de orde. 5.2.2
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Ten aanzien van de toekomstige waterhuishoudkundige situatie is een Waterparagraaf opgesteld door Aeres Milieu. Voor deze waterparagraaf wordt verwezen naar bijlage VI bij deze toelichting. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.3
Natuur
45
5.3.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.
Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ welke op een afstand van respectievelijk ca. 17,6 en 20,6 kilometer van de planlocatie zijn gelegen. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase of door de emissie die ontstaat gedurende de aanlegfase. Om te bepalen of significante negatieve effecten zijn uit te sluiten is berekening opgestemd met de AERIUS Calculator. De rapportage en rekenresultaten zijn te vinden in bijlagen VII, VIII en IX. Onderstaand is de conclusie opgenomen. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan.
Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland is op circa 35 meter ten oosten van
46
het plangebied gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten. 5.3.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval kunnen de te slopen gebouwen als verblijfplaatsen voor diersoorten dienen. Er dient voor de sloop van de gebouwen vastgesteld te worden of de ontwikkeling een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage X bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het voornemen zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloop- en kapwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
47
Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Bernheze (figuur 20) ligt het plangebied gedeeltelijk in een zone met een hoge archeologische verwachting en een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Conform het bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen met een diepte van meer dan 40 cm en verstoringsoppervlakte van respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.
Figuur 20: Uitsnede archeologische beleidskaart met plangebied rood omcirkeld
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de sloop, verplaatsing en herbouw van de bestaande woning aan Derptweg 13. Naar verwachting zal de bouw van de nieuwe woning (welke een beperkte inhoudsmaat kent) en het bijgebouw de onderzoeksgrens van 250 m2 en een diepte van 40 cm niet overschrijden. Echter zal dit in de vergunningsfase definitief worden beoordeeld, waarna duidelijk wordt of er wel of niet archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve (nog) niet noodzakelijk.
48
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische beleidskaart van de gemeente Bernheze (figuur 21) zijn de gronden binnen het plangebied aangeduid als beekdal. In de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de kenmerken van dit gebied. Verder is er binnen het plangebied geen bebouwing aanwezig die cultuurhistorische waarden bezit.
Figuur 21: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Bernheze met plangebied rood omcirkeld
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn geen
49
cultuurhistorische elementen of bebouwing weergegeven op of nabij het plangebied. Bij de landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3.2) is wel rekening gehouden met het behoud en terugbrengen van cultuurhistorische- en landschappelijke elementen.
5.6
Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. 5.6.1 Mobiliteit Onderhavige ontwikkeling voorziet in de herbouw en verplaatsing van de bestaande woning aan Derptweg 13. Binnen het plangebied worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied zal als gevolg van onderhavig bestemmingsplan niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering. 5.6.2 Parkeren Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van de gebruiksfuncties in het plangebied dient altijd voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd te zijn. Het beleid van de gemeente Bernheze is vastgelegd in de ‘Parkeernormennota gemeente Bernheze 2023’ (vastgesteld 09-07-2015). En luidt dat parkeren dient te geschieden op eigen terrein. In de huidige situatie wordt op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien. Aangezien onderhavig bestemmingsplan geen nieuwe functies mogelijk maakt, maar enkel voorziet in de verplaatsing van bestaande functies, wijzigt de totale parkeerbehoefte niet. In de beoogde situatie zal parkeren ook op eigen terrein plaatsvinden. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
50
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Binnen het plangebied wordt een extra woning gebouwd, zodat sprake is van een bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro in samenhang met artikel 6.2.1. onder a Bro. Doordat er in het kader van de beoogde ontwikkeling geen aanpassingen in de openbare ruimte nodig zijn, is er geen sprake van verhaalbare kosten, waardoor volgens artikel 6.2.1a, aanhef en onder b van het Bro geen verplichting tot kostenverhaal geldt. De gemeente sluit een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer. Hiermee wordt vastgelegd dat eventuele tegemoetkomingen in planschade aan derden, toegebracht door een planologische wijziging, door de gemeente verhaald kunnen worden op initiatiefnemer van het plan.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de formele terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is het plan voorgelegd aan de naaste omgeving. In bijlage XI is een verslag van de gevoerde omgevingsdialoog opgenomen. Uit de omgevingsdialoog blijkt dat er positief gereageerd wordt door de omgeving. Daarnaast zal, voor zover er sprake is van hun belangen, overleg plaatsvinden met het Waterschap en de Provincie Noord-Brabant.
51