CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-09-08 Technisch Programma van Eisen project Herhuisvesting De Misse 2 4 6

Themabijeenkomsten Raad 28 oktober 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Presentatie over de visie, het inhoudelijke plan, financiën en het proces door ICS en beleidsmedewerker gemeente15.207 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Technisch Programma van Eisen De Misse te Bernheze

Opdrachtgever Gemeente Bernheze

Datum 8 september 2025

Referentienummer 2250001

Auteur(s) Esmée Boereboom

│ Onderdeel van ICS Ruimteregie Groep BV

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

5.

Inleiding

5

1.1

Doel en inhoud

5

1.2

Aanpak van grof naar fijn

5

1.3

Uitgangspunt verbouw

6

1.4

Ruimtelijke Eisen

6

1.5

Leeswijzer

6

Wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen

8

2.1

Eisen, richtlijnen en handleidingen

8

2.2

Kaders De Misse

9

Ambitieniveau

10

3.1

Duurzaamheid

10

3.2

Logistieke kwaliteit

10

3.3

Veiligheid

10

3.4

Menselijke maat

11

3.5

Beheer en exploitatie

11

Terrein

12

4.1

Algemeen

12

4.2

Parkeren

13

4.3

Terrein- en gevelverlichting

13

Bouwfysische uitgangspunten

14

5.1

Energieprestatie

14

5.2

Binnenklimaat en binnenmilieu

14

5.2.1

Ventilatie en luchtbeweging

15

5.2.2

Spuiventilatie

16

5.3

Luchtvochtigheid

17

5.4

Akoestiek en geluidshinder

17

5.4.1

Luchtgeluidsisolatie

17

5.4.2

Contactgeluidsisolatie

18

5.4.3

Nagalmtijd

19

5.4.4

Achtergrondgeluid niveaus

19

5.4.5

Geluid van installaties

20

5.4.6

Geluidsuitbreiding naar omgeving

20

5.4.7

Geluidwering gevels

21

2250001 | www.icsadviseurs.nl

5.4.8 5.5

Daglicht

5.5.1 5.6

Zon- en helderheidswering

21 21 22

Buitenzonwering

22

5.6.2

Lichtwering

22

Buitenmilieu

22

5.7.1

Luchtdichtheid

22

5.7.2

Waterdichtheid

23

5.7.3

Zonlichtreflectie

23

5.8

Brandveiligheid

23

Bouwkundige eisen

25

6.1

Algemeen

25

6.2

Vloeren

25

6.2.1

Constructieve vloeren

25

6.2.2

Vloerafwerking

25

6.3

Buitenwanden

26

6.3.1

Gevelopeningen

26

6.3.2

Daken

27

6.4

7.

Zontoetreding

21

5.6.1

5.7

6.

Geluidsproductie uitwendige scheidingsconstructie

Binnenwanden

27

6.4.1

Binnendeuren

28

6.4.2

Plafonds

28

6.5

Trappen en hellingen

29

6.6

Installatieruimten, schachten en kabelgoten

29

6.7

Hang- en sluitwerk

30

6.8

Sanitair

30

6.9

Spoel- en wasvoorziening

31

6.10 Schoonmaakruimten

31

6.11 Doucheruimten (gemeentehuis, theater en dans)

32

6.12 Glasbewassingsvoorziening

32

6.13 Bouwkundige voorzieningen technische installaties

32

6.14 Programma van Eisen-specifieke inrichting

33

Elektrotechnische installaties 7.1

Centrale elektrotechnische voorzieningen

34 34

7.1.1

Regelbaarheid installaties

35

7.1.2

Verdeelinrichting

36

7.1.3

Kanalisatie

36

2250001 | www.icsadviseurs.nl

7.1.4

Krachtstroom

36

7.1.5

Aansluitpunten en schakelmateriaal

37

7.2

Verlichting

37

7.3

Terrein- en gevelverlichting

38

7.4

Communicatie

39

7.4.1

Geluidsinstallatie

39

7.4.2

Intercom

40

7.5

8.

Beveiliging

7.5.1

Overspanningsbeveiliging

40

7.5.2

UPS

40

7.5.3

Noodverlichting en vluchtrouteaanduiding

40

7.5.4

Bliksembeveiliging

40

7.5.5

Toegangscontrole

40

7.5.6

CCTV-installatie

40

7.5.7

Brandmeld- en ontruimingsinstallatie

41

7.5.8

Inbraakdetectie

41

7.5.9

MIVA-alarmsignalering

42

Werktuigbouwkundige installaties

43

8.1

Warmteopwekking

43

8.2

Koudeopwekking

44

8.3

Ventilatie

44

8.4

Luchtbehandelingsinstallatie

45

8.5

Regeltechnische installaties

45

8.6

Warm- en koudwatervoorziening

46

8.7

Brandbestrijdingsinstallaties

47

8.8

Vloeistofafvoersystemen

48

8.8.1 8.9

9.

40

Vuilwaterafvoer

Opleverinspectie

Transporttechnische installaties

Bijlage 1: Afwerkingsstaat vloeren, wanden,

48 48

49 50

De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS Adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS Adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS Adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS Adviseurs B.V.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

1. Inleiding 1.1 Doel en inhoud Voorliggend Technisch Programma van Eisen (T-PvE) omvat de technische uitgangspunten voor de realisatie van ’Het Huis De Misse’ te Bernheze. Samen met het Ruimtelijk Functioneel Programma van Eisen (RF-PvE) dient dit document als input voor ontwerpende partijen (architect, constructeur, adviseur bouwfysica en adviseur installaties). Dit T-PvE is een eerste richtlijn voor de verdere uitwerking. Het is mogelijk dat er in het vervolgtraject nog aanvullende keuzes gemaakt moeten worden. Voor de installatietechnische en de constructieve uitwerking zijn vaak meerdere oplossingen mogelijk. De adviseurs dienen aan de hand van een scenario onderzoek meerdere scenario’s te presenteren om te komen tot een evenwichtige keuze.

1.2 Aanpak van grof naar fijn De door de ontwerpende partijen op te stellen plannen zullen aan de gestelde voorwaarden worden getoetst. De gestelde voorwaarden in dit document worden gezien als minimumeisen, zodat de partijen in principe een vrije keuze houden ten aanzien van constructievarianten, installatiekeuzes en materiaaltoepassingen. Om de ontwerpvrijheid van partijen zo groot mogelijk te houden, leggen de functioneel technische uitgangspunten geen oplossingen op, maar geven de prestatie-eisen weer. In het ontwerpproces zullen de door de ontwerpers

2250001 | www.icsadviseurs.nl

5/51

gekozen oplossingen goedgekeurd moeten worden door (een vertegenwoordiging van) de opdrachtgever en gebruikers. Het totale pakket van technische eisen dient zorgvuldig in acht te worden genomen waarbij zorg wordt gedragen voor een goede samenhang tussen de volgende onderdelen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

De functionaliteit van het gebouw; De onderlinge samenhang van constructies, bouwonderdelen, materialen en installaties; De duurzaamheid en milieuvriendelijkheid van constructies en materialen; De veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de gebruikers; Een prettig binnenklimaat; Een milieubewust energiebeheer; Een onderhoudsvriendelijk gebouw.

In de volgende fase zal een prioritering worden aangebracht in bovenstaande samenhang. De ontwerpendeen uitvoerende partijen, van wie een kritische houding wordt verwacht, hebben een adviserende functie. Zij worden gevraagd de opdrachtgever te wijzen op mogelijke alternatieve invullingen waarbij zij de opdrachtgever informeren over de voor- en nadelen van de alternatieven teneinde een optimale afstemming te krijgen tussen ontwerp, wensen en mogelijkheden. Streven hierbij is het maximaal (technisch en financieel) haalbare te realiseren. Ook de opdrachtgever kan wijzigingen en alternatieven aandragen. In dat geval adviseren de ontwerpende partijen opdrachtgever bij het maken van een keuze.

1.3 Uitgangspunt verbouw Het uitgangspunt van dit project is een verbouw en interne aanpassing van de Misse te Heesch. Daar waar de eisen die omschreven zijn in dit document niet gerealiseerd kunnen worden vanwege de uitgangspunten in de bestaande situatie dient het ontwerpteam de meest optimale presentatie die redelijkerwijs verwacht mag worden. Verwacht wordt dat afwijkingen ten opzichte van dit T-PvE aan opdrachtgever kenbaar gemaakt worden.

1.4 Ruimtelijke Eisen In het Ruimtelijk-Functioneel Programma van Eisen (RF-PvE) zijn de ruimtelijke eisen vastgelegd. Het RF-PvE vormt tezamen met het voorliggend Technische Programma van Eisen de kaders van het project.

1.5 Leeswijzer Hoofdstuk 2 en 3 Na het inleidende eerste hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 met vermelding van de algemeen geldende wet- en regelgeving die van toepassing is en die bij de ontwerpende partijen als bekend mag worden verondersteld. In hoofdstuk 3 wordt de ambitie omschreven.

Hoofdstuk 4 t/m 9 Dit deel geeft een korte schets van essentiële technische uitgangspunten, zoals omgeving, flexibiliteit, beheer & exploitatie en het binnenklimaat. De uitgangspunten worden verder uitgewerkt in hoofdstuk 4 tot en met 10 in specifieke ontwerpuitgangspunten en technische richtlijnen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Bouwkundige werken Bouwfysische uitgangspunten Elektrotechnische installaties Werktuigbouwkundige installaties Transportinstallaties

2250001 | www.icsadviseurs.nl

6/51

Markeringen Om het onderscheid aan te geven tussen prestatie-eis, criteria en uitgangspunten enerzijds en anderzijds aandachtspunten aan te duiden worden de volgende markeringen in kaders gehanteerd. <betreffende eis> Dit betreft de minimale prestatie. Uitgangspunten ▪

Uitgangspunten, als toelichting en/ of aanvulling op de prestatie-eis.

Norm(en) De te hanteren normen, voor zover die niet zijn vervangen voor een meer recente versie die gehanteerd dient te worden.

Aandachtspunten ▪

Aandachtspunten zijn niet leidend of bindend maar onderdeel van het onderzoek van de ontwerpopgave. Deze dragen bij aan een verdere optimalisatie van gestelde uitgangspunten en bieden daarmee handvatten voor ontwerp- en/ of bouwteam bij de verdere uitwerking.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

7/51

2. Wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen 2.1 Eisen, richtlijnen en handleidingen Onverkort hetgeen in dit T-PvE is gesteld, dient een gebouw te voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving, waaronder het vigerend besluit bouwwerken leefomgeving en de daarin voorgeschreven NEN-normen, de gemeentelijke bouwverordening, de uitgangspunten voor het omgevingsplan en het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast wordt ook voldaan aan de criteria die gesteld zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit en eisen samenhangend met veiligheid. Ook dient voldaan te worden aan het handboek voor toegankelijkheid. De eis is om een Bijna Energie Neutraal Gebouw BENG (all-electric) te realiseren. De ambitie is om een ENG gebouw te realiseren, rekening houdend met de mogelijkheid om opgewekte energie terug te leveren aan het stroomnet. Constructies en installaties dienen voorbereid te worden op het niet terug kunnen leveren van energie aan het net. Indien terug leveren niet mogelijk is, is de opgave om constructie en installaties voor te bereiden op ENG, waarbij op een later moment de extra zonnepanelen toegevoegd kunnen worden. In het ontwerpproces dient een variantenstudie gemaakt te worden die aantoont wat de meest doelmatige manier is op het gebied van investering én exploitatie om te komen tot de hogere ambitie (ENG).

Verder ambiëren de partijen om materialen uit het gebouw her te gebruiken, mogelijkheden hiertoe dienen met de ontwerpende- en adviserende partijen onderzocht te worden in de ontwerpfase. Daarnaast moet worden voldaan aan de volgende wet- en regelgeving: ▪ ▪

▪

▪

▪

▪ ▪

▪

Omgevingswet Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); ─ De huisvesting dient te voldoen aan de eisen zoals gesteld in de gemeentelijke bouwverordening en binnen het geldende bestemmingsplan. Er mag geen wettelijke belemmering bestaan om het gebouw en terrein in gebruik te nemen of te houden voor de beoogde functie. Tevens dient in de aanvraag van de omgevingsvergunning en bij ingebruikname rekening te worden gehouden met de bepalingen en voorschriften van de plaatselijke brandweer die opereert binnen de veiligheidsregio. Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (voorheen gebruiksbesluit): Het besluit brandveilig gebruik geeft voorschriften waaraan een gebouw in gebruik moet voldoen en de procedure voor het verkrijgen van een gebruiksmelding. Elke locatie (met meer dan 10 gebruikers) heeft een gebruiksvergunning nodig, welke onderdeel is van de omgevingsvergunning; Toegankelijkheid: Toegankelijkheid is de eigenschap van gemaakte voorzieningen (onder andere buitenruimten, producten en gebouwen) die maakt dat mensen alle ruimten in die voorziening zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kunnen bereiken en betreden en alle functies in die voorzieningen zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kunnen gebruiken. Denk hierbij aan het vermijden van drempels, realiseren van extra draairuimte voor rolstoel/rollators.

─ Het uitgangspunt is dat alle (standaard) voorzieningen die in het gebouw zijn opgenomen ook integraal toegankelijk zijn of dat er gelijke integraal toegankelijke voorzieningen zijn opgenomen. Dit zal worden aangetoond met een ITS-keurmerk Warenwet en hygiënerichtlijn; ─ Hygiënerichtlijnen RIVM. Hygiënerichtlijn hiervoor zal de meest recente versie worden aangehouden. De laatste wijzigingsdatum op dit moment is 29-10-2024); Alcoholwet: ─ De ruimten die van toepassing zijn voor de horeca dienen te voldoen aan de alcoholwet. HACCP-plan ─ Alle bedrijven en instellingen die levensmiddelen produceren, bewerken, transporteren en/of opslaan, zijn verplicht een HACCP-systeem in te voeren en te onderhouden. In een HACCP-plan dienen de hygiënerichtlijnen uitgewerkt en nagestreefd te worden. In het ontwerp dient derhalve met schoonmaakbaarheid rekening gehouden te worden. Legionella Preventie;

2250001 | www.icsadviseurs.nl

8/51

─ ─ ─ ─ ─ ─ ─

ISSO 55.1 Praktijkhandleiding Legionellapreventie in leidingwater ISSO 55.2 Handleiding Zorgplicht Legionellapreventie Collectieve Leidingwaterinstallaties ISSO 55.3 Legionellapreventie in klimaatinstallaties Alle aansluitingen stromend aansluiten tot op het tappunt; Beheersplan per gebruikersgroep opstellen; Monsteropname op legionella bij oplevering; Conform wet- en regelgeving. Een BRL6010 adviseur mee laten kijken naar het ontwerp van de installatie.

Alle in dit document genoemde ambities die hoger liggen dan deze eisen, worden zo goed als mogelijk verwerkt in het ontwerp, passend binnen de financiële kaders. Samen met het ontwerpteam en de opdrachtgever worden tijdens het ontwerptraject de uiteindelijke keuzes en afwegingen bepaald, met de uitgangspunten van dit document als leidraad. Indien in het onderliggende document onverhoopt kwaliteiten van een lager niveau dan de geldende wettelijke eisen en/of richtlijnen worden beschreven, prevaleren de wettelijke eisen en/of richtlijnen. Wanneer in het vervolg van deze rapportage wordt verwezen naar wetgeving, NEN-normen of andere richtlijnen, is altijd de meest actuele versie van de betreffende wet, norm of richtlijn bedoeld, inclusief alle op deze wet, norm of richtlijn betrekking hebbende verwijzingsbladen en/of correctiebladen. Mochten tijdens het opstellen van het ontwerp en/of tijdig in de uitvoeringsfase wettelijke- en/of aanvullende eisen verhoogd worden dan moet in overleg getreden worden met de opdrachtgever. In dit overleg dient de opdrachtgever een duidelijk beeld te krijgen over welke eisen het betreffen, waarom deze gewijzigd zijn en wat het doorvoeren van deze wijziging voor de opdrachtgever betekent zodat op basis daarvan vervolgkeuzes gemaakt kunnen worden.

2.2 Kaders De Misse Het totale pakket van eisen dient zorgvuldig in acht genomen te worden. Daarbij dient voor samenhang tussen de volgende onderdelen gezorgd te worden (naast de wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen): ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Ruimtelijk Programma van Eisen; Onderlinge samenhang van constructies, bouwonderdelen, materialen en installaties; Eis BENG, ambitie ENG; Veiligheid, gezondheid en toegankelijkheid; Milieubewust energiebeheer; Technisch Programma van Eisen.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

9/51

3. Ambitieniveau Dit hoofdstuk geeft een omschrijving van uitgangspunten die worden gehanteerd betreffende de algemene technische uitgangspunten die van belang zijn voor een goede basiskwaliteit van het nieuwe gebouw. De uitgangspunten zijn geclusterd naar aspecten die te maken hebben met het fysieke gebouw en de aspecten die te maken hebben met het gebruik.

3.1 Duurzaamheid In de Duurzame Energieagenda van de gemeente Bernheze is besloten dat alle gemeentelijke gebouwen in 2025 over energielabel A moeten beschikken. Zoals in hoofdstuk 2 omschreven is BENG de eis, en ENG de ambitie. Hergebruik van materialen waar mogelijk door het ontwerpteam te laten verkennen.

3.2 Logistieke kwaliteit Logistieke kwaliteit heeft te maken met de toegankelijkheid en de bruikbaarheid van het gebouw. Om het gebouw goed werkbaar te maken, dient het gebouw te beschikken over een duidelijke structuur die overzicht biedt. De verkeersruimten en verticale transportmiddelen dienen voldoende capaciteit te hebben om de piekmomenten in de verkeersstromen op te kunnen vangen. De zalen kunnen onafhankelijk functioneren zonder dat dit invloed heeft op de overige delen. Hiertoe dient het gebouw te worden opgedeeld in een (beperkt) aantal clusters/compartimenten, zowel ruimtelijk als installatietechnisch. Delen van het gebouw moeten kunnen worden afgesloten en beveiligd (compartimenteren), terwijl andere delen in gebruik zijn. In het ontwerp dient rekening gehouden te worden met de afsluitbaarheid van bepaalde zones met het oog op veiligheid en functionaliteit. . Vanwege de verschillende gebruikstijden van de gebruikers dient een passend sluitplan te worden opgesteld.

3.3 Veiligheid Veiligheid, beveiliging en toegangsbeheer hebben betrekking op het maximaliseren van het veiligheidsgevoel van gebruikers in het gebouw en op het terrein. De sociale veiligheid en het welbevinden dienen gewaarborgd te zijn. Het veiligheidsgevoel ontstaat door het voorkomen van inbreuken op de persoonlijke veiligheid en het voorkomen van fysieke en psychische overlast door niet-gewenste bezoekers. De beveiligingsmaatregelen tegen onder meer inbraak, brand, diefstal en vandalisme kunnen worden opgesplitst in vijf hoofdgroepen, te weten: 1. 2. 3. 4. 5.

Planologische aspecten; Organisatorische maatregelen; Bouwkundige maatregelen; Compartimentering; Elektronische maatregelen.

Aan alle aspecten dient in het ontwerp aandacht te worden besteed en moeten worden afgestemd met de betreffende interne verantwoordelijken. Het gebouw moet worden beschermd tegen de risico’s van inbraak en diefstal, vandalisme, brand, e.d. Adviseurs binnen het ontwerpteam dienen adequate op elkaar afgestemde veiligheidsvoorzieningen in het

2250001 | www.icsadviseurs.nl

10/51

ontwerp op te nemen. Hulpdiensten moeten het terrein, het gebouw en de ruimten in het gebouw eenvoudig kunnen bereiken.

3.4 Menselijke maat Primair biedt het gebouw aan gebruikers onderdak en bescherming tegen weersinvloeden. Daarnaast is het belangrijk dat het gebouw aansluit bij de activiteiten en behoeften van de gebruikers. De menselijke maat is een belangrijke factor in het ontwerp van het gebouw; de wijze waarop de mens als gebruiker zich door het gebouw beweegt en hoe hij dit bij gebruik van het gebouw ervaart worden beïnvloed door de maat van het gebouw. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat de beleving van de ruimte voor iedereen anders is. De omvang van ruimten (zowel de vorm als de hoogte) dient afgestemd te worden op de menselijke maat. Een ruimte kan een verloren of benauwd gevoel oproepen; door rekening te houden met de verhouding tussen gebruiker en gebouw dient dit te worden voorkomen. Ooghoogte en uitzicht (zittend en staand) is een interessante maat voor de positionering van wanddoorbrekingen en de indeling van de open gevel. Een mens neemt afhankelijk van de activiteit een bepaalde beweegruimte in. Luisteren naar een presentatie vraagt om een andere ruimtebehoefte per persoon dan het spelen in een speelzaal. Samen met een inschatting van het aantal mensen in een ruimte bepaalt de beweegruimte de ruimtebehoefte van een activiteit of een functie.

Indien in een ruimte meerdere activiteiten (soms ook) tegelijkertijd zullen plaatsvinden, moet hiermee rekening worden gehouden. Naast de ruimte die de activiteit zelf vraagt, is ook de ruimte van belang die deze activiteit ondersteunt, zoals lopen, opruimen en ontmoeten. Het maken van inrichtingstekeningen (plattegrond met losse en vaste inrichting) maakt de ruimtelijke consequenties van de diverse activiteiten in een vertrek inzichtelijk. Van het ontwerpteam wordt het maken van deze inrichtingstekeningen gevraagd.

3.5 Beheer en exploitatie Het beheer en de exploitatie vormen na de initiële investering een behoorlijke kostenpost. Exploitatiekosten zijn onder meer de kosten voor energie, gebouwonderhoud, schoonmaak- en terreinonderhoud en de loonkosten van een conciërge of beheerder. Een optimaal exploitabel gebouw wil zeggen dat de som van de investeringen en exploitatiekosten over de levensduur van de gebouw- en installatieonderdelen zo laag mogelijk is. Slimme ontwerpkeuzes en/of een meerinvestering met als doel de exploitatiekosten te verlagen, verdienen zich in een aantal jaren terug. Van het ontwerpteam wordt verwacht de gebruikers hierover van advies te voorzien.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

11/51

4. Terrein In dit hoofdstuk worden de eisen omschreven die door de gebruikers worden gesteld aan het terrein en de inrichting van het terrein. Het volledig afwerken en inrichten van een deel van het terrein valt binnen het ontwerp. Welke deel dit betreft voor in een later stadium bepaald. Het betreft hier zaken zoals verhardingen, buitenverlichting, terreinafscheidingen, fietsenstallingen (overdekt en niet overdekt), parkeerplaatsen (auto), buitenbergingen, opstelplaats containers, elektrotechnische & werktuigbouwkundige voorzieningen (zoals riolering, drainage, verlichting, oplaadpunten elektrische fietsen en auto’s), groenvoorziening, waterberging & onverhard terrein, verhard terrein, ontsluitingen, banken, hekwerk, et cetera. Voor het terrein-, gebouw- en installatieontwerp dient vroegtijdig met de opdrachtgever en de toekomstige gebruikers te worden overlegd om zodoende hun eisen en procedure af te stemmen. Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪

Onderzoek in het kader van de Flora- en Faunawet. Bodemonderzoek (indien benodigd). Geluid als gevolg van eventuele installaties op het dak. Grondonderzoek (indien extra fundering).

4.1 Algemeen Indeling van het terrein en vaste terreininrichting dienen aan te sluiten bij de wensen ten aanzien van gebruiksindeling van het gebouw. Hierbij valt te denken aan onder andere zitmeubilair, afvalbakken, fietsenstalling (niet overdekt) en medewerkers (overdekt en afsluitbaar) en autoparkeren. Op het terrein dient in het ontwerp te worden ingericht met: ▪ Verhardingen ▪ Vaste terreininventaris ▪ Groenvoorziening ▪ Riolering en straatkolken ▪ Contactdozen ▪ Waterpunten Het terrein dient duidelijk begrensd te zijn, bijvoorbeeld door middel van groenvoorziening. Uitgangspunt ▪

Regenwaterinfiltratie op eigen terrein.

Aandachtspunten ▪ ▪ ▪

▪

Zo veel mogelijk scheiden van de verschillende verkeersstromen in verband met veiligheid. Het terrein dient een zodanige afwerking te hebben, dat een duurzaam adequate afvoer van hemelwater i.c.m. benodigde waterberging gegarandeerd is. Houd rekening met de noodzakelijke vrije toegangs- en doorgangsroutes en opstelplaatsen voor brandweerauto’s, ambulances, taxi’s en vrachtauto’s ten behoeve van het lossen en laden van materiaal en materieel. Op plaatsen waar dit verkeer komt dient de ondergrond en verharding hierop berekend te zijn. Indien de glasbewassing geschiedt door middel van een hoogwerker, dient rondom het pand, minimaal één meter vanaf de gevel een deel van minimaal 1,5 meter bestraat te zijn. Let hierbij op de ondergrond en de verharding ervan.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

12/51

4.2 Parkeren Het aantal parkeerplaatsen voor auto’s te realiseren conform de parkeernota zoals beschreven in het Ruimtelijk Functioneel Programma van Eisen. Parkeren met auto’s en andere motorvoertuigen gebeurt op een plek waarbij aandacht is voor veiligheid van voetgangers en dient geïntegreerd te worden in het terreinontwerp.

Laadinfrastructuur elektrische voertuigen De parkeernota van de gemeente Bernheze geeft aan dat op grote openbare parkeerlocaties (>50 parkeerplaatsen) minimaal 2% van de parkeercapaciteit aangewezen dient te zijn als parkeerplaats voor elektrische voertuigen met bijbehorende laadvoorziening. De realisatie van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen wordt gedurende het ontwerptraject nader afgestemd met opdrachtgever.

Gehandicaptenparkeerplaatsen De parkeernota van de gemeente Bernheze geeft aan dat op grote openbare parkeerlocaties (>50 parkeerplaatsen) minimaal 2% van de parkeercapaciteit aangewezen dient te zijn als algemene gehandicaptenparkeerplaats.

4.3 Terrein- en gevelverlichting Terreinverlichting dient in aard en omvang zodanig te worden ontworpen dat ten behoeve van oriëntatie, vandalisme- en inbraakpreventie en uit oogpunt van sociale veiligheid de toegangen en de looproute naar de toegangen aangelicht worden, door nabij alle toegangen en op plaatsen waar ‘hangplekken’ kunnen ontstaan, weer- en vandaalbestendige armaturen te plaatsen.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

13/51

5. Bouwfysische uitgangspunten 5.1 Energieprestatie De verplichting is om een BENG gebouw te realiseren. Indien hogere ambities worden geformuleerd dient in het ontwerpproces een variantenstudie gemaakt te worden die aantoont wat de meest doelmatige manier is op het gebied van investering én exploitatie om te komen tot de hogere ambitie (ENG). Dit heeft invloed op de bouwkosten. Deze meerkosten verdienen zich uiteraard (voor een deel) terug in de exploitatie i.v.m. energiereductie, maar werken ook exploitatiekosten verhogend vanwege het onderhoud aan deze duurzame technieken. Om aansluiting te vinden bij de financiële kaders ten aanzien van het investeringsbudget voor nieuwbouw dient gestreefd te worden naar zoveel mogelijk bouwkundige oplossingen die beschouwd kunnen worden als eenmalige investeringen. NEN-norm(en) Berekend conform NTA8800

5.2 Binnenklimaat en binnenmilieu Het klimaat in een ruimte wordt in thermisch opzicht bepaald door de luchttemperatuur, de stralingstemperatuur, de luchtvochtigheid en de luchtbeweging. Het gebouw dient zodanig te worden ontworpen, dat in het gebouw geen koude of warmte (of tocht) ervaren wordt die zodanig is, dat het functioneren van de gebruiker daardoor beperkt wordt. Er mogen geen hinderlijke temperatuurverschillen ontstaan. Het ontwerp moet zo zijn dat te hoge temperaturen in de zomer zoveel mogelijk beperkt blijven door het op de juiste manier toepassen van bouwmassa, zonwering, ventilatie en koeling. Ook dient er rekening gehouden te worden met de compartimentering van vertrekken met dezelfde- en vergelijkbare thermische behoeften, comforteisen, tijdroosters en werkingsregimes. Per ruimte is het binnenklimaat te regelen. NEN-norm(en) Berekend conform NEN-EN ISO 7730

Operatieve temperatuur

Operatieve temperatuur zomer

tussen de 23 °C en 26 °C

Operatieve temperatuur winter

tussen de 19 °C en 24 °C

Temperatuur niet handmatig regelbaar per ruimte. Temperatuur dient centraal geregeld te worden en afgestemd te worden op de activiteiten. Uitgangspunt

2250001 | www.icsadviseurs.nl

14/51

De operatieve temperatuur in het stookseizoen voor ruimten waar niet gewerkt wordt of langdurig verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) is minimaal 18 °C.

Benodigd verwarmingsvermogen De bepaling van het verwarmingsvermogen dient te geschieden op basis van een buitentemperatuur van minimaal -10°C, een absolute luchtvochtigheid van 1 gr/ kg en een windsnelheid van 5 m/ s. Te bepalen op basis van NEN 5066 middels het Vabi-VA101 computerprogramma. Reeds in een vroeg ontwerpstadium dient te worden nagegaan of ten gevolge van zoninstraling, de aanwezigheid van personen, de interne warmteontwikkeling (waaronder verlichting, apparatuur en dergelijke) en de systeemkeuze de behaaglijkheidsgrens niet ontoelaatbaar wordt overschreden en/ of onderschreden. Voor de meest kritische ruimten en vertrekken dient door middel van berekeningen van de temperatuuroverschrijdingen aangetoond te worden dat het aantal hierboven genoemde uren niet overschreden wordt. Met name ruimten met apparaten zoals computers of laptops en keukenapparatuur en ruimten met veel mensen vragen om aandacht. Aandachtspunten ▪

Vergaderruimtes fracties/B&W: de klimaatregeling dient ook ’s avonds te werken in deze ruimtes verband met vergaderingen

5.2.1 Ventilatie en luchtbeweging Alle ruimten in het gebouw dienen in voldoende mate te worden geventileerd. De ventilatie in het gebouw dient minimaal te voldoen aan de ventilatie-eisen die zijn omschreven in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en in de Arboregelgeving. Verkeersgebieden waar zit-/werkplekken worden gerealiseerd dienen te worden geventileerd. CO2-concentratie De grenswaarde van de CO2-concentratie in de kantoorruimten in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving is bij nieuwbouw gesteld op 950 ppm CO2. Ventilatiedebiet van minimaal 8,5 dm3/s (30,6 m3/uur) per persoon.

Zorgvuldig aandacht dient te worden besteed aan het samenspel tussen luchtinblaasrichting, reactiesnelheid, inblaassnelheid, inblaastemperatuur en de (te verwachten) comfortbeleving 1 hiervan. De klimaatinstallatie dient op deze punten via het GBS instelbaar en meetbaar te zijn. Luchtsnelheden Aan de luchtsnelheden in verblijfszones worden maxima gesteld: Maximale luchtsnelheden zomer (0,5 clo)

≤ 0,20 m/s

Maximale luchtsnelheden winter (1,0 clo)

≤ 0,16 m/s

1 Bijvoorbeeld voor het voorkomen van ‘tocht’ en tochtgerelateerde klachten.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

15/51

Aandachtspunten ▪ ▪

▪ ▪

Beperk luchtsnelheden in toevoerkanalen ter voorkoming van geluidsoverlast. De ventilatie van opbergruimtes voor schoonmaakmaterialen en opstelruimten van kopieermachines en de ventilatie van ICT-ruimten (computerruimten) inclusief de ruimte gereserveerd voor de server. Waar nodig aparte afzuiging toepassen bij dergelijke emissiebronnen. De ovens van keramiek (De Eijnderic) produceren hitte. Voor Beeldhouwen (De Eijnderic) is stofafzuiging nodig bij de apparatuur nodig.

Uitgangspunt ▪

De verkeersruimten dient als verblijfsgebied beschouwd te worden zodat ook daar geventileerd wordt.

5.2.2 Spuiventilatie In ieder geval is in verblijfsruimten voorzien in mogelijkheden voor spuiventilatie. Spuiventilatievoorzieningen (te openen ramen) zijn licht bedienbaar staand vanaf de vloer en hebben meerdere fixeerstanden (incl. kierstand) of zijn traploos instelbaar. De spuiventilatievoorzieningen zijn tegelijkertijd met de buitenzonwering te gebruiken. De luchtstroom wordt niet door bijvoorbeeld buitenzonwering belemmerd. Te openen delen worden dermate gesitueerd dat deze niet door kinderen te bedienen zijn en draaien waar mogelijk naar buiten open. Draairichting van de te openen delen dient te worden afgestemd met opdrachtgever en toekomstige gebruikers. NEN-norm(en) De spuiventilatiecapaciteit dient te worden bepaald conform de bepalingen uit NEN 1087.

Spuiventilatiecapaciteit Capaciteit van de spuiventilatievoorzieningen

6 dm³/s/m²

Verblijfsruimten

ten minste 4 te openen geveldelen

Oppervlak te openen delen boven 1,80 m

≥ 30%

Oppervlak te openen delen onder 1,80 m

≥ 30%

Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪

Draag zorg voor een heldere communicatie over hoe om te gaan met spuiventilatie. Gevelopeningen bieden bij voorkeur geen doorgang voor personen in verband met veiligheid. Maak gebruik van ‘natuurlijke trek’ in atria om de energievraag voor ventilatie te reduceren. De samenhang van te openen delen en zonwering.

Uitgangspunt ▪

Voorkom warmteophoping in ruimten zoals atria

2250001 | www.icsadviseurs.nl

16/51

5.3 Luchtvochtigheid Een zeer lage (<30%) of zeer hoge (>70%) luchtvochtigheid dient gedurende het jaar zo min mogelijk voor te komen. Ten aanzien van de relatieve vochtigheid gelden voor alle verblijfsruimten, voorzien van mechanische ventilatie, de volgende eisen om een behaaglijke omgeving te handhaven. Luchtvochtigheid Minimale luchtvochtigheid

30%

Maximale luchtvochtigheid

70%

Voorkeur Minimale luchtvochtigheid

40%

Maximale luchtvochtigheid

60%

In serverruimten dient statische elektriciteit door bouwkundige of installatietechnische ingrepen te worden voorkomen.

5.4 Akoestiek en geluidshinder De eisen die in de volgende paragrafen omschreven worden, zijn prestatie-eisen die aan aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat.

5.4.1 Luchtgeluidsisolatie De geluidsisolatie tussen ruimten in het gebouw dient zodanig te zijn dat in een ruimte tijdens de activiteiten waarvoor de ruimte bestemd is geen last wordt ervaren. Hiertoe dienen de bouwkundige voorzieningen zodanig te worden ontworpen en samengesteld dat constructies voldoende geluidswerend en geluidsisolerend zijn. De werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties mogen de luchtgeluidsisolatie van de scheidingsconstructies niet verzwakken. Het luchtgeluidniveauverschil dient DnT,A bepaald te worden volgens NEN 5077:2019. De aannemer dient deze prestatie door middel van controlemetingen (steekproef; minimaal 5-6 situaties onderzoeken) na oplevering aan te tonen. Luchtgeluidisolatie Verblijfsruimten – verblijfsruimten, sanitair en technische ruimten ≥ 39 dB (DnT, A) Verblijfsruimten – verkeersruimte en bergingen (DnT, A)

≥ 25 dB

Verblijfsruimten – verblijfsruimten met deur in de wand (DnT, A)

≥ 34 dB

Verblijfsruimten – overige ruimte (DnT, A)

≥ 39 dB

Hieronder zijn aanvullende eisen voor luchtgeluidisolatie vermeld. Deze gelden als eis voor de genoemde ruimtes in onderstaande tabel. De aannemer dient deze prestatie door middel van controlemetingen (steekproef; minimaal 5-6 situaties onderzoeken) na oplevering aan te tonen.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

17/51

Aanvullende eisen luchtgeluidsisolatie Kantoorruimten (DnT, A)

≥ 39 dB (≥ 33 dB als er een deur in wand aanwezig is)

Vergaderruimten (DnT, A)

≥ 42 dB (≥ 37 dB als er een deur in wand aanwezig is)

Vergaderruimten privacy-gevoelig (DnT, A)

≥ 45 dB (≥ 39 dB als er een deur in wand aanwezig is)

Belcellen (DnT, A)

≥ 50 dB (≥ 39 dB als er een deur in wand aanwezig is)

Sanitair (DnT, A)

≥ 48 dB

Aandachtspunten ▪

Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid dienen de wandconstructies steeds door te lopen tot en aan te sluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies.

Uitgangspunten ▪

Van belang is dat de theaterzaal geen geluidsoverlast ervaart van naastgelegen ruimtes en vice versa. Dit is een maatwerkopgave. De mogelijkheden binnen de inpassingsstudie zullen door de akoestisch adviseur worden onderzocht.

5.4.2 Contactgeluidsisolatie Contactgeluidisolatie Eis richting verblijfsruimte (LnT, A)

≤ 59 dB

Hinderlijke trillingen van de vloer of trappen door lopen/bewegen of muziek worden voorkomen

Met name wanneer ruimten met veel geluidsproductie (bijvoorbeeld technische ruimten) gelegen zijn boven andere ruimten, dient veel aandacht te worden besteed aan (contact)geluidsisolatie waarmee last naar ondergelegen ruimten tot een minimum wordt beperkt. Uitgangspunten ▪ ▪

Om contactgeluid via de vloerconstructie te voorkomen, dienen trillingsproducerende machines (zoals ventilatoren en luchtbehandelingskasten) trillingsvrij op de vloer te worden opgesteld. Leidingen waar van toepassing en eventuele andere geluidsproducerende apparatuur en/of bouwonderdelen dienen zodanig aan de constructie te worden bevestigd dat er géén rechtstreekse trillingen op deze constructies kunnen worden overgebracht, ter voorkoming van schade aan gebouw en installaties en zodat gebruikers er zo min mogelijk hinder van ondervinden.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

18/51

▪

Van belang is dat de theaterzaal geen geluidsoverlast ervaart van naastgelegen ruimtes en vice versa. . Dit is een maatwerkopgave. De mogelijkheden binnen de inpassingsstudie zullen door de akoestisch adviseur worden onderzocht.

Aandachtspunten ▪

Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid dienen de wandconstructies steeds door te lopen tot en aan te sluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies.

5.4.3 Nagalmtijd De volgende gemiddelde eisen worden gesteld aan de gemiddelde nagalmtijd (T30) in seconden, geldend voor ruimten in de frequentieband 250 t/m 2.000 Hz. Norm(en) Conform ISO 3382 deel 1 en 2

De volgende waarden zijn prestatie-eisen die aan de aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat. Nagalmtijd In ingerichte en niet-ingerichte verblijfsruimte

≤ 0,6 s

In ingerichte kantoor- en spreekruimten

≤ 0,6 s

In techniekruimte en verkeersruimten

≤ 1,0 s

In EHBO-, kleed- en doucheruimten

≤ 1,4 s

Theaterzaal

maatwerk

De nagalmtijden berekenen in de ontwerpfase en vaststellen in elk van de octaaf- en tertzbanden met middenfrequentie van 250, 500, 1.000, 2.000 en 4.000 Hz (topfrequentie spraak). De in de 125 Hz octaafband gemeten nagalmtijd mag maximaal 30% afwijken van de gemiddelde nagalmtijd. De ontwerpende partijen dienen door middel van berekeningen aan te tonen dat de nagalmtijden worden gehaald. Aandachtspunten ▪

Indien van toepassing: Open atria behoeven specifieke aandacht qua nagalm en ervaring van een prettige ruimtebeleving.

5.4.4 Achtergrondgeluid niveaus Norm(en) Streefwaarden voor geluid met betrekking tot verstoring van communicatie en concentratie (geluidsniveau en nagalmtijd) conform NPR 3438

2250001 | www.icsadviseurs.nl

19/51

5.4.5 Geluid van installaties In verblijfsruimten mogen geen geluiden, veroorzaakt door gebouwinstallaties, worden waargenomen zodanig dat zij activiteiten waarvoor de ruimten bestemd zijn belemmeren. De ventilatie dient geruisloos te zijn. Buiten gebruiksuren mag, om aan de comforteisen te voldoen, het ventilatievoud verhoogd worden (meer installatiegeluid toegestaan) ten behoeve van nachtventilatie. Bij het verhogen van het ventilatievoud dient rekening gehouden te worden met de geldende voorschriften vanuit de omgevingswet (voorheen: wet geluidhinder) richting nabijgelegen functies. Uitgangspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

De geluidsafstraling van de sanitaire installaties, zoals het doorspoelen van toiletten, moet in de geluidsgevoelige ruimten zodanig worden beperkt dat het vrijwel ‘onhoorbaar’ is. In andere ruimten mag het achtergrondgeluidsniveau van de sanitaire installaties (LI;A) niet meer dan 35 dB(A) bedragen. Het geluidniveau in ruimten waar niet wordt gewerkt of langdurige verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) t.g.v. installaties (LI, A) is maximaal 45 dB(A). Kantoorruimte: streefwaarde ventilatie en/of andere installaties (LI;A) is 35 dB(A) +/- 5 dB(A). Theaterzaal: streefwaarde ventilatie en/of andere installaties (LI;A) is ≤25 dB(A), max 30 dB(A). Om constructiegeluid via de vloerconstructie te voorkomen, dienen trillingsproducerende machines (zoals ventilatoren en luchtbehandelingskasten) trillingsvrij op de vloer te worden opgesteld. Leidingen waar van toepassing en eventuele andere geluidsproducerende apparatuur en/of bouwonderdelen dienen zodanig aan de constructie te worden bevestigd dat er géén rechtstreekse trillingen op deze constructies kunnen worden overgebracht, ter voorkoming van schade aan gebouw en installaties en zodat gebruikers er zo min mogelijk hinder van ondervinden.

Aandachtspunten ▪ ▪

Let op de invloed van flankerende geluidsoverdracht en kieren onder deuren op de berekende geluidsisolatie. Verkeersruimten kunnen ook leer- en werkplekken zijn. Let op luchtsnelheid in hoofdtracés van kanalen ter voorkoming van geluidsoverlast.

5.4.6 Geluidsuitbreiding naar omgeving Voor de geluidsoverlast, veroorzaakt door de technische installatie in of aan het gebouw naar de gevels van de eventueel omliggende bebouwing, worden de maximaal toelaatbare waarden aangehouden zoals deze worden vereist in het omgevingsplan (voorheen: de Wet Milieubeheer) en de plaatselijke voorschriften. Maatwerk is benodigd voor muziekgeluiduitstraling van de theaterzaal naar de omgeving. Gezien de centrale locatie in publiek terrein deint het geluidniveau op 1,5 m boven maaiveld rondom het gebouw te voldoen aan de door de Omgevingsregeling bepaald langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT = 50 dB(A) etmaalwaarde. Dit om te voorkomen dat lokaal op de stoep ineens zeer hoge geluidniveaus optreden. Specifieke aandacht in het ontwerpproces voor geluidsuitbreiding naar omgeving door bijvoorbeeld warmtepompen. Deze zo positioneren dat geluidsoverlast wordt voorkomen en aandacht besteden aan tonaal geluid.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

20/51

5.4.7 Geluidwering gevels In het volgende overzicht zijn de relevante eisen opgenomen die worden gesteld aan de geluidwering van de gevels van geluidsgevoelige ruimten. De gecumuleerde geluidsbelasting dient te worden bepaald volgens de wettelijke bepalingen Omgevingswet (voorheen: Wet geluidhinder (Reken- en Meetvoorschrift verkeerslawaai)). Geluidwering gevels Geluidwering geluidsbelasting in verblijfruimten en verblijfsgebieden door omgevingsgeluid in GA;k [dB(A)]

Gecumuleerde geluidsbelasting minus ≥ 33 dB met een minimum van 20 dB

Norm(en) Conform NEN 5077 De geluidwering van de gevel GA dient te worden bepaald conform NEN 5077. De geluidwering dient te worden bepaald bij gesloten ramen, maar met de beoogde hoeveelheid luchtverversing.

5.4.8 Geluidsproductie uitwendige scheidingsconstructie Eventueel aanwezige uitwendige scheidingsconstructies, de hieraan bevestigde voorzieningen (zonwering, vlaggenmasten, etc.) en de daarop gemonteerde installaties (schoorstenen, luchtbehandelingskasten, etc.) moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat deze geen bijzondere of hinderlijke geluiden maken of in resonantie raken bij wind, neerslag, thermische uitzetting, krimp of andere bewegingen. Ook windgeluid bij kieren en naden in daken en gevels dient te worden voorkomen

5.5 Daglicht In verblijfsruimten dient een daglichtfactor te worden gerealiseerd die zo hoog mogelijk is, zonder hinder te veroorzaken. Gemiddelde daglichtfactor In verblijfsruimte Lichttoetredingsfactor beglazing

2,1% in meer dan 50% van ruimte LTA-waarde

In verblijfsruimten, op een horizontaal vlak op 800mm hoogte. ≥ 0,6

Getint of gecoat glas mag alleen worden toegepast indien voldaan wordt aan de minimale LTA-waarde en indien het geen negatieve invloed heeft op het uitzicht en/ of spiegelingen van lichtbronnen. Heldere beglazing met een kleurindex van 95% dient toegepast te worden. Het glas moet een kleurechte weergave bewerkstelligen.

5.5.1 Zontoetreding De ZTA (zontoetredingsfactor) dient, afhankelijk van de resultaten van de temperatuuroverschrijdingsberekening, onder de 40% te liggen.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

21/51

5.6 Zon- en helderheidswering Uitgangspunten Zon- of heldersheidswering (lichtwering) dient: ▪ bestand te zijn tegen weersinvloeden zoals wind; ▪ vanuit elke verblijfsruimte regelbaar te zijn; ▪ centraal te bedienen te zijn via het GBS (overrulen).

5.6.1 Buitenzonwering Op alle gevels behoudens de noordgevel is een vorm van buitenzonwering noodzakelijk. Bij toepassing van mechanisch bedienbare zonwering is deze vanuit verblijfsruimten individueel bedienbaar. In verband met bewassing en weersomstandigheden dient de buitenzonwering centraal aan te sturen te zijn via het GBS. In het kader van onderhoud dient te worden aangetoond dat de levensduur van buitenzonwering minimaal 20 jaar bedraagt.

5.6.2 Lichtwering De daglichttoetreding en de zoninstraling mogen voor de gebruiker geen hinder veroorzaken door bijvoorbeeld te grote helderheidsverschillen, verblinding, reflectie of directe zoninstraling. Elke werkplek aan de raamzijde dient te worden voorzien van afdoende middelen om het zonlicht/daglicht te kunnen temperen. Norm(en) Conform NEN-EN 12464-1:2011 nl Arbo-regelgeving

Aandachtspunten ▪

Bij het gebruik van de helderheidswering blijft een bepaalde mate van uitzicht naar buiten mogelijk.

5.7 Buitenmilieu 5.7.1 Luchtdichtheid Met betrekking tot het energiegebruik van het gebouw worden eisen gesteld aan de luchtdoorlatendheid van de uitwendige scheidingsconstructie. De luchtdichtheid dient hierbij zodanig te zijn dat warmteverlies (en tevens koudeverlies) van het gebouw wordt beperkt. Zodoende wordt de energievraag ten behoeve van verwarmen en/ of koelen verminderd. Luchtdichtheid Qv; 10

≤ 0,15 dm³/ s/ m²

Om aan de ENG-eisen te voldoen dient de hierboven benoemde waarde minimaal behaald te worden. Hiervoor geldt dat extra aandacht nodig is voor detaillering, hang- en sluitwerk, keuze van het afdichtingsmateriaal en de uitvoering.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

22/51

NEN-norm(en) NEN 3661:1998

Controlemetingen De opdrachtnemer zal in de uitvoeringsfase door een onafhankelijke derde steekproefsgewijs de luchtdichtheid van de gevel laten controleren door middel van één of meer beproevingen conform de geldende NENnormen. De opdrachtgever kan aanvullend een thermografisch/ infrarood onderzoek met een warmtebeeldcamera laten uitvoeren, waarna eventueel corrigerende en/ of aanvullende maatregelen moeten worden getroffen. NEN-norm(en) NEN 2686

5.7.2 Waterdichtheid Voor de waterdichtheid zullen geen aanvullende eisen boven het wettelijk bepaald niveau gesteld worden. NEN-norm(en) NEN 2778

5.7.3 Zonlichtreflectie Het gebouw dient geen hinderlijke zonlichtreflecties naar zijn omgeving of naar andere delen van het gebouw te veroorzaken. Het gebouw moet zo zijn gesitueerd en ontworpen, dat geen hinderlijke zonreflecties zullen optreden door andere gebouwen, installaties of bijvoorbeeld wateroppervlakken indien relevant. Indien er redenen bestaan tot het vermoeden van hinderlijke zonreflecties dient een bezonningsonderzoek te worden verricht om dit uit te sluiten. Lichtreflectie Lichtreflectiefactor glasoppervlak

≤ 0,15 LrBu

5.8 Brandveiligheid De gebouwen moeten voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals vastgelegd in het vigerende Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Voor nieuwbouw gelden de eisen conform de paragrafen ‘nieuwbouw’ uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Voor bestaande bouwdelen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Tijdens de ontwerpfase wordt een integraal ontwerp gevraagd, onder andere ten aanzien van de brandveiligheid, waarbij de nieuwbouw niet beperkend mag zijn ten opzichte van de bestaande bouw en vice versa. In de ontwerpfase van het ontwerp dient het brandveiligheidsplan te worden opgesteld. Hierin moeten tenminste de volgende onderwerpen worden behandeld: ▪ ▪

Compartimentering Vluchtroutes en vluchtplaatsen

2250001 | www.icsadviseurs.nl

23/51

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Brandmeldinstallatie/ ontruimingsalarminstallatie Noodverlichting Vluchtwegaanduidingen Blusmiddelen en/ of -systemen Brandklassen materiaalgebruik Aanvalsroute brandweer

Om te voorkomen dat in de DO-fase het ontwerp ingrijpend moet worden aangepast door verplaatsing van brandcompartimenten, aanpassen trappenhuizen e.d., dient de verdeling in compartimentering en ontvluchting in de VO-fase reeds te worden getoetst aan de uitgangspunten van het vigerende Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Het sluitsysteem binnen het gebouw moet zo zijn uitgevoerd dat de brandweer vanaf één toegang alle bouwdelen kan bereiken. Systeemkeuze in overleg met de brandweer. Uitgangspunt ▪

Deuren in brand scheidende constructies moeten zelfsluitend zijn, deuren waar kinderen gebruik van maken dienen bedienbaar te zijn door kinderen.

Aandachtspunt ▪

Brandscheidingen door middel van bouwkundige voorzieningen hebben de voorkeur t.o.v. brandschermen.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

24/51

6. Bouwkundige eisen 6.1 Algemeen In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die een prestatieniveau aangeven waarmee in het ontwerpstadium en bij verdere planuitwerking rekening gehouden dient te worden. Deze punten worden geacht in overleg met de in te schakelen adviseurs(s) voor de technische installaties te worden uitgewerkt.

6.2 Vloeren 6.2.1 Constructieve vloeren In techniekruimten, een atriumvloer (BG) of grote cultuurzaal kan indien gewenst/ noodzakelijk een hogere veranderlijke vloerbelasting worden aangehouden (bijvoorbeeld voor een hoogwerker). Dit dient te worden afgestemd met opdrachtgever. Door middel van een berekening dient te worden aangetoond of de nuttige vloerbelasting niet wordt overschreden. Aandachtspunten ▪

Houd bij de constructie en de detaillering van vloeren (verdiepings- en dakvloeren) rekening met de onderdelen die hieraan moeten worden bevestigd, zoals plafonds, geluids- en verlichtingsapparatuur, borden en overige installatievoorzieningen.

6.2.2 Vloerafwerking De vloer en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte. De vloer moet voldoende massa en stijfheid hebben om geluidsoverlast in een ‘open’ plattegrond te voorkomen. In bijlage 1 is de afwerking van vloer, plafond en wand op hoofdlijnen toegevoegd. De keuze voor de vloerafwerking dient in overleg tussen de opdrachtgever, gebruikers en architect te worden bepaald, waarbij – gelet op de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte – moet worden gelet op een aantal algemeen geldende (praktische) uitgangspunten. Uitgangspunten ▪ ▪ ▪

▪ ▪ ▪ ▪

Een vloerafwerking moet worden afgestemd op het beoogde gebruik in die ruimte. In dit kader zijn vooral reinigbaarheid, krasvastheid, slijtvastheid, gladheid en onderhoudskosten van belang. Duurzaamheid en slijtvastheid (onder andere met betrekking tot verrijdbare podiumonderdelen, tribune, bureaustoelen en rolstoelgebruikers). Onderhoudsvriendelijk/-arm, makkelijk reinigbaar, vochtbestendig. Weerstand tegen chemicaliën (bestand tegen zwakke zuren, basen, oxiderende stoffen, detergenten, oliën en vetten), schoonmaakmiddelen, et cetera. De entrees voorzien van schoon- en droogloopmatten (minimaal 4 m1) en/of roosters. Milieuvriendelijk reinigen moet voldoende zijn voor het regulier en jaarlijks onderhoud. Sterkte en weerstand tegen indrukken. Stroefheid/antislip, ook in combinatie met de gewenste verplaatsbaarheid van meubilair.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

25/51

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Antistatische en antiallergische eigenschappen; stofbeperkend (de vloerafwerkingen mogen geen hinder opleveren voor CARA- en astmapatiënten). Akoestische (geluiddempende) eigenschappen. Houd hier ook rekening met eventueel verschuiven van meubilair. Eisen met betrekking tot brandvoortplanting en rookontwikkeling conform Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Algemeen harde vloeren: marmoleum/pvc/steenachtig materiaal o.g. met nadruk op slijtvastheid; Natte ruimtes: gietvloer o.g. met holle plint, met nadruk op slijtvastheid en antislip (voorkomen valgevaar) en niet urine gevoelig. Vloeren in toiletruimten urinedicht en naadloos afwerken. Drempelloos gebouw en drempelloos van binnen naar buiten (drempelloos ook in badkamer);

Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪

Esthetische aspecten: representativiteit, kleur en structuur. Beperk het aantal naden en voegen zoveel als mogelijk. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen (wanneer een ruimte groter wordt, wordt het belang van geluiddempende eigenschappen steeds belangrijker). Meer dan voldoende dilateren van vloervelden.

6.3 Buitenwanden De materiaalkeuze en de wijze van detailleren dienen zodanig te zijn dat bij een zeer beperkte onderhoudsinvestering, vervuiling en degradatie van kwaliteit nauwelijks kan optreden gedurende een periode van 40 jaar. Het noodzakelijke onderhoud alsook het schoonmaken kan op een eenvoudige wijze worden uitgevoerd. Voorzie het gebouw bij de aansluiting op het maaiveld zoveel mogelijk van vandaalbestendig en onderhoudsvrij materiaal. De gevel is bestand tegen vandalisme. Ook wordt er rekening gehouden met preventie van inbraak. Aandachtspunten ▪

Alleen in geval nieuw of te vervangen beglazing: In verband met inbraakpreventie dienen de ramen op de begane grond van binnenuit te worden beglaasd. De beweegbare delen in de kozijnen worden van binnenuit aangebracht. Let bij de plaatsing van te openen ramen en ventilatieroosters op de positie boven verkeerswegen.

6.3.1 Gevelopeningen 6.3.1.1 Entree Bij het vormgeven van de entree wordt een oplossing voorzien die rekening houdt met het voorkomen van inloop van vuil en nattigheid. De hoofdentree dient zodanig te zijn geconstrueerd dat er géén tochtverschijnselen via de entreehal kunnen ontstaan. Derhalve dient de entree van een tochtsluis of soortgelijke voorziening voorzien te zijn, wat tevens ook inwaaien van vuil, zand en ander vuil voorkomt. De (hoofd-)toegangsdeuren dienen van een zware kwaliteit te zijn en goed bestand tegen beschadiging. 6.3.1.2 Te openen delen Bij de vormgeving van de te openen delen, met name bij de ruimten op de begane grond en ruimten gelegen aan een plat dak of galerij, dienen maatregelen in het kader van inbraakpreventie te worden genomen.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

26/51

Eventueel draaiende kozijndelen dienen zodanig te worden geplaatst dat zij in normale gebruikssituaties geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor de gebruiker. Vermijd de mogelijkheid voor gebruiker van het gebouw om uit het raam te hangen of te klimmen. Uitgangspunt ▪ ▪

Elektrisch sluitsysteem toe te passen op de hoofdentree. Sluitplan en sluitsysteem op te stellen in overleg met opdrachtgever en gebruikers op basis van de gebruikstijden van de diverse functies.

6.3.2 Daken Het volledige dak is toegankelijk middels ladderborgingspunt(en). Indien het ontwerp een meerlaags gebouw realiseert, wordt het toepassen van een interne vaste trap besproken met opdrachtgever. Ten behoeve van de bereikbaarheid van installaties op het dak, tegellooppaden en valbeveiliging opnemen. Goten dienen eenvoudig bereikbaar te zijn voor inspectie en onderhoud. Aansluitingen dakbedekking met gevelelementen en dergelijke detaillering conform richtlijnen BDA Dakadvies. Het dak dient voldoende draagvermogen te hebben om installaties en andere op het dak benodigde elementen te dragen. Dit dient te worden onderbouwd middels berekeningen. NEN-norm(en) Conform NEN-EN 795

Aandachtspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Rekening houden met aan te brengen installaties. Accumulatie van water dient te worden voorkomen. Bij toepassing van dakopeningen/lichtkappen adequate doorvalbeveiliging opnemen/integreren in het ontwerp. Daken die in het zicht vallen dienen ordentelijk te worden ingedeeld en uitgevoerd. Indien zonnepanelen worden toegepast dienen deze esthetisch in het dakvlak en buitengevel te worden ingepast. Combinatie van grind met zonnepanelen dient te worden vermeden (vogels laten het grind op de panelen vallen met defecte panelen als gevolg). Bij het plaatsen van zonnepanelen rekening te houden met onderhoudsfunctionaliteit, eventueel risico op vandalisme en de eisen omtrent brandveiligheid vanuit de verzekering. Brandvertragende isolatie bij toepassen nieuw pakket met PV-panelen. Toepassen van witte dakbedekking (warmtewerend) Het dak dient eenvoudig in onderhoud te zijn. Bij voorkeur wordt er geen sedum dak toegepast, tenzij benodigd voor het behalen van de genoemde eisen.

6.4 Binnenwanden Uitgangspunten ▪

De gekozen niet-dragende binnenwanden dienen betrekkelijk eenvoudig en tegen een lage investering te verwijderen of verplaatsbaar te zijn waarbij overlast van stof en afvalmaterialen wordt beperkt.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

27/51

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Scheidingswanden dienen voldoende sterk te zijn om krachten op te nemen die vanuit het specifieke gebruik van ruimten te verwachten zijn. Rekening houden met eventuele bevestiging van inrichting zoals digiborden, whiteboards, e.d. Bij scherpe hoeken dienen maatregelen te worden getroffen ter voorkoming van letsel en beschadiging. Onderhoudsvriendelijk/-arm, makkelijk te reinigen (c.q. voorkomen van vervuiling door gebruik), vochtbestendig, kras- en splinterbestendig. Schakelaars en wandcontactdozen worden ingebouwd. Natte en sanitaire ruimten (toiletten, douche- en kleedruimten) zijn voorzien van afwasbaar materiaal tot aan het bouwkundig plafond. Waterbestendig materiaal en afwerking toepassen achter wastafels, gootstenen en pantry’s en in werkkasten achter de uitstortgootsteen. Bestand tegen beschadigingen. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen en specifieke bouwwijze ten behoeve van het voorkomen van de verschillende vormen van geluidsoverlast. Eisen met betrekking tot brandvoortplanting en rookontwikkeling conform Besluit Bouwwerken Leefomgeving.

Aandachtspunten ▪ ▪

Rekening houden met de geluidswerende functie van bepaalde binnenwanden bij de positionering van bijvoorbeeld voorzieningen voor elektra. Rekening houden met de eisen die het gebruik stelt aan de ruimte.

6.4.1 Binnendeuren Voor sommige ruimten is het van belang dat vanuit de verkeersruimte kan worden waargenomen wat er binnen gebeurt (sociale veiligheid). Welke ruimte dit exact zijn zal aan de hand van de inpassing en het schetsontwerp worden bepaald. De toegangsdeuren tot deze ruimten hebben bijvoorbeeld een zijlicht aan de slotzijde van de deur. Deuren met glasopening en/of zijlichten zijn voorzien van gelaagd veiligheidsglas. Daarnaast dient hierbij rekening te worden gehouden met de privacy van de gebruiker(s) van de ruimte. Bij het naderen van branddeuren in gangen dient in verband met de veiligheid zichtbaar te zijn of er ook iemand van de andere zijde nadert. Dit geldt ook voor deuren die toegang verschaffen van en naar trappenhuizen. Aandachtspunten ▪ ▪

Rekening houden met glasbewassing. Voorkomen van schade bij openen van deuren.

6.4.2 Plafonds De hoogtes van ruimten dienen gerelateerd te zijn aan de omvang en de functie van de ruimten. De kwaliteit en de vormgeving van de plafonds of plafondafwerkingen dienen aan te sluiten bij de specifieke gebruiksfunctie van de betreffende ruimte en technische eisen zoals akoestiek. Bij de plafonds wordt een gangbaar systeem toegepast. In bijlage is de plafondafwerking op hoofdlijnen gespecificeerd. Netto vrije hoogte Verblijfsruimten

2250001 | www.icsadviseurs.nl

≥ 2,8 m

28/51

Sanitaire ruimten

≥ 2,7 m

Verkeersruimten

≥ 2,7 m

Ruimten met een grotere gebruikerscapaciteit

≥ 7,0 m (nader te bepalen op basis van akoestisch onderzoek)

6.5 Trappen en hellingen De bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport dienen afgestemd te zijn op het specifieke gebruik in het gebouw. Hoogteverschillen groter dan 0,21 m worden overbrugd door een trap en waar nodig een hellingbaan. Trappen en hellingen dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de te verwachten voetgangersstromen op vlotte wijze en zonder het optreden van gevaarlijke situaties kunnen worden verwerkt. Uitgangspunten ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Trederanden en leuningen dienen goed zichtbaar te zijn en contrastrijk ten behoeve van slechtzienden. De afwerking van treden is zodanig dat slippen niet mogelijk is. Onderhoudsvriendelijk/-arm, makkelijk te reinigen, vochtbestendig, kras- en splinterbestendig en slijtvast. Bestand tegen beschadigingen en vervuiling door regulier gebruik en vandalisme. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen. Beschadiging tijdens de bouw (mechanische schade, vlekvorming en dergelijke) dient actief te worden voorkomen door beschermde voorzieningen.

Aandachtspunten ▪

Trappen zijn bij voorkeur akoestisch ontkoppeld van de constructie.

6.6 Installatieruimten, schachten en kabelgoten In het gebouw dienen de nodige technische ruimten te worden geprogrammeerd voor de opstelling van installaties. Positie en plaats te bepalen vanuit het bouwkundig ontwerp. De schachten dienen zo centraal mogelijk te worden geplaatst ten opzichte van de technische ruimte en het bedieningsgebied van de installaties. Uitgangspunten Ruimten voor technische installaties en schachten: ▪ zijn goed bereikbaar en toegankelijk zodat de te controleren onderdelen bereikbaar en te onderhouden zijn; ▪ zijn stofvrij en voldoende akoestisch gedetailleerd en afgewerkt; ▪ bieden voldoende ruimte voor service en onderhoud; ▪ zijn voorzien van werkverlichting; ▪ voldoen aan de eisen van nutsbedrijven, eisen voor brandveiligheid en het vigerende Besluit Bouwwerken Leefomgeving.

2250001 | www.icsadviseurs.nl

29/51

De kabel- en wandgoteninfrastructuur dienen zodanig te worden gedimensioneerd dat hierin de bekabeling voor voedingen, signalen (inclusief regeltechnisch), data- en telecommunicatie kan worden ondergebracht, rekening houdend met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. Kabelgoten zijn voorzien van scheidingsschotten. De horizontale en verticale kabelwegen zijn zodanig gedimensioneerd dat bekabelingen voor zwakstroom en sterkstroom in afzonderlijke compartimenten kunnen worden gelegd. Ook een apart compartiment van dataen telecommunicatie voorzien. Werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties zijn gescheiden.

6.7 Hang- en sluitwerk De architect dient met de opdrachtgever/gebruikers een sluitplan op te stellen waarbij meerdere niveaus dienen te worden gehanteerd. Het aantal niveaus dient te worden beperkt. De voorkeur gaat uit naar het werken met tags. Norm(en) Hang- en sluitwerk dient te voldoen aan NEN 3664 en NEN 5089. Het gehele gebouw moet voldoen aan het politiekeurmerk en CCV (Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid). Hang- en sluitwerk in de buitenschil is van inbraakwerende kwaliteit.

Uitgangspunt ▪ ▪

Deuren van toiletten dienen door medewerkers van de facilitaire dienst van buitenaf te kunnen worden geopend in geval van incidenten. Nooduitgangen zijn voorzien van een noodhendel/panieksluiting2 aan de binnenzijde van de deur en deurstandsignalering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=08027111-13e0-4492-a5a3-cb7ccea1d06c