CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Quickscan Natuur Kruishoekstraat 13 te Heesch

Raadsvergadering 5 juni 2025, gemeente BernhezeBij agendapunt: Afgeven verklaring van geen bedenkingen Kruishoekstraat 13 te Heesch *7.633 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Natuur Kruishoekstraat 13 te Heesch Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2024-0843

Datum:

28 juni 2024

Samensteller:

ing. M. Smit

Collegiale toets:

S. Gielen Ad.

Opdrachtgever:

Van den Heuvel Aannemingsbedrijf B.V.

Contactpersoon:

M. Bervoets

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud Samenvatting

4

1 Inleiding

5

1.1

Planlocatie

6

1.2

Ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Houdbaarheid en toepassing

8

3 Beoordeling

9

3.1

Soortenbescherming

9

3.2

Specifieke zorgplicht Soorten

13

3.3

Gebiedsbescherming

14

3.4

Houtopstanden

16

4 Conclusie en vervolg

17

4.1

Conclusie

17

4.2

Effecten

17

4.3

Vervolgstappen en maatregelen

17

Samenvatting Aan de Kruishoekstraat 13 te Heesch is een bedrijventerrein met een kantoor en een aantal bijgebouwen gesitueerd. Op deze locatie heeft reeds een terreinuitbreiding plaatsgevonden. Voor de legalisatie van deze werkzaamheden wordt deze uitbreiding meegenomen in deze rapportage. De initiatiefnemer is voornemens de omliggende percelen te betrekken in de landschappelijke inpassing van het project. De ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep

Bescherming

Mogelijke functie

Planten

N.v.t.

Grondgebonden zoogdieren

N.v.t.

Vleermuizen

N.v.t.

Amfibieën

N.v.t.

Reptielen

N.v.t.

Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4)

N.v.t.

Vogels (Algemeen en cat. 5)

N.v.t.

Vervolgstap (H4.3)

N.v.t. N.v.t.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant Groenblauwe waarden

13 km 800 m 1 km

Geen Geen Geen

Houtopstanden

Onderdeel

Uitzondering

Afwezig Afwezig

n.v.t. n.v.t.

Eenheid van >1000 m Bomenrij van >20 bomen 2

Vervolgstap (H4.3)

Vervolgstap (H4.3)

Zorgplicht

Effecten

Vervolgstap (H4.4)

Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden

Ja

Algemene maatregelen

4

1 Inleiding Aan de Kruishoekstraat 13 te Heesch is een bedrijventerrein met een kantoor en een aantal bijgebouwen gesitueerd. Op deze locatie heeft reeds een terreinuitbreiding plaatsgevonden. De initiatiefnemer is voornemens de omliggende percelen te betrekken in de landschappelijke inpassing van het project. Het vigerende plan voorziet niet in de ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Adromi Groep begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art.

4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de ruimtelijke ingreep? • Heeft de ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Kruishoekstraat 13 te Heesch.

5

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Kruishoekstraat 13 te Heesch (figuur 1.2). De planlocatie betreft een bedrijventerrein welke voor het overgrote deel verhard is middels betonplaten, bestrating en grind. Ten noordoosten en ten oosten van de planlocatie is groen aanwezig. Perceel 5207 en de noordzijde van percelen 936 en 937 worden betrokken in de landschappelijke inpassing van het project of worden ingezet als watercompensatie. •

•

•

Perceel 5207: Dit perceel bevat hoger gras en is omgeven door een fijnmazig hekwerk. Tussen perceel 5207 en het overige deel van de planlocatie, is een gemengde haag met onder andere laurier, haagliguster en Amerikaans krentenboompje gesitueerd. Perceel 936 en 937: Op deze percelen heeft de terreinuitbreiding plaatsgevonden. In het noordelijke deel van deze pervelen bevindt zich een grasveld met kort gemaaid gras. Ten zuiden van dit grasveld is een aangelegde heuvel met een gemengde haag van onder andere laurier en Amerikaans krentenboompje. Ten zuiden van deze aangelegde heuvel bevindt zich een strook met betonplaten welke in gebruik is als parkeerplaats. Het overige deel van dit perceel bestaat uit een grasveld met kort gemaaid gras. Perceel 3685: Op dit perceel rust een woonbestemming. Echter is de woning op dit perceel al enige tijd gesloopt en wordt het omzetten van deze bestemming naar een bedrijfsbestemming meegenomen in deze aanvraag. Perceel 3685 was op het moment van het veldbezoek deel van een parkeerplaats van het bedrijventerrein.

In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Kruishoekstraat 13 te Heesch. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een woonwijk en een industrieterrein. Op een afstand van circa 2 km tot de planlocatie is de waterloop de Grote Wetering gesitueerd. De A59 is gesitueerd op circa 1 km tot de planlocatie en de N329 is gelegen op een afstand van circa 4 km tot de planlocatie. Op circa 2 km ten oosten van de planlocatie is een bosrijk gebied gesitueerd en op circa 2 km van de planlocatie bevindt zich de `Geffense Plas’.

6

Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

1.2

Ruimtelijke ingreep De ruimtelijke ingreep betreft de uitbreiding van een bedrijventerrein, welke al heeft plaatsgevonden. De percelen ten noorden en oosten van de planlocatie worden ingezet voor de landschappelijke inpassing van het project en voor watercompensatie. Het vigerende plan voorziet niet in deze ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • revitalisatie terrein: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot de Omgevingswet onderdeel natuur. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 juni 2024 en is uitgevoerd door ing. M. Smit. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 3/8 bewolkt, 13 Celsius en windkracht 4 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De NDFF is geraadpleegd op d.d. 26 juni 2024. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied.

Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.

2.2 Houdbaarheid en toepassing De ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

8

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de kartuizer anjer (NDFF 2019-2024). De kartuizer anjer groeit op zonnige, stikstofarme en kalkhoudende grond. Deze planlocatie is grotendeels verhard. De delen die niet verhard zijn, bestaan uit grasvelden en worden regelmatig gemaaid. Tevens is er geen sprake van kalkhoudende grond op de planlocatie (Verspreidingsatlas, 2024). Kartuizer anjer is daarnaast niet aangetroffen op de planlocatie, ten tijde van het veldbezoek. De aanwezigheid van de kartuizer anjer kan derhalve worden uitgesloten. De planlocatie is een bedrijventerrein wat grotendeels verhard is. Er zijn enkele kortgemaaide gazons en een grasveld met lang gras aanwezig. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status.

Enkele waargenomen soorten betreffen: paardenbloem, smalle weegbree, veldzuring, vogelwikke en witte klaver. De planlocatie is voor een groot deel verhard middels betonplaten, bestrating en grind. Er is een gemengde haag aanwezig met onder andere Amerikaans krentenboompje, haagliguster en laurier. De ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bunzing, das, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter en vos (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing, das, rode eekhoorn en steenmarter. De bunzing en steenmarter komen voor in kleinschalig landschap.

Het is van belang dat er voldoende groenstructuren aanwezig zijn, zoals oeverbegroeiingen, heggen of houtwallen, waar deze soorten langs kunnen foerageren. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de bunzing bevinden zich veelal in hooibalen, puinhopen, in holen van andere dieren en in holle boomstammen. De steenmarter maakt gebruik van steenachtige schuilplaatsen, zoals rotsige hellingen en gebouwen. Op de planlocatie zijn geen geschikte locaties voor schuilplaatsen van de bunzing en steenmarter aangetroffen. Tevens is er onvoldoende dekking op de planlocatie aanwezig. De gemengde haag die op de planlocatie aanwezig is, is namelijk vrij open aan de onderzijde. Derhalve kunnen negatieve effecten op de bunzing en steenmarter worden uitgesloten. De das komt voor in kleinschalig akker- en weidelandschap. Het is van belang voor deze soort dat er voldoende voedselaanbod en goed vergraafbare grond aanwezig is. Tevens is het van belang dat het gebied weinig wordt verstoord. De planlocatie betreft een bedrijventerrein met enkele grasvelden. Dit terrein is omheind met een fijnmazig hek. Hierdoor is het niet mogelijk voor de das om op het terrein te komen.

9

Tevens ondervindt de planlocatie een hoge mate van verstoring door de werkzaamheden die er plaatsvinden. Daarnaast zijn er geen sporen van de das aangetroffen op de planlocatie. Derhalve kan de aanwezigheid van de das op de planlocatie worden uitgesloten. De rode eekhoorn komt voor in verschillende typen bossen. Nesten worden gebouwd in hoge bomen en in grote boomholtes. De planlocatie bevindt zich niet in bosrijk gebied en bevat geen bomen. Derhalve kan de aanwezigheid van de rode eekhoorn op de planlocatie worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Door voornoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling van de provinciale Omgevingsverordening vallen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2019-2024). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46).

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Er wordt geen bebouwing aangetast in de ingreep. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Er worden echter geen lijnvormige elementen weggenomen in de ingreep en de directe omgeving bevat voldoende vergelijkbaar gebied. Derhalve kan kunnen negatieve effecten op essentiële foerageergebieden en vliegroutes worden uitgesloten.

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF 20192024). Voor de kamsalamander geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De kamsalamander komt voor in bosrijk gebied met voldoende houtwallen en struweel. Het is van belang dat er een netwerk van visvrije wateren aanwezig is met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. De planlocatie bevat geen oppervlaktewater en bevindt zich tevens niet in bosrijk gebied. Derhalve kan de aanwezigheid van de kamsalamander uitgesloten worden. Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie bevat geen oppervlaktewater, is grotendeels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

10

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: levendbarende hagedis en muurhagedis (NDFF 2019-2024). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De levendbarende hagedis komt voor in open bossen, heide- en hoogveengebieden. Deze soort is vochtminnend die voornamelijk wordt aangetroffen in structuurrijke overgangen tussen droge en vochtige terreinen. Het is van belang dat er structuurrijk gebied aanwezig is met daarin zonbeschenen plekken waarin de levendbarende hagedis kan opwarmen. De planlocatie betreft een bedrijventerrein en bevat geen oppervlaktewater. De planlocatie is grotendeels verhard en bevat kortgemaaide grasvelden. Gezien deze velden regelmatig gemaaid worden, is er sprake van een hoge mate van verstoring. Het veld met langer gras bevat geen plekken waar de levendbarende hagedis kan opwarmen. Tevens is er onvoldoende ruigte aanwezig voor deze soort. Gezien er geen geschikt habitat aanwezig is op de planlocatie, kan de aanwezigheid van de levendbarende hagedis worden uitgesloten. De muurhagedis komt op spoorwegbermen en andere stenige biotopen. Het is van belang dat er voldoende spleten en holen aanwezig voor thermoregulatie, overwintering en bescherming tegen predatoren.

De planlocatie betreft een bedrijventerrein zonder stenige structuren. Tevens is er een hoge mate van verstoring aanwezig op de planlocatie. Derhalve kan de aanwezigheid van de muurhagedis op de planlocatie worden uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20192024). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos en teunisbloempijlstaart (NDFF 2019-2024). De grote vos komt voor in bosrijke omgevingen. De waardplanten van deze soort betreffen de iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. De planlocatie betreft een bedrijventerrein welke niet in bosrijk gebied gesitueerd is. Tevens zijn de waardplanten van de grote vos niet aangetroffen op de planlocatie. Derhalve kunnen negatieve effecten op de grote vos ten gevolgen van de werkzaamheden, worden uitgesloten. De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en open plaatsen.

De waardplanten van deze soort betreffen de (middelste) teunisbloem, (harig) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart. De planlocatie betreft een bedrijventerrein welke zich niet in bosrijk gebied bevindt. Tevens zijn er geen waardplanten van de teunisbloempijlstaart aangetroffen op de planlocatie. Gezien de grasvelden op de planlocatie regelmatig gemaaid worden, wordt de aanwezigheid van de waardplanten van de teunisbloempijlstaart ook niet verwacht. Derhalve kunnen negatieve effecten op de teunisbloempijlstaart worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.

11

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, merel, spreeuw en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2019-2024). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). Er zijn geen werkzaamheden beoogt aan de bebouwing op de planlocatie. Derhalve kan worden uitgesloten dat er nestlocaties van de gierzwaluw en huismus worden weggenomen. De ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied van de huismus is derhalve tevens geen sprake. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie.

De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Er is een waarneming bekend van de steenuil in het noordelijke deel van de planlocatie (NDFF 2019-2024). Het is mogelijk dat de planlocatie sporadisch wordt gebruikt als foerageergebied van roofvogels en uilen. Echter is er in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig. Derhalve kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden leiden tot het wegnemen van essentieel foerageergebied van roofvogels en uilen. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken op de planlocatie vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Echter is het niet uit te sluiten dat er een nest wordt gebouwd in te tijd tussen het veldbezoek en de start van de werkzaamheden. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.

Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waarvoor maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.

12

3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: keep, korenbloem en steenuil (NDFF 2019-2024). Voor de volgende soorten geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3.1) beoordeeld zijn: keep en korenbloem. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. De korenbloem groeit op zanderige en kalkhoudende bodems (flora van Nederland, 2024). Deze soort werd vroeger veel aangetroffen op akkers. De bloeiperiode van de korenbloem betreft juni t/m augustus. Tijdens het veldbezoek is de korenbloem niet aangetroffen op de planlocatie. Het veldbezoek is uitgevoerd binnen de bloeiperiode van deze soort, waardoor de aanwezigheid van de korenbloem op de planlocatie kan worden uitgesloten. De keep komt voor in gemengde bossen en bosranden. In de winter wordt deze soort ook wel aangetroffen op akkers en in parken met beukenbomen. De planlocatie bevindt zich niet in bosrijk gebied en bevat geen beukenbomen.

Derhalve kan de aanwezigheid van de keep op de planlocatie worden uitgesloten. Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.

13

3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 13 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en op een afstand van circa 15 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche broek’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 13 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en op een afstand van circa 15 km tot het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De ruimtelijke ingreep betreft de uitbreiding van een bedrijventerrein, wat reeds is uitgevoerd, en het inpassen van omliggende grasvelden ten behoeve van het landschap en watercompensatie. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

Gezien er sprake is van een grote afstand (13 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden.

14

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe waarden. Op een afstand van circa 800 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.2). Op een afstand van circa 1 km ligt de Groenblauwe waarden (figuur 3.3). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of trillingen) een toetsingskader biedt. Tussen het plangebied en het NNB gebied ligt een woonwijk en twee wegen. Tevens is er sprake van een ontwikkeling van beperkte omvang. Derhalve kunnen negatieve effecten op het NNB gebied ten gevolgen van externe werking, worden uitgesloten. Toetsing aan het provinciaal beleid is derhalve niet benodigd.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 800 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: noord-brabant.tercera-ro.nl).

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot de Groenblauwe waarden (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl).

15

3.4 Houtopstanden In de ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden.

16

4 Conclusie en vervolg 4.1

Conclusie In de inpassing ten behoeve van het landschap en watercompensatie aan de Kruishoekstraat 13 te Heesch wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.

4.2 Effecten De ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

4.3 Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen De ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

• De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

17

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2017) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub bij12.nl nationaalgeoregister.nl ndff.nl noord-brabant.tercera-ro.nl/MapViewer/ verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Juridisch kader

18

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Kruishoekstraat 13 en bestaat uit een bedrijventerrein met grasvelden. De ruimtelijke ingreep betreft de uitbreiding van het bedrijventerrein, wat reeds is uitgevoerd, en het inpassen van het project in het landschap en ten behoeve van watercompensatie.

Figuur 2

De planlocatie bevat enkele grasvelden met kort gemaaid gras.

19

Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht waarbij de specifieke zorgplicht verder opgedeeld kan worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3.

Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -

-

“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”

De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.

20

Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.

het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

21

Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b.

de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a.

het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift.

Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht.

22

Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 4.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 4.22 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant. Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bastaardkikker

Haas

Tweekleurige bosspitsmuis

Bosmuis

Huisspitsmuis

Veldmuis

Bruine kikker

Kleine watersalamander

Vos

Dwergmuis

Konijn

Wild zwijn

Dwergspitsmuis

Meerkikker

Woelrat

Egel

Ondergrondse woelmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

23

Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000gebieden (art. 11.6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Brabant Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingplan van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken.

Binnen het Natuurnetwerk Brabant gelden regels omtrent nieuwe ontwikkelingen. Zo is bijvoorbeeld het realiseren van nieuwvestiging toegestaan als een deel van het desbetreffende NNB door stedelijke gebied loopt, en de nieuwvestiging geen aantasting geeft aan de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Wanneer er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn, zijn ontwikkelingen binnen het NNB ook mogelijk. Bij verlies van ecologische waarden en kenmerken geldt een compensatieplicht. Groenblauwe waarden De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe waarden. Het beleid in de groenblauwe waarden is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB.

Binnen de groenblauwe waarden is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe waarden soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Het concrete beleid in een gebied behorend tot de groenblauwe waarden is uitgewerkt door de desbetreffende gemeente.

24

Houtopstanden Houtopstanden betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Bij het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond geld de Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) als de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor regels voor deze activiteiten (art. 11.112 Bal). Waarbij de oogmerken doelstellingen zijn voor regels over het vellen en herbeplanten. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Bal art. 11.111 lid 2): a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e.

naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; f. kweekgoed; g. uit populieren of wilgen bestaande: 1) wegbeplantingen; 2) beplantingen langs waterwegen; en 3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij: 1) ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2) bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en 3) zijn aangelegd na 1 januari 2013; en j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

25

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=10147f0d-cf5d-4156-a78e-9577f139c31b