16. Bijlage toelichting Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. D bestemmingsplan 'Muggenhoek 1, Heeswijk-Dinther'
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling, Muggenhoek 1 Heeswijk-Dinther
Overheid Document Datum
Gemeente Bernheze Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling 09/11/2023
Hoofdstuk 1 Inleiding ..............................................................3 1.1 Aanleiding ............................................................................................ 3 1.2 Leeswijzer ............................................................................................ 3
Hoofdstuk 2 M.E.R (beoordelings)plicht ..................................4 2.1 Is de activiteit m.e.r.-(beoordelings) plichtig? ..................................... 4 2.2 Procedure ............................................................................................. 4
Hoofdstuk 3 De kenmerken en de plaats van het project .........5 2.1 De plaats van het project ...................................................................... 5 2.2 De kenmerken van het project .............................................................. 5
Hoofdstuk 4 De kenmerken van het potentiële effect ..............9 4.1 Milieuzonering ...................................................................................... 9 4.2 Geluid ................................................................................................. 12 4.3 Bodem ................................................................................................ 14 4.4 Luchtkwaliteit ..................................................................................... 15 4.5 Externe veiligheid ............................................................................... 18 4.6 Water ................................................................................................. 21 4.7 Ecologie .............................................................................................. 24 4.8 Archeologie en cultuurhistorie ............................................................ 27 4.9 Verkeer en parkeren ........................................................................... 30 4.10 Kabels en leidingen........................................................................... 32 4.11 Gezondheid ....................................................................................... 33
Hoofdstuk 5 Conclusie ...........................................................34
2
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van de percelen 188, 189 en 827 aan de Muggenhoek 1 in HeeswijkDinther. Deze percelen hebben in het geldend bestemmingsplan een agrarische bestemming. Op deze percelen zijn een woning, een paardenstal, een springbak, een losloopbak en een mestopslag gesitueerd. Initiatiefnemer heeft een productiegerichte paardenhouderij en de wens om de bestaande paardenstal te slopen en daarvoor in plaats een paardenstallling met binnenrijbak te realiseren. Verder is de wens om de bestaande springbak, losloopbak en mestopslag te legaliseren. In 2021 heeft de initiatiefnemer hiervoor een verzoek ingediend bij de gemeente Bernheze. Het verzoek is in strijd met het geldend bestemmingsplan “Buitengebied Bernheze”. Op basis van de bestemmingsomschrijving in artikel 5.1 is een paardenstal en binnenrijbak niet toegestaan op deze locatie. Het plan is ook in strijd met de bouwregels in artikel 5.2. Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak. De gemeente Bernheze heeft in een brief laten weten in principe medewerking te willen verlenen aan het starten van een ruimtelijke procedure voor deze activiteiten. Voor het betreffende perceel is een bestemmingsplan opgesteld die de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologische mogelijk maakt.
Ten behoeve van het nieuwe bestemmingsplan zijn alle relevante milieuaspecten onderzocht, al dan niet met bijbehorende rapportages. Ook dient er een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd. De voorliggende aanmeldnotitie bevat deze vormvrije m.e.r. beoordeling. Op basis van de voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling kan het bevoegd gezag besluiten of er sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’, die het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maken.
1.2 Leeswijzer In dit rapport komen achtereenvolgens aan de orde: 1. de m.e.r.-(beoordelings)plicht en de inhoudelijke en procedurele vereisten (hoofdstuk 2); 2. beoordeling aan de hand van de kenmerken en de plaats van de activiteit (hoofdstuk 3); 3. beoordeling aan de hand van de kenmerken van de milieugevolgen (hoofdstuk 4); 4. conclusies (hoofdstuk 5).
3
Hoofdstuk 2 M.E.R (beoordelings)plicht 2.1 Is de activiteit m.e.r.-(beoordelings) plichtig? De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten), activiteiten die m.e.r.- beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten) en activiteiten die wel zijn opgenomen in de D-lijst, maar in omvang kleiner zijn dan de opgenomen drempelwaarden. Voor deze laatste categorie geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderhavige uitbreiding betreft een uitbreiding van een productiegerichte paardenhouderij op basis van Cen D-lijst van het Besluit m.e.r. is een m.e.r.- beoordelingsplichtig pas noodzakelijk bij het houden van 100 paarden of meer. Op de planlocatie worden 30 paarden gehouden. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht.
Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Conform de m.e.r.regelgeving leidt dit tot de noodzaak tot het uitvoeren van een zogenaamde vormvrije m.e.r.- beoordeling. Ook daarbij concludeert het bevoegd gezag (bijv. op basis van een aanmeldingsnotitie) of er wel of geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig.
2.2 Procedure De voorliggende aanmeldnotitie beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie omtrent de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling betekent, dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: 'Nee, tenzij....' De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG en latere wijzigingen). Bijlage III noemt drie hoofdthema's: 1. de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); 2. de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); 3. de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect). Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden, naar aanleiding van een wijziging van de Europese Richtlijn m.e.r. Deze wijziging heeft tot gevolg dat voor elke vergunningsaanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is de volgende procedure-stappen doorlopen moeten worden: 1. door de initiatiefnemer moet een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; 2. het bevoegd gezag moet binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.
Dit besluit moet genomen zijn voor de ter inzage legging van het ontwerp-besluit; 3. het besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden, maar wel via andere (digitale) kanalen; 4. het (vormvrije)-m.e.r.-beoordelingsbesluit moet onderdeel zijn van de vergunningaanvraag. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is deze aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.- beoordeling opgesteld en doorlopen. De onderzoeken waar in deze notitie naar verwezen wordt, zijn als bijlagen opgenomen bij het bestemmingsplan ‘Muggenhoek 1 Heeswijk-Dinther’. Deze aanmeldingsnotitie is tevens als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
4
Hoofdstuk 3 De kenmerken en de plaats van het project 2.1 De plaats van het project Het plangebied, gelegen aan de Muggenhoek in Heeswijk-Dinther, bevindt zicht ten noorden van de provinciale weg N279 en ten noordwesten van het dorp Heeswijk-Dinther. De provinciale weg N279 vormt de verbinding tussen 's-Hertogenbosch en Veghel. Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door kadastraal perceel 2293 (Muggenhoek 1a), aan de noord- en zuidzijde door kadastraal perceel 133 (watergang) en aan de westzijde door de Muggenhoek. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen 188, 189 en 827.
2.2 De kenmerken van het project 2.2.1 Bestaande situatie Het plangebied aan de Muggenhoek 1 bestaat uit de kadastrale percelen 188, 189 en 827 en heeft een oppervlakte van 9874 m2. Op deze percelen is een productiegerichte paardenhouderij gevestigd. Op deze percelen staat een woning, een mantelzorgwoning, een paardenstal, een springbak, een losloopbak, paddocks en een mestopslag gesitueerd. In de paardenstal is ruimte voor 20 paardenboxen. De woning staat aan de westzijde van het plangebied gesitueerd op een afstand van circa 6 meter van de Muggenhoek. Deze woning, type boerderij, heeft een oppervlakte van circa 175 m2. De goot- en bouwhoogte van de woning bedraagt circa 3 meter en 8 meter. Achter de woning, op een afstand van circa 15 meter, is de bestaande paardenstal gelegen. Deze stal heeft een oppervlakte van 250 m2 en goot- en bouwhoogte van circa 2 meter en 3,5 meter. De mantelzorgwoning, ook gelegen achter de woning, heeft een oppervlakte van circa 65 m2 en een goot- en bouwhoogte van circa 2 meter en 3 meter. De springbak en losloopbak zijn gesitueerd aan de zuidzijde van het plangebied en hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 1600 m2. De mestopslag van circa 60 m2 is gelegen bij de in- en uitrit van het plangebied. De bestaande paddocks zijn aan de noordzijde van de woning gelegen. De overige gronden binnen het plangebied zijn ingericht als weidegebied.
Het plangebied wordt rondom begrenst door een watergang. Beplanting De ruimte rondom de woning is ingericht als tuin met gebiedseigen hagen en wat opgaande beplanting. De oostkant van het plangebied is aangezet met een rij berkenbomen. De springbak is ingepast met gebiedseigen hagen. De Muggenhoek wordt aan beide zijden begeleidt door beukenbomen. Verkeer en parkeren Het perceel heeft een ontsluiting op de Muggenhoek, het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Omgeving Op het naastgelegen perceel 2293 (Muggenhoek 1a) is een manege gevestigd. De bebouwing op dit perceel is fors te noemen en heeft een oppervlakte van circa 2750 m2. De goot- en bouwhoogte bedraagt circa 3 meter en 6 meter. Tegenover het plangebied, op het perceel Muggenhoek 36, is een agrarisch bedrijf gelegen. Op de percelen ten noorden van het plangebied aan de Muggenhoek 8b en Het Schoor 22a zijn agrarische bouwvlakken met burgerwoningen gelegen.
5
2.2.2 Bedrijfsvoering De huidige bedrijfsvoering op het perceel Muggenhoek 1 bestaat uit: paardenstalling voor 20 paarden (zie bijlage 4 Stalling overzicht Stal van den Berg), handel in paarden, faciliteiten voor het recreatief beoefenen van de paardensport, dressuur en springen (geen wedstrijdverband o.i.d.) en het trainen van (eigen) paarden. De beoogde bedrijfsvoering is gelijk aan de huidige bedrijfsvoering, maar met een schaalvergroting naar 30 paarden. Modernisering van de huidige mogelijkheden door mogelijkheid tot het beoefenen van de paardensport gedurende het gehele jaar door het realiseren van een binnenrijbak i.c.m. het trainen van eigen paarden. De binnenrijbak is kleiner dan een wedstrijdbak, waardoor deze alleen voor training gebruikt zal/kan worden. Er wordt géén lesgegeven. De voorgenomen ontwikkeling van het perceel is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van de productiegerichte paardenhouderij. De bestaande paardenstalling van 250 m2 is dusdanig van omvang dat er geen broodwinning mogelijk is met het beperkte aantal stallen dat nu aanwezig is. Er zijn twee gezinnen die hun inkomen uit de productiegerichte paardenhouderij moeten genereren. De huidige sterk verouderde paardenstallen zullen gesloopt worden.
Om het bedrijf weer winstgevend te maken en aan te passen aan de huidige eisen binnen de paardenhouderij is het noodzakelijk om schaalvergroting toe te passen en een combinatie te maken met een rijbak voor eigen gebruik bij het africhten van de fokpaarden om zo een financieel renderend bedrijf te waarborgen voor de (nabije) toekomst. De criteria voor het welzijn en zorg voor fokpaarden is in de loop der tijd intensiever geworden (dier en welzijn), waarbij in combinatie met schaalvergroting een groter onderkomen nodig is. De benodigde afmetingen van de nieuw te bouwen paardenstalling met rijbak zijn van dusdanige grootte dat herbouw op dezelfde plaats niet mogelijk is. Er is daarom gekozen voor het slopen van de huidige stallen en in de nabijheid hiervan het een nieuw stallencomplex op te richten. Productiegerichte paardenhouderij De bedrijfsvoering op het perceel Muggenhoek 1 is in hoofdzaak gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma op een hoger niveau brengen van paarden, waardoor de waarde van de paarden in het economische verkeer toeneemt. Hiervoor is een ondertekende verklaring door de eigenaar afgegeven bij de gemeente. 2.2.3 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt op het Muggenhoek 1 de productiegerichte paardenhouderij verder uitgebreid. De bestaande woning en mantelzorgwoning blijven behouden.
De bestaande paardenstal wordt gesloopt en daarvoor in plaats wordt een paardenstallling met binnenrijbak gerealiseerd. De bestaande springbak en losloopbak worden behouden en blijven op dezelfde plek gesitueerd. De mestopslag wordt verplaatst naar de oostzijde van het perceel, nabij de stallen. De paddocks worden verwijderd uit het plangebied. De paardenstalling met binnenrijbak heeft een oppervlakte van 1224 m2, waarvan de rijbak een oppervlakte heeft van 583 m2. De paardenstalling met rijbak heeft een goot- bouwhoogte van 4,45 meter en 6,55 meter. In de paardenstal worden 30 paardenboxen gerealiseerd. Verkeer en parkeren Het perceel behoudt de bestaande ontsluiting op de Muggenhoek, het parkeren vindt plaats op eigen terrein. In het plan is ruimte voor minimaal 14 parkeerplaatsen, deze parkeerplaatsen bevinden zich met name bij de in- en uitrit van het plangebied. Beeldkwaliteit De paardenstalling met binnenrijbak heeft een plint van metselwerk (in overeenstemming met de bestaande boerderij), de gevels bestaan verder uit zwart potdekselwerk. Het dak bestaat uit stalen grijze dakplanplaten. In het dak worden lichtstraten opgenomen. Alle kozijnen zijn van hout en worden in de kleuren grijs en wit uitgevoerd. De gevelopeningen van de stallen worden voorzien van een luik.
6
Landschappelijke inpassing De ontwikkeling op het perceel Muggenhoek 1 is voorzien van een landschappelijke inpassing (zie bijlage 1 van deze toelichting). Aan de basis van het landschapsplan ligt vigerend ruimtelijk beleid. Op verschillende schaalniveaus zijn door provincie en gemeente specifieke doelen aangewezen en richtingen voor de toekomst uitgestippeld. Dit beleid is doorvertaald naar het schaalniveau van erfinrichting op de ligging van het plangebied in het beekdallandschap. Uit de beleidsanalyse komt naar voren dat er kansen liggen om op deze locatie de kenmerkende kamerstructuur te versterken en de bebouwing kwalitatief in te passen door het aanbrengen van gebiedseigen landschappelijke beplanting. De kamerstructuur wordt hier versterkt door het aanzetten van de perceelsgrenzen met bomen en hagen. Binnen het perceel worden diverse gebiedseigen bomen strategisch aangeplant om zo de bebouwing kwalitatief in te passen in het landschap. De parkeerplaatsen en stal worden omzoomd door een groene beukenhaag. Op de plek van de voormalige paddocks wordt een wadi gerealiseerd. De wadi heeft een natuurlijke vorm en een minimale oppervlakte van 90m2.
De wadi wordt rondom (3m breed) ingezaaid met een bloemrijk mengsel zal door extensief beheer gezorgd worden voor een structuurrijk geheel, waarin bloeiende grassen en kruiden kans krijgen om zich te ontwikkelen en zorgen voor een natuurlijke overgang van droog en nat. Gebruik natuurlijke hulpbronnen Voor de ontwikkeling van de paardenstalling worden geen relevante natuurlijke hulpbronnen gebruikt. Er worden bouwmaterialen gebruikt, zoals staal, hout en steenachtige materialen, maar dit betreft een eenmalige gebruikelijke verrichting en deze materialen zijn niet bijzonder schaars. Voor de benodigde energie in de gebruiksfase wordt ingezet op het gebruik van duurzame systemen en het treffen van energiebesparende maatregelen. Productie van afvalstoffen Tijdens de realisatiefase en gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende (afval)stoffen. Bij zowel de aanleg als bij de ingebruikname van de paardenstalling, zijn ten aanzien van de productie van afvalstoffen voornamelijk de aspecten bodem, geluid en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten worden nader beschreven in hoofdstuk 4. De bewoners van de woning en de mantelzorgwoning zullen regulier huishoudelijk afval produceren. Dit afval zal overeenkomstig de geldende lokale regelgeving worden afgevoerd.
Verontreiniging en hinder In de nieuwe situatie is er sprake van een productiegerichte paardenhouderij met 30 paarden. De CROW heeft geen kerncijfers voor een productiegerichte paardenhouderij, wel voor een paardenhouderij. Volgens de CROW-publicatie ‘Kencijfers en verkeersgeneratie’ heeft een paardenhouderij een gemiddelde verkeersgeneratie van 4 motorvoertuigbewegingen per etmaal per paard. In de nieuwe situatie is er ruimte voor 30 paarden. Dit zijn 120 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit betekent in de nieuwe situatie een toename van 40 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit kan echter als een worst-case scenario worden aangemerkt. In de werkelijke situatie zal het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal veel lager liggen. Mede omdat het gaat om een stal met plaats voor maar 30 paarden, waarvan alle 30 in eigendom van de eigenaar zelf. Het opfokken en trainen van 30 paarden, het bezoek van handelaren aan de paardenfokkerij en de transportbewegingen voor hooi en stro heeft geen grote verkeersaantrekkende werking. De productiegerichte paardenfokkerij leidt gezien de aard en schaal van de bedrijvigheid niet tot een aanzienlijke toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De verkeersaantrekkende werking in het plangebied zal naar verwachting gelijk blijven, rekenend met de CROW-cijfers zal de verkeersaantrekkende werking toenemen.
De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit vastgesteld kan worden. De bijdrage van het extra verkeer is bij het voorliggend plan in niet betekende mate en is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
7
Risico van ongevallen en veiligheid Het beoogde bouwplan zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Het plangebied ligt niet binnen de risicocontouren van risicovolle inrichtingen of van transportroutes buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. In de directe omgeving van de planlocatie zijn er geen andere projecten waarmee een cumulatie van effecten optreedt.
8
Hoofdstuk 4 De kenmerken van het potentiële effect De voorgenomen ontwikkeling kan invloed hebben op het milieu. In dit hoofdstuk zijn de milieu- en omgevingseffecten van de voorgenomen ontwikkeling beschouwd. Per milieu-omgevingsaspect is een conclusie opgenomen.
4.1 Milieuzonering 4.1.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen milieugevoelige functies en milieubelastende functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van milieugevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies onderling kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd worden. Deze uitgave bevat een lijst waarin per bedrijfssoort richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. Deze lijst beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Richtafstanden De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet (zullen) worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is onder meer afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied (m)
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied (m)
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
Het uitgangspunt van de VNG handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan. Een gemeente dient zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een
9
bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast, zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
• •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
4.1.2 Beoordeling Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Muggenhoek 1 in Heeswijk-Dinther. De agrarische bestemming wordt gewijzigd voor de uitbreiding van de productiegerichte paardenhouderij. Er wordt 250 m2 aan paardenstallen gesloopt, daarvoor in plaats wordt een nieuwe paardenstalling met overdekte rijbak gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 1224 m2. De huidige bedrijfsvoering op het perceel Muggenhoek 1 bestaat uit 20 paardenboxen, de toekomstige bedrijfsvoering krijgt een schaalvergroting naar 30 paardenboxen. Er is geen sprake van een manege. De binnenrijbak is kleiner dan een wedstrijdbak, waardoor deze alleen recreatief gebruikt zal/kan worden. Er wordt geen les gegeven. De bestaande burgerwoning wordt gewijzigd in een bedrijfswoning. Op basis van de VNG-notitie Bedrijven en milieuzonering (2009) heeft een paardenfokkerij een grootste hinderafstand van 50 meter (geur). De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemmingen (bestemmingsvlak) die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
De in de nabijheid gelegen burger- en bedrijfswoningen liggen op een grotere afstand dan 50 meter van de bestemming/functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ van het plangebied. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’ is opgenomen dat vervangende nieuwbouw van de (bedrijfs)woning, alleen is toegestaan binnen de bestaande fundamenten. Het is dus bij recht niet mogelijk om de woningen elders binnen het agrarisch bouwvlak te positioneren, de 50 meter hinderafstand is hiermee gewaarborgd. Er is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat voor deze woningen in het heden en in de toekomst. De voormalige burgerwoning op het perceel Muggenhoek 1 is net als de toekomstige bedrijfswoning een gevoelig object en beschermd tegen hinder van omliggende bedrijven. Omdat deze situatie niet veranderd zullen er geen nadelige gevolgen zijn voor nabijgelegen bedrijven in het kader van deze planontwikkeling. Ondanks de mogelijk aanwezige geurbelasting van de omliggende veehouderijen, is er geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Er worden geen extra woningen gerealiseerd of toegevoegd, er verandert niets aan de feitelijke situatie.
10
Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.1.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering, nader onderzoek op het gebied van bedrijven en milieuzonering is daarom ook niet nodig.
11
4.2 Geluid 4.2.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan waarbij een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt toegevoegd een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Wegverkeerslawaai: Geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo’n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van:
• •
wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied; wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur
De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied. In binnen stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
• •
wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.
Voor een weg buiten de bebouwde kom én voor een auto(snel)weg:
• • •
voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 meter voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 meter
Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 53dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh. 4.2.2 Beoordeling Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Muggenhoek 1 in Heeswijk-Dinther. De agrarische bestemming wordt gewijzigd voor de uitbreiding van de productiegerichte paardenhouderij. Er wordt 250 m2 aan paardenstallen gesloopt, daarvoor in plaats wordt een nieuwe paardenstalling met overdekte rijbak gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 1224 m2. De huidige bedrijfsvoering op het perceel Muggenhoek 1 bestaat uit 20 paardenboxen, de toekomstige bedrijfsvoering krijgt een schaalvergroting naar 30 paardenboxen.
De bestaande burgerwoning wordt gewijzigd in een bedrijfswoning. Er wordt geen geluidsgevoelig object toegevoegd. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is niet aan de orde.
12
4.2.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid, nader onderzoek op het gebied van geluid is daarom ook niet nodig.
13
4.3 Bodem 4.3.1 Algemeen Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn. Uitzondering hierop zijn plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar.
4.3.2 Beoordeling Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Muggenhoek 1 in Heeswijk-Dinther. De agrarische bestemming wordt gewijzigd voor de uitbreiding van de productiegerichte paardenhouderij. Er wordt 250 m2 aan paardenstallen gesloopt, daarvoor in plaats wordt een nieuwe paardenstalling met overdekte rijbak gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 1224 m2. De bestaande burgerwoning wordt gewijzigd in een bedrijfswoning. Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik dan het voormalige gebruik. Om die reden is een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. 4.3.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bodem, nader onderzoek op het gebied van bodem is daarom ook niet nodig
14
4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Algemeen Op 15 november 2010 is de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) in werking getreden. De overheid wil een verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen en ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van de 'Wet luchtkwaliteit' bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen voor plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Op grond van artikel 5.16 Wm moeten bestuursorganen nagaan of besluiten op grond van de Wro gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. Besluit NIBM In de Algemene maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele projecten zijn:
• • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Besluit gevoelige bestemmingen Naast het besluit en regeling NIBM dient getoetst te worden aan het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. 4.4.2 Beoordeling Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Muggenhoek 1 in Heeswijk-Dinther. De agrarische bestemming wordt gewijzigd voor de uitbreiding van de productiegerichte paardenhouderij. Er wordt 250 m2 aan paardenstallen gesloopt, daarvoor in plaats wordt een nieuwe paardenstalling met overdekte rijbak gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 1224 m2. De huidige bedrijfsvoering op het perceel Muggenhoek 1 bestaat uit 20 paardenboxen, de toekomstige bedrijfsvoering krijgt een schaalvergroting naar 30 paardenboxen. Er is geen sprake van een manege.
De binnenrijbak is kleiner dan een wedstrijdbak, waardoor deze alleen recreatief gebruikt zal/kan worden. Er wordt géén les gegeven. De bestaande burgerwoning wordt gewijzigd in een bedrijfswoning. Volgens de CROW-publicatie ‘Kencijfers en verkeersgeneratie’ heeft een paardenhouderij een gemiddelde verkeersgeneratie van 4 motorvoertuigbewegingen per etmaal per paard. In de bestaande situatie is er ruimte voor 20 paarden. Dit zijn 80 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De woning heeft een verkeersgeneratie van 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In de bestaande situatie is er sprake van 88,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In de nieuwe situatie is er sprake van een productiegerichte paardenhouderij met 30 paarden. De CROW heeft geen kerncijfers voor een productiegerichte paardenhouderij, wel voor een paardenhouderij. Volgens de CROW-publicatie ‘Kencijfers en verkeersgeneratie’ heeft een paardenhouderij een gemiddelde verkeersgeneratie van 4 motorvoertuigbewegingen per etmaal per paard. In de nieuwe situatie is er ruimte voor 30 paarden. Dit zijn 120 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit betekent in de nieuwe situatie een toename van 40 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit kan echter als een worst-case scenario worden aangemerkt. In de werkelijke situatie zal het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal veel lager liggen.
Mede omdat het gaat om een stal met plaats voor maar 30 paarden, waarvan alle 30 in eigendom van de
15
eigenaar zelf. Het opfokken en trainen van 30 paarden, het bezoek van handelaren aan de paardenfokkerij en de transportbewegingen voor hooi en stro heeft geen grote verkeersaantrekkende werking. De productiegerichte paardenfokkerij leidt gezien de aard en schaal van de bedrijvigheid niet tot een aanzienlijke toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De verkeersaantrekkende werking in het plangebied zal naar verwachting gelijk blijven, rekenend met de CROW-cijfers zal de verkeersaantrekkende werking toenemen. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit vastgesteld kan worden. De bijdrage van het extra verkeer is bij het voorliggend plan in niet betekende mate en is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij verblijfsgebouwen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke. Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. De cijfers zijn van 2020.
Achtergrondconcentratie 2020
Grenswaarde
Fijnstof PM 2,5
9-10 ug/m3
25 ug/m3
Fijnstof PM 10
16-18 ug/m3
40 ug/m3
Stikstofdioxide
12-14 ug/m3
40 ug/m3
Op grond van de Wet Luchtkwaliteit worden er binnen het plangebied geen grenswaarden overschreden ook zijn er geen dreigende grenswaardenoverschrijdingen. In het kader van dit bestemmingsplan worden er geen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen mogelijk gemaakt, die in betekenende mate leiden tot een verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit. Zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het bestemmingsplan.
16
4.4.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect luchtkwaliteit, nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig
17
4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
18
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz.
4.5.2 Beoordeling Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Muggenhoek 1 in Heeswijk-Dinther. De agrarische bestemming wordt gewijzigd voor de uitbreiding van de productiegerichte paardenhouderij. Er wordt 250 m2 aan paardenstallen gesloopt, daarvoor in plaats wordt een nieuwe paardenstalling met overdekte rijbak gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 1224 m2. De bestaande burgerwoning wordt gewijzigd in een bedrijfswoning. Er is geen sprake van een manege. De binnenrijbak is kleiner dan een wedstrijdbak, waardoor deze alleen recreatief gebruikt zal/kan worden. Er wordt géén les gegeven. In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van gevaarlijke functies en er is geen sprake van de toevoeging van een kwetsbaar object. Verder zijn in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes aanwezig die van invloed kunnen zijn op het plangebied.
19
Uitsnede Signaleringskaart-EV met projectie Muggenhoek 1 te Heeswijk-Dinther 4.5.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect externe veiligheid, nader onderzoek op het gebied van externe veiligheid is daarom ook niet nodig.
20
4.6 Water 4.6.1 Beleidskader Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlakte waterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Op Rijksniveau is het Nationaal Waterplan het voornaamste beleidsplan. In december 2009 is dit plan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) van de provincie Noord-Brabant in werking gegaan voor de komende 6 jaar, dat is vastgesteld op 3 december door Provinciale Staten. Veilig, schoon en voldoende water en een gezonde bodem zijn de streefdoelen van het programma. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het plangebied maakt onderdeel uit van het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Het bestuur van het waterschap Brabantse Delta heeft in december 2021 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het Waterbeheerprogramma is samen met gemeenten, industriële en agrarische ondernemers, natuurverenigingen, de provincie en het rijk opgesteld. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houdt het waterschap rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem. In algemene zin streeft het waterschap naar:
• • •
het creëren van gunstige condities in het watersysteem en de afvalwaterketen, die aansluiten bij de behoeften van de huidige en toekomstige gebruikers (mensen, bedrijven, natuur); een leefomgeving die de effecten van de klimaatveranderingen kan opvangen met acceptabele risico’s voor mens, milieu en economie; tevredenheid van samenwerkingspartners over de open houding van het waterschap om kansen te bieden en te verzilveren voor koppeling van andere initiatieven.
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verhard oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen:
• •
Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid; Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m2 maar minder dan 10.000 m2 moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden
21
•
getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m2); Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een watervergunning nodig.
Beleid van de gemeente Bernheze Het beleid van de gemeente Bernheze voor wat betreft de waterhuishouding sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. Tot dit doel is mede het Gemeentelijk Rioleringsplan alsmede het Gemeentelijk Waterplan opgesteld. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) zijn doelstellingen en maatregelen in de waterketen opgenomen, waartoe de gemeente wettelijk verplicht is. In een waterplan worden extra, niet wettelijk verplichte maatregelen opgenomen, die nodig zijn om de gewenste inrichting en functioneren van water in de gemeente Bernheze te kunnen bereiken. De gemeente Bernheze heeft hiertoe een integraal waterplan vastgesteld. Centrale doelstelling van dit waterplan is: "Het ontwikkelen van een integrale visie in de omgang met water in de breedste zin van het woord". Het integrale aspect betekent dat het gehele systeem van grond- en oppervlaktewater centraal staat, inclusief aan- en afvoer van water. De keten van drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering wordt in de visie betrokken daar waar deze het watersysteem beïnvloedt. Voor de hierna beschreven onderzoekslocaties zijn de informatie en maatregelen vanuit het waterbeheerplan "Werken met water, voor nu en later", het Gemeentelijk Rioleringsplan alsmede het Gemeentelijk Waterplan gebruikt bij het opstellen van de waterparagraaf.
4.6.2 Watertoets Een belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Bestaande situatie In het plangebied is een woning, een mantelzorgwoning, een paardenstal, een springbak, een losloopbak, paddocks en een mestopslag gesitueerd. Deze woning heeft een oppervlakte van circa 175 m2, de paardenstal heeft een oppervlakte van 250 m2 en de mantelzorgwoning heeft een oppervlakte van circa 65 m2. De springbak en losloopbak zijn gesitueerd aan de zuidzijde van het plangebied en hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 1600 m2. De mestopslag van circa 60 m2 is gelegen bij de in- en uitrit van het plangebied. De bestaande paddocks zijn aan de noordzijde van de woning gelegen. De aanwezige erfverharding heeft een oppervlakte van circa 630 m2. De overige gronden binnen het plangebied zijn ingericht als weidegebied.
Hemelwater In de huidige situatie wordt de neerslag die in het plangebied valt opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein. Afvalwater In de bestaande situatie is de woning aangesloten op de riolering. Oppervlaktewater Rondom het plangebied is een watergang aanwezig. Toekomstige situatie Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Muggenhoek 1 in Heeswijk-Dinther. De agrarische bestemming wordt gewijzigd voor de uitbreiding van de productiegerichte paardenhouderij. Er wordt 250 m2 aan paardenstallen gesloopt, daarvoor in plaats wordt een nieuwe paardenstalling met overdekte rijbak gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 1224 m2. Er wordt met dit plan circa 1200 m2 aan verharding toegevoegd.
22
Hemelwater Er worden maatregelen getroffen om het afstromend hemelwater te verwerken. Op de plek van de voormalige paddocks wordt een wadi gerealiseerd. De wadi heeft een natuurlijke vorm en een minimale oppervlakte van 90m2. Afvalwater In de toekomstige situatie blijft de woning aangesloten op de riolering. Oppervlaktewater De bestaande watergang rondom het plangebied is in dit bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'. De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang. Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd. Waterkwaliteit Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Dit houdt in dat het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout voorkomen dienen te worden. De digitale watertoets is doorlopen en de normale procedure is van toepassing, de gemeente zal het plan voorleggen aan het Waterschap. 4.6.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het gebied van water is daarom ook niet nodig.
23
4.7 Ecologie 4.7.1 Algemeen Wettelijk kader De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt per 1 januari 2017 de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming biedt de grondslag voor de aanwijzing van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Deze gebieden worden tezamen Natura2000-gebieden genoemd. Ter bescherming van deze Natura2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura2000-gebied kunnen aantasten. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor o.a. reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen, geldt de volgende vrijstellingsregeling:
• •
een algemene vrijstelling voor algemene soorten; - een vrijstelling voor beschermde soorten en vogels op voorwaarden, dat gehandeld wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode.
Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. 4.7.2 Beoordeling Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Muggenhoek 1 in Heeswijk-Dinther. De agrarische bestemming wordt gewijzigd voor de uitbreiding van de productiegerichte paardenhouderij. Er wordt 250 m2 aan paardenstallen gesloopt, daarvoor in plaats wordt een nieuwe paardenstalling met overdekte rijbak gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van 1224 m2. De bestaande burgerwoning wordt gewijzigd in een bedrijfswoning. Er is geen sprake van een manege. De binnenrijbak is kleiner dan een wedstrijdbak, waardoor deze alleen recreatief gebruikt zal/kan worden. Er wordt géén les gegeven. Het voorliggend plan is voorzien van een landschappelijke inpassing (zie paragraaf 2.4). Er is maatwerk geleverd zodat de inpassing in de juiste verhouding staat tot de ruimtelijke ontwikkeling. Aan de basis van het landschapsplan ligt vigerend ruimtelijk beleid.
Op verschillende schaalniveaus zijn door provincie en gemeente specifieke doelen aangewezen en richtingen voor de toekomst uitgestippeld. Dit beleid is doorvertaald naar het schaalniveau van erfinrichting op de ligging van het plangebied in het beekdallandschap. Uit de beleidsanalyse komt naar voren dat er kansen liggen om op deze locatie de kenmerkende kamerstructuur te versterken en de bebouwing kwalitatief in te passen door het aanbrengen van gebiedseigen landschappelijke beplanting. De kamerstructuur wordt hier versterkt door het aanzetten van de perceelsgrenzen met bomen en hagen. Binnen het perceel worden diverse gebiedseigen bomen strategisch aangeplant om zo de bebouwing kwalitatief in te passen in het landschap. De parkeerplaatsen en stal worden omzoomd door een groene beukenhaag. Op de plek van de voormalige paddocks wordt een wadi gerealiseerd. De wadi heeft een natuurlijke vorm en een minimale oppervlakte van 90m2. De wadi wordt rondom (3m breed) ingezaaid met een bloemrijk mengsel zal door extensief beheer gezorgd worden voor een structuurrijk geheel, waarin bloeiende
24
grassen en kruiden kans krijgen om zich te ontwikkelen en zorgen voor een natuurlijke overgang van droog en nat. Deze landschappelijk inpassing is door de gemeente passend bevonden. In maart 2023 is door een erkend bureau een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 2 van deze toelichting. Gebiedsbescherming Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (10,6 kilometer) is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Vanwege de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de plannen, kan worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een Aeriusberekening. Ten aanzien van het NNB hebben de voorgenomen plannen geen negatief effect tot gevolg op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. De bomen in het plangebied blijven behouden, waardoor toetsing aan de bescherming van houtopstanden niet van toepassing is. Soortenbescherming In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, vissen, amfibieën en reptielen voorkomen.
Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht. In het plangebied zijn veel huismussen waargenomen en waarschijnlijk zijn in de paardenstallen nesten van huismus aanwezig. De nesten van huismus zijn jaarrond beschermd. Voor het verwijderen van huismusnesten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Nader onderzoek naar huismussen in het plangebied is noodzakelijk om te onderzoeken hoeveel nestlocaties in de paardenstallen aanwezig zijn en of het plangebied onderdeel is van het essentieel leefgebied van huismussen. Het onderzoek naar huismus dient te worden uitgevoerd tussen 1 april en 20 juni. Graaf- en bouwwerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen om verstoring van broedgevallen in de bomen rond het plangebied te voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op het foerageergebied van algemene vogels, omdat in de omgeving voldoende leefgebied aanwezig blijft tijdens en na de werkzaamheden. De paardenstallen bieden geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Ook de bomen langs de randen van het plangebied zijn ongeschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De bomen langs Muggenhoek kunnen functioneren als vliegroute voor vleermuizen.
Bij de voorgenomen werkzaamheden worden geen bomen gekapt, waardoor mogelijke vliegroutes niet onderbroken worden. De voorgenomen werkzaamheden hebben tevens geen negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen, omdat in de omgeving voldoende leefgebied aanwezig blijft tijdens en na de werkzaamheden. Om verstoring van foeragerende vleermuizen te voorkomen, dient (extra) kunstlicht tijdens de werkzaamheden in de avond en nacht uitgezet en afgeschermd te worden. Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en konijn bieden de dierenweides geschikt leefgebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op het leefgebied van algemene muizensoorten en konijnen, omdat in de omgeving voldoende leefgebied aanwezig blijft tijdens en na de werkzaamheden. Wel kunnen verblijfplaatsen van algemene muizen worden vernietigd en individuen worden verwond of gedood bij graafwerkzaamheden in de weides. Voor algemene spits-, woelen ware muizensoorten geldt in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie kader in hoofdstuk 1. Om het verwonden of niet opzettelijk doden van dieren te voorkomen kan bij graafwerkzaamheden in de weides in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.
25
Algemene zorgplicht Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli-huismus tot 15 augustus).