10. Bijlage mer - Quickscan Wet Natuurbescherming
Tekst van het document
broed
WINTRAECKEN ADVIES T.a.v. dhr. D. Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel
Datum
2 november 2021
Kenmerk
BE/2021/541/r
Uw kenmerk
Email d.d. 12 mei 2021
Auteur(s)
ing. J. Dekkers
Collegiale toets
ing. D.F. Knoops
Quickscan Wet natuurbescherming Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther Aan de Hoofdstraat 47a is een bedrijfsperceel gesitueerd, aan de Hoofdstraat 49 is een dienstverlening perceel gesitueerd en aan de Monseigneur van Oorschotstraat 9 te HeeswijkDinther is een horecabedrijf gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van 2 nieuwbouwcomplexen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van bedrijf (aan de Hoofdstraat 47a), van dienstverlening (aan de Hoofdstraat 49) en van horeca (aan de Monseigneur van Oorschotstraat 9) naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Wintraecken Advies begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep?
• Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther (figuur 1). Gebouw A, aan de hoofdstraat 47a, betreft een woonhuis met gemetselde muren en dakpannen waaronder vogelschroot aanwezig is. Gebouw B betreft een bedrijfspand welke bestaat uit gemetselde muren en een golfplaten dak met dakbeschot, er is geen spouwmuur aanwezig. Gebouw C aan de hoofdstraat 49 is een bedrijfspand dat bestaat uit gemetselde muren met een spouwmuur. Een deel van het dak bestaat uit ramen, een deel uit dakpannen en een deel is een plat, bitumen dak met een grotendeels aangesloten daklijst. Gebouw D, gelegen aan de Monseigneur van Oorschotstraat 9, bestaat uit gemetselde muren met dakpannen. Achter gebouw C is een deel onverhard terrein gelegen, hierop groeien voornamelijk grote brandnetels. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther. Op 445 m ten zuidwesten van de planlocatie stroomt de rivier de Aa welke een barrière vormt voor grondgebonden fauna.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 2 nieuwbouwcomplexen. De functie van het perceel dient te wijzigen van bedrijf, dienstverlening en horeca naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
3
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; mogelijk kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Wintraecken Advies).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 9 juni 2021 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops en ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 25 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
4
(a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. Aardmuis Gewone pad Ree Bastaardkikker
Haas
Rosse woelmuis
Bosmuis
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Kleine watersalamander Konijn Meerkikker
Egel Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Veldmuis Vos Wildzwijn Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Brabant. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaal beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen.
Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft:
5
a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie bestaat uit een woonhuis, een restaurant en een bedrijfspand. Het overgrote deel van de planlocatie is verhard, een deel achter het restaurant en het bedrijfspand is niet verhard en is grotendeels begroeid met grote brandnetels. Daarnaast groeien er Canadese fijnstraal, kleefkruid, klein kruiskruid, stinkende gouwe en gewone esdoorn. Aan de achterkant van het restaurant is Japanse duizendknoop waargenomen (figuur 4).
6
Figuur 4
De Japanse duizendknoop op de planlocatie, deze groeit aan de noordoostzijde van gebouw D.
Ter plaatse van de planlocatie is, met uitzondering van de Japanse duizendknoop, welke een invasieve exoot is, slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Op het terrein staat een waarschijnlijk te kappen, vrijstaande volwassen uitheemse boom, waarvan de soort onbekend is. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, rode eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, waterspitsmuis en wezel (NDFF 2011-2021).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, rode eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals langs beken, rivieren, meren en in moerassen. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren die omringd worden door broekbossen met bomen als de wilg en es (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017; Zoogdiervereniging bever, 2021). In de directe omgeving van de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, daarnaast wordt de planlocatie geheel omringd door bebouwing. De aanwezigheid van de bever en ontstaan van negatieve effecten op de soort wegens de beoogde ontwikkeling valt derhalve uit te sluiten. De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie. Als dagrustplaats worden voornamelijk bestaande holen gebruikt, maar ook takken- en steenhopen, duikers en rommelschuurtjes. In de winter verblijven ze op warmere plekken, zoals in hooi- en strobalen (Zoogdiervereniging bunzing, 2021). Een klein gedeelte van de planlocatie is begroeid met de grote brandnetel.
Dit is het enige deel groen in de directe omgeving van de planlocatie, die omgeven is door bebouwing.
7
Daardoor is het onwaarschijnlijk dat de bunzing hier gebruik van maakt en onderdeel is van het leefgebied van de soort Daarmee zijn negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de bunzing uit te sluiten. De das leeft in allerlei soorten biotopen, vaak in een combinatie van zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen. De das heeft een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen die kunnen dienen als beschutting. Belangrijk is het dat er voldoende voedsel aanwezig is, de bodem goed vergraafbaar is, er weinig verstoring is en er voldoende dekkingsmogelijkheden rondom de burcht aanwezig zijn (Bij12 kennisdocument das, 2017; Zoogdiervereniging das, 2021). De planlocatie ligt in de bebouwde kom, waar een hoge mate van verstoring is. Daarnaast is er geen goed vergraafbare grond aanwezig en zijn het aantal dekkingsmogelijkheden minimaal. Derhalve is de aanwezigheid van de das op de planlocatie uit te sluiten. Rode eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos en gemengd bos, maar ook in parken, tuinen en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2021). Op de planlocatie is één boom aanwezig, deze vormt geen verbinding tot een bos, park of bomenlaan.
Het voorkomen van de rode eekhoorn op de planlocatie en negatieve effecten op de soort wegens de beoogde ontwikkeling kunnen uitgesloten worden. De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De soort is een cultuurvolger en komt vooral voor in de nabijheid van dopen en boerderijen. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. De aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen zijn van belang (Zoogdiervereniging steenmarter, 2021). Op de planlocatie zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen. De mate van verstoring op de planlocatie is hoog en er zijn nauwelijks schuilmogelijkheden in de vorm van groenstroken, heggen en greppels aanwezig. De bebouwing is tevens niet toegankelijk voor de soort. Derhalve is de planlocatie zeer beperkt geschikt voor de steenmarter, het is daarmee uit te sluiten dat de planlocatie een essentiële functie voor de steenmarter vervult. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de steenmarter zijn derhalve uitgesloten. De waterspitsmuis komt voor langs schoon, vrij snelstromend tot stilstaand water met een ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers (Zoogdiervereniging waterspitsmuis, 2021).
Op de planlocatie en in de directe omgeving ervan is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van de waterspitsmuis en negatieve effecten op de soort door de beoogde ontwikkeling zijn derhalve uit te sluiten. De wezel heeft een voorkeur voor open, droge natuur- en cultuurlandschap, maar komt ook voor in verschillende biotopen, zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Ze zoeken graag dekking op in bijvoorbeeld bosschages, houtstapels of heggen. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit muizen. De aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel en goede schuilmogelijkheden zijn van belang voor de wezel (Zoogdiervereniging wezel, 2021). Op de planlocatie zijn er niet voldoende schuilmogelijkheden aanwezig, de mate van verstoring is er hoog en de gehele planlocatie is omringd door bebouwing. Daardoor is de aanwezigheid van de wezel op de planlocatie uit te sluiten. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de wezel zijn derhalve uit te sluiten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021).
8
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De boom op de planlocatie was niet geheel zichtbaar en kon daardoor niet helemaal gecontroleerd worden op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De te saneren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.
Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Gebouw A bestaat uit gemetselde muren met dakpannen. Onder de kantpannen zijn openingen die groot genoeg zijn voor vleermuizen die toegang verlenen tot de ruimte tussen het dak en dakbeschot. Gebouw B bestaat uit gemetselde muren en een golfplaten dak, er is geen spouwmuur aanwezig. Er is dakbeschot aanwezig, echter wordt de ruimte onder de golfplaten erg warm in de zomer. Het is onwaarschijnlijk dat vleermuizen daar gebruik van maken. Gebouw C bestaat uit gemetselde muren met stootvoegen en ventilatiegaten en er is een spouwmuur aanwezig. Er zijn kieren tussen het dakbeschot en de muur die groot genoeg zijn voor vleermuizen om te kunnen gebruiken als invliegopeningen. Gebouw D bestaat uit een gemetselde muur met een dakpannen dak. De openingen tussen de kantpannen de muur zijn groot genoeg voor vleermuizen om te kunnen gebruiken als invliegopeningen. Er zijn geen stootvoegen of ventilatiegaten aanwezig. Het is niet uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels 5 veldbezoeken in de periode april-september (zie Vervolgstappen). Doordat de boom op de planlocatie tijdens het veldbezoek niet goed te inspecteren was op holtes, worden boombewonende vleermuizen volledigheidshalve meegenomen in het vervolgonderzoek. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Er is echter maar een klein gedeelte groen aanwezig op de planlocatie wat kan dienen als foerageergebied. Van essentieel foerageergebied is derhalve geen sprake. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling wordt er geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort.
Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
9
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. De Alpenwatersalamander is in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. De soort komt vooral voor in heidegebieden en op agrarisch gebied op zandgrond (Creemers & Van Delft, 2009; RAVON Alpenwatersalamander, 2021). De kamsalamander komt voor in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. Het voortplantingswater heeft een rijke watervegetatie, licht voedselrijk en niet zuur (RAVON kamsalamander, 2021). De poelkikker leeft in kleinschalige, stilstaande wateren die schoon en zwak zuur zijn (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017).
Doordat er op en in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater aanwezig is, kan de aanwezigheid van de Alpenwatersalamander, kamsalamander en de poelkikker uitgesloten worden. Negatieve effecten op beschermde amfibieën wegens de beoogde ontwikkeling zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: levendbarende hagedis en muurhagedis (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De levendbarende hagedis komt voor in open bossen, ruige graslanden en in bermen van (spoor)wegen, maar heeft een voorkeur voor heide en hoogveen. De soort is vochtminnend en voornamelijk te vinden op oevers en vochtige terreindelen (RAVON levendbarende hagedis, 2021). De planlocatie is voor een groot deel verhard en daarmee ongeschikt voor de levendbarende hagedis.
Het deel wat niet verhard is, is bijna geheel begroeid met de grote brandnetel. Vochtige terreindelen zijn niet aanwezig, daarmee is er geen geschikt habitat voor de levendbarende hagedis aanwezig op de planlocatie. Derhalve zijn negatieve effecten op de levendbarende hagedis wegens de beoogde ontwikkeling uit te sluiten. De muurhagedis is een warmt minnende soort en komt van oorsprong voor op warme, stenige plekken, zoals rotswanden. Belangrijk is dat er voldoende spleten en holen aanwezig zijn voor thermoregulatie, overwintering en bescherming tegen predatoren. Het ideale habitat van de muurhagedis is een voor slechts een klein deel begroeide muur met weinig schaduw. De vegetatie vormt een schuilplaats en kan dienen voor thermoregulatie en als habitat voor prooidieren. De soort komt in Nederland in het wild alleen in Zuid-Limburg voor. Op sommige locaties in Nederland is de soort illegaal uitgezet (Creemers & van Delft, 2009; RAVON muurhagedis, 2021). De bebouwing op de planlocatie is goed onderhouden, spleten en holen zijn niet in de bebouwing aanwezig. Daarnaast is er een hoge mate van verstoring op de planlocatie. Derhalve is de aanwezigheid van de muurhagedis en negatieve effecten op de soort wegens de beoogde ontwikkeling uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoorten: grote modderkruiper (NDFF 2011-2021).
De grote modderkruiper komt voor in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige watergroei (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2017; RAVON grote modderkruiper, 2021).
10
Binnen en rondom de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Derhalve is de aanwezigheid van de grote modderkruiper en daarmee negatieve effecten op de soort uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart en vermiljoenkever (NDFF 2011-2021). De grote vos leeft in vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen (Vlinderstichting grote vos, 2021). De grote weerschijnvlinder leeft in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen (Vlinderstichting grote weerschijnvlinder, 2021). De teunisbloempijlstaart leeft in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen (Vlinderstichting teunisbloempijlstaart, 2021). Het biotoop van de vermiljoenkever wordt gevormd door vochtige bossen houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recent zijn doodgegaan. Meer solitaire of opgestapelde boomstammen kunnen ook gekoloniseerd worden (EIS Kenniscentrum vermiljoenkever, 2021). Op en rondom de planlocatie zijn geen bossen, boomgaarden of boomlanen aanwezig. Daarmee zijn de aanwezigheid van de grote vos, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart en vermiljoenkever uit te sluiten.
Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op insecten en andere ongewervelden zijn uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gierzwaluw, houtduif, merel en zwartkop. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.
Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). In gebouw A is vogelschroot aanwezig en is daarmee ongeschikt voor nestlocaties van de huismus. Gebouw C is eveneens ongeschikt voor nestlocaties van de huismus wegens een ongeschikte dakconstructie. Gebouw B van de planlocatie bestaat uit een golfplaten dak met een dakbeschot. Er zijn openingen tussen de muur en de golfplaten aanwezig die huismussen toegang verlenen tot potentiële nestlocaties. Gebouw D van de planlocatie bestaat uit gemetselde muren met dakpannen en een dakbeschot. Onder de dakpannen zijn openingen aanwezig die leiden naar potentiële nestlocaties (figuur 5). Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve niet uitgesloten worden. Om aan- of afwezigheid van huismussen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden (zie Vervolgstappen). De beoogde ontwikkeling leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied.
11
Figuur 5
Foto’s van de dakpannen van gebouw D van de planlocatie (Bron: persoonlijke communicatie).
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Gebouw A en D hebben kantpannen en ruimtes onder de overstekende dakpannen van de zijgevels, echter zijn de openingen niet groot genoeg voor de gierzwaluw om in te kunnen vliegen. Gebouw B en C hebben geen kantpannen of andere openingen waar gierzwaluwen gebruik van kunnen maken. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Alle gebouwen op de planlocatie worden intensief gebruikt, er zijn geen openingen aanwezig waar uilen gebruik van kunnen maken. Doordat de planlocatie wordt omringd door andere gebouwen, gelegen is aan een drukke weg en er veel verstoring optreedt is er geen sprake van functioneel leefgebied van uilen of roofvogelsoorten. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.
De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapen sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
12
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Op een afstand van circa 10,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (figuur 6). Op een afstand van circa 440 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 7).
13
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 10,8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (bron: kaartbank Brabant).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 440 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: kaartbank Brabant).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 2 nieuwbouwcomplexen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a.
het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (10,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er geen sprake is van een grote ontwikkeling wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
14
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismussen en vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUSberekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (cat. 5)
Nee
Nee Artikel 3.5
Ja Nee Nee
Nee Nee
Artikel 3.1
Ja Nee
15
Verblijfplaatsen
Nestlocaties
Tabel 3
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Ja
Ja
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Meervleermuis
Nee
Nee
Ja
Watervleermuis
Nee
Ja
Nee
Franjestaart
Ja
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Ja
Ja
Rosse vleermuis
Ja
Ja
Nee
Tweekleurige vleermuis
Nee
Nee
Ja
Vleermuizen algemeen Essentiele vliegroute
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Essentieel foerageergebied
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Geschikte openingen in bebouwing Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen Geschikte openingen in bebouwing en eventueel in bomen Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Onbekend of er boomholte(s) met voldoende inrotting aanwezig zijn Planlocatie ligt binnen stedelijk gebied met (te) veel lichtverstoring Onbekend of er boomholte(s) met voldoende inrotting aanwezig zijn Afwezigheid van zeer hoge bebouwing en binnen/buiten bekende verspreiding
Geen aantasting van lijnvormige structuren Geen aantasting van grote houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 4 Overzicht van de aanwezige potentie per vleermuissoort en per type verblijfplaats. Vleermuissoort Zomer Kraam Paar Winter Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Franjestaart Rosse vleermuis
Tabel 5
16
Ja Ja Ja Ja Ja
Ja Nee Ja Ja Ja
Ja Ja Ja Nee Ja
Nee Nee Nee Nee Nee
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
10,8 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Brabant
440 m
Geen
N.v.t.
Tabel 6
17
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Mogelijk
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De sanering van de bebouwing en de ontwikkeling van 2 nieuwbouwcomplexen aan de Hoofdstraat 47a, 49 en Monseigneur van Oorschotstraat 9 te Heeswijk-Dinther is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie kan worden uitgevoerd middels het inspecteren van de dakruimte. Buiten het broedseizoen kan dit tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen oud nestmateriaal en recentelijk gebruikte nesten. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar en 2 in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 4 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.
18
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
19
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bestrijdingduizendknoop.nl www.bij12.nl www.eis-nederland.nl www.kaartbank.brabant.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
20
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., Ing. J. Dekkers. Auteur
Blom Ecologie B.V., ing. D.F. Knoops Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Bestrijding Japanse duizendknoop
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
21
Bijlage 1 Fotografische impressie
22
Figuur 1
Verharding op de planlocatie. Rechts op de foto is Gebouw A te zien.
Figuur 2
Verharding op de planlocatie. Links op de foto is gebouw B te zien.
23
Figuur 3
Gebouw C van de planlocatie.
Figuur 4
Het groen gedeelte op de planlocatie. Hier groeit voornamelijk de grote brandnetel.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
24
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
25
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
26
Bijlage 3 Bestrijding Japanse duizendknoop De Japanse duizendknoop geldt als zeer invasief, wat inhoud dat deze zich zeer snel kan verspreiden en daarbij andere (planten-) soorten verdringt. Doordat de stengels en wortels van de plant zeer krachtig zijn, kunnen bouwwerken en infrastructuur zoals wegen en riolering worden beschadigd. Derhalve wordt geadviseerd om de plant te verwijderen alvorens de bouwwerkzaamheden van start gaan. Uitvoeren werkzaamheden met alle zorgvuldigheidseisen in een groeilocatie a. Laat alleen noodzakelijk materieel en personeel toe in het met duizendknoop besmet gebied. b. Houd het werkgebied zo klein mogelijk. c. Bij werkzaamheden die langer dan 1 dag duren dient het terrein te worden afgezet of ontoegankelijk te worden gemaakt (bijvoorbeeld door het plaatsen van bouwhekken). d. Voorkom ten allen tijde verspreiding van (grond besmet met) duizendknoopresten (wortels of stengels)! e. Graafmachines dienen (zoveel mogelijk) op gesloten verharding (asfalt, beton) of rijplaten en buiten besmet gebied te worden geplaatst om inrijden van duizendknoopresten te voorkomen. f. Vermeng geen grond die is besmet met duizendknoopresten met schone grond. g. Voorkom zoveel mogelijk tussentijdse opslag van met duizendknoop besmette grond in het gebied. Voorkom verstuiven of verwaaien van grond met duizendknoop. Laad de grond direct op de vervoermiddelen (bijv.
afgesloten container). h. Indien er toch tijdelijke opslag van besmette grond nodig is: a. Verzamel besmette grond en plant-/wortelresten óp de besmette locatie. b. Zorg ervoor dat deze grond of resten niet in contact kunnen komen met de ondergrond door ze op een verharding of rijplatente leggen. c. Voorkom verspreiden of wegwaaien door de grond en resten af te dekken. d. Situeer de (tijdelijke) opslag niet bij mogelijke verspreidingsroutes (zoals watergangen). e. Kleine hoeveelheden kunnen worden opgeslagen in afsluitbare BigBags; i. Graaf groeilocaties gecontroleerd af in lagen van 30 centimeter (zowel horizontaal als verticaal) tot er visueel geen wortelresten van duizendknopen meer worden aangetroffen. Geadviseerd wordt om een kraan met kanteldraaistuk te gebruiken om zorgvuldig in lagen te graven. j. Na de laatste zichtbare wortels dient nog 30 cm extra afgegraven te worden, zowel verticaal als horizontaal. k. Bij tijdelijke uitname van grond, bijvoorbeeld voor kabels en leidingen, gelden de bovenstaande regels voor het tijdelijk opslaan van besmette grond. Bij tijdelijke uitname van grond moet er wel rekening worden gehouden dat na terugplaatsing van de grond meestal een groeispurt volgt van Landelijk protocol Aziatische duizendknopen de Aziatische duizendknoop. Bespreek derhalve voor uitvoering met opdrachtgever of terreineigenaar of terugplaatsing wel wenselijk is. l.
Al het gebruikte materieel (graafmiddelen, banden, traptreden, schoenzolen, kleding etc.) dient te worden schoongemaakt voordat het terrein verlaten wordt (denk aan borstelen, afspuiten, compressor). Het schoonmaken dient te gebeuren op een verhard oppervlak. De vrijkomende grond en duizendknoopresten moeten worden afgevoerd met de stroom besmette grond. Als de planning het toestaat heeft een ontgraving bij droog weer de voorkeur, omdat het dan makkelijker is schoon te werken. m. Bij ontgraving is (ook) nazorg van toepassing.
27