CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

Quickscan bestemmingsplan herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn

Gemeenteraad 10 februari 2022, gemeente Berg en DalBij agendapunt: Voorstel om het bestemmingsplan “Herontwikkeling Schoollocatie fase 3, Millingen aan de Rijn” gewijzigd vast te stellen5.087 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BUREAU WAALBRUG B.V. T.a.v. dhr. R. van den Oetelaar Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen

Datum

26 maart 2021

Kenmerk

BE/2021/275/r

Uw kenmerk

Email d.d. 5 maart 2021

Auteur(s)

ir. ing. D. de Boer

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Chopinstraat ong. te Millingen aan de Rijn Aan de Chopinstraat ong. is een grasveld gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens een appartementencomplex met 26 appartementen op dit grasveld te realiseren. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen enkele bomen gekapt worden. Bomen met een bijzondere status blijven behouden. Tevens zal oppervlaktewater gerealiseerd worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Bureau Waalbrug B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk of Groene ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Chopinstraat ong. te Millingen aan de Rijn (figuur 1). De planlocatie betreft een grasveld zonder bebouwing (c.q. braakliggende kavel). Er zijn meerdere bomen (met een bijzondere status) op de planlocatie aanwezig. Tevens is een insectenhotel aanwezig op de planlocatie. Oppervlaktewater is afwezig. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in het stedelijk gebied van Millingen aan de Rijn. De directe omgeving wordt gekenmerkt door bebouwing. Op een afstand van circa 700 meter ten noorden van de planlocatie is het Bijlandsch Kanaal gelegen. Binnen een straal van 2 km zijn geen A-wegen gelegen. Grote oppervlaktewateren en A-wegen vormen barrières voor grondgebonden fauna. Op een afstand van circa 750 meter ten zuidoosten van de planlocatie is de Duitse grens gelegen.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Chopinstraat ong. te Millingen aan de Rijn (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een appartementencomplex met 26 appartementen. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen enkele bomen gekapt worden en zal oppervlaktewater gerealiseerd worden. Tevens dient de functie van het perceel te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie appartementencomplex: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie. De planlocatie is rood omkaderd (bron: Buro Waalbrug B.V.).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten.

3

Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 7 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

4

Provinciaals beleid Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Voor een ontwikkeling in een Groene ontwikkelingszone geldt het ‘ja, mits’ principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Geverifieerde waarnemingen binnen een straal van 2 km van de planlocatie geven een beeld van de soortverspreiding rondom de planlocatie (NDFF 2011-2021). Duitsland is binnen deze 2 km straal gelegen. De NDFF geeft echter alleen informatie over verspreiding in Nederland, waardoor over een gedeelte van de 2 km zone rondom de planlocatie geen verspreidingsgegevens bekend zijn. Mochten verspreidingsgegevens via Observation.org geraadpleegd zijn, dan is dit separaat aangegeven. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van de volgende beschermde vaatplanten in Nederland bekend: grote leeuwenklauw, stijve wolfsmelk, wilde weit en wolfskers (NDFF 2011-2021).

Vaatplanten die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming betreffen veelal Rode lijstsoorten. Deze soorten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwgraslanden.

5

De vorengenoemde beschermde soorten hebben als voorkeursbiotoop kalkrijke akkers (grote leeuwenklauw, stijve wolfsmelk en wilde weit) of kapvlakten (wolfskers) (FLORONverspreidingsatlas, 2017). Dergelijke biotopen zijn niet op de planlocatie aanwezig. Derhalve is het voorkomen van grote leeuwenklauw, stijve wolfsmelk, wilde weit en wolfskers op de planlocatie uitgesloten. De planlocatie betreft een grasveld met een hoog onderhoudsbeeld. Enkele waargenomen soorten betreffen: berk, duizendblad, Engels raaigras, Maarts viooltje, madeliefje, paarse dovenetel en zomereik. Wegens het ontbreken van bebouwing is het voorkomen van beschermde muurvegetatie uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid in Nederland bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2011-2021).

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, das, rode eekhoorn, otter, steenmarter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bovengenoemde beschermde soorten zijn veelal gebonden aan structuurrijke gebieden, aanwezigheid van oppervlaktewater, aanwezigheid van bos en/of weinig verstoring. Al deze elementen ontbreken op de planlocatie. Tevens vormt de planlocatie geen essentiële verbinding tussen gebieden welke belangrijk zijn voor de vorengenoemde beschermde soorten. Het is derhalve op voorhand uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de bever, boommarter, bunzing, das, otter en wezel. De rode eekhoorn en de steenmarter zijn soorten welke mogelijk in stedelijke gebied voor kunnen komen. Voor de rode eekhoorn is het echter wel een vereiste dat het stedelijk gebied zeer boomrijk is, en gelegen is nabij bos (Zoogdiervereniging.nl). Dit is bij de planlocatie niet het geval. Tevens ontbreken waarnemingen van de rode eekhoorn binnen een straal van 500 meter van de planlocatie (NDFF 2011-2021). De steenmarter kan gebruik maken van bebouwing, mits deze geschikt is, als verblijfplaats (Zoogdiervereniging.nl).

Aangezien op de planlocatie geen bebouwing aanwezig is, en structuurrijke elementen ontbreken, is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult voor de steenmarter. Negatieve effecten op de rode eekhoorn en steenmarter zijn derhalve uitgesloten. Door het vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie vervult voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet-vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name soorten als de egel. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen in Nederland bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige vleermuis (NDFF 2011-2021).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).

6

Wegens het ontbreken van bebouwing is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als rust en/of verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Op de planlocatie zijn geen bomen met geschikte holten aanwezig die door vleermuizen gebruik kunnen worden als verblijfplaats. Tevens blijven de meeste bomen, wegens een belangrijke status, behouden. Eén boom aan de zuidzijde van de planlocatie is grotendeels hol van binnen en is derhalve mogelijk naar boven ingerot. Echter is de invliegopening relatief laag (circa 2 meter) en wordt deze geblokkeerd door klimplanten (figuur 4). Er is derhalve geen sprake van een geschikt invliegopening. Het is uitgesloten dat de boom een functie vervult als verblijfplaats voor vleermuizen.

Figuur 4

De boom aan de zuidzijde van de planlocatie bevat een holte. Deze is niet toegankelijk voor vleermuizen door de begroeiing met klimplanten.

Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot het wegenemen van rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen. Echter bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De bomen aan de zuidoostelijke zijde kunnen mogelijk gebruikt worden als niet essentiële vliegroute. Deze bomen blijven behouden. De overige bomen zijn veelal solitair. De beoogde ontwikkeling leidt derhalve niet tot afname van essentiële foerageergebieden of vliegroutes. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Verlichting gericht op de bomen dient voorkomen te worden. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid in Nederland bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2011-2021).

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, waarmee het voorkomen van aquatisch habitat op voorhand uitgesloten is. Het voorkomen van terrestrisch habitat is ook uitgesloten om de combinatie van de volgende redenen: (1) afwezigheid structuurrijke vegetatie, (2) ligging in stedelijk gebied, waardoor veel verstoring en obstakels (c.q. wegen) aanwezig zijn en (3) ontbreken van waarnemingen binnen een straal van 500 meter. Hoewel geschikt habitat voor de rugstreeppad momenteel niet aanwezig is, kan tijdens de bouw geschikt habitat worden gerealiseerd. De soort kan namelijk gebruik maken van plassen in bandensporen van zware voertuigen als voorplantingshabitat. In de afgelopen 3 jaar is de rugstreeppad niet binnen een straal van 1 km in Nederland waargenomen (NDFF 2011-2021).

7

Tevens zijn binnen een straal van 2 km van de planlocatie in Duitsland geen waarnemingen van de rugstreeppad bekend in de afgelopen 3 jaar (Observation.org – 2017-2021). Derhalve wordt het treffen van maatregelen om kolonisatie te voorkomen niet noodzakelijk geacht. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid in Nederland bekend van het volgende inheemse reptiel: levendbarende hagedis (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis betreft heide en hoogveen, maar de soort komt ook voor in open bossen, ruige graslanden en bermen van spoorwegen. De soort is vochtminnend en wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen (Ravon.nl). De planlocatie betreft een kort gemaaid grasveld. De voorkeursbiotopen, structuur en vochtige delen ontbreken.

Tevens is er veel sprake van verstoring en ontbreken waarnemingen binnen een straal van 500 meter van de planlocatie (NDFF-2011-2021). Derhalve is het uitgesloten dat de levendbarende hagedis op de planlocatie voorkomt. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Wegens afwezigheid van structuur is ook het voorkomen van andere reptielen uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid in Nederland bekend van de volgende beschermde vissoort: grote modderkruiper (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid in Nederland bekend van het volgende beschermde insecten: rivierrombout (NDFF 2011-2021). Het leefgebied van de rivierrombout betreft rivieren en grote beken (Vlinderstichting.nl). Dergelijk habitat is niet op of nabij de planlocatie aanwezig. Derhalve is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de soort. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de rivierrombout zijn uitgesloten.

Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Derhalve zijn negatieve effecten op beschermde insecten en andere ongewervelden uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, huismus en koolmees. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Wegens het ontbreken van bebouwing is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als nestlocatie voor de huismus. Op de planlocatie zijn geen jaarrond groene struiken of grint aanwezig. Het is derhalve uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als essentieel leefgebied voor huismussen welke mogelijk een nest hebben in omliggende bebouwing. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).

8

Wegens het ontbreken van bebouwing is het voorkomen van nestlocaties van de gierzwaluw eveneens op voorhand uitgesloten. De planlocatie vervult geen functie als nestlocatie voor uilen zoals kerkuil en steenuil. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogel- en uilensoorten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 530 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 5). Op een afstand van circa 670 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 310 m ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 6).

Figuur 5

9

De planlocatie ligt op een afstand van circa 530 m tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 670 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 310 m tot de Groene ontwikkelingszone (bron: geoportaal.gelderland.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een appartementencomplex met 26 appartementen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er een geringe afstand (530 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ in combinatie met de omvang van de ontwikkeling, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

10

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Tevens is de planlocatie gelegen binnen de vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet derhalve noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

11

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels

Tabel 3

Nee

Overzicht van de Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

350 m

Stikstof

AERIUS

Gelders natuurnetwerk

670 m

Geen

N.v.t.

Groene ontwikkelingszone

310 m

Geen

N.v.t.

Tabel 4

12

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Overzicht van de Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Nee

Nee

N.v.t.

Bomen

Ja

Ja

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De realisatie van een appartementencomplex met 26 appartementen aan de Chopinstraat ong. te Millingen aan de Rijn is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-calculator.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Verlichting gericht op de bomen dient voorkomen te worden. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

13

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.geoportaal.gelderland.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.observation.org www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

14

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

15

Bijlage 1 Fotografische impressie

16

Figuur 1

Impressie van de planlocatie.

Figuur 2

Impressie van de planlocatie.

17

Figuur 3

Impressie van de planlocatie.

Figuur 4

Het insectenhotel zal van deze locatie verwijderd worden. De soorten die gebruiken van een dergelijk hotel zijn niet beschermd onder de Wet natuurbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11005823/2