CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

M38 Bijlage 1 - Toelichting en regels ontwerpbestemmingsplan Recreatieterrein De Oude Molen

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente Berg en DalBij agendapunt: Schriftelijke mededelingen c.q. informatie van het college van burgemeester en wethouders ter kennisname25.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor elke pijler zijn de ambities aangegeven en geconcretiseerd. Bij de beschrijving per pijler zijn, waar ruimtelijk relevant, de ontwikkelingslijnen uit de Strategische Visie uitgediept. Uitwerking van de ontwikkelingslijn Spannend landschap is evident aan de orde bij de pijler Leefomgeving. Relevante pijlers zijn daarnaast de pijlers Werkklimaat en Voorzieningenaanbod. Bij de pijler Leefomgeving is beschreven dat het aantrekkelijke landschap van Groesbeek niet alleen voor een hoge woon- en leefkwaliteit zorgt voor inwoners van de gemeente. Het schitterende landschap zal voor veel mensen ook aanleiding zijn om Groesbeek te bezoeken en er eventueel langer te verblijven. Aangezien een toename van recreatie en toerisme economische ontwikkeling oplevert, en daardoor middelen voor het verder versterken van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit, benoemt de structuurvisie onder andere meer recreatieve ontwikkeling en toegankelijkheid als ambitie voor de pijler Leefomgeving. Een concreet onderdeel van deze ambitie is het ontwikkelen van een goed en breed aanbod in verblijfsrecreatie en inzet op verblijfsrecreatieve voorzieningen voor nachtverblijf. Dit met het oog op een langer verblijf van gasten in de gemeente.

Vanuit de ambitie 'versterken naar een robuuste landschapsstructuur' geldt tegelijkertijd wel dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden ingepast en moeten aansluiten bij de karakteristieken van het landschappelijke deelgebied, waarin ze plaatsvinden. Voor de pijler Werkklimaat zijn 'ruimte voor de ondernemer' en 'inzet op kansrijke sector toerisme' als ambitie benoemd. Aangegeven is dat de toeristische potenties reeds beschreven zijn bij de pijler Leefomgeving. Ambitie voor de pijler Voorzieningenaanbod is onder meer behoud van een breed voorzieningenaanbod. Vanuit deze ambitie worden kwalitatieve verbeteringen van bestaande voorzieningen dan ook toegejuicht. Planspecifiek In vorig onderdeel van deze paragraaf is beschreven dat en waarom dit bestemmingsplan aansluit bij de koers en ambities van de Strategische Visie Groesbeek 2025. De Structuurvisie Groesbeek 2025 is de ruimtelijke vertaling van de strategische visie. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan ook passend is binnen de ambities voor de pijlers Leefomgeving, Werkklimaat en Voorzieningenaanbod, zoals zij in de Structuurvisie Groesbeek 2025 zijn geconcretiseerd. Zoals al toegelicht in vorig onderdeel van deze paragraaf, kan op basis van het bestemmingsplan een bijdrage worden geleverd aan een toename van recreatie en toerisme en het verder uitbouwen van het imago als uitstekende recreatiegemeente.

Dit mede doordat de verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden voor centrale en andere voorzieningen en recreatiemiddelen in functioneel opzicht leiden

Recreatieterrein de Oude Molen

29

tot een kwaliteitsverbetering van het aanbod aan verblijfsrecreatieve voorzieningen en meer diversiteit in overnachtingsmogelijkheden. Ook ziet het plan er op toe dat de kwaliteiten van het landschap worden benut, zonder daaraan afbreuk te doen, en beoogd het een hogere ruimtelijke kwaliteit te realiseren. 3.3.4 Geldend bestemmingsplan Tot de inwerkingtreding van onderhavig bestemmingsplan geldt voor het grootste deel van het plangebied het bestemmingsplan 'De Zeven Heuvelen e.o.'. Dit plan is op 21 februari 2008 vastgesteld voor het gebied met diverse recreatieve functies en het woonbuurtje Jonkershof, gelegen te midden van de Wylerbaan, Molenweg en de Cranenburgsestraat. Op 5 april 2012 is voor het perceel Wylerbaan 2 het gelijknamige bestemmingsplan vastgesteld. De ongeveer 5 meter brede strook grond, die het middengedeelte en de noordzijde van het campingterrein met elkaar verbindt, heeft op grond van het plan 'Wylerbaan 2' de bestemming 'Wonen'. De aparte toegangsweg vanaf de Wylerbaan naar de vrijstaande beheerderswoning en de noordzijde van het campingterrein valt volgens het bestemmingsplan 'De Zeven Heuvelen e.o.' binnen de bestemming 'Maatschappelijke doeleinden' voor het Nationaal Bevrijdingsmuseum. Voorts bestemt dit plan de gronden van Recreatieterrein de Oude Molen voor 'Recreatieve verblijfsdoeleinden'.

Uit de bijbehorende voorschriften volgt dat de gronden ter plaatse het recreatieterrein, die bestemd zijn voor 'Recreatieve verblijfsdoeleinden', bestemd zijn voor een recreatieterrein en, binnen de desbetreffende bebouwingszone of aanduiding op de plankaart, voor centrale voorzieningen, ondersteunende horeca, maximaal één bedrijfswoning, recreatiewoningen of de aanleg en instandhouding van afschermend groen. De in deze voorschriften vervatte bestemmingsregeling is hierna kort verder toegelicht. Voorzieningen Ter plaatse van het recreatieterrein zijn op de plankaart bebouwingszones met de aanduidingen 'RV1', 'RV3' en 'RV3' aangegeven (donker groene vlakken), alsmede 10 bebouwingszones zonder nadere aanduiding op het noordelijk deel van het terrein. Binnen die zones bestaan uitsluitend de volgende bouwmogelijkheden:  'RV1': hoofd- en bedrijfsgebouwen ten behoeve van centrale voorzieningen, ondersteunende horeca, één bedrijfswoning, kelders, aan-, uit- en bijgebouwen, andere bouwwerken;  'RV2': één bedrijfswoning, kelders, aan-, uit- en bijgebouwen, andere bouwwerken;  'RV3': hoofd- en bedrijfsgebouwen ten behoeve van centrale voorzieningen, kelders, aan-, uit- en bijgebouwen, andere bouwwerken;  'zonder nadere aanduiding': recreatiewoningen. Desbetreffende bebouwingszones mogen alle worden bebouwd tot een bebouwingspercentage van 100%.

De bestaande hoofd- en bedrijfsgebouwen en (inpandige) bedrijfswoningen nemen reeds 100% van de aanwezige oppervlakte binnen de zones met de aanduidingen 'RV1', 'RV2' en 'RV3' in beslag. Buiten bovengenoemde bebouwingszones zijn, voor zover de gronden op de plankaart aangegeven zijn als 'zone tussen bebouwingsgrenzen' (fel groene vlakken), ten behoeve van voorzieningen nog aan-, uit- en bijgebouwen toegestaan. Het maximum bebouwingspercentage voor deze zone 5%. Dit percentage wordt in de bestaande situatie reeds overschreden. De maximum goot- en bouwhoogten zijn per zone vastgelegd in de voorschriften.

30

Recreatieterrein de Oude Molen

Uitsnede plankaart bestemmingsplan De Zeven Heuvelen e.o.

Recreatiemiddelen Alle gronden mogen worden gebruikt voor het plaatsen van kampeermiddelen. Stacaravans (chalets zijn niet genoemd) zijn echter alleen toegestaan ter plaatse van eerdere genoemde de op de plankaart aangegeven 'zone tussen bebouwingsgrenzen'. Het maximum bebouwingspercentage voor die zone van 5% wordt als gezegd in de bestaande situatie reeds overschreden. Recreatiewoningen zijn als gezegd uitsluitend binnen de 10 bebouwingszones zonder nadere aanduiding toegestaan. Binnen de zones zijn nog geen recreatiewoningen gebouwd, al is in het verleden voor de bouw daarvan wel reeds een bouwvergunning verleend. Qua maatvoering is voor recreatiewoningen een maximum oppervlakte van 100 m2, een maximum inhoud van 300 m3, een maximum goothoogte van 3 meter en een maximum bouwhoogte van 7 meter toegestaan. Het middengedeelte en de noordzijde van het campingterrein vallen binnen de op de plankaart aangegeven 'zone geen gebouwen' toegestaan (licht groene vlakken). Ter plaatse van het middengedeelte is het gelet de aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid II' op de plankaart (rood kader met een II) mogelijk om het plan te wijzigen ten behoeve van de bouw van maximaal 34 recreatiewoningen.

Recreatieterrein de Oude Molen

31

De gronden ter plaatse van het bungalowpark 'De Zeven Heuvelen' die eigendom zijn van de eigenaar van Recreatieterrein de Oude Molen vallen binnen de op de plankaart aangegeven aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid I' (rood kader met een I). Voor de binnen deze aanduiding gelegen gronden is het mogelijk het plan te wijzigen ten behoeve van de bouw van maximaal 11 recreatiewoningen. Omdat een deel van de gronden binnen de aanduiding andermans eigendom zijn en één van de voorwaarden is dat de in aanzet aanwezige ruimtelijke structuur van het bungalowpark moet worden voortgezet, kunnen ter plaatse van de bij de eigenaar van Recreatieterrein de Oude Molen in eigendom zijnde gronden niet alle 11 recreatiewoningen mogelijk worden gemaakt. Groen Op de plankaart is met een aanduiding 'beplantingswal' nader aangegeven welke gronden bestemd zijn voor de aanleg en de instandhouding van afschermend groen. Aan deze aanduiding zijn overigens geen voorschriften verbonden. Planspecifiek De gebruiks- en bouwmogelijkheden, die het bestemmingsplan 'De Zeven Heuvelen e.o.' biedt ter plaatse van Recreatieterrein de Oude Molen, zijn sterk geënt op het bestaande gebruik en de bestaande bebouwing ten tijde van de vaststelling van het plan. De bestemmingsregeling van dit plan is daardoor behoorlijk stringent.

Consequentie is dat deze zeer beperkte mogelijkheden biedt om de bedrijfsvoering aan te passen aan de huidige vraag vanuit de toeristisch-recreatieve markt en om goed in te spelen op toekomstige veranderingen. Een normale, meer dynamische bedrijfsvoering en -ontwikkeling is niet goed mogelijk. De recente uitbreiding van groepsaccommodatie Old Mill is om het voorgaande dan ook vergund en gerealiseerd via een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing een buitenplanse kleine afwijking afgeweken is van het bestemmingsplan. De beoogde uitbreidingen van de hoofdgebouwen voor centrale en sanitaire voorzieningen en de werkplaats/loods kunnen ook niet passend binnen het bestemmingsplan 'De Zeven Heuvelen e.o.' worden gerealiseerd. De in het plan vervatte bestemmingsregeling staat ook niet toe dat naast kampeermiddelen als tenten, vouwwagens en caravans ook stacaravans, chalets en recreatiewoningen overal op de recreatief bestemde gronden geplaatst en/of gebouwd mogen worden. Stacaravans en recreatiewoningen zijn slechts op bepaalde delen van het recreatieterrein toegestaan. Daarbij kan het vervangen van bestaande stacaravans en het toevoegen van nieuwe stacaravans (of chalets) niet vergunningvrij plaatsvinden.

Omdat reeds bij de vaststelling van het plan het maximum bebouwingspercentage van 5% voor dat deel van het recreatieterrein waar stacaravans zijn toegestaan overschreden werd, is elk hierop betrekking hebbend bouwplan op dit punt in strijd met het bestemmingsplan 'De Zeven Heuvelen e.o.' en dientengevolge vergunningplichtig wat betreft planologisch strijdig gebruik. Om de beoogde bouwmogelijkheden planologisch-juridisch mogelijk te maken en flexibiliteit vast te leggen ten aanzien van het overal op het terrein (vergunningvrij) kunnen plaatsen of bouwen van recreatiemiddelen, dient de in het bestemmingsplan 'De Zeven Heuvelen e.o.' vervatte bestemmingsregeling voor Recreatieterrein de Oude Molen gewijzigd te worden. Met voorliggend plan worden voor het aangegeven plangebied de bestemmingsplannen 'De Zeven Heuvelen e.o.' en 'Wylerbaan 2' partieel herzien.

32

Recreatieterrein de Oude Molen

Hoofdstuk 4

Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1

Milieu

4.1.1 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een bestemmingswijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit geen belemmering is voor de beoogde bestemming(en) van het plangebied. Planspecifiek Met voorliggend bestemmingsplan blijft het overgrote deel van de gronden binnen het plangebied bestemd voor gebruik ten behoeve van verblijfsrecreatie. Voor het grootste deel van het plangebied wijzigt de bestemming dan ook niet als het gaat om het beoogde en toegestane gebruik. Voor de gronden waarvan het beoogde en toegestane gebruik wel wijzigt, wordt het gebruik verblijfsrecreatie in plaats van wonen en een maatschappelijke functie (te weten ter plaatse van het bestaande pad aan de oostzijde en de bestaande toegang naar de bedrijfswoning). Voor zover qua gebruik van een bestemmingswijziging sprake is, ziet deze derhalve niet op een gevoeliger bestemming in de zin van kwaliteit van bodem en grondwater.

De binnen het plangebied gelegen gronden zijn voorts al sinds de jaren '80 of langer bestemd en in gebruik voor verblijfsrecreatie, wonen en een maatschappelijke functie. Gelet hierop mag redelijkerwijs worden aangenomen dat de gronden geschikt zijn voor het gebruik ten behoeve van verblijfsrecreatie en dat er geen bodemonderzoek noodzakelijk is in het kader van dit bestemmingsplan. Het plan mag uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het aspect bodem. 4.1.2 Lucht In de Wet milieubeheer gaat titel 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen projecten die 'in betekenende mate' en die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM).

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. Projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling NIMB. Toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit kan achterwege blijven, als men op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen (de NIBM-tool van Infomil) aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt.

Recreatieterrein de Oude Molen

33

Planspecifiek In relatie tot de categorieën van projecten, genoemd in de Regeling NIBM, kan onderhavig bestemmingsplan worden aangemerkt als een project van geringe omvang. Verder is het recreatieterrein met de geboden verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden ook niet dusdanig intensiever te benutten voor het bieden van mogelijkheden voor recreatief nachtverblijf, dat het plan een toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg heeft welke nader onderzoek vereist naar de bijdrage daarvan aan verslechtering van de luchtkwaliteit. In paragraaf 2.3 is toegelicht dat de theoretische maximale invulling volgens onderhavig plan 357 kampeerkavels voor stacaravans omvat en dat een toename van 17 kavels inhoudt vergeleken met de huidige situatie van 340 kampeerplaatsen. Op basis van de kengetallen, opgenomen in Publicatie 317 van het CROW, kan redelijkerwijs worden verondersteld dat elke extra kavel dagelijks tot maximaal 2,3 extra verkeersbewegingen zal leiden. In het geval van Recreatieterrein De Oude Molen is de verkeersgeneratie per recreatiemiddel in feite gelijk te stellen met die per bungalow van een bungalowpark, gelegen in 'weinig stedelijk' gebied en in 'rest bebouwde kom'. In totaal resulteert dit in 39 extra verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van het plan.

Op basis van een worst-case berekening met behulp van de NIBM-tool van Infomil is hierdoor het volgende te concluderen:

De bijdrage van onderhavig bestemmingsplan aan verslechtering van de luchtkwaliteit is derhalve dusdanig gering, dat deze niet in betekenende mate bijdraagt. Het plan is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van dit aspect. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):  woningen;  geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);  andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): - verzorgingstehuizen; - psychiatrische inrichtingen; - medische centra; - poliklinieken; - medische kleuterdagverblijven. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai,

34

Recreatieterrein de Oude Molen

wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Recreatieterreinen als Recreatieterrein de Oude Molen en de bijbehorende gebouwen voor recreatief nachtverblijf en centrale en andere voorzieningen worden niet beschouwd als geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wgh. De door dit bestemmingsplan geboden verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden voor voorzieningen en recreatief nachtverblijf hoeven dan ook niet aan het bepaalde in de Wgh te worden getoetst. Aangezien voorts met het plan de (toegestane) situering van de bestaande bedrijfswoningen niet wordt gewijzigd, is geen toetsing nodig in het kader van de Wgh. Het voorliggende bestemmingsplan is uitvoerbaar in het kader van de Wet geluidhinder. 4.1.4 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om hinder en gevaar te voorkomen en dus te kijken naar hoe milieubelastende en milieugevoelige functies ten opzichte van elkaar gesitueerd zijn. Dit is zowel van belang vanuit een functie zelf gezien als gedacht vanuit de omgeving. Door middel van milieuzonering in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening én de geurcontouren en vaste afstanden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij is dit geregeld. De vragen daarbij zijn: 1.

Geeft een milieubelastende functie geen c.q. niet teveel hinder en/of overlast voor de omgeving en is er geen c.q. niet te veel hinder en/of overlast van de omgeving op een milieugevoelige functie? 2. Is c.q. blijft er voor de functie zelf en functies in de omgeving sprake van een goed of aanvaardbaar woonen leefklimaat? Planspecifiek Uit het oogpunt van milieuzonering is de Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van belang. Deze handreiking van de VNG geeft indicatieve richtafstanden voor milieubelastende functies (zoals bedrijven) tot milieugevoelige functies (zoals woningen). Recreatieterrein de Oude Molen kan worden beschouwd als een bedrijf, vallend onder SBI-codes 553 en 552: Kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. (met keuken). Zo'n bedrijf valt onder milieucategorie 3.1. De aan te houden indicatieve richtafstand tot een rustige woonwijk bedraagt voor het aspect geluid 50 m en voor de aspecten geur en gevaar 30 m. Het plangebied en zijn directe omgeving, zijnde het gebied met meerdere recreatieve functies gelegen te midden van de Wylerbaan, Molenweg en de Cranenburgsestraat alsook aan de overzijde van de Wylerbaan, is echter te kenschetsen als een gemengd gebied. Dit gebied betreft geen rustige woonwijk zoals de Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' die omschrijft.

Voor gemengde gebieden mag qua indicatieve richtafstand een afstand van één niveau lager worden aangehouden. Wat onderhavig recreatieterrein betreft komt dat dan neer op een richtafstand van 30 m voor geluid en 10 m voor geur en gevaar. Te constateren valt dat in de huidige situatie de afstand van de grenzen van het recreatieterrein tot in het gemengd gebied dan wel een rustige woonwijk gelegen woningen en/of andere functies reeds minder bedraagt dan de indicatieve richtafstand van 30 resp. 50 m. Dit geldt wat betreft de afstand van 30 m voor onder meer voor de woningen in het noordelijk deel van het woonbuurtje Jonkershof, de woningen aan de Molenweg 46 en 46a en Wylerbaan 1, 1d, 2, 2f en 2g en de andere maatschappelijke en recreatieve functies in de directe omgeving van het plangebied. Aan de richtafstand van 50 m wordt alleen niet voldaan ten opzichte van de woningen aan de Molenweg 21a en 23 en de naastgelegen maatschappelijke functies. Met dit bestemmingsplan wordt de recreatieve bestemming voor Recreatieterrein de Oude Molen echter niet wezenlijk in omvang vergroot. De afstand van de grens van deze bestemming tot desbetreffende woningen en/ of andere functies wordt dan ook niet verkleind, behalve dan dat bij de woningen Wylerbaan 2, 2f en 2g en het Nationaal Bevrijdingsmuseum de hier gelegen (toegangs)paden nu ook meegenomen worden in de

Recreatieterrein de Oude Molen

35

bestemming Recreatie. De ligging van deze paden blijft echter onveranderd. Voorts kunnen de bedrijfsgebouwen, bouwwerken voor recreatief nachtverblijf en kampeermiddelen volgens dit plan in alle gevallen niet op kleinere afstand van de woningen en andere functies in de directe omgeving worden gebouwd of geplaatst dan in de huidige situatie al volgens het bestemmingsplan mogelijk en toegestaan is. Aanvullend is een regeling opgenomen dat rondom het perceel Wylerbaan 2-2f-2g een zone van 8 meter ligt waarbinnen geen recreatiewoningen mogen worden gebouwd en de voorwaardelijke verplichting dat deze met een 3 meter breden groenzone worden afgeschermd. Gelet hierop kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de recreatieve bestemming van het recreatieterrein geen gevolgen hebben als het gaat om hinder en/of overlast en het woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen en andere functies. Het behoud van de huidige situatie wat dit betreft is voldoende gewaarborgd. Zoals beschreven in de vorige paragraaf is Recreatieterrein de Oude Molen geen geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het recreatieterrein echter, onder meer ten aanzien van geluid, wel beschouwd te worden als een milieugevoelige functie.

Het betreft een functie waar met regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven. Op basis van de thans optredende stofuitstoot, geluids- en geurbelasting en kans op ongelukken vanwege de in de nabijheid aanwezige milieubelastende functies en wegen kan redelijkerwijs worden verondersteld, dat ter plaatse van het recreatieterrein sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor verblijfsrecreatie. Voor het aspect geur van veehouderijen in de omgeving van het plangebied is de aanwezigheid van een goed leefklimaat ter plaatse van Recreatieterrein de Oude Molen ook bevestigd door de van de Geurgebiedsvisie Groesbeek 2009 deel uitmakende kaart van de bestaande achtergrondbelasting in Groesbeek anno 2009. De navolgende uitsnede van deze kaart toont dat het plangebied niet gelegen is in de directe nabijheid van intensieve veehouderijen en dat in de doorgerekende situatie de geurbelasting ter plaatse van het plangebied een zodanige waarde heeft dat het woon- en leefklimaat er goed is.

Uitsnede kaart Geurgebiedsvisie Groesbeek 2009

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

36

Recreatieterrein de Oude Molen

4.1.5 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR). Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd. Planspecifiek Via de site Risicokaart.nl kan worden vastgesteld of er in de directe omgeving van een plangebied inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een screenshot van de Risicokaart (het plangebied is groen omkaderd).

Bron: www.risicokaart.nl

Op de kaart is te zien dat aan de Nieuweweg een tankstation met LPG is gevestigd, waarvan het vulpunt en reservoir echter aan de Zevenheuvelenweg liggen. Zichtbaar is ook dat de in dit bestemmingsplan opnieuw vast te leggen (verblijfs)recreatieve bestemming gelegen is buiten de grens van de inrichting en de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jr. De onderlinge afstand bedraagt circa 200 m. Het rapport "Inventarisatie van knelpunten in relatie tot het groepsrisico van gemeentelijke inrichtingen gemeente Groesbeek" (9R5759.01, Royal Haskoning, 30 december 2005) bevat een tekening, waarop naast de plaatsgebonden risicocontour ook het invloedsgebied van het GR nader inzichtelijk is gemaakt. De hierna volgende afbeelding is een uitsnede van deze tekening.

Recreatieterrein de Oude Molen

37

Bron: Royal Haskoning, 30 december 2005

Op basis van de tekening uit betreffend rapport blijkt dat het plangebied en de (verblijfs)recreatieve bestemming niet alleen buiten de plaatsgebonden risicocontour zijn gelegen, maar ook buiten het invloedsgebied van het groepsrisico. Ten zuidoosten van het plangebied is bij het zwembad De Lubert de opslag van chloor aangemerkt als risicovolle inrichting. Dit betreft geen BEVI inrichting en er is geen QRA (kwalitatieve analyse) verplicht, er zijn derhalve geen risicocontouren vastgesteld. Er is geen formeel rekenvoorschrift om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van het zwembad te kunnen toetsen. Een verantwoording van het groepsrisico is op basis van de risicokaart niet verplicht voor onderhavige inrichting. In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (VNG uitgave maart 2009) geldt voor een overdekt zwembad een richtafstand voor gevaar van 10 meter. Onderhavig plan is op 250 meter gelegen. Hiermee ligt de inrichting op voldoende ruime afstand tot het plangebied. Verder is op te maken dat zich in de directe omgeving geen activiteiten met opslag en/of transport van gevaarlijke stoffen bevinden. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg. Dit geldt noch voor het plaatsgebonden risico noch voor het groepsrisico.

38

Recreatieterrein de Oude Molen

4.2

Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Derhalve dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt onder andere beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. 4.2.1 Beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater.

Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is, wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016 - 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 22 december 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' bepalend voor het waterbeleid van waterschap Rivierenland. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het Waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe het dat wil doen. Speerpunten zijn bescherming tegen overstromingen (veel dijkverbeteringen), innovatie bij de zuivering van afvalwater en een

Recreatieterrein de Oude Molen

39

klimaatbestendig watersysteem (onder andere beperken van wateroverlast). Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Waterplan Groesbeek (2008) Het doel van het waterplan Groesbeek is te komen tot een gezond en veerkrachtig watersysteem binnen de gemeentegrenzen met een concreet uitvoeringsprogramma als eindresultaat. Hierbij zijn goede afspraken gemaakt tussen gemeente, waterschap en andere betrokken partijen over de uitvoering, planning en financiering van de voorgenomen maatregelen. Het leeuwendeel van de maatregelen richt zich op de beleving en het bergen van regenwater. Het meest effectief is het zoveel mogelijk afkoppelen van regenwater door infiltratie, omdat de bodemgesteldheid hiervoor bijzonder geschikt is. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. 4.2.2 Planspecifiek De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets van Waterschap Rivierenland. Er is gekeken naar de toename verhard oppervlak, de gevolgen voor de waterkwaliteit en of het plangebied ligt in een beschermd watergebied. Op basis van de toename verhard oppervlak is voor het plan de 'normale' procedure van toepassing. In dit geval worden er in een gegenereerde notitie geen specifieke aandachtspunten aangereikt en is een overleg met de accountmanager niet nodig. Het plan is in dit geval niet relevant voor de belangen van het waterschap (watertoetsadvies). De volgende aspecten zijn getoetst middels de digitale watertoets. Veiligheid In het plangebied zijn geen kern- en/of beschermingszone van een waterkering gelegen. Grondwater De grondwaterstand wordt mede bepaald door de drooglegging van een gebied. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt.

Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Er is in het gebied geen grondwateroverlast bekend. Bovendien is het plan niet nabij een rivier gelegen waardoor er kwel kan optreden. Waterberging en waterkwaliteit Het voorliggende bestemmingsplan biedt binnen het plangebied verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden. Verondersteld moet worden dat met de verwezenlijking van deze mogelijkheden overeenkomstig de in het plan opgenomen kaders het verhard oppervlak ter plaatse van het recreatieterrein toe zal nemen ten opzichte van de huidige situatie. In de huidige situatie zijn grote terreingedeelten immers onverhard, omdat ze in gebruik zijn als kampeerplaatsen voor tenten en caravans. Dit plan maakt over het gehele recreatieterrein toevoeging of vervangende nieuwbouw van gebouwde recreatiemiddelen als stacaravans, chalets en

40

Recreatieterrein de Oude Molen

recreatiewoningen mogelijk. Daarnaast voorziet het in uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande (hoofd)gebouwen voor voorzieningen. Uitgangspunt van het beleid van het waterschap is dat de realisatie van nieuw verhard oppervlak waterneutraal wordt uitgevoerd. Dit betekent voor dit bestemmingsplan dat nagegaan moet worden hoe de mogelijke toename aan verhard oppervlak als gevolg van het plan binnen het plangebied gecompenseerd kan worden door er voorzieningen voor extra waterberging te treffen. Ten behoeve hiervan is hierna eerst de mogelijke toename inzichtelijk gemaakt middels een inschatting van de oppervlakte aan bebouwing en verharding in de huidige situatie (op basis van de bestaande inrichting van het recreatieterrein) en de toekomstige situatie (op basis van de maximale mogelijkheden volgens voorliggend plan). Vervolgens zijn de waterbergingsmogelijkheden en de wijze van uitvoering beschreven.

oppervlakteanalyse huidige situatie

Recreatieterrein de Oude Molen

41

Oppervlakte verharding huidige situatie Bedrijfsgebouwen: Verharding: Stacaravan kavels 78 stuks*120: Chalets kavels 44 stuks*180: Totaal verharding:

1.821 m2 8.745 m2 9.360 m2 7.920 m2 27.846 m2

Het aantal stacaravans en chalets in bovenstaande berekening is gebaseerd op de plattegrond zoals weergegeven in paragraaf 2.1. De oppervlakte per kavel betreft een gemiddelde kavelgrootte in de huidige situatie gebaseerd op (lucht)foto's. Oppervlakte verharding toekomstige situatie Uitgangspunt voor de toekomstige situatie is dat het recreatieterrein (73.876 m2) voor ten minste 35% onverhard en onbebouwd dient te blijven. In voorliggend bestemmingsplan is dit vastgelegd door in de regels op te nemen dat de gezamenlijke oppervlakte aan bouwwerken en verharding maximaal 0,65 hectare mag beslaan van iedere hectare recreatieterrein. Dit geldt niet voor de gronden, ter plaatse waarvan een bouwvlak is vastgelegd en daardoor hoofd- en andere gebouwen voor voorzieningen zijn toegestaan (8.607 m 2). Die gronden mogen tot 100% bebouwd en verhard worden. Dientengevolge kan op basis van de door dit bestemmingsplan geboden verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden het feitelijk verhard oppervlak ter plaatse van het terrein theoretisch toenemen tot 51.032 m2 (65% van 65.629 m2 plus 8.607 m2). De toename verhard oppervlak als gevolg van dit plan bedraagt derhalve maximaal 23.186 m 2.

Hoewel het als nader toegelicht in paragraaf 2.3 redelijkerwijs niet aannemelijk is dat deze toename werkelijk gerealiseerd zal worden, geldt dit worst-case scenario volgens het beleid van het Waterschap Rivierenland wel als uitgangspunt als het gaat voor de benodigde compenserende waterberging. Waterbergingsmogelijkheden Het terrein is door de zandige ondergrond en de diepe grondwaterstand geschikt om het hemelwater te bergen op eigen terrein en te laten infiltreren. Het hemelwater kan infiltreren ter plaatse van de onverharde kampeerplaatsen en de onbebouwde en onverharde delen van de kampeerkavels. Daarnaast fungeren de centraal gelegen groen- en/of speelplekken (op de oppervlakteanalyse aangegeven met donkerblauw) in het bijzonder als bufferzones voor het opvangen en bergen van hemelwater. Zo wordt het ter plaatse van het hoofdgebouw met centrale voorzieningen vallende hemelwater afgevoerd naar de naastgelegen grote speelplek. En direct ten oosten van de locatie van de loods voor opslag en stalling van materiaal en machines ligt een groenplek om het van het dak van deze loods afkomstige hemelwater op te vangen en te laten infiltreren. In de toekomstige situatie kunnen meer van dergelijke plekken gerealiseerd worden.

De oostelijke randen van het recreatieterrein zijn het meest geschikt om deze voorzieningen voor extra waterberging te realiseren, aangezien dit de laagst gelegen delen van het terrein zijn. De exacte locatie is echter niet op voorhand aan te geven, omdat deze afhangt van de daadwerkelijke inrichting van het terrein. Locatie en omvang van de voorzieningen voor extra waterberging zullen dan ook worden bepaald bij verwezenlijking van de door onderhavig plan geboden verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden. Recreatieterrein De Oude Molen ligt aan de rand van de kern Groesbeek (binnen de bebouwde kom) en daarmee in stedelijk gebied. Volgens het beleid van het waterschap geldt bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied een eis van 436 m3 berging per hectare verhard oppervlakte bij waterberging in open water of in ondergrondse bergingskratten en een eis van 664 m 3 berging per hectare verhard oppervlak bij overige bergingsvormen als grindkoffers, zandbakken, groene infiltratiezones en/of wadi's.

42

Recreatieterrein de Oude Molen

Bij een maximale invulling van de door het plan geboden gebruiks- en bouwmogelijkheden en uitgaande van en toepassing van alleen grindkoffers, zandbakken, groene infiltratiezones en/of wadi's resulteren deze eisen in een benodigde extra waterberging van maximaal 1.506 m3 ((23.186 m2 - 500 m2) x 0,0664 m3/m2). Uitgaande van een bergingsdiepte van 0,3 m komt dit neer op een ruimtebeslag van ca. 5.021 m 2. Het plangebied heeft met ca. 7,4 hectare een dusdanig grote omvang dat daarvoor ook bij maximale invulling van de gebruiks- en bouwmogelijkheden ruimschoots voldoende ruimte beschikbaar is. Om realisatie van de extra waterberging, die in relatie tot de werkelijk gerealiseerde toename verhard oppervlak vereist is, te verzekeren, is in de regels van het plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Gezien het bovenstaande is het voorliggende bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van de noodzakelijke extra waterberging en de waterkwaliteit. De uitvoerbaarheid is tevens voldoende in het plan verankerd. Watergangen Binnen het plangebied liggen geen A, B of C-watergangen of beschermingszones van een watergang. Riolering en zuiveringswerken In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. In de huidige situatie zijn er twee hoofdaansluitingen voor het rioolwater.

In paragraaf 2.3 is nader toegelicht dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat het recreatieterrein als geheel met de door dit plan geboden verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden niet significant intensiever benut zal worden voor het bieden van mogelijkheden voor recreatief nachtverblijf en de gebruikersintensiteit in wezen gelijk blijft. Verondersteld kan worden dat de hoeveelheid afvalwater niet dusdanig zal toenemen dat de twee bestaande hoofdaansluitingen en het bestaande rioolsysteem niet meer toereikend zijn. Conclusie Het hemelwater wordt afgekoppeld, conform het gemeentelijke beleid. Er zijn genoeg mogelijkheden om water te bergen op eigen terrein. Daarnaast ligt het niet in een beschermingswaardig gebied of in de buurt van belangrijke watergangen. Op het gebied van het aspect water is het plan dan ook uitvoerbaar.

4.3

Verkeer en parkeren

Om de beoordelen of met dit bestemmingsplan sprake is van een goede ruimtelijke ordening, is ook het effect van het project op de verkeersstructuur en het parkeren van belang. Planspecifiek Verkeer In paragraaf 2.3 is toegelicht dat de theoretische maximale invulling volgens onderhavig plan 357 kampeerkavels voor stacaravans omvat en dat dit een toename van 17 kavels inhoudt vergeleken met de huidige situatie van 340 kampeerplaatsen. Op basis van de kengetallen, opgenomen in Publicatie 317 van het CROW, kan redelijkerwijs worden verondersteld dat elke extra kavel dagelijks tot maximaal 2,3 extra verkeersbewegingen zal leiden. In het geval van Recreatieterrein De Oude Molen is de verkeersgeneratie per recreatiemiddel in feite gelijk te stellen met die per bungalow van een bungalowpark, gelegen in 'weinig stedelijk' gebied en in 'rest bebouwde kom'. In totaal resulteert dit in 39 extra verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van het plan. Deze toename is in verhouding tot de bekende verkeersintensiteiten van de Wylerbaan, Nieuweweg en Molenweg niet significant, aangezien het aantal verkeersbewegingen per etmaal over deze wegen respectievelijk ca. 4.700, 8.500 en 12.700 motorvoertuigen bedraagt (tellingen 2010).

Daarbij betreft deze toename een worst-case scenario, zoals eveneens toegelicht in paragraaf 2.3 is het redelijkerwijs aannemelijk dat de toename van 17 kampeerkavels en daarmee 39 extra verkeersbewegingen in de praktijk niet gerealiseerd zullen worden. Bovendien zal het extra verkeer zich over betreffende wegen verdelen.

Recreatieterrein de Oude Molen

43

Gezien het voorgaande is het niet noodzakelijk de verkeersstructuur aan te passen. De ontsluiting van het recreatieterrein zal ongewijzigd plaatsvinden via de Wylerbaan. Door de eigenaar van het terrein is onderzocht of er nog een in-/uitrit kan worden toegevoegd, omdat de huidige hoofdentree soms tot lastige manoeuvreersituaties leidt. Dit is echter fysiek en financieel niet haalbaar gebleken. De bestaande hoofdentree en de aparte toegangsweg tot de vrijstaande beheerderswoning en de noordzijde van het terrein blijven als zodanig in stand. Parkeren Uitgangspunt van het gemeentelijk ruimtelijk beleid is dat op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. In de huidige situatie is dat wat Recreatieterrein De Oude Molen betreft het geval. In de huidige situatie is ter plaatse van de elke kampeerplaats één parkeerplaats aanwezig en/of kan ter plaatse van de centraal gelegen groenplekken nabij de kampeerplaats worden geparkeerd. Daarnaast zijn bij de hoofdentree van het recreatieterrein en het hoofdgebouw voor centrale voorzieningen parkeerplaatsen beschikbaar voor gasten van de groepsaccommodaties en tijdelijk parkeren bij aankomst op het recreatieterrein.

Eén parkeerplaats bij ieder recreatiemiddel en een centrale parkeervoorziening ten behoeve van onder meer de groepsaccommodaties en parkeren bij aankomst gelden ook als uitgangspunten voor de toekomstige situatie. Zoals nader toegelicht in paragraaf 2.3 zal het recreatieterrein als geheel met de door dit bestemmingsplan geboden verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden niet significant intensiever worden benut voor het bieden van mogelijkheden voor recreatief nachtverblijf. Ook blijft de gebruikersintensiteit in wezen gelijk. Derhalve mag worden verondersteld dat het mogelijk blijft op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te voorzien. Om met het plan te waarborgen dat de nodige parkeerplaatsen gerealiseerd worden en behouden blijven, zijn in de regels ook eisen gesteld omtrent het parkeren voor de bestaande groepsaccommodaties, kampeerplaatsen en bedrijfswoningen en bij het toevoegen en/of vervangende nieuwbouw van gebouwde recreatiemiddelen. Voor de opgenomen parkeernormen is aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers uit Publicatie 317 van het CROW. Omdat het de verwachting is dat het terrein geleidelijk transformeert naar een terrein met vooral stacaravans, chalets en recreatiewoningen, is voor kampeerplaatsen en gebouwde recreatiemiddelen aangesloten bij de normen voor een bungalowpark, gelegen in 'weinig stedelijk' gebied en 'rest bebouwde kom'.

Behalve de eisen aan het parkeren ziet het plan er ook op toe dat in de toekomstige situatie voldoende ruimte voor het parkeren beschikbaar is en blijft ter plaatse van zowel de kampeerkavels zelf als het recreatieterrein als geheel. Met de maatvoeringseisen aan gebouwde recreatiemiddelen en de bijbehorende kampeerkavel is vastgelegd dat een kampeerkavel voldoende omvang heeft om naast het recreatiemiddel en groene inpassing ook minimaal één parkeerplaats te kunnen realiseren. En dat er naast kampeerplaatsen en -kavels centraal gelegen plekken zijn, waar onder meer enkele gemeenschappelijke parkeerplaatsen mogelijk zijn. Vanuit oogpunt van verkeer en parkeren is dit bestemmingsplan uitvoerbaar.

4.4

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

44

Recreatieterrein de Oude Molen

Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Het plangebied maakt geel deel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Onderstaande afbeelding laat de Natura 2000-gebieden in de omgeving zien. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het gebied De Bruuk, op een afstand van ca. 2,2 km. De bossen ten westen en noorden van Groesbeek behoren tot het Gelders Natuurnetwerk, maar deze liggen dus ook op afstand.

Ligging plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden

Recreatieterrein de Oude Molen

45

Met voorliggend plan wordt de recreatieve bestemming voor Recreatieterrein de Oude Molen niet wezenlijk in omvang vergroot en kan redelijkerwijs worden verondersteld dat de in het plan voorziene verruimde gebruiksen bouwmogelijkheden niet zullen leiden tot verstoring van de habitats in deze beschermde gebieden. Stikstof Een toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg en het gebruik van een nieuw ruimtelijk plan kan mogelijk wel tot op grotere afstand effect hebben op beschermde natuurgebieden. Daarom is een Voortoets stikstofdepositie uitgevoerd, waarbij de mogelijke ontwikkelingen in voorliggend plan zijn doorgerekend. Gerekend is met een worst-case scenario, waarbij binnen 10 jaar de centrale voorzieningen maximaal worden uitgebreid en er 221 recreatiewoningen gerealiseerd worden (de grootste en qua bouwwijze meest intensieve van de toegestane recreatiemiddelen). De rapportage van de stikstofberekening is opgenomen in bijlage 2. De conclusie is dat, zowel de aanleg als het gebruik, geen bijdrage aan de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Er is dus geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de beschermde gebieden. Het plangebied is bovendien gelegen buiten het Nationale Landschap Gelderse Poort. Als het om gebiedsbescherming gaat, mag dit bestemmingsplan dan ook uitvoerbaar worden geacht.

Soortenbescherming Met voorliggend bestemmingsplan wordt de recreatieve bestemming voor Recreatieterrein de Oude Molen niet wezenlijk in omvang vergroot. Ook kan in casu redelijkerwijs worden aangenomen dat de verwezenlijking van de binnen de bestemming geboden verruimde gebruiks- en bouwmogelijkheden niet tot ingrepen zal leiden die mogelijk kunnen leiden tot verstoring van verblijfplaatsen en/of foerageergebieden van beschermde soorten. Dit nu:  niet voorzien is dat bestaande gebouwen gesloopt zullen worden, die mogelijk een geschikte verblijfsplaats zijn voor vleermuizen of andere beschermde soorten;  geen kap is beoogd van de bestaande bomen(rijen) en onderbeplanting aan de randen van het recreatieterrein, maar juist instandhouding en herstel van het bestaande groen en aanleg van nieuw afschermend groen, voor zover dit nog niet of onvoldoende aanwezig is;  het overig op het recreatieterrein aanwezige groen intensief wordt beheerd;  het recreatieterrein als zodanig al sinds de jaren '80 of langer in gebruik is voor verblijfsrecreatie. Het uitvoeren van een ecologisch onderzoek naar de mogelijke effecten van het voorliggende bestemmingsplan op beschermde gebieden en beschermde soorten is vanwege het voorgaande dan ook niet noodzakelijk geacht.

Dit laat onverlet dat bij het benutten van de in het plan vervatte gebruiks- en bouwmogelijkheden de algemene zorgplicht ten aanzien van flora en fauna geldt. Hiermee mag het plan voldoende uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het aspect ecologie.

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

46

Recreatieterrein de Oude Molen

Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek Cultuurhistorie Op het terrein zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Het terrein is al sinds de jaren '80 in gebruik als recreatieterrein. Het terrein wordt ook niet in omvang vergroot. Ten aanzien van cultuurhistorie zijn er geen bijzonderheden. Archeologie Het gemeentelijk beleid inzake archeologie is vervat in de op 8 januari 2015 vastgestelde Erfgoedverordening Groesbeek 2015. Het beleid geeft voor gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde aan dat bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld archeologisch onderzoek vereist is. Dit om de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate vast te stellen en aan te tonen of het behoud van archeologische waarden in voldoende mate geborgd kan worden geborgd dan wel de archeologische waarden door de bodemingreep niet onevenredig worden aangetast. Onderstaande uitsnede van de in 2013 vervaardigde archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Groesbeek laat zien dat er voor het gehele plangebied een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde geldt (de donker resp. licht oranje vlakken).

Recreatieterrein de Oude Molen

47

Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart Groesbeek (plangebied aangegeven met zwarte lijn)

Met dit bestemmingsplan wordt beoogd bij recht mogelijk te maken dat de bestaande hoofdgebouwen voor centrale en sanitaire voorzieningen kunnen worden uitgebreid met resp. 1.000 m 2 (incl. de reeds gebouwde uitbreiding groepsaccommodatie van 340 m2), ca. 350 m2 en de bestaande opslagloods van circa 185 m2 kan worden vervangen door nieuwbouw van een loods van maximaal 800 m2. Deze nieuwe bouwmogelijkheden bij recht zijn voorzien op de gronden ter plaatse van en gelegen aansluitend aan de bestaande hoofdgebouwen en opslagloods. Gelet op de hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor alle gronden in het plangebied is het, voordat de nieuwe bouwmogelijkheden als recht kunnen worden vastgelegd, vereist archeologisch onderzoek uit te voeren ter plaatse van die gronden waar het plan de uitbreidingen en vervangende nieuwbouw mogelijk toestaat. Onderstaande afbeelding geeft het te onderzoeken gebied weer (rood begrensd).

48

Recreatieterrein de Oude Molen

Ten aanzien van de overige gronden in het plangebied geldt dat voorafgaand aan de vaststelling van dit plan geen (bouw)werkzaamheden zijn voorzien, die leiden tot een bodemingreep groter dan 100 m2. Resultaten onderzoek Er heeft een verkennend booronderzoek plaats gevonden. In bijlage 1 is het rapport opgenomen. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor van 50 cm dik met hieronder een dik verstoord pakket. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing ter plaatse van een deel van het onderzoeksgebied, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd om het onderzochte deel van het plangebied vrij te geven en geen archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Ter bescherming van de mogelijkerwijs in de bodem aanwezige archeologische waarden is daarom voor het overige plangebied, overeenkomstig het gemeentelijk beleid, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' vastgelegd.

Daarmee is voor de overige gronden geregeld dat wanneer hier wel (bouw)werkzaamheden gaan plaatsvinden met een bodemingreep groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld, voor die gronden in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning alsnog archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Het bestemmingsplan is, gezien het bovenstaande, uitvoerbaar ten aanzien van het aspect archeologie.

Recreatieterrein de Oude Molen

49

4.6

Explosieven

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied rond Groesbeek diverse malen getroffen door bombardementen. Daarnaast lag de Duitse verdedigingslinie tussen het dorp Groesbeek en de Duitse landgrens. De gevechten hebben geleid tot onontploft materiaal in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn. Planspecifiek Ter plaatse van het plangebied zijn in het verleden diverse detectieonderzoeken gedaan naar mogelijk explosief materiaal in de bodem. Dit is gebeurd in het kader van vergravingen ten behoeve van onder meer nieuwe bouwwerken, stacaravans/chalets, aanleg van speelterreinen en recent een vijver. Er is destijds geen materiaal gevonden. Aangezien het overgrote deel van de gronden binnen het plangebied al sinds de jaren '80 of langer bestemd en in gebruik is voor verblijfsrecreatie en met dit bestemmingsplan de recreatieve bestemming voor het recreatieterrein niet in omvang wordt vergroot, is het niet noodzakelijk geacht om ten behoeve van vaststelling van voorliggend bestemmingsplan het gehele terrein aan detectieonderzoek te onderwerpen. Op het moment dat bij het realiseren van de in het plan vervatte bouwmogelijkheden op een deel van het terrein een bodemingreep is voorzien, dient voordat deze plaatsvindt ter plaatse gedetecteerd te worden op mogelijk explosief materiaal in de bodem.

Indien er in voorkomend geval toch onontploft materiaal wordt aangetroffen, zal dat conform de voorgeschreven protocollen geruimd moeten worden. Als zodanig zal het eventuele explosief materiaal, dat ter plaatse van het plangebied nog plaatselijk in de bodem aanwezig kan zijn, geen belemmering geven voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek Ten behoeve van de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.24 Wet ruimtelijke ordening. De kosten zijn dankzij de anterieure overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10444768/2