B18 Memo College van B&W - Proces en toetsing verzoek Zeelandsestraat 65 Millingen aan de Rijn
Tekst van het document
MEMO
Aanleiding: Onderwerp: Van:
Verzoek aan gemeenteraad inzake nieuw bijgebouw Zeelandsestraat 65 Inhoudelijke toelichting op verzoek en tuinhistorische quickscan College van burgemeester en wethouders
Geachte raadsleden, De eigenaar van de woning aan de Zeelandsestraat 65 in Millingen aan de Rijn heeft een verzoek aan uw Raad gedaan tot wijziging van het bestemmingsplan. Dit verzoek volgt op een eerdere afwijzing van zijn principeverzoek en een weigering van zijn vergunningaanvraag. De behandeling van het verzoek aan uw raad stond gepland voor behandeling in de vergadering van 1 april 2021. Vanwege nieuwe informatie vanuit de eigenaar, waaronder een presentatie aan de raad en een uitgebreide tuinhistorische quickscan, ontvangt u via deze memo met aanvullende informatie ten aanzien van de inhoudelijke aspecten. De eigenaar van de woning aan de Zeelandsestraat 65 in Millingen aan de Rijn heeft aan uw gemeenteraad een verzoek tot het wijzigen van het bestemmingsplan gericht. Hij wil een bijgebouw realiseren op het voorterrein bij zijn woning. Dit verzoek past niet in het bestemmingsplan. Achtergrond principe-verzoek Het verzoek dat nu aan u is gericht, is de afgelopen periode zowel ambtelijk als door het college meerdere malen getoetst aan het geldende beleid en bestemmingsplan en daarbij steeds afgewezen. Het verzoek is serieus in behandeling genomen met de door uw gewenste houding van ‘ja, mits’. Voor de behandeling en ruimtelijke afweging is het niet relevant dat de initiatiefnemer al met de bouw van de schuur was begonnen.
Het komt vaker voor dat achteraf al reeds gerealiseerde bouwwerken worden gelegaliseerd. Als het niet past binnen het bestemmingsplan, maar wel in lijn is met gewenste beleidsontwikkelingen (bijvoorbeeld meer woningen, verbetering gezondheid), dan stemmen wij in met een bestemmingsplanwijziging en komt het ter finale besluitvorming naar uw Raad. In dit geval is geconstateerd dat het initiatief zowel niet voldoet aan het bestemmingsplan als niet aan het bestaande beleid. Hieronder schetsen wij het doorlopen proces. ambtelijk afgewezen na integrale toetsing van een ontvangen mail met het verzoek (oktober 2018); bestuurlijk afgewezen naar aanleiding van een ontvangen verzoek tot handhaving in verband met bouwen zonder toestemming/vergunning. In het kader van het daarna gestarte legalisatieonderzoek heeft de initiatiefnemer een principeverzoek ingediend voor zijn plan. Op dit principeverzoek hebben wij een negatief standpunt ingenomen (d.d. 5-11-2019);
Pagina 1 van 5
vervolgens heeft de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aangevraagd bij de ODRN die vervolgens opnieuw getoetst is en opnieuw is afgewezen. De initiatiefnemer heeft daarna bezwaar gemaakt tegen dit besluit (d.d. 9-10-2020). De behandeling van dit bezwaar is op verzoek van de bezwaarmaker (d.d. 1-12-2020) opgeschort in afwachting van het voorliggende raadsbesluit op het verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan.
Huidig verzoek aan uw Raad - procedure De initiatiefnemer kiest nu voor de weg om uw Raad te vragen voor een (positief) besluit met betrekking tot zijn aanvraag. Deze processtap is bijzonder, zowel vanuit de procedure als vanuit het mandaat. Graag lichten wij u dit toe. Als Raad stelt u de kaders van ons gemeentelijk ruimtelijk beleid en andere beleidsnota’s met ruimtelijke componenten, zoals het Horecabeleid, Nota Recreatie en Toerisme, Ruimtelijke Visie Duurzame energie, Cultuur en erfgoedbeleid enz. De ruimtelijke doorvertaling van deze nota’s worden vastgelegd in bestemmingsplannen voor het gehele grondgebied. Zo weet elke inwoner waar wel, maar ook waar iets niet kan. Voor eenieder gelden dezelfde regels bij dezelfde omstandigheden. Hiermee voorkomen we willekeur. Zo wordt aangegeven waar we welke bestemmingen willen toestaan (wonen, werken, bedrijvigheid, recreatie, natuur, water e.d.), maar ook waar we bijzondere objecten of kwaliteiten willen beschermen (denk aan natuur en landschap, cultuurhistorie, maar ook ons open buitengebied). Daarnaast nemen we voor elke bestemming de bouw- en gebruiksregels op. Deze regels zijn meestal hetzelfde voor elke locatie met een specifieke bestemming, zoals wonen. Het college is vervolgens degene die vanuit deze kaders alle aanvragen, verzoeken en wijzigingen toetst.
In de wet is vastgelegd dat het college het uitvoeringsorgaan is van de Raad. Vanuit deze (wettelijke) bevoegdheid is het niet conform mandaat en procedure om als Raad rechtstreeks te beslissen op (principe)verzoeken van inwoners of ondernemers tot afwijken of wijzigen van het bestemmingsplan. Niet bij een eerste verzoek, maar zeker ook niet vanuit eerdere afwijzingen. Uw Raad moet ervanuit kunnen gaan dat het college, met behulp van het ambtelijk apparaat, in staat is om uw kaders te vertalen naar individuele gevallen. De Raad is het hoogste orgaan. U kunt anders besluiten. Als u er echter voor kiest om als Raad hier afwijkend aan (de besluitvorming van) het college te besluiten, dan geeft u hiermee het signaal aan onze inwoners en bedrijven dat de Raad altijd kan afwijken van besluiten van het college. U heeft namelijk niet gedefinieerd waarom hier wordt afgeweken. Niet vanuit het beleid en niet vanuit het bestemmingsplan. Er ontstaat dus de situatie dat iedere inwoner of ondernemer waar wij als bevoegd orgaan negatief op besluiten, hetzelfde verzoek aan uw Raad gaan richten voor een ander besluit. Het argument dat deze zaak uniek is, doet hier niets aan af. Elke zaak is op zich uniek en is niet vooraf te definiëren.
Onderbouwing afwijzing verzoek Het verzoek is getoetst aan het bestemmingsplan Buitengebied Millingen aan de Rijn en bijbehorend beleid en op meerdere aspecten heeft dit tot een negatief standpunt geleid. In onderstaande opsomming kunt u de uitgevoerde toetsing aan (landschappelijk, cultuurhistorisch en archeologisch) beleid, ruimtelijk beleid en het algemeen belang lezen. Datum: 20-4-2021
Pagina 2 van 5
Landschappelijk, cultuurhistorisch en archeologisch belang Wij vinden landschap en erfgoed een van de kernkwaliteiten van onze gemeente. Ons landschap bestaat uit een rijke combinatie van agrarisch gebied, natuur en cultuurhistorie die uniek is in ons land. Dat willen we in de nog op te stellen omgevingsvisie centraal stellen. De benoemde kernkwaliteiten werden tijdens de themabijeenkomst van 4 maart j.l. over de omgevingsvisie door alle aanwezigen onderschreven. Aangezien het verzoek de kernkwaliteiten landschap en erfgoed raken, vinden wij dat een zorgvuldige afweging nodig is. Deze locatie is cultuurhistorisch gezien zeer belangrijk voor de huidige structuren en ontginningen in het gebied. Aan het einde van de dertiende eeuw of aan het begin van de veertiende eeuw ontstaat er op deze pol (=kunstmatige terreinverhoging in het landschap) een kasteelplaats. Dit kasteel groeit uit tot een zelfstandige heerlijkheid die het omliggende land in cultuur brengt. Het terrein zelf ontwikkelt zich van een kasteel, omgrachte vesting en buitenplaats naar een boerderij. In de jaren ’70 van de twintigste eeuw brandt het hoofdgebouw uit. Als er nog middeleeuwse bouwresten aanwezig zijn in het pand, behoren die tot de oudste resten van bewoning in Millingen aan de Rijn.
In de pol zelf zijn tijdens archeologische opgravingen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw resten van menselijke activiteit gevonden uit de ijzertijd en de vroege middeleeuwen. De voorgestelde locatie past niet wat betreft beleid over erfgedachte (a), cultuurhistorie (b) en archeologie (c) a) Erfgedachte - landschap Voor het toevoegen van nieuwe bebouwing in het buitengebied gaan we in ons landschappelijk beleid uit van de erfgedachte. De erfgedachte staat bijvoorbeeld centraal bij functieverandering van een voormalig agrarisch bedrijf naar wonen. Het uitgangspunt van de erfgedachte is dat bebouwing geclusterd wordt rond een erf, zoals dat gebruikelijk was bij agrarische bedrijven en buitenplaatsen. Het erf wordt op dit perceel gevormd rond het centrale middenplein. Het bijgebouw wordt niet rond dit middenplein gebouwd en past daarmee niet binnen deze erfgedachte. Ook de oriëntatie van het bijgebouw ten opzichte van het hoofdgebouw past niet binnen ons beleid (Voorbeeldenboek Landschappelijke inpassing). Het bijgebouw is namelijk schuin ten opzichte van de bestaande bebouwing georiënteerd. Deze oriëntatie wordt beargumenteerd vanuit de optimale ligging van de zonnepanelen. Echter, zowel vanuit de cultuurhistorie als vanuit de erfgedachte is het niet passend een bijgebouw op deze manier te oriënteren.
Dit zou namelijk in lijn met de overige bebouwing of volledig haaks gelegen moeten zijn. b) Cultuurhistorie De beoogde locatie ligt buiten de pol, ter plaatse van de voormalige singel. Cultuurhistorisch is het niet passend op deze locatie een bijgebouw te realiseren. In de door de initiatiefnemer opgestelde cultuurhistorische quickscan wordt onderbouwd waarom deze locatie wel passend is. Er wordt hier betoogd dat de bouw van het bijgebouw een nieuwe tijdslaag zou toevoegen aan het perceel. Dit betekent dat het niet in een eerdere tijdslaag past en vanuit cultuurhistorisch oogpunt is dit dan ook niet logisch. Met het toevoegen van het bijgebouw verdwijnt de historisch ontstane indeling van het perceel en het onderscheid tussen de hoger op de pol gelegen bebouwing met voorplein en de lager gelegen gebruiksgronden (vijver, tuinen, etc.). Daarnaast ondermijnt het de structuur van de oprijlaan omdat het voorterrein aanzienlijk groter
Datum: 20-4-2021
Pagina 3 van 5
wordt door de ontwikkeling. Hierdoor verliest de oprijlaan haar huidige, historische structuur.1 c) Archeologie Voor de pol en het omliggende terrein gelden hetzelfde beschermingsregime en dezelfde vrijstellingsgrenzen. De verwijzing van de initiatiefnemer naar het AMK-terrein (de pol) als waardevoller is op beleidsmatige grond niet houdbaar. In het beleid vallen ze beiden in de hoogste categorie van het beschermingsregime. Van de pol is met zekerheid vast te stellen dat er in ieder geval sinds de vroege middeleeuwen menselijke bewoning is geweest. De trefkans voor archeologie is hier dan ook groot. De pol wordt met een afwegingskader in het bestemmingsplan beschermd als archeologisch terrein. In het bestemmingsplan heeft zowel de pol als de directe omgeving een hoge archeologische waarde. Bij een grondverstoring dieper dan 0,3 meter en een oppervlakte groter dan 50 m2 moet er in kaart worden gebracht of er archeologische waarden aanwezig zijn. Ruimtelijk belang De initiatiefnemer vraagt om een bijgebouw aan de noordzijde van het perceel te mogen bouwen. De bestemming van dit deel van het perceel is Agrarisch gebied met landschappelijke en recreatieve potenties. Een bijgebouw voor de naastgelegen woonbestemming is hier niet passend en ook niet gewenst. In het bestemmingsplan is bewust gekozen om niet het gehele perceel als wonen te bestemmen.
De reden hiervoor is om de locatie en de hoeveelheid bijbehorende bouwwerken te beperken en te clusteren in dit gebied. Hierdoor blijft er sprake van een open gebied waar verstening wordt voorkomen. Bij verzoeken om af te wijken van het bestemmingsplan, wordt altijd getoetst aan de vastgestelde maximum hoeveelheid aan bijgebouwen bij een woning. Doel hiervan is om de eerder genoemde verstening van het buitengebied tegen te gaan. Op het perceel van de initiatiefnemer is al 194 m2 aan bijgebouwen aanwezig. De grens qua oppervlakte aan bijgebouwen is vastgesteld op maximaal 150 m2 aan bijgebouwen voor deze grote percelen. Deze oppervlakte aan bijgebouwen is vanuit het verleden dus al ruim aanwezig. Het toestaan van meer bijgebouwen buiten het gebied waar nog vergunningsvrij mag worden gebouwd waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan willen wij dan ook niet. Algemeen belang Het college toetst initiatieven aan het geldende beleid. Als een initiatief binnen dit beleid past, neemt het college een positieve houding aan. Als het niet (geheel) binnen het beleid past, maken wij nog een afweging of het initiatief het algemeen belang dient. Als het initiatief niet in het beleid past en ook geen algemeen belang dient, nemen wij een negatief standpunt in.
In deze situatie gaat het om de bouw van een particuliere schuur om een hobby uit te oefenen op een perceel waar op grond van het bestemmingsplan dit niet is toegestaan. Ons inziens is er geen sprake van een algemeen belang dat hiermee gediend wordt dat rechtvaardigt om af te wijken van het vastgestelde beleidskader. Wel afwijken krijgt de schijn van willekeur waardoor precedentwerking dan ook niet uit te sluiten is. De aangeleverde onderbouwing is zeer uitgebreid en ogenschijnlijk doorwrocht en deskundig. Het is intern door onze onafhankelijke erfgoed, landschaps- en RO-deskundigen beoordeeld en bevat naar ons oordeel geen overtuigende redenen om af te wijken van het vastgestelde beleid. Juist om ons buitengebied open te houden en andere functies die dit buitengebied ook nodig hebben, ruimte te geven, is ons beleid gericht op het voorkomen van het volbouwen van ons buitengebied met gebouwen naast de beleidslijn om zoveel mogelijk voormalige agrarische 1 Voor een uitgebreide toelichting verwijzen wij u graag naar de bijlage bij dit raadsvoorstel.
Datum: 20-4-2021
Pagina 4 van 5
bebouwing te slopen/op te ruimen. Het meewerken aan dit verzoek staat haaks op ons beleid en kan daarbij ook een precedent scheppen voor andere verzoeken voor extra bebouwing in het buitengebied. De wens van de initiatiefnemer is om het bijgebouw te realiseren met op het dak zonnepanelen. Hiermee kan de woning energieneutraal gemaakt worden. Om de energieneutrale doelstelling te behalen, is het echter niet noodzakelijk dat er een nieuw bijgebouw gerealiseerd wordt. Het is heel goed mogelijk deze panelen op andere (bestaande) bebouwing of in het veld te plaatsen. Het is een ongewenste ontwikkeling als een dak gevuld met zonnepanelen de bouw van een bijgebouw buiten het vastgestelde en geldende beleid legitimeert. Ook dit creëert precedentwerking naar anderen toe. Op basis van landelijke regels voor vergunningsvrij bouwen, kan er op het achtererf nog een bijgebouw gerealiseerd worden. Dit geldt ook voor deze locatie. Om vergunningsvrij te mogen bouwen op dit perceel is er alleen een vergunning vanuit archeologie nodig als het bijgebouw groter is dan 50 m2 en de grondbewerking dieper dan 0,3 meter is. De initiatiefnemer stelt voor deze ruimte met een bestemmingsplanherziening te laten vervallen, in ruil voor de voorgestelde locatie.
Als college staan wij positief tegenover de suggestie om de bouwmogelijkheden die vergunningsvrij zijn, weg te bestemmen voor bouwrechten elders op het perceel. Maar dit maakt de ontwikkeling op de voorgestelde locatie nog steeds niet wenselijk of noodzakelijk. Daarnaast ontstaat er dan een verdere verstening van het buitengebied doordat er al een oppervlakte van ruim 190 m³ aan bijgebouwen aanwezig is.
Datum: 20-4-2021
Pagina 5 van 5