CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

B1 Reactie WMO-Adviesgroep op koersdocument Sociaal Domein

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente Berg en DalBij agendapunt: B1 Voorstel om akkoord te gaan met het koersdocument Sociaal Domein en Lokale Toegang1.614 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan: College van Burgermeester en Wethouders en de leden van de Gemeenteraad en de Carrousel Van: de Wmo-Adviesgroep Onderwerp: reactie op Koersdocument sociaaldomein en lokale toegang Datum: 16 januari 2021

Geacht College van Burgemeester en Wethouders en geachte leden van de Gemeenteraad en de Carrousel, Onlangs hebben wij als Wmo-adviesgroep onder embargo het visiestuk Koersdocument sociaaldomein en lokale toegang mogen ontvangen. Allereerst willen wij onze dank en waardering uitspreken dat wij al vroeg in het proces geconsulteerd werden en het vertrouwen dat hieruit blijkt. Graag willen wij in deze brief op het visiedocument reageren. Eerst zullen we in algemene zin een aantal reacties geven op het document en vervolgens gaan we in op een aantal specifieke onderdelen. Algemene indruk visiedocument •

Op diverse plaatsen in het document wordt gesproken over het monitoren van de resultaten van de nieuwe/aangepaste werkwijze. Als adviesgroep kunnen we alleen maar het belang daarvan onderschrijven. Gezien de nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek, waarbij het cliëntperspectief centraal komt te staan, adviseren we om cliënten te betrekken bij de ontwikkeling van dit jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek. Dan voldoet u in elk geval aan een van de belangrijkste voorwaarden van de nieuwe opzet van het cliëntervaringsonderzoek.

•

In het document wordt herhaaldelijk gesproken over de wijze waarop de medewerkers van de sociale wijkteams de komende periode te werk moeten gaan, zoals: kostenbewuster werken, ‘nee, tenzij’ in plaats van ‘ja, mits’ enzovoort. Dit alles met het doel om de uitgaven omlaag te brengen. Wij spreken hierover onze zorg uit. Wij begrijpen dat u als college en gemeenteraad verantwoordelijk bent voor een gezonde financiële situatie bij de gemeente, maar u hebt tevens te maken met wettelijke taakstellingen die in de Wmo en de Jeugdwet zijn vastgelegd. De zorg die wij hebben is dat de consulenten tijdens de indicatiestelling te veel gedreven worden door de bezuinigingsdoelen van de gemeente. Onzes inziens moeten de consulenten hun werk vanuit een onafhankelijk perspectief kunnen doen en dat betekent dat zij op een zo objectief mogelijke wijze een hulpvraag moeten beoordelen en hiervoor een (maatwerk)oplossing moeten kunnen bieden die toegankelijk is en in kwalitatieve zin past bij de hulpvraag van de bewoner. Consulenten moeten niet op voorhand allerlei restricties opgelegd krijgen van waaruit zij moeten handelen. Anders vrezen wij dat bewoners tekortgedaan gaan worden, vooral de niet zo mondige bewoners, waardoor zij deels met de problemen blijven zitten waarmee zij zich gemeld hadden.

Objectiviteit en zorgvuldigheid moeten de normen blijven! Het uitgangspunt waar de gemeente nu voor kiest kunnen wij niet ondersteunen, omdat wij vrezen dat hierdoor een deel van de cliënten niet meer voldoende in staat zal zijn om in de eigen omgeving te kunnen blijven en/of maatschappelijk te participeren, daar waar dat met de juiste ondersteuning wel mogelijk was geweest.

•

Door de jaren heen zijn veel visie- en beleidsdocumenten gepubliceerd waarin gesproken werd over preventiebeleid, vaak gepresenteerd als het ei van Columbus om de kostenstijgingen in de hand te krijgen. Ook in dit stuk wordt weer gesproken over een preventieve aanpak, waardoor de inzet

duurdere vormen van (specialistische) ondersteuning voorkomen kan worden. Vroegtijdige signalering kan in voorkomende situaties inderdaad een groter probleem voorkomen, maar de vraag is: hoe gaat de gemeente dit aanpakken? Daar zijn wij nieuwsgierig naar. Op zich zijn wij geen tegenstander van een preventieve aanpak zolang dit niet ten koste gaat van de effectiviteit van de aanpak van de problematiek. We lezen bijvoorbeeld dat de gemeente een collectieve aanpak wil gaan ontwikkelen voor veel voorkomende problemen. Daarin schuilt voor ons een zorg; worden bewoners geen oplossingen opgelegd die vanuit het perspectief van de gemeente voldoende zijn, maar niet volgens de bewoners zelf? •

In het visiedocument wordt op meerdere plekken geschreven dat de zelfredzaamheid en de samenredzaamheid verder vergroot moet worden. In algemene zin vragen wij ons af hoe realistisch dit nog is? We sluiten hier aan op wat het SCP onder andere schrijft in haar recent verschenen publicatie Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid: “We zien een discrepantie tussen de verwachtingen van de wetgever en de ervaringen van de uitvoeringspraktijk als het gaat om eigen kracht, (zelf- en samen-)redzaamheid en de zorgzame samenleving. Dit geldt voor cliënten, maar ook voor mantelzorgers. Gemeenten en contactambtenaren onderschrijven het belang ervan, maar zien zich in de praktijk toch genoodzaakt anders te handelen als het niet werkbaar blijkt, bijvoorbeeld als de eigen kracht beperkt is en het sociaal netwerk ontbreekt of overbelast is. Iets scherper gesteld willen we hier ook waarschuwen: leun niet al te sterk op klinkende begrippen als eigen kracht en ruimte voor professionals. Wanneer die in specifieke praktijken niet passend zijn, kunnen het juist holle of belemmerende begrippen worden die de betrokkenen eerder ontmoedigen dan helpen. Daarnaast is voor elkaar zorgen een samenlevingsvraagstuk dat niet eenvoudig door de overheid af te dwingen is.

Zeker niet wanneer het idee van een kleinere rol van de overheid bij het verlenen van zorg niet breed gedragen wordt door de bevolking. We pleiten er niet voor om deze verwachtingen helemaal te laten varen, maar het is raadzaam realistisch te zijn en ze, waar nodig, naar beneden bij te stellen, op basis van wat de praktijk in de afgelopen jaren heeft laten zien.”1

Reacties op een aantal specifieke punten in het visiedocument •

Op pagina 7 staat: “De Sociale Teams bekijken de mogelijkheid van groeps- en gebiedsgericht aanbod, als aanvulling en alternatief op individuele hulp. Dit aanbod kan worden ontwikkeld door of met ondersteuning van Forte Welzijn en andere lokale partners.” Het aanbod wordt ontwikkeld in samenwerking met Forte Welzijn, maar hoe verhoudt zich dit tot de bezuinigingen op Forte Welzijn?

•

Op pagina 9 staat: “De medewerkers van het Sociaal Team zijn nog steeds vooral druk met hun primaire taken: het (o.a. middels keukentafelgesprekken) beoordelen van wmo en jeugdhulpaanvragen en het zelf bieden van kortdurende ondersteuning (KDO).” Wij vragen ons af wat hier nou precies het probleem is? En als u van mening bent dat de medewerkers meer actief zouden moeten zijn op het gebied van preventie en gebiedsgericht werken, dan vragen wij ons twee dingen af: 1) op basis van welke informatie komt u tot de conclusie dat deze werkwijze leidt tot een substantiële kostenverlaging? En 2): in hoeverre overvraagt u hiermee niet de consulenten? Bovendien is al in veel documenten gesproken over preventief beleid, maar wat is daarin tot nu toe bereikt? Bent u hier als gemeente niet te ambitieus?

1

Citaat afkomstig uit de samenvatting van de publicatie.

•

Op pagina’s 11 staat: “Moet bijvoorbeeld elke hobbel op het levenspad van onze jongeren als een probleem worden gezien, of worden we misschien wel (in de woorden van psychiater Dirk de Wachter) doodongelukkig van het alsmaar najagen van geluk? En moeten we ons ongeluk ook wat meer leren ‘koesteren’. Hoe realistisch is het om iedere dag gelukkig te willen zijn? En dat we goed genoeg zijn zoals we zijn?” Wij vinden dit een nare frame die hier neergezet wordt. Deze frame zorgt ervoor dat jongeren met een hulpvraag en hun ouders op voorhand al in het defensief worden gedreven; de alinea suggereert dat de problemen vaak maar half zo slim zijn. Dat vinden wij zeer onwenselijk. Het gaat niet over kinderen die iedere dag gelukkig moeten zijn, maar over die kinderen die elke dag ongelukkig zijn.

•

Op pagina 17/18 staat: “Voor veel voorkomende problematiek waar nu individuele hulp op wordt ingezet, willen we groepsaanbod bieden. Dat gaan we ook aan de zorgaanbieders vragen. Verder gaan we de verhouding naar aanbieders verzakelijken en waar mogelijk naar andere financieringsvormen (lumpsum), waarbij plafonds gehandhaafd kunnen worden (in tegenstelling tot een p*q, openhouse systematiek).” Wij vragen u met klem om hier niet de kwaliteit en de beschikbaarheid van de ondersteuning uit het oog te verliezen! Betrek ervaringsdeskundigen/gebruikers bij het opstellen en evalueren van de kwaliteitscriteria.

•

Op pagina 20 staat: “Dit betekent ook dat we er bewust voor kiezen om wachttijden (binnen de wettelijke kaders) te laten oplopen. Om te voorkomen dat dit leidt tot verergering van problematiek zorgen we bij de eigen indicaties voor een goed ingericht wachtlijstbeheer, inclusief triage en prioritering aan de poort, verwijzing naar alternatieve vormen van hulp gedurende de wachtperiode (dan wel het aanbieden van kortdurende ondersteuning door het Sociaal Team) en doorzettingsmacht bij het sociaal team in geval van spoed.” Dringende hulpvragen krijgen dus voorrang. Minder urgente hulpvragen – waar ligt de grens? – worden naar achteren geschoven. Hoe gaat dit in de praktijk eruitzien? In hoeverre is het voornemen om de wachttijden bewust op te laten lopen moreel verantwoord?

•

Op pagina 21 staat: “(…) en zaken als algemeen verkrijgbare hulpmiddelen zoals wandbeugels, douchezitjes en toiletverhogers als ‘algemeen gebruikelijk’ te definiëren willen we ook de ‘klassieke wmo’ kosten terugdringen.” Wat betekent dit voor mensen met een kleine beurs? Bijzondere bijstand?

•

Op pagina 22 staat: “Ook geldt dat een aantal producten in de basis gemaximeerd worden. Voor het producten als begeleiding of huishoudelijke hulp moet gedacht worden aan maxima van 60-80 uur per jaar.” Volgens ons mag dit niet. Op voorhand mag niet het aantal uren ondersteuning gemaximeerd worden. Op een objectieve en zorgvuldige wijze moet gekeken worden naar wat iemand redelijkerwijs nodig heeft om te kunnen functioneren. Per casus dus. Bovendien lijkt ons huishoudelijke ondersteuning van iets meer dan een uur tot anderhalf uur hulp per week in veel gevallen volstrekt onvoldoende. Wij vragen ons dan ook af hoe u aan het aantal van 60 tot 80 uur per jaar komt?

Dit zijn onze reacties naar aanleiding van uw visiedocument met betrekking tot het sociaal domein en de lokale toegang. Wij zijn graag bereid om met u in gesprek te gaan als hier behoefte aan hebt.

Mieke Dodemont, Voorzitter van en namens de Wmo-adviesgroep

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9643794/1