CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage 1 - Nota indexering vanaf 2023

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente Berg en DalBij agendapunt: In handen van het college stellen voor een voorstel (of informatienota) aan de raad1.830 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ODRN Indexering vanaf 2023 een eerlijke prijs voor een goed product

Datum: 31 augustus 2021 Versie: AB

Inleiding We baseren onze indexering op de norm die de Adviesfunctie Gemeenschappelijke Regelingen (AGR) ons jaarlijks in de Begrotingsrichtlijnen Nijmegen (BRN) adviseert. In aanloop naar de begroting 2022 hebben we analyses uitgevoerd naar deze indexering. We hebben over een periode van 2015 tot en met 2021 de indexering vergeleken met de werkelijke kostenstijgingen. Conclusie is dat de indexering stelselmatig is achtergebleven bij de kostenstijgingen en dat dit een belangrijke oorzaak is van de verslechterde financiële situatie van de ODRN vanaf 2018. Ons Dagelijks Bestuur (DB) is hiervan in kennis gesteld (Indexering ODRN, DB 8 maart 2021). We hebben bij de begroting 2022 aangegeven dat we de indexering volgens de BRN 2022 zullen toepassen. Deze was destijds al door de colleges van de deelnemende gemeenten vastgesteld. We hebben ook aangegeven dat we een eventuele herziening van de indexering vanaf 2023 zouden doorvoeren. Deze nota bevat een voorstel daartoe.

Samenvatting De Adviesfunctie Gemeenschappelijke Regelingen (AGR) stelt jaarlijks de BRN op. Hierin adviseert zij de gemeenschappelijke regelingen, waaronder de ODRN, namens de deelnemende gemeenten over het indexeringspercentage waarmee de bijdragen van gemeenten in komende begroting opgehoogd kunnen worden. De VRGZ en de GGD hebben in 2016 aangegeven dat deze indexering de werkelijke kostenstijging niet dekt en hun besturen hebben besloten over een afwijkende indexeringsmethode. Ook wij hebben vastgesteld dat de indexering volgens de BRN afgelopen jaren niet kostendekkend is geweest. Deze uitkomst hebben we met de AGR gedeeld. Hierop hebben we geen formele reactie gehad. We hebben begrepen dat de AGR de indexeringsmethode zou evalueren. We zijn niet geïnformeerd over acties die de AGR in dit kader heeft uitgezet en nemen met deze notitie zelf het voortouw. De ODRN wil een zuivere discussie over indexering en bezuinigingen. Dat betekent dat we een zo reëel mogelijke vergoeding voor kostenstijgingen willen vragen en aparte afspraken willen maken over eventuele bezuinigingen. Dat is de reden dat we voorstellen vanaf begrotingsjaar 2023 over te stappen op een andere indexeringsmethode die de kostenstijgingen zo goed mogelijk benadert. Er zijn verschillende indexeringsmethoden denkbaar.

De VRGZ en de GGD passen voor de loonindex een nacalculatie toe op basis van de werkelijke lastenontwikkeling. Vanwege de eenduidigheid en omdat we geloven dat deze methode onze werkelijke kosten zo goed mogelijk benadert, stellen we voor de indexering vanaf begroting 2023 aan te sluiten bij de VRGZ en de GGD-methode.

Concreet betekent dit dat we de indexering vanaf begroting 2023 als volgt willen bepalen: 1.

1

De verhouding index personeel/ index materieel conform de begroting 2023 van: 84/161.

We stellen voor deze verhouding komende jaren niet elk te wijzigen. Dat geeft onrust en onze inschatting is dat deze ook redelijk constant blijft. We zullen de verhouding bij actualisatie van deze nota opnieuw bepalen en eventueel aanpassen.

2. 3. 4.

De index materiële kosten conform de CEP bijlage Middelen en Bestedingen van het begrotingsjaar, ‘Bruto Binnenlands Product marktprijzen, prijsmutatie’ De index personele kosten conform de CEP bijlage Middelen en Bestedingen van het begrotingsjaar, ‘beloning werknemers overheidssector, prijsmutatie uit de kolom bestedingen’ Een nacalculatie over de personele kosten over begrotingsjaar t -2 zoals die volgt uit de CAO voor gemeenteambtenaren, de ABP-pensioenpremies en sociale premies.

We zullen de tarieven van onze producten en dienstencatalogus vanaf 2023 conform bovenstaande methode actualiseren. De loonsom passen we hiermee met een vertraging van twee jaar aan op de werkelijke kostenontwikkeling. Dit doen we niet met terugwerkende kracht, vanwege de financiële onrust die dit met zich meebrengt. Verschillen tussen de voorcalculatie en de werkelijke kostenontwikkeling in de twee jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, voor de begroting 2023 betreft het 2021 en 2022, vangen we op met onze reserves. We overbruggen maar twee jaar. Daarmee zijn risico’s kleiner dan in de huidige systematiek. Nu calculeren we niet na en blijven verschillen tussen indexering en werkelijke kostenstijgingen bestaan. Mocht er aanleiding zijn, dan zullen we in risicoparagraaf over indexering berichten. In dat geval komen we daar bij de jaarstukken 2021 en begroting 2023 op terug.

Indexering Adviesfunctie Gemeenschappelijke Regelingen Onze indexering is gebaseerd op de index volgens de BRN van de AGR. Deze index is een optelsom van een loonindex (70%) en een materiële index (30%). Beide indexen worden eerst gebaseerd op het CEP (Centraal Economisch Plan) en worden een jaar later geactualiseerd op basis van de MEV (Macro Economische Verkenning). Voor de indexering van het loondeel gaat de BRN uit van de beloning werknemers overheidssector, prijsmutatie (kolom bestedingen) en voor de indexering van de materiële lasten van de prijsmutaties van het Bruto Binnenlands Product marktprijzen. Deze actualisatie wordt verwerkt in de eerstvolgende BRN.

Reflectie ODRN Indexering en taakstellingen De ODRN wil een zuivere discussie over indexering en bezuinigingen. Dat betekent dat we een zo reëel mogelijke vergoeding voor kostenstijgingen vragen en aparte afspraken maken over eventuele bezuinigingen. Het vermengen van indexering en bezuinigingen vertroebelt het beeld en kan ertoe leiden dat we dubbele taakstellingen opgelegd krijgen. Zo hebben onze deelnemende gemeenten ons de 1% (2021), 2% (2022) en 3% (2023) korting opgelegd, terwijl onze BRN-index ook bij de kostenstijging achterbleef. Eigenlijk een dubbele korting die tot rode cijfers en een uitholling van onze organisatie heeft geleid. Als we geen maatregelen nemen, hebben we over een aantal jaar een herhaling van zetten: weer rode cijfers en onrust, daar is niemand bij gebaat. Natuurlijk gaan we bezuinigingen niet uit de weg. We sturen erop onze inhuur te beperken en stoten eind dit jaar een deel van de gehuurde m2 huisvesting af in het kader van het nieuwe werken. De opbrengsten hiervan hebben we vertaald in onze meerjarenbegroting. Samen met Twijnstra Gudde nodigen we onze deelnemers en bestuurders uit om met ons mee te denken over een efficiëntere bedrijfsvoering vanaf 2023. We willen transparant zijn over bezuinigingsmogelijkheden en onmogelijkheden en willen onze deelnemers en

bestuurders meenemen in afwegingen en keuzes. We geloven meer in deze maatwerkaanpak dan in de kaasschaafmethode. Methode VRGZ en GGD De besturen van de VRGZ en de GGD hebben een aantal jaar geleden besloten tot een afwijkende toepassing van de BRN-indexering. De afwijking heeft voornamelijk betrekking op de actualisatie van de looncomponent. De VRGZ en de GGD gaan hierbij uit van de werkelijke loonontwikkeling. Het argument is dat de index op basis van de MEV niet in de pas loopt met werkelijke kostenstijgingen. De VRGZ en de GGD-methode wijkt op een aantal punten af van de indexeringsmethode BRN. 1. De GGD hanteert de werkelijke verhouding personeel/materieel van 78/222. De BRN gaat uit van de verhouding 70/30. 2. Voor de materiële index wordt de prijsmutatie van het ‘Bruto Binnenlands Product marktprijzen’ uit de bijlage Middelen en Bestedingen van het centraal economisch plan (CEP) gebruikt. Hierop vindt geen nacalculatie plaats. 3. De VRGZ en de GGD passen voor de loonindex een nacalculatie toe op de werkelijke lastenontwikkeling zoals die volgt uit de: o

cao voor gemeenteambtenaren;

o

pensioenpremies vanuit het ABP;

o

sociale premies vanuit het Rijk (loonbelasting en premies volksverzekeringen).

De nacalculatie van de loonindex vindt met twee jaar vertraging plaats. Bovenstaande data over 2021 zijn pas in januari 2022 definitief zodat de nacalculatie over 2021 niet eerder dan in de begroting 2023 verwerkt kan worden. Dat betekent dat er permanent een verschil is tussen de voorcalculatie en werkelijke ontwikkeling. De VRGZ en de GGD treffen hiervoor geen voorziening maar brengen deze gunste of ten laste van de algemene reserve. Voorstel indexering ODRN Er zijn verschillende indexeringsmethodieken denkbaar. Deze kun je baseren op de CEP, de MEV of op bijvoorbeeld de indexering van het gemeentefonds. Deze laatste optie heeft als voordeel dat gemeenten de gemeentefondsindexering doorspelen aan de ODRN en geen financieel risico lopen. Maar dat zou betekenen nog een methode naast de BRN en de methode van de VRGZ en de GGD. Minder eenduidigheid dus. En ook de gemeentefondsindexering kan afwijken van onze werkelijke kostenstijgingen. We willen eenduidigheid en een methode die onze werkelijke kosten zoveel mogelijk benadert. Daarom stellen we voor aan te sluiten bij de VRGZ en de GGD-methode. Voorstel indexering ODRN vanaf begroting 2023 We stellen voor de aangepaste indexering met ingang van het begrotingsjaar 2023 toe te passen. Voor de verhouding personeel/materieel willen we aansluiten bij onze begrotingscijfers 2023, we komen dan op: 84/16, zie bijlage 1.

Verder zullen we in 2023 een nacalculatie toepassen op de personele index uit 2021. De materiële lasten maken een klein deel van onze begroting uit (16%). Gezien de diversiteit van deze kosten is het niet

2 Begroting GGD 2022

doenlijk om deze kosten op werkelijke kostenstijging na te calculeren. We stellen daarom voor om voor de materiële component uit te blijven gaan van de indexering volgens het CEP. De spelregels voor indexering van onze tarieven vanaf begroting 2023 zijn dan als volgt: 1. De verhouding index personeel/ index materieel van 84/16. 2. De index materiële kosten conform de CEP bijlage Middelen en Bestedingen van het begrotingsjaar, ‘Bruto Binnenlands Product marktprijzen, prijsmutatie’ 3. De index personele kosten conform de CEP bijlage Middelen en Bestedingen van het begrotingsjaar, ‘beloning werknemersoverheidssector, prijsmutatie uit de kolom bestedingen’ 4. Een nacalculatie over de personele kosten van begrotingsjaar t -2 zoals die volgt uit de CAO voor gemeenteambtenaren, de ABP-pensioenpremies en sociale premies.

Indexering 2023 De indexering over 2023 is conform bovenstaande spelregels als volgt: Weging I Voorcalculatie 2023 Personeel

84%

Materieel

16%

Nacalculatie 2021 Personeel Materieel

84% 16%

Totaal

Grondslag

Percentage II

Index I * II

CEP maart 2021. bijlage Middelen en Bestedingen 2023, ‘beloning werknemersoverheidssector, prijsmutatie uit de kolom bestedingen’ CEP maart 2021. bijlage Middelen en Bestedingen 2023, ‘Bruto Binnenlands Product marktprijzen, prijsmutatie’

2,0%

1,68%

1,9%

0,30%

Werkelijke lastenontwikkeling Geen nacalculatie

Pm* nvt

pm nvt PM

* Het percentage nacalculatie personele index 2021 kennen we pas in het voorjaar van 2022 als de cao, pensioen en sociale premies voor gemeenteambtenaren definitief zijn. We komen hier bij de begrotingsbehandeling 2023 op terug.

We zullen de tarieven van onze producten en dienstencatalogus 2023 met bovenstaande indexering actualiseren. De loonsom passen we hiermee met een vertraging van twee jaar aan op de werkelijke kostenontwikkeling. Dit doen we niet met terugwerkende kracht. Verschillen tussen de voorcalculatie en de werkelijke kostenontwikkeling in de twee jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, voor de begroting 2023 betreft het 2021 en 2022, vangen we op met onze reserves.

Bijlage 1 Materieel/personeel begroting 20233)

in €

Begroting 2023

Aandeel

Bijdrage regionaal stelsel

356.000

Kapitaallasten

400.000

Opleidingskosten

286.000

Overige materiele kosten

934.000

Piofah gastheer materieel

1.587.035

Totaal materieel

3.563.035

Piofah gastheer personeel

1.200.000

Inhuur

2.748.000

Salarissen en sociale lasten

14.491.000

Totaal personeel

18.439.000

84%

Totaal (excl ontwikkelbijdrage)

22.002.035

100%

16%

Inhuur nemen we als personeel mee. Uitgangspunt is dat de kostenstijging volgens de CAO voor gemeenteambtenaren een reëlere indicatie van de kostenontwikkeling geeft dan de CEP die we voor de materiele kosten gebruiken.

3

Begroting 2022 en meerjarenraming 2022–2025 AB 1juli 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10806048/2