13. Bijlage 2 - Verslag Euregioraad 10 maart 2022
Tekst van het document
Verslag Euregioraad op 10 maart 2022 om 14:00 uur via ZOOM Punt 1 Welkom en opening De voorzitter, de heer Thomas Ahls, opent de vergadering en begroet alle deelnemers en toeschouwers die via Zoom aan de vergadering deelnemen. In het bijzonder heet hij de vertegenwoordigers van het onderzoeksconsortium welkom. De voorzitter legt vervolgens kort de stemprocedure uit en wijst erop dat tijdens de vergadering gebruik gemaakt kan worden van een simultaanvertaling. De voorzitter vraagt of de agenda in de voorliggende vorm kan worden aangenomen. Er zijn geen bezwaren of kanttekeningen. De agenda wordt aldus vastgesteld. Punt 2 Goedkeuring van het verslag van 25 november 2021 Er zijn geen op- of aanmerkingen met betrekking tot het verslag. Besluit: Het verslag wordt ongwijzigd vastgesteld.
Punt 3 Euregionaal Mobiliteitsplan De voorzitter leidt dit agendapunt kort in en geeft aan, dat men nu op het punt is aangekomen, dat het Euregionaal Mobiliteitsplan ter vaststelling aan de Euregioraad is aangeboden. De heer Ahls verzoekt vervolgens de heer Kamps (Euregio Rijn-Waal) om kort het proces tot nu toe te lichten. De heer Kamps geeft aan, dat de Euregioraad in november 2019 de opdracht heeft gegeven aan het Dagelijks Bestuur om de mogelijkheden voor het opstellen van een Euregionaal Mobiliteitsplan te onderzoeken. Vervolgens is er hiervoor een INTERREG-aanvraag ingediend, die op 8 oktober 2020 is goedgekeurd. Direct na goedkeuring is gestart met een openbare aanbesteding voor een onderzoeksbureau om het plan te ontwikkelen. Begin 2021 is vervolgens begonnen met de Desk Research. De resultaten hiervan zijn in de Euregioraad van juni vorig jaar besproken. Aansluitend hebben zes thematische stakeholderbijeenkomsten plaatsgevonden. Hier zijn diverse interessante punten uit naar voren gekomen zoals concrete grensoverschrijdende verbindingen, maar ook binnenstedelijke mobiliteit, de overgang van fossiele naar alternatieve brandstoffen als elektriciteit en waterstof etc. Deze input gecombineerd met een verkeerskundige netwerkanalyse heeft geleid tot een eerste concept-mobiliteitsplan.
Dit is achtereenvolgens door het Dagelijks Bestuur, de projectbegeleidende stuurgroep en de Euregio-commissies besproken. De in deze gremia gemaakte opmerkingen zijn in de nu voorliggende versie allemaal verwerkt. De voorzitter bedankt de heer Kamps voor de toelichting en vraagt vervolgens de heer Vieten van het onderzoeksconsortium om het Euregionaal Mobiliteitsplan inhoudelijk toe te lichten. De heer Vieten (IGS Ingenieursgesellschaft Stolz mbH) stelt de inhoud van het Euregionaal Mobiliteitsplan aan de hand van een powerpoint presentatie voor. Deze presentatie is bij het verslag gevoegd. De voorzitter bedankt ook de heer Vieten voor de heldere toelichting en geeft de discussie vrij. De heer Beune (Gemeente Overbetuwe) vraagt met het oog op de focus tot 2030 met betrekking tot de genoemde versterking van de overslagpunten na, hoe hier de geplande railterminal Gelderland in meegenomen kan worden, aangezien deze nog niet gereed is. Een vraag die deze ontwikkeling met zich meebrengt is de vraag hoe zinvol de railterminal is als er in Emmerich al een trimodaal overslagpunt is De heer Den Hollander (Loendersloot groep) van het onderzoeksconsortium geeft aan, dat in het plan de huidige situatie en ontwikkelingen zo zakelijk mogelijk zijn weergegeven. Het plan doet geen uitspraken over de
het nut van de railterminal Gelderland. Wel is een van de aanbevelingen, dat de diverse overslagpunten intensiever met elkaar zouden moeten samenwerken. De heer Vermeulen (Gemeente Wageningen) spreekt allereerst zijn dank en waardering uit voor het plan en het werk dat er in gestoken is. Met betrekking tot de genoemde mogelijke OV-verbinding tussen de Universiteit Wageningen en de Universiteit Nijmegen geeft hij aan dat ook wordt nagedacht over een verbinding van het station Ede-Wageningen – Wageningen – Nijmegen. Dit is goed om bij de verdere uitwerking mee te nemen. De heer Den Hollander geeft aan, deze informatie mee te nemen en legt ter verduidelijking uit, dat in het plan geen sprake is van een concrete verbinding, maar van een verkeerscorridor waar het nu nog aan een goede verbinding ontbreekt. Het door de heer Vermeulen genoemde voornemen zou hier een goed antwoord op kunnen zijn. De heer Van der Veer (Provinciale Staten Gelderland) vraagt na, hoe hij de zin op blz. 27 met betrekking tot de positieve uitwerking van minder krimp opgevat moet worden. Vanuit milieuoogpunt is meer mobiliteit niet zonder meer positief. De heer Den Hollander geeft aan, dat deze zin vanuit het perspectief van het ov-aanbod bekeken is. Als de krimp afneemt en de behoefte aan mobiliteit daardoor niet afneemt, kan het OV-aanbod rendabel(er) worden aangeboden.
Wel is het natuurlijk belangrijk dat men moet kijken, hoe dit zo duurzaam mogelijk kan worden georganiseerd. Mobility as a Service zou hier interessant kunnen zijn. Er zijn geen verdere vragen met betrekking tot het mobiliteitsplan. Het Euregionaal Mobiliteitsplan wordt na stemming unaniem vastgesteld. Besluit: Het Euregionaal Mobiliteitsplan wordt unaniem vastgesteld.
Punt 4 Selectie te concretiseren Mobiliteitsinitiatieven De voorzitter leidt dit punt in en geeft aan, dat in hoofdstuk 7 van het Euregionaal Mobiliteitsplan verschillende aanbevelingen worden gedaan voor mobiliteitsprojecten die de Euregionale mobiliteit en toegankelijkheid verbeteren. Binnen het INTERREG-project Euregionaal Mobiliteitsplan is ook de uitwerking van vier van deze aanbevelingen voorzien, met het doel dat deze mobiliteitsprojecten na afloop van het INTERREG-project daadwerkelijk worden gerealiseerd en zo ook een belangrijke bijdrage leveren aan de uitvoering van het Euregionaal Mobiliteitsplan. Het is aan de Euregioraad om een definitieve keuze hierin te maken. Het bestuur van de Euregio en de stuurgroep die het project begeleidt, hebben de uit te werken mobiliteitsinitiatieven eveneens besproken. Deze gremia geven de voorkeur aan de uitwerking van de casestudies A, B C, en H (eventueel in combinatie met G). De acht casestudies zijn vervolgens ook besproken tijdens de gemeenschappelijke vergadering van de commissies op 15 februari. Op basis hiervan bevelen de commissies de Euregioraad aan de mobiliteitsinitiatieven A, B, C, en G, in combinatie met H, te selecteren voor verdere ontwikkeling. Voorts vroegen de comités of het mogelijk zou zijn een vijfde casestudy te selecteren uit D, E en F, betreffende het openbaar vervoer.
De afgelopen weken is gebleken, dat er financiële ruimte is voor een vijfde case. Het secretariaat heeft daarom de afgelopen week in overleg met het onderzoeksconsortium bekeken welke van deze drie casestudies met succes zouden kunnen worden opgepakt, mits er partijen zijn die zich hiervoor willen inzetten en er uitzicht is op succes. Hieruit is gebleken dat een uitwerking van mobiliteitsinitiatief F (mobiliteit op verzoek) momenteel het meest veelbelovend is. Daarom wordt voorgesteld de case studies A, B, C, F en G in combinatie met H verder uit te werken in het kader van het INTERREG-project.
Voor een goede basis voor de besluitvorming verzoekt de voorzitter de heer Den Hollander om de initiatieven echter eerst afzonderlijk toelichten, zodat hierover vervolgens een inhoudelijke discussie gevoerd kan worden. De presentatie is bij het verslag gevoegd. De heer Den Hollander licht de acht mobiliteitsinitiatieven toe. Dit betreft: a. b. c. d. e. f. g.
Voorstudie grensoverschrijdende fietstracés Onderzoek naar grensoverschrijdend dekkend mobiliteitshub-netwerk Onderzoek naar grensoverschrijdend dekkend netwerk voor laadinfrastructuur Onderzoek 24/7 grensoverschrijdende digitale actuele reisinformatie Onderzoek naar specifieke grensoverschrijdende OV-busverbindingen Voorstudie realisatie grensoverschrijdende Mobility-on-Demand Inventariseren kansen voor grensoverschrijdende samenwerking multimodale overslagpunten h. Onderzoek grensoverschrijdend informatie- en reserveringssysteem vrachtautoparkeerplaatsen De heer Ahls bedankt de heer Den Hollander voor de toelichting en vraagt naar reacties vanuit de Euregioraad. De heer Brohl (Kreis Wesel) geeft aan zich in het besluitvoorstel te kunnen vinden, waarbij de Kreis Wesel de suggestie meegeeft om bij initiatief B ook het toerisme te betrekken. Deze suggestie wordt door mevrouw Fleuren (Gemeente Berg en Dal) in de chat ondersteund. De heer Beune wijst er ook in dit verband op, dat het in het geval van initiatief G moeilijk is om in te schatten, hoe de Railterminal Gelderland zich zal ontwikkelen. Aangezien de terminal er nog niet is, kan deze stakeholder moeilijk meegenomen worden. De heer Boerman (Gemeente Doetinchem) vraagt of het mogelijk is om in plaats van initiatief F te kiezen voor E, omdat Doetinchem een betere busverbinding naar Emmerich en Kleve wenst.
De heer Mayer (Kreis Kleve) geeft aan, dat de Kreis Kleve eveneens een onderzoek in opdracht heeft gegeven naar diverse grensoverschrijdende busverbindingen, waaronder Doetinchem-Emmerich. Als men hier voor D kiest, zou E via de Kreis kunnen lopen. De heer Mayer vraagt verder om met betrekking tot A ook de sociale veiligheid van de fietsroutes in de verdere uitwerking mee te nemen, zodat bijvoorbeeld vrouwen en kinderen ook in het donker zonder bedenkingen de fiets kunnen pakken. De heer Hinze (Stadt Emmerich) heeft ook een voorkeur voor E, maar een dubbeling van initiatieven is niet wenselijk. De heer Van Halteren (Gemeente Montferland) geeft aan, dat de voorkeur van zijn gemeente ook naar E uit gaat, om zo ook de verbinding naar de campus en het Radboudumc te verbeteren. Mevrouw Kersten geeft aan, dat als er nu besloten wordt om voor E in plaats van F te kiezen, zij het wenselijk zou vinden als D hierin zou worden meegenomen. Op verzoek van de voorzitter gaat de heer Kamps in op de vraag of E of F verder uitgewerkt kan worden. De heer Kamps geeft aan, dat de wens naar een doorgaande busverbinding tussen Emmerich en Doetinchem al lang leeft. Er hebben in het verleden ook al diverse haalbaarheidsstudies plaatsgevonden, het meest recent nog door de Hochschule RheinWaal. Het probleem zit hem met name in de verschillende concessies.
Op dit moment verzorgt NIAG de verbinding tussen Emmerich en ´s-Heerenberg en is Arriva verantwoordelijk voor de verbinding ´s-Heerenberg-Doetinchem. Deze concessie loopt nog tot 2024. Op dit moment lijkt het niet mogelijk om in het kader van een cases hier een oplossing te vinden. Daarom is voorgesteld om F verder uit te werken, aangezien de NIAG heeft aangeven, hier belangstelling voor te hebben.
De heer Hinze kan deze redernatie gezien de nog beperkte looptijd van het INTERREGproject volgen en geeft aan, dat hij in zijn volgende overleg met burgemeester Boumans van Doetinchem zal bespreken, hoe men het beste verder komt met de busverbinding EmmerichDoetinchem. Besluit: De mobiliteitsinitiatieven A, B, C, F en G i.c.m. H worden in het kader van het INTERREGproject Euregionaal Mobiliteitsplan ERW verder uitgewerkt.
Punt 5 Rondvraag De heer Boerman geeft aan, dat de EUREGIO Gronau een resolutie heeft aangenomen, waarin zij pleiten tegen de aanleg van een Noordtak van de Betuweroute door de Achterhoek en Twente. De heer Boerman vraagt hoe de Euregio Rijn-Waal hier tegenover staat. De heer Kamps geeft aan het initiatief te kennen. Voor zover bekend doet het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op dit moment onderzoek naar nut en noodzaak van een eventuele noordtak. Het lijkt voorbarig om nu al met een resolutie te komen, zonder de uitkomsten van het onderzoek te kennen. Hij stelt voor om de uitkomsten van het onderzoek af te wachten en op basis hiervan te bekijken of actie noodzakelijk is en zo ja in welke vorm. De heer Venhoek stemt in met de woorden van de heer Kamps. De heer Boerman geeft eveneens aan deze argumentatie te kunnen volgen. De heer Ahls deelt mede, dat op 31 maart in Aachen de vierde Grenslandconferentie plaatsvindt. De Euregioraadsleden hebben hiervoor een uitnodiging ontvangen. Het maximale aantal deelnemers voor de fysieke bijeenkomst is al bereikt, maar het is nog mogelijk om zich voor een digitale deelname aan te melden. Vervolgens geeft de heer Ahls aan, dat de gemeente Apeldoorn in samenwerking met de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland en de Kreise Kleve en Wesel op 12 en 13 een euregionale veiligheidsconferentie organiseert.
Mocht er vanuit de Euregioraad belangstelling zijn om hier aan deel te nemen, kan men zich bij het secretariaat van de Euregio Rijn-Waal melden. Punt 6 Sluiting De heer Ahls geeft aan, dat de volgende reguliere Euregioraadsvergadering op 9 juni hopelijk in het Vrijheidsmuseum in Groesbeek zal plaatsvinden. Vervolgens wijst de voorzitter er op, dat in Nederland op woensdag 16 maart gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Hij wenst alle Nederlandse Euregioraadsleden veel succes en hoopt hen ook in juni weer te kunnen begroeten. De voorzitter bedankt ten slotte de aanwezigen voor hun constructieve bijdrage, zowel tijdens het gehele proces als tijdens de vergadering en sluit vervolgens de vergadering.
Verslag Heidi de Ruiter 16 maart 2022