Voortoets Stikstofeffecten (bijlage 6)
Tekst van het document
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden
Boxhoorn Ecologie 24 januari 2025
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding .................................................................................................................................................................. 4 1.1
Aanleiding voor deze voortoets .............................................................................................................................. 4
1.2
Opzet van de voortoets ........................................................................................................................................... 5
Wettelijk kader ........................................................................................................................................................ 7 2.1
Natuurbeschermingsrecht in de Omgevingswet ................................................................................................... 7
2.2
Natura 2000 en projecten ...................................................................................................................................... 7
2.3
Kader en uitgangspunten voortoets ...................................................................................................................... 8
3
AERIUS-berekeningen .............................................................................................................................................10
4
Ecologische effecten van geringe depositietoenames .............................................................................................11
5
Natura 2000-gebied Maasduinen ...........................................................................................................................13 5.1
Beoordelingsmethode ........................................................................................................................................... 13
5.2
Beknopte gebiedsbeschrijving............................................................................................................................... 13
5.3
Instandhoudingsdoelstellingen en stikstofgevoeligheid habitattypen ................................................................. 15
5.4
Toename stikstofdepositie en beïnvloede habitattypen, leefgebiedtypen en soorten ......................................... 16
5.5
H91E0C Beekbegeleidende bossen ....................................................................................................................... 20
5.6
Lg06 Dotterbloemgrasland ................................................................................................................................... 22
5.7
Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland ......................................................................................... 24
5.8
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden ............................................................................................ 26
6
Cumulatieve effecten .............................................................................................................................................29
7
Conclusies...............................................................................................................................................................30
8
Geraadpleegde bronnen .........................................................................................................................................31
Bijlage 1 Stikstof als ecologische drukfactor....................................................................................................................33 De rol van stikstof in ecosystemen ..................................................................................................................................... 33 Stikstofemissie en stikstofdepositie ................................................................................................................................... 34 Effecten van verhoogde beschikbaarheid van stikstof ....................................................................................................... 34 Kritische depositiewaarden ................................................................................................................................................ 36 Gebruikte rekeneenheden .................................................................................................................................................. 36 Bijlage 2 Ecologische effecten van geringe stikstofdeposities .........................................................................................37 Inleiding .............................................................................................................................................................................
37 De bijdrage van geringe stikstofdeposities aan de stikstoflast in Natura 2000-gebieden ................................................. 37
Gevolgen voor habitattypen .............................................................................................................................................. 37 Bijlage 3 Ecologische kenmerken en stikstofgevoeligheid habitattypen ..........................................................................41 H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidend) ....................................................................................................... 41 Lg06 Dotterbloemgrasland van beekdalen ........................................................................................................................ 42 Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied ....................................................... 43 Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden ......................................................................................................... 44
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 3 van 46
1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor deze voortoets Aan de Dorpsstraat 73 in Afferden wordt een nieuwe woning gebouwd naast een al bestaande woning. In de achtertuin wordt een bijgebouw geplaatst (Figuur 1-1). Het perceel ligt op korte afstand van het Natura 2000gebied Maasduinen (Figuur 1-2).
Figuur 1-1 Bouwplan Dorpsstraat 73 Afferden Als gevolg van de aanleg van de gebouwen en de toegenomen verkeersgeneratie neemt de emissie van stikstof toe ten opzichte van de huidige situatie, zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase. Dit leidt in beide fasen tot een geringe toename van de depositie van stikstof in een klein gedeelte van het Natura 2000-gebied Maasduinen. Om vast te stellen of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van de depositietoename in de aanleg- en gebruiksfase zijn uitgesloten, is deze voortoets uitgevoerd. Deze beoordeling is gebaseerd op een berekening van de depositietoename met het rekenmodel AERIUS Calculator (versie 2024).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 4 van 46
Figuur 1-2 Locatie Dorpsstraat 73 Afferden (rode cirkel) t.o.v. het Natura 2000-gebied Maasduinen.
1.2 Opzet van de voortoets Significante gevolgen kunnen worden uitgesloten wanneer op voorhand en op grond van objectieve gegevens vaststaat dat de berekende depositietoename niet leidt tot een zodanig ecologisch effect op de betrokken habitattypen in de Natura 2000-gebieden dat sprake is van een significante verslechtering ten opzichte van de huidige situatie waarin deze habitattypen verkeren. Deze voortoets gaat uit van de juridische kaders die de Omgevingswet en recente jurisprudentie stellen (beschreven in hoofdstuk 2). De depositietoenames in Natura 2000-gebieden zijn berekend met het rekeninstrument AERIUS Calculator versie 2024, op basis van een analyse van de ligging en uitvoering van het project, de daarbij ingezette emissiebronnen en eventuele emissiebeperkende maatregelen. De resultaten van deze berekening bepalen de scope voor de voortoets: de Natura 2000-gebieden, habitattypen en leefgebieden die in de voortoets moeten worden betrokken (hoofdstuk 3). De beoordeling van de significantie van ecologische gevolgen van de depositietoenames is opgezet in twee stappen, en gebaseerd op wetenschappelijke inzichten over de rol van stikstof in ecosystemen (samengevat in bijlage 1): 1. Een algemene beschouwing over de ecologische gevolgen van geringe toenames van stikstof in al met stikstof overbelaste ecosystemen (bijlage 2; samengevat in hoofdstuk 4).
Deze beschouwing geeft de ecologische uitgangspunten waarmee de specifieke effecten moeten worden beoordeeld.
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 5 van 46
2. Een gebiedsspecifieke beoordeling van de ecologische gevolgen van de in deze gebieden berekende depositietoenames voor de afzonderlijke habitattypen en leefgebiedtypen (hoofdstukken 5 en 6). Deze effectbeoordeling gaat uit van de huidige staat van instandhouding van de habitattypen en leefgebiedtypen in de betrokken Natura 2000-gebieden. Vervolgens is ook beoordeeld of significante effecten in cumulatie met andere plannen en projecten kunnen worden uitgesloten (hoofdstuk 7).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 6 van 46
2 Wettelijk kader
2.1 Natuurbeschermingsrecht in de Omgevingswet Sinds 1 januari 2024 is de natuurbeschermingswetgeving opgenomen in de Omgevingswet. Daarbij is de Wet natuurbescherming vervallen. De integratie van de natuurwetgeving in de Omgevingswet is beleidsneutraal verlopen. Inhoudelijk is er weinig veranderd aan de wijze waarop Natura 2000-gebieden beschermd worden, en de verplichtingen die dit geeft aan initiatiefnemers en bevoegde gezagen. Het begrippenkader en sommige procedures zijn aangepast aan de wetssystematiek van de Omgevingswet (Backes et al., 2024). Zo is er niet langer sprake van een natuurvergunning en een ontheffing beschermde soorten, maar bestaat alleen nog de omgevingsvergunning. Die is nodig wanneer sprake is van een Natura 2000-activiteit. Bij de werkzaamheden aan de Dorpsstraat 73 in Afferden kan een dergelijke activiteit aan de orde zijn. In grote lijnen liggen er voor een initiatiefnemer drie belangrijke verplichtingen: - beoordelen of sprake is van een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is; - uitvoeren van voldoende onderzoek om effecten van zijn activiteit te kunnen bepalen en beoordelen; - naleven van de zorgplichten ten aanzien van beschermde gebieden en soorten; - aanvragen van een omgevingsvergunning.
Paragraaf 2.2 gaat in op de regels die volgens de Omgevingswet gelden voor activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Deze regels zijn opgenomen in de Omgevingswet (Ow) zelf en in een tweetal Algemene maatregelen van bestuur, te weten: - het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit besluit bevat de algemene rijksregels voor activiteiten in de leefomgeving. Diegene die de activiteit uitvoert moet zich aan deze regels houden; - het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staan regels over omgevingswaarden, instructieregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
2.2 Natura 2000 en projecten De Omgevingswet maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden, waaronder Natura 2000- gebieden. Deze gebieden worden aangewezen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. De Omgevingswet en op grond daarvan gepubliceerde besluiten regelen de bescherming van Natura 2000gebieden ten aanzien van activiteiten die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen die van kracht zijn. Dergelijke projecten worden ‘Natura2000-activiteiten’ genoemd 1.
1 Onder een Natura 2000-activiteit wordt verstaan: een activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de
habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (bijlage bij art. 1.1. Ow).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 7 van 46
Voor Natura 2000-activiteiten geeft het Besluit activiteiten leefomgeving (verder afgekort als Bal) een specifieke zorgplicht (Bal, art. 11.6). Deze zorgplicht verplicht een initiatiefnemer: - Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen voor het Natura 2000-gebied te voorkomen, of wanneer dat niet kan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; - voorafgaand aan het verrichten van de activiteit kennis te nemen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; - na te gaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; - als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten na te gaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; - alle passende preventieve maatregelen te treffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; - tijdens en na het verrichten van de activiteit na te gaan of de getroffen maatregelen te beoogde effecten hebben; - als nadelige gevolgen niet kunnen worden
voorkomen de activiteit te staken, of wanneer dat redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen te treffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De Omgevingswet (art. 5.1) geeft aan een Natura 2000-activiteit de verplichting om een omgevingsvergunning aan te vragen. Het is volgens de wet verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of leefgebieden van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend totdat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
2.3 Kader en uitgangspunten voortoets De eerste beoordeling die een initiatiefnemer van een project moet maken is of dit project beschouwd moet worden als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit. Daarbij staat de vraag centraal of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van dit project op voorhand uitgesloten kunnen worden. Onder de Omgevingswet wordt een dergelijke beoordeling een voortoets genoemd. De toepassing van de artikelen 2.7 en 2.8 van de voormalige Wet natuurbescherming, waarin de toestemmingsverlening voor plannen en projecten met mogelijk significante gevolgen was geregeld, heeft inmiddels geleid tot een uitvoerige jurisprudentie. Daardoor zijn de uitgangspunten en eisen die aan (stikstof gerelateerde) voortoetsen en passende beoordelingen worden gesteld steeds duidelijker geworden. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over het Porthos-project van 16 augustus 2023 zijn deze uitgangspunten nogmaals vastgelegd. Deze uitgangspunten en eisen vormen ook het vertrekpunt voor deze voortoets, en zijn daarom hieronder samengevat. Het doel van de voortoets is om vast te stellen of kan worden uitgesloten dat de geringe depositietoename door het project significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.
Dit is het geval wanneer op voorhand op grond van objectieve gegevens vaststaat dat deze toename niet leidt tot een zodanig effect op de
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 8 van 46
betrokken habitattypen dat sprake is van een significante verslechtering 2 ten opzichte van de huidige situatie waarin deze habitattypen verkeren (en daarmee niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden). De effecten van stikstofdeposities die in het verleden hebben plaatsgevonden, zijn betrokken in de beschrijving van de huidige kwaliteit van de habitattypen – de achtergrond waartegen de effecten van het project bezien moeten worden - maar maken geen deel uit van het effect van het project. De effecten van een plan of project moeten gebiedsspecifiek worden beschreven en beoordeeld. De effecten van een toename van stikstofdepositie moeten worden beoordeeld op basis van objectieve gegevens en in het licht van de lokale, specifieke omstandigheden in het gebied. Bij deze voortoets voor de Dorpsstraat 73 in Afferden is rekening gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen en de staat van instandhouding van de habitattypen in deze Natura 2000gebieden. Het is niet vereist dat de habitattypen die gevolgen van het project ondervinden zich in een goede staat van instandhouding bevinden. Ook hoeft de voortoets geen onderzoek te doen naar de oorzaken van de actuele staat van instandhouding van de Natura 2000-gebieden. Vast moet staan dat er geen significante gevolgen optreden als gevolg van het project.
Dat betekent niet dat een project positieve effecten moet hebben op de instandhoudingsdoelstellingen alvorens toestemming kan worden verleend. De significantie van de effecten moet worden beoordeeld ten opzichte van de staat van instandhouding van het gebied op het moment dat dit effect optreedt. De staat van instandhouding van de habitattypen kan mede afhankelijk zijn van de mate waarin de totale stikstofdepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW). Overschrijding van deze waarde betekent niet dat vaststaat dat een aantasting van de kwaliteit van het habitattype plaatsvindt, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Wanneer deze KDW niet overschreden wordt door de achtergronddepositie en de projectbijdrage samen is een significant gevolg voor dat habitattype op voorhand uitgesloten. Deze voortoets richt zich daarom alleen op die (delen van) habitattypen en leefgebieden waarvoor de KDW (bijna) overschreden wordt. Vaste beheermaatregelen en al uitgevoerde herstelmaatregelen (juridisch aangeduid als instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen) mogen in de voortoets betrokken worden voorzover deze van invloed zijn (geweest) op de huidige staat van instandhouding van het gebied. Ze mogen echter niet gebruikt worden om het effect van een project te mitigeren, om daarmee negatieve gevolgen te voorkomen.
Autonome ontwikkelingen, zoals een eventuele dalende trend in de achtergronddepositie, mogen eveneens betrokken worden bij het bepalen van de staat van instandhouding van het gebied, maar niet meegewogen worden bij de beoordeling van de significantie van het effect van de project gerelateerde depositieverhoging.
2 Van een significante verslechtering is volgens het Kokkelvisserij-arrest (HvJEG 7 september 2004, zaak C-127/02) sprake wanneer het plan of project het halen van de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen.
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 9 van 46
3 AERIUS-berekeningen
De emissies van stikstof in de aanlegfase zijn afkomstig van de inzet van mobiele werktuigen en het aan het project gerelateerde bouwverkeer. In de gebruiksfase worden de emissies veroorzaakt door de toename van aan het perceel verbonden verkeer. De nieuwe gebouwen zijn gasloos en emiteren daarom geen stikstof. De berekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator, versie 2024 (aanlegfase: kenmerk RzwyC4uvKbHz, gebruiksfase: kenmerk RPRN19JLodTj, 9 januari 2025). Als gevolg van de werkzaamheden aan de Dorpsstraat 73 in Afferden vinden tijdelijke depositietoenames plaats in een klein deel van het Natura 2000-gebied 2000- Maasduinen. In de aanlegfase bedragen deze eenmalig maximaal 0,12 mol N/ha/jaar. In de gebruiksfase zijn de maximale depositietoenames 0,03 mol N/ha/jaar. In Tabel 3-1 en Tabel 3-2 zijn de berekende depositietoenames op habitattypen en leefgebiedtypen opgenomen voor respectievelijk de bouwfase en gebruiksfase. Per habitattype en leefgebiedtype is aangegeven welke toenames van de stikstofdepositie plaatsvinden en over welke oppervlakten deze plaatsvinden. Tabel 3-1 Berekende depositietoename in Natura 2000-gebied Maasduinen in de aanlegfase. Aangegeven is de toename van de depositie en de oppervlakte van het habitattype waarover deze toename plaatsvindt.
Ook is het deel van de oppervlakte waar overschrijding van de KDW plaatsvond in 2022 gegeven (Bron: AERIUS Monitor, 2024). Habitattype
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidend) Lg06 Dotterbloemgrasland Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
Overschrijding KDW in 2022 % oppervlak
Depositietoename Mol N/ha/jaar
Berekende oppervlakte ha
55 100 61 100
0,12 0,12 0,12 0,12
0,12 2,77 0,88 0,06
Tabel 3-2 Berekende depositietoename in Natura 2000-gebied Maasduinen in de gebruiksfase. (Bron: AERIUS Monitor, 2024). Habitattype
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidend) Lg06 Dotterbloemgrasland Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
Overschrijding KDW in 2022 % oppervlak
Depositietoename Mol N/ha/jaar
Berekende oppervlakte ha
55 100 61 100
0,03 0,03 0,03 0,03
0,11 0,82 0,59 0,06
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 10 van 46
4 Ecologische effecten van geringe depositietoenames In dit hoofdstuk is een generieke beschouwing opgenomen van de doorwerking van de geringe depositieverhogingen als gevolg van de werkzaamheden aan de Dorpsstraat 73 in Afferden op de algemene depositieontwikkeling en de staat van instandhouding van habitattypen en leefgebiedtypen in Natura 2000gebieden. Deze beoordeling plaatst de gebiedsspecifieke effectbeoordeling per Natura 2000-gebied en daarbinnen per habitattype/leefgebiedtype, die in hoofdstuk 5 is uitgevoerd, in perspectief. Deze gebiedsspecifieke effectbeoordeling kan niet los gezien worden van de algemene effectmechanismen die in dit hoofdstuk en in bijlage 2 zijn beschreven. De rol van stikstof en de gevolgen van te hoge stikstofniveaus in ecosystemen is beschreven in bijlage 1. De stikstofverbindingen nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+) zijn belangrijke bouwstoffen voor zowel mens, dier en plant. Stikstof is nodig bij de vorming van eiwitten, enzymen en DNA. De beschikbaarheid van (opneembaar) stikstof is één van de belangrijke sturende factoren die de opbouw en werking van ecosystemen bepaalt. In veel ecosystemen is stikstof van nature schaars, waardoor dieren en planten die aangepast zijn aan lage stikstof-beschikbaarheid kansen krijgen. De soortenrijkdom en kwaliteit van veel habitattypen is mede het gevolg van deze schaarste.
Bij een overschot aan stikstof, wat momenteel in veel natuurgebieden het geval is, nemen snel groeiende planten de overhand en verdwijnen veel van aan schaarste aangepaste soorten planten. Ook de verzurende werking van stikstof in de bodem leidt tot het afnemen van gunstige omstandigheden voor veel soorten planten. Met het verdwijnen van veel soorten planten worden deze habitattypen ook ongeschikt voor veel diersoorten die voor voedsel en voortplanting van deze plantensoorten afhankelijk zijn. Stikstof is niet de enige drukfactor die bepalend is voor de kwaliteit van natuurgebieden. Ook andere drukfactoren spelen een rol, zoals verdroging, verstoring, versnippering van leefgebieden, vermindering van dynamiek en andere vormen van verontreiniging. De effecten van deze drukfactoren versterken elkaar vaak. De al decennia durende overbelasting met stikstof heeft, samen met deze andere drukfactoren, in veel stikstofgevoelige natuurgebieden geleid tot een sterke afname van de biodiversiteit. Ook in de komende jaren blijft in veel gebieden sprake van een te grote stikstoflast. Het behalen van instandhoudingsdoelen voor de Natura 2000-gebieden staat daardoor sterk onder druk. In bijlage 2 is uitgewerkt wat de ecologische gevolgen kunnen zijn van geringe depositieverhogingen tegen de achtergrond van de actuele autonome stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden. -
De bijdrage van geringe stikstofdeposities aan de stikstoflast in Natura 2000-gebieden is zeer gering. Ten opzichte van de actuele achtergronddeposities, die in Nederland in 2021 varieerden tussen grofweg 500 en 2500 mol N/ha/jaar, valt een bijdrage van maximaal 0,12 mol N/ha/jaar volledig weg. Deze hoeveelheid bedraagt tussen de 0,005% en 0,02% van de stikstoflast die toch al op deze Natura 2000-gebieden terecht zou komen, en tussen de 0,05 en 0,2% van de jaarlijkse variaties in de achtergronddeposities. Rekening houdend met de onzekerheidsmarge in de berekeningen van de depositieberekeningen met AERIUS, die niet gekwantificeerd maar wel zeer groot zijn (Commissie Hordijk, 2020) zijn dergelijke hoeveelheden statistisch gezien insignificant en daarmee van geen betekenis.
-
De huidige concentraties van NH3, NOx zijn in Nederland (inmiddels) op een niveau waarop directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme speelt daarom in
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 11 van 46
Nederland t.a.v. atmosferische depositie van stikstof geen rol. Een eenmalige en geringe toename van depositie van stikstof leidt daarom niet tot directe schade aan planten. -
Een geringe toename van de depositietoename met maximaal 0,12 mol N/ha/jaar (eenmalig) en maximaal 0,03 mol N/ha/jaar (permanent) levert te weinig stikstof op om te leiden tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daarom ontstaan geen verschuivingen in concurrentiepositie, en geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Ongeacht de huidige kwaliteit van de betrokken habitattypen en/of de instandhoudingsdoelstellingen voor een specifiek Natura 2000-gebied leidt de kleine depositietoename die door het project wordt veroorzaakt niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.
-
De bijdrage van een eenmalige en geringe depositietoename van maximaal 0,12 mol N/ha aan de accumulatie van stikstof in de bodem is verwaarloosbaar vergeleken met de in de afgelopen decennia opgebouwde stikstofaccumulatie. Zij valt eveneens in het niet met de verdere opbouw daarvan door autonome stikstofdeposities in de toekomst.
Een geringe depositietoename leidt niet tot significante effecten als gevolg van verzuring. Voor de meeste habitattypen verloopt het natuurlijk en/of door stikstofdepositie versterkte verzuringsproces gradueel. Een geringe depositietoename van 0,12 mol N/ha/jaar heeft, gezien de veel hogere achtergronddeposities (16.000 keer zo groot) geen wezenlijk effect op dit proces. Er is een aantal habitattypen en leefgebiedtypen waarbij effecten niet gradueel verlopen en waar sprake kan zijn van ‘omslag’ van het ecosysteem bij het bereiken van een bepaalde, afhankelijk van de context wisselende, depositiewaarde (Goderie & Vertegaal, 2020). Deze habitattypen komen echter niet voor de Natura 2000-gebieden in Midden-Limburg. Het optreden van eventuele omslagpunten in habitattypen kan bovendien niet veroorzaakt worden door een project met een kleine depositiebijdrage. Deze omslagpunten zullen hoe dan ook worden bereikt als gevolg van de (veel grotere) autonome deposities. Door een geringe depositietoename kan dit moment in theorie eerder bereikt worden, maar dit is in de orde van minuten, en daarmee voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende habitattype van geen belang.
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 12 van 46
5 Natura 2000-gebied Maasduinen 5.1 Beoordelingsmethode
In dit hoofdstuk is per habitattype en leefgebiedtype uitgewerkt wat de effecten kunnen zijn van de berekende depositieverhogingen als gevolg van de werkzaamheden aan de Dorpsstraat 73 in Afferden. Deze beoordelingen gaan uit van de specifieke huidige situatie t.a.v. de staat van instandhouding van habitats en leefgebiedtypen in de afzonderlijke gebieden. De effectbeoordeling refereert aan de inzichten over effecten van stikstof op ecosystemen die opgenomen zijn in bijlage 1 en bijlage 2. Bij de effectbeoordeling is uitgegaan van de (juridische) uitgangspunten die in paragraaf 2 zijn opgenomen. Voor elk habitattype/leefgebiedtype is beoordeeld: - Wat de hoogte van de toename van de stikstofdepositie is en over welk deel van het areaal van het habitattype deze plaatsvindt. - Wat is de huidige mate van overschrijding van de KDW (in % van het areaal) is. Deze gegevens zijn afkomstig van AERIUS Monitor, versie 2023. Omdat de toename van de depositie als gevolg van het project minimaal is, is het areaal met naderende overschrijding (waar de achtergronddepositie tot 70 mol N/ha/jaar lager is dan de KDW) buiten beschouwing genomen. De kans dat de depositietoename voor deze categorie tot overschrijding van de KDW leidt, is minimaal en bovendien ecologisch niet relevant.
- Een korte typering van het habitattype, met name gericht op kenmerken die gerelateerd kunnen zijn aan (effecten van) stikstof. - De huidige kwaliteit, op basis van de natuurdoelanalyse Maasduinen van de provincie Limburg (Provincie Limburg, 2022). - De gevolgen van de depositietoename voor het verloop van de trend in de achtergronddepositie en de daaraan gerelateerde instandhoudingsdoelen. - De gevolgen van de depositietoename voor de kwaliteit van de vegetatie als gevolg van eventuele vermestingseffecten. - De gevolgen van de depositietoename voor de kwaliteit van de vegetatie als gevolg van eventuele verzuringseffecten. - De gevolgen van de depositietoename voor het voorkomen van typische soorten. - De gevolgen van de depositietoename voor kenmerken van goede structuur en functie. De beoordeling sluit af met een beoordeling van (de significantie van) de gevolgen voor het habitattype/leefgebiedtype, waarbij beoordeeld is of kan worden uitgesloten dat de depositietoename het behalen van de instandhoudingsdoelen in gevaar dreigt te brengen.
5.2 Beknopte gebiedsbeschrijving Door de werking van de Maas en de Rijn zijn er terrassen ontstaan, die nu nog zichtbaar zijn in het landschap. Extra reliëf is ontstaan door de werking van de wind. In de laag gelegen delen heeft zich veen gevormd, al dan niet bedekt met een dunne laag dekzand. Vennen zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen, vormen het karakteristieke landschap van de Hamert en de rest van de Maasduinen. In het begin van deze eeuw zijn er op grote delen van deze 'Looierheide' eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens is het gebied niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoog- naar laagterras in het stroomdal in stand gebleven. Her en der
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 13 van 46
bleven grotere en kleine stukken heide en stuifzand gespaard, waarvan de Berger Heide en de Hamert de grootste gebieden zijn. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn.
Figuur 5-1 Begrenzing Natura 2000-gebied Maasduinen. Afferden en het door het project beïnvloede deel van het Natura 2000-gebied liggen binnen de rode cirkel.
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 14 van 46
Figuur 5-2 Eckeltse Beek bij Afferden (Bron: VisitNoord-Limburg.nl) De overgangen van vennen naar natte heide zijn geleidelijk. Langs de Eckelsche Beek liggen hoge steilranden. Ten zuiden van Nieuw-Bergen ligt een restant van een oud kampenlandschap.In de Hamert ligt tevens een hoogveenrestant, het Pikmeeuwenwater. Het zandgebied grensde aan de oostkant in het verleden aan een uitgestrekt veengebied, delen hiervan worden nu hersteld in het natuurontwikkelingsplan Heerenveen. Aan de westkant van de Hamert is in het Maasdal stroomdalgrasland aanwezig. Het meest zuidelijke deelgebied herbergt een Maasmeander met berkenbroekbos. Het gebied heeft een oppervlakte van 5274 ha (www.natura2000.nl). De bouwwerkzaamheden aan de Dorpsstraat 73 in Afferden hebben invloed op een zeer klein deel van het Natura 2000-gebied in de directe omgeving. Hier ligt het beekdal van de Eckeltse Beek waarin vooral dotterbloemgraslanden en elzensingels staan.
5.3 Instandhoudingsdoelstellingen en stikstofgevoeligheid habitattypen De mate van overschrijding van de KDW in 2022 op habitattypen en leefgebiedtypen in het Natura 2000gebied Maasduinen die in deze voortoets zijn opgenomen is aangegeven in Tabel 5-1. In de tabel zijn ook de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen opgenomen en is aangegeven met welke oppervlaktes ze aanwezig zijn in het Maasduinen. Figuur 5-3 geeft de verwachte ontwikkeling van de gemiddelde stikstofdepositie in het gebied over de periode 2020-2030. In de figuur zijn de gemiddelde deposities in het gebied aangegeven en de deposities die minimaal optreden in 90% van de hexagonen (onderste waarde) en 10% van de hexagonen (bovenste waarde).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 15 van 46
Tabel 5-1 Samenvatting van de instandhoudingsdoelstellingen en stikstofgevoeligheid van habitattypen en leefgebiedtypen in het Natura 2000-gebied Maasduinen die in deze voortoets zijn opgenomen. In de tabel is aangegeven over welk percentage van de oppervlakte van het habitattype overschrijding van de KDW plaatsvond in 2022. Habitattype/Leefgebiedtype H91E0C Beekbegeleidende bossen Lg06 Dotterbloemgrasland Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland Lg14 Eiken- en beukenbossen van lemige zandgronden
Instandhoudingsdoelstelling Oppervlakte Kwaliteit = = n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
n.v.t.
KDW (mol N/ha/j) 1857 1286 1286
overschrijding KDW 2022 % 55 100 61
Oppervlakte (ha)
1071
100
274,50
37,36 3,70 49,75
Legenda: Instandhoudingsdoelstellingen: = behoudsdoelstelling; > verbeter- of uitbreidingsdoelstelling; = (<) behoudsdoelstelling maar afname t.b.v. uitbreiding specifiek ander habitattype mag.
Figuur 5-3 Ontwikkeling stikstofdepositie Maasduinen (Bron: AERIUS Monitor versie 2024).
5.4 Toename stikstofdepositie en beïnvloede habitattypen, leefgebiedtypen en soorten
Als gevolg van het project vindt in het Natura 2000-gebied Maasduinen een tijdelijke toename van stikstofdepositie plaats met maximaal 0,12 mol N/ha/jaar op één habitattype en drie leefgebiedtypen waar de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde. In Tabel 5-2 zijn de maximale depositietoenames opgenomen voor dit habitattype en deze leefgebiedtypen, en de oppervlaktes waarover deze optreden. Figuur 5-4 geeft de ligging van de hexagonen waarop deze toenames zijn berekend. Het gaat om 11 hexagonen in het dal van de Eckeltse Beek op korte afstand van de projectlocatie.
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 16 van 46
Tabel 5-2 Berekende depositietoename op habitattypen en leefgebiedtypen waar in 2021 nog sprake is van een overschrijding van de KDW, Natura 2000-gebied Maasduinen in de aanlegfase. Aangegeven is de maximale toename van de depositie en de oppervlakte van het habitattype waarover deze toename plaatsvindt. Ook is de het percentage van de totale oppervlakte van de habitattypen in het gebied aangegeven. Habitattype
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidend) Lg06 Dotterbloemgrasland Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
Depositietoename Mol N/ha/jaar 0,12 0,12 0,12 0,12
Berekende oppervlakte ha
Deel van de totale oppervlakte
0,12 2,77 0,88 0,06
0,3% 75% 2% 0,02%
Figuur 5-4 Verdeling depositietoenames als gevolg van de aanlegfase van het project in Natura 2000-gebied Maasduinen (Bron: AERIUS Calculator 2024). De paarse hexagonen zijn de zones waarin depositietoenames van maximaal 0,12 mol N/ha/jaar plaatsvinden op hexagonen met habitattypen en leefgebiedtypen met overschrijding van de KDW. In de gebruiksfase treden kleine permanente toenames van de stikstofdepositie op van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar in hetzelfde gebied (Tabel 5-3, Figuur 5-8). De depositietoenames treden op in 6 hexagonen.
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 17 van 46
Tabel 5-3 Berekende depositietoename op habitattypen en leefgebiedtypen waar in 2021 nog sprake is van een overschrijding van de KDW, Natura 2000-gebied Maasduinen in de gebruiksfase. Aangegeven is de maximale toename van de depositie en de oppervlakte van het habitattype waarover deze toename plaatsvindt. Ook is de het percentage van de totale oppervlakte van de habitattypen in het gebied aangegeven. Habitattype
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidend) Lg06 Dotterbloemgrasland Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
Depositietoename Mol N/ha/jaar 0,03 0,03 0,03 0,03
Berekende oppervlakte ha
Deel van de totale oppervlakte
0,11 0,82 0,59 0,06
0,3% 22% 1% 0,02%
Figuur 5-5 Verdeling depositietoenames als gevolg van de gebruiksfase van het project in Natura 2000-gebied Maasduinen (Bron: AERIUS Calculator 2024). De paarse hexagonen zijn de zones waarin depositietoenames van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar plaatsvinden op hexagonen met habitattypen en leefgebiedtypen met overschrijding van de KDW. De achtergronddeposities in het Natura 2000-gebied Maasduinen varieerden in 2022 (AERIUS Monitor 2024) tussen ca. 1320 en 2267 mol N/ha/jaar (10- en 90 percentielen). De gemiddelde depositie was 1915 mol N/ha/jaar. De berekende toename van 0,12 mol N/ha/jaar is dus maximaal 0,006% van de al bestaande achtergronddepositie in 2022. Toenames van stikstofdepositie als gevolg van het project zijn beperkt tot een zeer klein gedeelte van het Natura 2000-gebied Maasduinen. Significante gevolgen voor andere habitattypen en leefgebieden dan genoemd in bovenstaande tabellen zijn op voorhand uitgesloten. Deze habitattypen en leefgebiedtypen worden daarom niet behandeld in deze voortoets.
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 18 van 46
Dat geldt ook voor de stikstofgevoelige soorten broedvogels nachtzwaluw en boomleeuwerik. Beide soorten hebben hun leefgebied op heiden en in ijle bossen elders in het Natura 2000-gebied. Voor beide soorten is bovendien sprake van een stabiele (boomleeuwerik) of positieve (nachtzwaluw) trend in de aantallen broedparen, die (ruim) boven de instandhoudingsdoelstelling liggen. Figuur 5-6 en Figuur 5-7 laten deze trends en de verspreiding van de territoria van beide soorten in het Natura 2000-gebied Maasduinen zien.
Figuur 5-6 Verspreiding van de territoria van de nachtzwaluw (boven) en boomleeuwerik (onder) in het N2000 gebied de Maasduinen in 1993, 2005 en 2013. VR betekent in het als Vogelrichtlijn begrensde gebied (Bron: Van Noorden, 2016).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 19 van 46
Figuur 5-7 Populatieontwikkeling nachtzwaluw (boven) en boomleeuwerik (onder) in het Natura 2000-gebied Maasduinen (Bron: Sovon.stats).
5.5 H91E0C Beekbegeleidende bossen Ecologische typering, ecologische condities en stikstofgevoeligheid Zie Bijlage 3. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Oppervlakte en kwaliteit Deze bossen zijn in dit deel van het Natura 2000-gebied beperkt tot een zone langs de Eckeltse Beek. Een bosgebied van bijna 1,9 ha ligt direct langs de beek ten westen van kasteelruïne Bleijenbeek. Een relictbosje
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 20 van 46
ligt ter hoogte van de kern van Afferden, eveneens langs de Eckeltse Beek (Figuur 5-8). De kwaliteit is matig (Provincie Limburg, 2022). In het zuiden van het gebied langs de Arcense Beek liggen de grootste oppervlaktes van het habitattype. Drukfactoren, knelpunten en maatregelen De kwaliteit van de bossen wordt beperkt door de kleine omvang. Ook is er sprake van verdroging. Er is daarom geen sprake van dynamische en goed functionerende bossen. Te hoge stikstofdepositie in het verleden heeft mede bijgedragen aan verruiging. In het beheerplan zijn verschillende maatregelen opgenomen om de hydrologie van het habitattype te herstellen (Provincie Limburg, 2022). Achtergronddepositie huidige situatie In 2022 was er op 55% van de oppervlakte van het habitattype sprake van een lichte tot matige overschrijding van de KDW. In de directe omgeving van het project is de overschrijding van de KDW van het habitattype beperkt tot 1 hexagoon (Figuur 5-8). In 2022 varieerde de depositie tussen 1516 en 2169 mol N/ha/jaar. De gemiddelde depositie was 1909 mol N/ha/jaar (AERIUS Monitor, 2024).
Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project De eenmalige depositietoename op het habitattype H91E0C Beekbegeleidende bossen als gevolg van de aanlegwerkzaamheden aan de Dorpsstraat in Afferden bedraagt maximaal 0,12 mol N/ha/jaar en is berekend voor een oppervlakte van 0,12 ha van het habitattype (0,3% van de totale oppervlakte van dit habitattype in dit Natura-2000 gebied). In de gebruiksfase is er een depositietoename van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op een oppervlakte van 0,11 ha (0,3%) van het habitattype. Op de hexagonen waar de depositietoenames plaatsvinden (zie Figuur 5-4 en Figuur 5-8) is echter geen sprake van overschrijding van de KDW.
Figuur 5-8 Verspreiding en mate van overschrijding van de stikstofdepositie van het habitattype H91E0C Beekbegeleidende bossen (AERIUS Monitor, 2024).
Legenda: donkergroen: geen overbelasting; lichtgroen: naderende overbelasting (<70 mol N/ha/jaar beneden KDW); heel lichtpaars: lichte overbelasting (tot 70 mol N/ha/jaar hoger dan de KDW); lichtpaars: matige overbelasting (tot 2x KDW); donkerpaars: sterke overbelasting (meer dan 2x KDW).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 21 van 46
Effectbeoordeling Het project leidt in beide fasen niet tot een toename van de deposities op hexagonen waar de depositie hoger is dan de KDW van dit habitattype. Daarmee zijn nadelige effecten op het habitattype H91E0C Beekbegeleidende bossen uitgesloten. De geringe depositieverhoging heeft geen invloed op de mogelijkheden om de oppervlakte en de kwaliteit van het habitattype te behouden. Er zijn daarom geen gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor het habitattype.
5.6 Lg06 Dotterbloemgrasland Ecologische typering, ecologische condities en stikstofgevoeligheid Zie Bijlage 3. Instandhoudingsdoelstellingen Het leefgebiedtype Lg06 Dotterbloemgraslanden vormt (een deel van) het leefgebied van de grauwe klauwier, één van de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Maasduinen is aangewezen. De instandhoudingsdoelen voor de grauwe klauwier zijn uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor een populatie van 3 broedparen. Andere soorten broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied Maasduinen is aangewezen, zoals nachtzwaluw en boomleeuwerik, maken geen gebruik van dit leefgebied (Bouwman et al., 2016).
Figuur 5-9 Populatieontwikkeling van de grauwe klauwier in het Natura 2000-gebied Maasduinen (Bron: Sovon.stats). Oppervlakte en kwaliteit Dit leefgebiedtype is in het Natura 2000-gebied Maasduinen beperkt tot het beekdal van de Eckeltse Beek (Figuur 5-10). Grauwe klauwieren, waarvoor Dotterbloemgraslanden een deel van het leefgebied vormen, broedden tot voor kort onregelmatig in de Maasduinen. De laatste jaren lijkt de soort zich definitief te hebben gevestigd. In 2019 waren er 5 broedparen, in 2022 zelfs 8 broedparen (sovon.stats; zie Figuur 5-9). Kerngebieden vormen de
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 22 van 46
Bergerheide rondom het Rondven en Driessenven en het noordelijke deel van de Hamert (Provincie Limburg, 2022). Er zijn geen waarnemingen van broedende grauwe klauwieren langs de Eckeltse Beek. Drukfactoren, knelpunten en maatregelen Over de eventuele drukfactoren die de kwaliteit van de dotterbloemgraslanden langs de Eckeltse Beek kunnen beïnvloeden is niets bekend. Wel is het beekdal in het begin van de 20e eeuw door het waterschap natuurlijk ingericht, waardoor de ecologische kwaliteit is toegenomen. Het leefgebied van de grauwe klauwier in de Maasduinen is op orde omdat de draagkracht voor het aantal beoogde broedparen op dit moment wordt gehaald, mogelijk zelfs als gevolg van klimaatverandering. Blijkbaar zijn er voldoende grote insecten en andere prooien om in de voedselbehoefte te voorzien. De soort profiteert van maatregelen die voor verschillende habitattypen (zoals droge heide) worden getroffen, en van herstel van cultuurlandschappen op de overgangen van het natuurgebied naar het omliggende agrarische gebied (Provincie Limburg, 2022). Achtergronddepositie huidige situatie In 2022 was er op de hele van de oppervlakte van het leefgebiedtype sprake van een lichte tot matige overschrijding van de KDW (Figuur 5-10). In 2022 varieerde de depositie tussen 1306 en 1595 mol N/ha/jaar. De gemiddelde depositie was 1400 mol N/ha/jaar (AERIUS Monitor, 2024).
Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project De eenmalige depositietoename op het leefgebiedtype Lg06 Dotterbloemgraslanden als gevolg van de aanlegwerkzaamheden aan de Dorpsstraat in Afferden bedraagt maximaal 0,12 mol N/ha/jaar en is berekend voor een oppervlakte van 2,77 ha van het leefgebiedtype (75% van de totale oppervlakte van dit leefgebiedtype in dit Natura-2000 gebied). In de gebruiksfase is er een depositietoename van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op een oppervlakte van 0,82 ha (22%) van het leefgebiedtype.
Figuur 5-10 Verspreiding en mate van overschrijding van de stikstofdepositie op het leefgebiedtype Lg06 Dotterbloemgrasland (AERIUS Monitor, 2024).
Legenda: donkergroen: geen overbelasting; lichtgroen: naderende overbelasting (<70 mol N/ha/jaar beneden KDW); heel lichtpaars: lichte overbelasting (tot 70 mol N/ha/jaar hoger dan de KDW); lichtpaars: matige overbelasting (tot 2x KDW); donkerpaars: sterke overbelasting (meer dan 2x KDW).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 23 van 46
Effectbeoordeling - De werkzaamheden aan de Dorpsstraat 73 in Afferden veroorzaken een tijdelijke depositietoename van maximaal 0,12 mol N/ha/jaar op het leefgebiedtype. Deze toename is berekend voor 2,77 ha (75% van de oppervlakte van het leefgebiedtype). In de gebruiksfase treden depositietoenames van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op over een oppervlakte van 0,82 ha (22% van de oppervlakte van het leefgebiedtype). - Op de hele oppervlakte van het leefgebiedtype was in 2022 sprake van overschrijding van de KDW. - Het leefgebiedtype maakt deel uit van het leefgebied van de grauwe klauwier. Deze soort broedt echter op andere plaatsen in het Natura 2000-gebied, met name op de overgangen van de heide in braamstruwelen. De omvang en kwaliteit van het leefgebied is voldoende om de instandhoudingsdoelen voor de grauwe klauwier te behalen. De Eckeltse Beek heeft op dit moment geen functie als leefgebied. - De depositietoename in de aanlegfase met maximaal 0,12 mol N/ha/jaar is tijdelijk. Deze tijdelijke toename heeft geen invloed op de trend in de stikstofbelasting in het gebied, ongeacht welke trend hierbij optreedt, en heeft daarom geen invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelen voor zover deze te maken hebben met de trend in stikstofdepositie in de komende jaren.
- Omdat de depositietoename gering is leidt deze niet tot een meetbare verandering in het nutriëntenaanbod voor het leefgebiedtype (zie hoofdstuk 4). Er zijn daarom geen meetbare veranderingen in de biomassaproductie van de vegetatie als gevolg van de mogelijk vermestende effecten van deze depositietoename. De structuur en soortensamenstelling van de vegetatie verandert daarom niet als gevolg van de geringe depositietoename. De depositietoename leidt daarom ook niet tot verdere verruiging en verstruweling in het leefgebiedtype. - Goed ontwikkelde vormen van het leefgebiedtype komen voor onder relatief goed gebufferde omstandigheden, die van nature ontstaan door de aanvoer van basenrijke kwel naar het beekdal en overstroming met basenrijk beekwater. Het standplaatsmilieu van het leefgebiedtype is daardoor relatief goed gebufferd, waardoor het leefgebiedtype in beginsel weinig gevoelig is voor sterke verdere verzuring. Effecten van verzuring treden in dit leefgebiedtype gradueel op, waardoor er geen risico bestaat van plotselinge omslagpunten bij kleine depositieverhogingen. De eenmalige depositieverhoging is daarbij te gering om een meetbare verandering in de zuurgraad van de bodem te veroorzaken, mede gelet op de veel hogere achtergronddeposities die op het leefgebiedtype van toepassing zijn (gemiddeld 1400 mol N/ha/jaar).
Verdere verzuring van de standplaatsen als gevolg van de geringe depositietoename kan daarom worden uitgesloten. - Omdat de samenstelling en structuur van de vegetatie niet verandert door de depositietoenames, zijn er geen gevolgen voor de kwaliteit van het (potentiële) leefgebied van de grauwe klauwier. - Een tijdelijke en geringe toename van de stikstofdepositie met maximaal 0,12 mol N/ha/jaar leidt niet tot veranderingen in de oppervlakte en kwaliteit van het leefgebiedtype Lg6 Dotterbloemgraslanden in het Natura 2000-gebied Maasduinen. De geringe depositieverhoging heeft bovendien geen invloed op de mogelijkheden om de instandhoudingsdoelen voor de grauwe klauwier te behalen.
5.7 Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland Ecologische typering, ecologische condities en stikstofgevoeligheid Zie Bijlage 3. Instandhoudingsdoelstellingen Het leefgebiedtype Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland vormt (een deel van) het leefgebied van de grauwe klauwier, één van de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Maasduinen is aangewezen. De instandhoudingsdoelen voor de grauwe klauwier zijn uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor een populatie van 3 broedparen. Andere soorten broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied Maasduinen is aangewezen, zoals nachtzwaluw en boomleeuwerik, maken geen gebruik van dit leefgebied (Nijssen et al., 2016).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 24 van 46
Oppervlakte en kwaliteit Dit leefgebiedtype komt met ca. 50 ha voor in het Natura 2000-gebied. In het beekdal van de Eckeltse Beek komt het op verschillende percelen voor (Figuur 5-11), met een oppervlakte van enkele hectares. De kwaliteit van het leefgebiedtype is niet bekend. Het voorkomen van de grauwe klauwier is beschreven in paragraaf 5.6. Drukfactoren, knelpunten en maatregelen Zie paragraaf 5.6. Achtergronddepositie huidige situatie In 2022 was er op 61% van de oppervlakte van het leefgebiedtype sprake van een lichte tot matige overschrijding van de KDW (Figuur 5-11). In 2022 varieerde de depositie tussen 1181 en 1810 mol N/ha/jaar. De gemiddelde depositie was 1428 mol N/ha/jaar (AERIUS Monitor, 2024). Toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project De eenmalige depositietoename op het leefgebiedtype Lg10 Kamgrasweiden & Bloemrijke weidevogelgraslanden als gevolg van de aanlegwerkzaamheden aan de Dorpsstraat in Afferden bedraagt maximaal 0,12 mol N/ha/jaar en is berekend voor een oppervlakte van 0,88 ha van het leefgebiedtype (2% van de totale oppervlakte van dit leefgebiedtype in dit Natura-2000 gebied). In de gebruiksfase is er een depositietoename van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op een oppervlakte van 0,59 ha (2%) van het leefgebiedtype.
Figuur 5-11 Verspreiding en mate van overschrijding van de stikstofdepositie op het leefgebiedtype Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland (AERIUS Monitor, 2024).
Legenda: donkergroen: geen overbelasting; lichtgroen: naderende overbelasting (<70 mol N/ha/jaar beneden KDW); heel lichtpaars: lichte overbelasting (tot 70 mol N/ha/jaar hoger dan de KDW); lichtpaars: matige overbelasting (tot 2x KDW); donkerpaars: sterke overbelasting (meer dan 2x KDW).
Effectbeoordeling - De werkzaamheden aan de Dorpsstraat 73 in Afferden veroorzaken een tijdelijke depositietoename van maximaal 0,12 mol N/ha/jaar op het leefgebiedtype. Deze toename is berekend voor 0,88 ha (2% van de oppervlakte van het leefgebiedtype). In de gebruiksfase treden depositietoenames van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op over een oppervlakte van 0,59 ha (2% van de oppervlakte van het leefgebiedtype).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 25 van 46
-
-
-
-
-
Op d61% van de oppervlakte van het leefgebiedtype was in 2022 sprake van overschrijding van de KDW. Het leefgebiedtype maakt deel uit van het leefgebied van de grauwe klauwier. Deze soort broedt echter op andere plaatsen in het Natura 2000-gebied, met name op de overgangen van de heide in braamstruwelen. De omvang en kwaliteit van het leefgebied is voldoende om de instandhoudingsdoelen voor de grauwe klauwier te behalen. De Eckeltse Beek heeft op dit moment geen functie als leefgebied. De depositietoename in de aanlegfase met maximaal 0,12 mol N/ha/jaar is tijdelijk. Deze tijdelijke toename heeft geen invloed op de trend in de stikstofbelasting in het gebied, ongeacht welke trend hierbij optreedt, en heeft daarom geen invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelen voor zover deze te maken hebben met de trend in stikstofdepositie in de komende jaren. Omdat de depositietoename gering is leidt deze niet tot een meetbare verandering in het nutriëntenaanbod voor het leefgebiedtype (zie hoofdstuk 4). Er zijn daarom geen meetbare veranderingen in de biomassaproductie van de vegetatie als gevolg van de mogelijk vermestende effecten van deze depositietoename. De structuur en soortensamenstelling van de vegetatie verandert daarom niet als gevolg van de geringe depositietoename. De depositietoename leidt daarom ook niet tot verdere verruiging en verstruweling in het leefgebiedtype.
Goed ontwikkelde vormen van het leefgebiedtype komen voor onder relatief goed gebufferde omstandigheden, die van nature ontstaan door de aanvoer van basenrijke kwel naar het beekdal en overstroming met basenrijk beekwater. Het standplaatsmilieu van het leefgebiedtype is daardoor relatief goed gebufferd, waardoor het leefgebiedtype in beginsel weinig gevoelig is voor sterke verdere verzuring. Effecten van verzuring treden in dit leefgebiedtype gradueel op, waardoor er geen risico bestaat van plotselinge omslagpunten bij kleine depositieverhogingen. De eenmalige depositieverhoging is daarbij te gering om een meetbare verandering in de zuurgraad van de bodem te veroorzaken, mede gelet op de veel hogere achtergronddeposities die op het leefgebiedtype van toepassing zijn (gemiddeld 1428 mol N/ha/jaar). Verdere verzuring van de standplaatsen als gevolg van de geringe depositietoename kan daarom worden uitgesloten. Omdat de samenstelling en structuur van de vegetatie niet verandert door de depositietoenames, zijn er geen gevolgen voor de kwaliteit van het (potentiële) leefgebied van de grauwe klauwier. Een tijdelijke en geringe toename van de stikstofdepositie met maximaal 0,12 mol N/ha/jaar leidt niet tot veranderingen in de oppervlakte en kwaliteit van het leefgebiedtype Lg10 Kamgrasweiden & Bloemrijk weidevogelgrasland in het Natura 2000-gebied Maasduinen.
De geringe depositieverhoging heeft bovendien geen invloed op de mogelijkheden om de instandhoudingsdoelen voor de grauwe klauwier te behalen.
5.8 Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden Ecologische typering, ecologische condities en stikstofgevoeligheid Zie Bijlage 3. Instandhoudingsdoelstellingen Het leefgebiedtype Lg14 Eiken- en beukenbos van lemiger zandgronden vormt (een deel van) het leefgebied van de zwarte specht, één van de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Maasduinen is aangewezen. De instandhoudingsdoelen voor de zwarte specht zijn behoud van de oppervlakte en de kwaliteit van het leefgebied voor een populatie van 35 broedparen. Andere soorten broedvogels waarvoor het Natura 2000gebied Maasduinen is aangewezen, zoals grauwe klauwier, nachtzwaluw en boomleeuwerik, maken geen gebruik van dit leefgebied (Nijssen et al., 2016).
Voortoets stikstofeffecten Dorpsstraat 73 Afferden| | rapportnummer KE136-01 | 24 januari 2025 | Pagina 26 van 46
Oppervlakte en kwaliteit Dit leefgebiedtype komt verspreid in het Natura 2000-gebied Maasduinen voor met een oppervlakte van ca. 275 ha. In het door het project beïnvloede deel van de Eckeltse Beek komen enkele zeer kleine snippers van het bos voor met een oppervlakte van 0,06 ha (Figuur 5-12). Zwarte spechten, waarvoor deze bossen een deel van het leefgebied vormen, komen stabiel voor in de Maasduinen, maar in aantallen die lager zijn dan de instandhoudingsdoelstelling (Sovon.stats). Zwarte spechten komen overal in de beboste delen van de Maasduinen voor, hoofdzakelijk in de grote aaneengesloten bossen op de droge zandduinen. De verspreiding is vrij homogeen verdeeld over het gebied. De stand is al jaren min of meer gelijk met 29-33 paren. De zeer kleine bosjes in het beekdal van de Eckeltse beek hebben vanwege hun kleine oppervlakte (0,01 ha) geen betekenis als broed- en foerageergebied voor de zwarte specht. Drukfactoren, knelpunten en maatregelen Over de eventuele drukfactoren die de kwaliteit van de bosjes langs de Eckeltse Beek, die tot het leefgebiedtype behoren, kunnen beïnvloeden is niets bekend. Wel is het beekdal in het begin van de 20e eeuw door het waterschap natuurlijk ingericht, waardoor de ecologische kwaliteit is toegenomen.
Het leefgebied van de zwarte specht in de Maasduinen is op orde omdat de draagkracht voor het aantal beoogde broedparen op dit moment wordt gehaald, en vrijwel alle geschikte territoria bezet zijn. Er zijn daarom geen belangrijke drukfactoren (Provincie Limburg, 2022). Achtergronddepositie huidige situatie In 2022 was er op 9% van de oppervlakte van het leefgebiedtype sprake van een lichte tot matige overschrijding van de KDW (Figuur 5-12). In 2022 varieerde de depositie tussen 1406 en 2227 mol N/ha/jaar. De gemiddelde depositie was 1922 mol N/ha/jaar (AERIUS Monitor, 2024).
Figuur 5-12 Verspreiding en mate van overschrijding van de stikstofdepositie op het leefgebiedtype Lg14 Eikenen beukenbos van arme zandgronden (AERIUS Monitor, 2024). Legenda: donkergroen: geen overbelasting; lichtgroen: naderende overbelasting (<70 mol N/ha/jaar beneden KDW); heel lichtpaars: lichte overbelasting (tot 70 mol N/ha/jaar hoger dan de KDW); lichtpaars: matige overbelasting (tot 2x KDW); donkerpaars: sterke overbelasting (meer dan 2x KDW).