VA Motivering Ottenskamp 5 4a
Tekst van het document
Ecologie
4.5.1
Kader
De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. 42
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: 'Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: Er soorten aanwezig zijn; Welke soorten dat zijn. Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn.
Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
Motivering
43
1. bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; 2. gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; 3. landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; 4. ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; 4.5.2
Toetsing en conclusie
Flora en fauna De voorgenomen ontwikkeling omvat geen bouwwerkzaamheden. Wel wordt een mestsilo gesloopt en erfverharding opgeruimd. Een mestsilo en/of erfverharding zijn niet geschikt om te dienen als leefgebied voor (beschermde) soorten. Het verwijderen van deze bebouwing / verharding heeft daarom geen negatief effect op het leefgebied van (beschermde) soorten. Het uitvoeren van een QuickScan ecologie wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Natura 2000 – stikstof De regelgeving omtrent stikstofdepositie is vastgelegd in artikel 22.20 van de Omgevingswet. Hierin is bepaald dat de regels uit artikel 5.5a van de voormalige Wet natuurbescherming voorlopig van kracht blijven, totdat bij koninklijk besluit een nieuwe datum wordt vastgesteld. Tot dat moment blijft de bestaande wet- en regelgeving ongewijzigd van toepassing. Na deze nog te bepalen datum zal stikstofdepositie worden gemonitord als omgevingswaarde. Volgens de Wet natuurbescherming is voor alle activiteiten die mogelijk een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist, tenzij met zekerheid kan worden uitgesloten dat het project leidt tot een toename van stikstofdepositie op deze gebieden. Negatieve effecten kunnen ontstaan door verzuring en/of vermesting als gevolg van stikstofemissies (in de vorm van NOx of NH3), die via atmosferische depositie neerslaan in kwetsbare natuurgebieden.
Afhankelijk van de aard van het project kan stikstofdepositie optreden tijdens de aanleg-, sloop- of gebruiksfase. Daarom is het van belang om per fase te beoordelen of een vergunningplicht geldt en of aanvullende maatregelen nodig zijn om negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te voorkomen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Maasduinen’ op circa 2 kilometer, zie afbeelding 11.
44
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
Afbeelding 11: Natura 2000-gebied nabij projectgebied te Siebengewald (bron: ministerie van LVVN) De voorgenomen ontwikkeling omvat geen bouwactiviteiten. De sloop van de mestsilo en het opruimen van de erfverharding vergt slechts een beperkte inzet van mobiele werktuigen en vervoersbewegingen. Gezien de afstand tot aan de grens van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied kan op voorhand worden uitgesloten dat de sloopactiviteiten een stikstofdepositie veroorzaken op stikstofgevoelige habitats. Ook is vanwege de relatief grote afstand vast te stellen dat het planvoornemen geen andere invloed heeft op Natura 2000-gebieden (trillingen, licht e.d.). Een AERIUS-berekening is daarom niet noodzakelijk geacht en een negatief effect kan worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), vormt een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgronden met belangrijke natuurwaarden op nationaal en internationaal niveau. Het beleid rondom het NNN is gericht op het behouden van ecosystemen en het creëren van leefgebieden die gunstig zijn voor de biodiversiteit.
Op basis van het rijksbeleid, zoals vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), geldt voor het NNN de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Nieuwe plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan wanneer zij deze kenmerken of waarden significant aantasten. Binnen het NNN Motivering
45
wordt vaak onderscheid gemaakt tussen verschillende provinciale natuurgebieden. In afbeelding 12 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland te zien.
Afbeelding 12: Natuurnetwerk Nederland nabij projectgebied te Siebengewald (bron: Atlasleefomgeving.nl) Het plangebied ligt buiten de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland en heeft geen invloed op de instandhouding van deze gebieden. 4.6
Archeologie en cultuurhistorie
4.6.1
kader
Algemeen De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. 46
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Archeologie Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten; het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek. Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl (art.
5.130) zijn instructieregels opgenomen omtrent het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd document; Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De Provincie Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in Motivering
47
de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’. Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op omliggende of nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten. 4.6.2
Toetsing en conclusie
Cultuurhistorie Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Op de kaart behorende bij het Landschapsplan zijn in de nabijheid van het plangebied echter wel een aantal aanduidingen opgenomen (afbeelding 13).
Afbeelding 13: Uitsnede uit het Landschapsplan van de gemeente Bergen Conform de kaart behorende bij het Landschapsplan is een belangrijke solitaire boom aanwezig in het noorden van het plangebied (groene ster). Verder is de huidige bebouwing (Ottenskamp 5 en 4a) opgenomen als voorbeelderf. De beoogde ontwikkeling houdt rekening met de landschapselementen. De solitaire boom blijft bestaan. Er zijn verder geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling Archeologie Op grond van het geldend (tijdelijk) omgevingsplan is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een dubbelbestemming 'Archeologie'. De impact van het planvoornemen op de bodem blijft beperkt tot het verwijderen van de mestsilo en de erfverharding. Omdat er geen bouwactiviteiten zullen plaatsvinden, is het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek niet aan de orde. Bovedien ontbreekt de archeologische 48
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
dubbelbestemming. In het geval dat sprake is van een archeologische toevalsvondst, zal dit bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) worden gemeld. 4.7
Verkeer en parkeren
In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' gehanteerd. Verkeer Binnen dit project worden geen nieuwe woningen toegevoegd; de twee bestaande woningen blijven behouden. De melkveehouderij wordt beëindigd, waardoor de frequente ritten van melkwagens – die meerdere keren per week plaatsvonden – zijn komen te vervallen. Dat geldt ook voor andere aan de bedrijfsvoering verbonden verkeersbewegingen zoals de dierenarts, het aanvoer vee voedermiddelen en kunstmest en erfbetreders. Andere vervoersbewegingen blijven bestaan. De huidige verkeersbewegingen bestaan uit: Reguliere verkeersbewegingen van en naar de woning door eigenaren en bezoekers; aanvoer van goederen met busjes voor de statische opslag via meest oostelijke inrit. Met de beoogde ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen per saldo afnemen. Parkeren Parkeren gebeurt in de huidige situatie op eigen terrein. Aan de constructies van de opritten zullen geen veranderingen doorgevoerd worden, waardoor deze situatie onveranderd blijft bij de beoogde ontwikkeling. De parkeerbehoefte is in de gemeente Bergen vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen gemeente Bergen (L.) (2023)’.
Voor een vrijstaande koopwoning is dit buiten de bebouwde kom 2,4 parkeerplaats per woning. Op het terrein van Ottenskamp 5 en 4a is beide plaats voor minimaal drie auto’s. De busjes, die 1 a 2 keer per week bij de opslag moeten zijn, kunnen daarvoor parkeren. Motivering
49
4.8
Duurzaamheid
4.8.1
Kader
Een van de centrale maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit is vastgelegd in artikel 1.3, onder a, van de Ow. Gezondheid speelt hierin een belangrijke rol, zowel in de zin van bescherming tegen negatieve invloeden als in het actief bevorderen van gezondheid, bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor sport, beweging en positieve gezondheid. De begripsbepaling van duurzame ontwikkeling is opgenomen in bijlage 1 van de Omgevingswet en sluit aan bij de internationaal erkende Brundtland-definitie: "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen". Artikel 1.3 en artikel 2.1 van de Omgevingswet borgen het belang van duurzaamheid. Artikel 1.3 benoemt de maatschappelijke doelen van de wet, waaronder het in samenhang bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van die leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 2.1 bepaalt dat bestuursorganen hun taken en bevoegdheden uitoefenen met het oog op deze doelen, tenzij specifieke regels anders bepalen. Daarnaast geeft artikel 1.3 richting aan de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.6 van de wet.
Deze verplicht burgers en bedrijven om voldoende zorg te dragen voor een goede leefomgeving. Deze bepalingen zorgen ervoor dat duurzame ontwikkeling integraal wordt meegenomen in het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Dit vraagt om een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming, waarbij belangen zoals ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen in onderlinge samenhang worden afgewogen.
50
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
4.8.2
Toetsing en conclusie
De beëindiging van een veehouderij binnen het plangebied draagt bij aan de duurzaamheid in het buitengebied van de gemeente doordat de milieubelasting aanzienlijk vermindert. Het stoppen van de veehouderij leidt tot een afname van emissies van stikstof, ammoniak en broeikasgassen, waardoor de kwaliteit van lucht, bodem en water verbetert. Daarnaast ontstaat ruimte voor natuurontwikkeling en wordt ingezet op een verbetering van de biodiversiteit. 4.9
Gezonde fysieke leefomgeving
4.9.1
Kader
De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. Endotoxinen Het RIVM onderzoekt de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, hun gezinnen en werknemers in de sector. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen, zoals Q-koorts of Salmonella, die overdraagbaar zijn op mensen. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen – bestanddelen van bacteriële celwanden – luchtwegklachten veroorzaken. Ook geurhinder door mest is een bekend probleem.
In 2016 publiceerde het RIVM de resultaten van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), waarin de impact van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging op omwonenden werd onderzocht. Een jaar later volgde een Motivering
51
aanvullend rapport met verdiepende analyses ter bevestiging van de eerdere bevindingen. Uit deze studies blijkt dat omwonenden gezondheidsrisico’s lopen door blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxinen vormen daarbij een belangrijke factor voor luchtwegklachten. Met behulp van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan worden berekend binnen welke afstand van een veehouderij de advieswaarde van de Gezondheidsraad (30 EU/m³) wordt overschreden, wat kan duiden op verhoogde gezondheidsrisico’s. De beoogde ontwikkeling heeft een positieve invloed op de omgeving wat betreft het aspect gezondheid, omdat de veehouderij wordt beëindigd. Geitenhouderij Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) blijkt dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Met name in de omgeving van pluimvee- en geitenhouderijen is er een verhoogd risico op longontsteking. Op basis van deze bevindingen adviseert de GGD gemeenten om geen nieuwe gevoelige functies, zoals woningen of scholen, planologisch toe te staan binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. Het vervolgonderzoek VGO-2 bevestigt dit risico: binnen deze afstand is een statistisch significant hoger aantal gevallen van longontsteking vastgesteld. In Siebengewald bevinden zich twee geitenhouderijen. Beide op ongeveer 1,2 kilometer van het projectgebied.
De omzetting van agrarisch met twee bedrijfswoningen naar wonen voorziet feitelijk niet in het toevoegen van extra woningen in de nabijheid van geitenhouderijen. Daarmee is er derhalve geen sprake van een toename van de risico’s voor de volksgezondheid. 4.9.2
Toetsing en conclusie
De beoogde ontwikkeling heeft een positieve invloed op de omgeving wat betreft het aspect gezondheid, omdat de veehouderij wordt beëindigd. Binnen de voorgenomen ontwikkeling vinden geen veranderingen plaats die negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid. Nieuwe bronnen van hinder worden niet toegevoegd en bestaande milieufactoren, zoals geur en luchtkwaliteit, blijven gelijk of verbeteren.
52
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
4.10
Kabels, leidingen en straalpaden
Voor grotere kabels en leidingen wordt een planologische beschermingszone vastgesteld. Deze zone draagt bij aan het waarborgen van zowel de veiligheid als de bedrijfszekerheid van de betreffende leiding. 4.10.1 Toetsing en conclusie De kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschap Limburg laten zien dat in of nabij het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen en/of kabels aanwezig zijn. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.11
Conclusie fysieke leefomgeving
Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages, is er met uitvoering van voorliggend project sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Motivering
53
Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels 5.1
Algemeen
Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht. Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L). De herontwikkeling van Agrarisch naar Wonen (Ottenskamp 5) en de omzetting van de plattelandswoning naar de reguliere woonfunctie (Ottenskamp 4a) past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) wordt het als hoofdstuk 22G toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) gelezen te worden. In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen. 5.2
Opbouw van de regels
In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Daarom worden in de regels alleen bepalingen opgenomen die specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Hoofdstuk 2: Regels over functies 54
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan (in ieder geval onder de motorkap) nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor het plangebied is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan voor het buitengebied en het hiervan afgeleide handboek voor TAM-omgevingsplannen. Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten De regels voor de gebiedsaanwijzingen die betrekking hebben op de kaart met cultuurhistorische waarden (inclusief de bijbehorende tabellen) en de kaart met landschappelijke waarden.
Hoofdstuk 5: Overgangsregels In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het Motivering
55
overgangsrecht. Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing. Verbeelding De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/. 5.3
Werkingsbereik/ toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat aan hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22G wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22G van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L). Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3). 5.4
Functies
Op de verbeelding is de grens van het plangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende functies met verschillende kleuren weergegeven. Daarnaast zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Artikel 4 Tuin De gronden aan de westzijde en ten noorden van de woonfunctie zijn voorzien van deze functie. In het geldende ruimtelijke plan hadden deze gronden de bestemming Agrarisch. 56
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
Artikel 6 Wonen Binnen deze functie zijn twee grondgebonden woning toegestaan. Aanvullend op de bestaande bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken, is met de 'specifieke bouwaanduiding - maximum oppervlakte bijgebouwen 1.250 m2' bepaald dat binnen de woonfunctie deze afwijkende oppervlakte aan bijgebouwen is toegestaan. Erfafscheidingen Erf- en terreinafscheidingen zijn -met uitzondering van enkele uitzonderingen- aan de wegzijde toegestaan tot een maximum bouwhoogte van 1,0 m. Voor het overige zijn deze toegestaan tot een bouwhoogte van 2,0 m.
Motivering
57
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1
Algemeen
Met deze plantoelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan, in de vorm van een TAM-omgevingsplan, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. De initiatiefnemer beschikt over voldoende financiële middelen om dit plan ten uitvoer te brengen. 6.1.2
Kostenverhaal
Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van het TAM-omgevingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Daarnaast is een overeenkomst afgesloten waarin de afwikkeling van eventuele verzoeken tot nadeelcompensatie is geregeld. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om dit initiatief mogelijk te maken. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is aangetoond dat het TAM-omgevingsplan voor de gemeente economisch uitvoerbaar is. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inleiding De procedure voor vaststelling van een wijzigingsplan op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Participatietraject Initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling. Het gaat om de bewoners van Pannenweg 5 en 11 en de bewoners van Ottenskamp 1, 2, 3, 4 en 6. Er zijn door omwonenden geen bezwaren geuit tegen het plan. Zienswijzen
58
TAM-omgevingsplan Ottenskamp 5 en 4a Hoofdstuk 22G
Het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan heeft op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht vanaf 18 december 2025 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en het is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via 'regels op de kaart'. Gedurende deze periode zijn geen zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren gebracht.
Motivering
59
Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle Postbus 432 8000 AK Zwolle
t 08 8236 8236 e info@rombou.nl i www.rombou.nl