Uitspraak ELWM 24 december 2024
Tekst van het document
52
bovengenoemd voorschrift geborgd wordt dat wateroverlast wordt voorkomen. 69.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de watervergunning is verleend in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet genoemde doestellingen, onzorgvuldig zijn voorbereid of in strijd zijn met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt niet. Uitvoerbaarheid watervergunning 70. [appellante sub 1] en anderen betogen dat er belemmeringen zijn voor het kunnen verlenen van de watervergunning. Zo moet het aanleggen van de in de vergunning voorziene nieuwe watergang aan de oostzijde van het plangebied worden uitgevoerd op gronden die in eigendom zijn bij [appellante sub 1], maar deze gronden zijn daarvoor niet beschikbaar. Daarnaast is deze waterloop voorzien op gronden van het kabeltracé van Tennet. 70.1. De Afdeling overweegt dat het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat het de bedoeling is dat de primaire watergang aan de oostzijde van het plangebied behouden blijft. Slechts als de aansluiting op de bestaande tertiaire watergang niet mogelijk is, komt een nieuwe watergang in beeld. Volgens het dagelijks bestuur wordt deze watergang geheel binnen het plangebied aangelegd en wordt deze niet aangelegd op de gronden die in eigendom zijn bij [appellante sub 1] en anderen.
Ook in het geval dat de watergang wel wordt aangelegd op de gronden die in eigendom zijn bij [appellante sub 1] en anderen, leidt dat niet tot de conclusie dat de watervergunning gebrekkig is. Zoals de Afdeling al eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:846, onder 9.1, kent artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Het al dan niet bestaan van een evidente privaatrechtelijke belemmering of bestaande fysieke belemmeringen vallen niet te herleiden tot die doelstellingen en kunnen dan ook geen redenen zijn de aangevraagde vergunning te weigeren. Het betoog slaagt niet. Het herstelbesluit 71. Over de gewijzigde watervergunning van 16 mei 2022 betoogt [appellant sub 4] in de eerste plaats dat sprake is van strijd met artikel 2.1 Waterwet, de Keur Waterschap Limburg 2019, artikel 1.17 van de uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 en hoofdstuk 12 van de beleidsregels Keur Waterschap Limburg. [appellant sub 4] stelt dat ongefundeerd is geconcludeerd dat de maatregelen geen nadelige gevolgen zouden hebben voor het watersysteem. Een concrete toetsing aan het Water beheerplan, een deugdelijke onderbouwing en een aanvullend hydrologisch onderzoek ontbreken. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met het effect op het grondwater(peil).
[appellant sub 4] betoogt daarnaast dat het dagelijks bestuur niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de maatvoering van de stuw is bepaald. Ook hier ontbreekt volgens hem nieuw hydrologisch onderzoek. 71.1. Het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat het dempen van de waterloop Wellsmeerlossing op het perceel van [appellant sub 4] zal leiden tot een toename van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand van 0,15 tot maximaal 0,2 m. Volgens het Dagelijks bestuur is deze verhoging aanvaardbaar en zal deze niet leiden tot onaanvaardbare vernatting op het perceel van [appellant sub 4]. Om aan de vrees van [appellant sub 4] tegemoet te
53
komen, heeft het dagelijks bestuur ten overvloede besloten om een extra watergang met stuw aan te leggen. 71.2. De Afdeling begrijpt uit wat op de zitting is besproken dat het betoog van [appellant sub 4] vooral is ingegeven door de vrees dat de extra watergang met stuw niet zal worden aangelegd, omdat dit niet geborgd is in de watervergunning. Op de zitting heeft het dagelijks bestuur uitdrukkelijk toegezegd dat deze watergang met stuw wordt aangelegd. Het dagelijks bestuur doet dit om tegemoet te komen aan de zorgen van [appellant sub 4], hoewel deze watergang met stuw niet noodzakelijk is. De vrees van [appellant sub 4] is daarom ongegrond. Het betoog slaagt niet. Vrees voor vernatting 72. [appellant sub 4] betoogt dat het dagelijks bestuur ten onrechte heeft aangenomen dat hij geen wateroverlast in zijn woning en kelder zal ondervinden en dat ten onrechte geen mitigerende maatregelen zijn voorzien. [appellant sub 4] vreest dat de hogere grondwaterstand ook de fundering van zijn woning zal aantasten. In de eerste plaats gaat het dagelijks bestuur volgens [appellant sub 4] er ten onrechte van uit dat de stijging van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van zijn perceel beperkt blijft tot 20 cm. Volgens [appellant sub 4] is het dagelijks bestuur in de zienswijzennota uitgegaan van een onjuiste ligging van zijn perceel.
Daarnaast is volgens [appellant sub 4] in het hydrologisch rapport miskend dat het GHG feitelijk 9 cm hoger ligt dan volgens het model is berekend, zodat het model de situatie droger heeft ingeschat dan het geval is. Ook wordt ten onrechte gesteld dat de bebouwing van [appellant sub 4] ongeveer 2 m hoger ligt dan het omliggende maaiveld. Uit de hoogtekaart (hoofdstuk 4, verificatie) heeft het omliggende maaiveld deels een hoogte van 18-18,5 m +NAP en van 17,5-18 m +NAP. De gronden van [appellant sub 4] hebben een hoogte van 18,5-19 m +NAP. Dat betekent dat de bebouwing van [appellant sub 4] niet meer dan ongeveer een meter (minimaal 0,5 en maximaal 2,0) boven het omliggende maaiveld ligt, en dus niet gemiddeld 2 m hoger. Ook is ten onrechte geen rekening gehouden met droge perioden, waarin de grondwaterstand kan fluctueren. Verder is de aanleiding voor de aanleg van de nieuwe watergang niet deugdelijk onderbouwd. Niet duidelijk is wat de gevolgen van deze nieuwe watergang zullen zijn voor het perceel van [appellant sub 4]. 72.1. Op de zitting heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat de grondwaterstand dynamisch is en over een periode van 8 jaar is bekeken. Bij de GHG ligt het grondwater ongeveer 80 cm onder het maaiveld. In drogere periodes ligt het grondwater ongeveer een meter dieper, op 180 cm onder het maaiveld.
Het bestemmingsplan zal ertoe leiden dat de grondwaterstand 15 tot 20 cm zal stijgen. Dit geldt ook voor de rest van het perceel, waar daarnaast de GHG 20 tot 25 cm zal stijgen. Op de zitting heeft het dagelijks bestuur ook toegelicht dat het grondwater op dat moment ongeveer 100 cm onder het maaiveld lag. De kelder van [appellant sub 4] ligt daarmee al dieper dan de grondwaterstand. Volgens het dagelijks bestuur is dit geen probleem als de kelder waterdicht is, wat niet is weersproken door [appellant sub 4]. Gelet op het voorgaande kan de Afdeling het dagelijks bestuur volgen in het standpunt dat er hier sprake is van een beperkte stijging van de grondwaterstand, die niet zal leiden tot onaanvaardbare vernatting op het perceel van [appellant sub 4]. Het betoog slaagt niet.
54
EINDCONCLUSIE Conclusie ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 6] en [appellante sub 5] 73. Het beroep van [appellant sub 6] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellante sub 5] is ongegrond. 74. Wat deze beroepen betreft is dit een einduitspraak. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van hen geen aanleiding. Conclusie ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] 75. Gelet op wat hiervoor onder 29 is overwogen, zal in de einduitspraak een oordeel worden gegeven over de betogen van [appellant sub 2] over het aspect geluid. 76. Wat het beroep van [appellant sub 2] betreft is dit een tussenuitspraak. In de einduitspraak zal worden geoordeeld over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Conclusie ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 3] en anderen 77.
Gelet op wat hiervoor onder 16.4 en 48.4 is overwogen, zijn het besluit van de raad van 25 april 2022, waarbij de raad het bestemmingsplan "Energielandgoed Wells Meer" heeft gewijzigd en opnieuw heeft vastgesteld, en de besluiten van het college van 23 februari 2021 en 10 mei 2022, waarbij het college de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en e van de Wabo voor de bouw en het oprichten, veranderen of in werking hebben van het windpark met vier windturbines (gewijzigd) heeft verleend, genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Met het oog op finale geschilbeslechting zal de Afdeling op grond van artikel 8:51d van de Awb de raad en het college opdragen om met inachtneming van hetgeen onder 16.4 en 48.4 is overwogen binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak de daar omschreven gebreken te herstellen. De raad en het college kunnen dit doen door in de planregels en de vergunningvoorschriften alsnog een eigen norm voor het aspect geluid op te nemen die is voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering, of een ander besluit te nemen.
Verder dient de raad deugdelijk te motiveren hoe de belangen van [appellant sub 4] zijn betrokken in de belangenafweging en waarom landschappelijke inpassing op zijn perceel niet noodzakelijk is, of een ander besluit te nemen. 78. De raad en het college dienen de Afdeling en de andere partijen mededeling te doen van eventuele nieuwe besluiten en deze besluiten zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Bij de voorbereiding van de nieuwe besluiten behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast. 79. Wat de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 3] en anderen betreft, is dit een tussenuitspraak. In de einduitspraak zal worden geoordeeld over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellante sub 1A],
55
[appellante sub 1B], [appellante sub 1C], [appellante sub 1D], Ecofuels B.V., [appellante sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G] en [appellant sub 1H] en [appellant sub 1I] ([appellante sub 1] en anderen) tegen het besluit van het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg tot wijziging van de legger van Waterschap Limburg; II. verklaart het beroep van [appellant sub 6] niet-ontvankelijk; III. verklaart het beroep van [appellante sub 5] ongegrond; IV. draagt de raad van de gemeente Bergen en het college van burgemeester en wethouders van Bergen naar aanleiding van de beroepen van [appellante sub 1A], [appellante sub 1B], [appellante sub 1C], [appellante sub 1D], Ecofuels B.V., [appellante sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G] en [appellant sub 1H] en [appellant sub 1I] ([appellante sub 1] en anderen), [appellant sub 3A], [appellant sub 3B], [appellant sub 3C] en [appellant sub 3D] en [appellant sub 3E] en [appellant sub 3F] ([appellant sub 3] en anderen) en [appellant sub 4] op om: - binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen in 16.4, 48.4 en 77 is overwogen, de daar omschreven gebreken te herstellen en; - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en eventuele gewijzigde besluiten zo spoedig mogelijk op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Aldus vastgesteld door mr.
P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Schellingerhout, griffier. w.g. Knol voorzitter w.g. Schellingerhout griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024 826-980
Bijlage: Awb: Artikel 3:14, eerste lid: "Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens." Artikel 6:15, eerste lid: "Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender." Artikel 6:22: "Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het
56
orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld." Artikel 8:5, eerste lid: "Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak." Artikel 8:51d: "Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing." Artikel 8:75a, eerste lid: "In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard." Gaswet: Artikel 10, zevende lid, aanhef en onder a: "Het zesde lid, onderdeel a, is niet van toepassing voor het aansluiten van een te bouwen bouwwerk, tenzij een college van burgemeester en wethouders het gebied waarin dit bouwwerk wordt gebouwd, hebben aangewezen als gebied waar aansluiting op het gastransportnet strikt noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang, waaronder begrepen de maatschappelijke kosten en baten. Bij ministeriële regeling worden hiertoe nadere regels gesteld" SMB-richtlijn: Artikel 3, tweede lid: "Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma's a. die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of […] Verdrag van Aarhus: Artikel 6, vierde lid: "Elke Partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden." Wro: Artikel 3.30:
57
"1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat: a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a. 2. Bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32, respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een bestemmingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in geval van een omgevingsvergunning, de uitgebreide procedure beschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toegepast. 3.
Voor zover onder de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, mede een omgevingsvergunning is begrepen wordt bij de toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, onder c, 2.10 en 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in plaats van bestemmingsplan gelezen: bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder b. Artikel 3.31, eerste lid: "In door de gemeenteraad met toepassing van artikel 3.30 aangewezen gevallen bevorderen burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van de bij of krachtens dat artikel aangeduide besluiten. Burgemeester en wethouders kunnen andere bestuursorganen verzoeken de medewerking te verlenen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Met het oog hierop zendt een bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag voor een dergelijk besluit te beslissen hun onverwijld een afschrift van die aanvraag." Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant: Artikel 2.4.4 : "1.
Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad kantoren alsmede aan de bestaande planvoorraad kantoren anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.3 van het POL2014, de regionale visie Kantoren Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1. (…) 4. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid. 5. De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de
58
verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband." Artikel 2.4.5: 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1." Artikel 2.6.2: "Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten." Bestemmingsplan "Energielandgoed Wells Meer", vastgesteld op 25 april 2022: Artikel 1.6: "aan het energielandgoed verbonden bedrijven: bedrijven die verbonden zijn aan de duurzame energiesector en noodzakelijker- of logischerwijs op het energielandgoed gevestigd dienen te zijn" Artikel 3.1.1, onder h: De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor landschappelijke inpassing en instandhouding voor de locatie [locatie 1] overeenkomstig het landschappelijk
inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 van deze regels. Artikel 5.1.1: "De voor 'Energielandgoed' aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…) f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw': 1. een bedrijfsverzamelgebouw uitsluitend ten behoeve van aan het energielandgoed verbonden bedrijven uit milieucategorie 1 en/of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, met uitzondering van risicovolle inrichtingen; 2. ondergeschikte horeca; (…)" Artikel 5.2.2: "Voor het bouwen van windturbines gelden de volgende regels: (…) c. de ashoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan 165 m; d. de tiphoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan 250 m." Artikel 5.2.4:
59
"Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels: a. zonnepanelen: (…) 2. de bouwhoogte van zonnepanelen met constructie mag niet meer bedragen dan: • 1.60 m; • 2,5 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwhoogte zonnepanelen'; • 10 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - innovatieve zone';" Artikel 5.3.2: "a. het geluidsniveau op geluidsgevoelige functies en objecten veroorzaakt door alle windturbines ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' mag niet meer bedragen dan Lden = 47 dB en Lnight = 41 dB; b. de maximale slagschaduwduur op gevoelige functies en objecten veroorzaakt door alle windturbines ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' mag niet meer bedragen dan 6 uur per jaar." Artikel 5.3.3: "Behoudens de met de aanleg samenhangende vervoersbewegingen mag het Energielandgoed jaarlijks door maximaal 15.000 voertuigen met een verbrandingsmotor behorende tot de categorie licht verkeer, 200 voertuigen behorende tot de categorie middelzwaar verkeer en 200 voertuigen behorende tot de categorie zwaar verkeer bezocht worden.
Hierbij geldt dat een bus met een verbrandingsmotor gelijk gesteld wordt aan 3 motorvoertuigen behorende tot de categorie lichtverkeer." Artikel 5.4.3: "Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1.1 onder f voor het vestigen van bedrijfsactiviteiten die niet voorkomen op de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, onder voorwaarde dat deze naar hun aard en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot de categorie die maximaal is toegestaan." Artikel 5.4.4: "Burgemeester en wethouders kunnen, na een periode van 5 jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan, bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.3.3 onder de voorwaarden dat: a. de toename van het aantal voertuigen met een verbrandingsmotor behorende tot de categorie lichtverkeer niet meer bedraagt dan 15.000 per jaar (totaal maximaal 30.000 per jaar), waarbij een bus met een verbrandingsmotor gelijk gesteld wordt aan 3 motorvoertuigen behorende tot de categorie lichtverkeer; b. aangetoond is dat het agrarisch gebruik binnen de bestemming 'Energielandgoed' voldoende is beperkt om elke toename van de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige beschermde natuurwaarde in Natura 2000-gebied als gevolg van de toename van het aantal verkeersbewegingen uit te sluiten;
60
c. de toename van het aantal verkeersbewegingen verkeerstechnisch aanvaardbaar is; d. de toename van het aantal verkeersbewegingen niet leidt tot een overschrijding van de luchtkwaliteitseisen op plaatsen waar representatieve blootstelling is; e. de toename van het aantal verkeersbewegingen niet leidt tot een toename van de geluidbelasting waardoor een aanvaardbaar akoestisch klimaat niet gewaarborgd is. Artikel 15.2.1: "Burgemeester en wethouders kunnen een inpassingsplan dat is opgenomen als bijlage bij deze regels wijzigen en daarmee een alternatieve landschappelijke inpassing toestaan, mits de gewijzigde inpassing in ruimtelijk opzicht en/of qua omvang minimaal gelijkwaardig is aan de inpassing zoals opgenomen in het inpassingsplan in de bijlage 3 bij deze regels." Artikel 15.3: "Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone voorwaardelijke verplichting' voor zover niet vóór de aanleg van die bouwwerken uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen conform het in bijlage 6 opgenomen compensatieplan." Artikel 15.4: "Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van bouwwerken ter plaatse van de bestemming 'Energielandgoed' (artikel 5)
voor zover niet voor elke vierkante meter verharde oppervlakte waarvan regenwater afstroomt 100 mm berging is gerealiseerd." Bestemmingsplan "Energielandgoed Wells Meer", vastgesteld op 9 februari 2021: Artikel 15.2.1: "Voor de locatie [locatie 1] is het gebruik overeenkomstig de bestemming uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat sprake is van realisatie en instandhouding van een landschappelijke inpassing overeenkomstig het inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze regels."
61