CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting TAM - Dorpsstraat 73 Afferden

Gemeenteraad 3 juni 2025, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van het TAM-IMRO-plan ‘Hoofdstuk 22C Dorpsstraat 73’;17.573 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gelet op de wijziging wordt geadviseerd de betreffende verontreiniging binnen het plangebied te saneren. Ten behoeve van de sanering dient een plan van aanpak opgesteld te worden/een melding verricht te worden voor de sanering van de verontreinigde grond. In het plan van aanpak/de melding wordt een uitvoeringsmethode omschreven om de bodem op 1 Verkennend bodemonderzoek, HMB (kenmerk: 24258001A) 2 Nader bodemonderzoek, HMB (kenmerk: 24258002B)

18

een zo efficiënt mogelijke wijze te saneren. Het saneringsplan dient goedgekeurd te zijn door het bevoegd gezag/de gemeente Bergen (Limburg). Dit saneringsplan wordt thans opgesteld, maar vormt geen verder onderdeel van onderhavige ontwikkeling.

5.3

Bedrijven en milieuzoneringen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In het licht van de Omgevingswet is deze indicatieve bedrijvenlijst niet meer geschikt. De lokale praktijk vraagt om maatwerk en een lokale afweging. Derhalve is in 2022 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022’ (naar verwachting komt er Q1 2024 een geactualiseerde versie van de uitgave). Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De zone “FM” is een nieuwe toevoeging ten opzichte van de vorige VNG-uitgave. FM staat voor functiemenging. Dit betreffen functies die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn binnen een gebied met diverse functies, zoals woon- en centrumgebieden.

De Lijst van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes (2008). Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van het functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk. Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid (gevaar en stof komen te vervallen). Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Het plangebied is weliswaar in de kern gelegen, maar op korte afstand zijn diverse functies aanwezig, daarbij ligt het plangebied op de grens met het buitengebied. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende zone voor geur en geluid.

In de directe omgeving (straal van 200 meter) bevinden zich de volgende milieubelastende functies. Tabel 1. Bedrijven in de omgeving van het plangebied

Soort bedrijf

SBI-2008

Adres

Aan te houden afstanden

Basisschool

852, 8531

Langstraat 6a

Café / Restaurant

561/563

Langstraat 4-6

Autobedrijf

451, 452, 453

Dorpsstraat 88

Agrarisch bedrijf* (akker/tuinbouw) Begraafplaats

011, 012, 013

Gening 1

96031

Langstraat 1

Geluid: Geur: Geluid: Geur: Geluid: Geur: Geluid: Geur: Geluid: Geur:

19

10 0 (FM) 0 (FM) 0 (FM) 10 0 (FM) 10 0 (FM) 0 (FM) 0 (FM)

Afstand tot plangebied 10 meter 105 meter 140 meter 140 meter 175 meter

* Een agrarisch bedrijf betreft een akker/tuinbouwbedrijf, melkveehouderij of glastuinbouw. Er is geen vergunning aanwezig voor het houden van dieren op deze locatie, tevens ontbreekt de aanduiding glastuinbouw. Derhalve wordt gekeken naar de afstanden met betrekking tot een akker/tuinbouwbedrijf.

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is géén hindercontour die het plangebied overlapt. Omliggende bedrijven vormen daarmee geen belemmering, er is in de woning sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de omliggende bedrijven niet belemmerd door de voorgenomen wijziging.

5.4

Geluid

Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Bkl bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan. Geluid door activiteiten Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen. Wegverkeerslawaai Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland. Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied is gelegen. Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens. Op grond van het overgangsrecht (art.

17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden. Beschrijving

Aandachtsgebied

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u

100 meter

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of;

200 meter

Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of;

350 meter

Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

20

Conclusie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek3 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat: ▪ dat het geluid als gevolg van provinciale wegen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar wel voldoet aan de ontheffingswaarde. Maatregelen om de geluidbelasting tot beneden de voorkeursgrenswaarde te krijgen lijken niet realistisch. Bij het College van B&W kan een verzoek ter vaststelling van een hogere waarde worden ingediend. Deze waarde wordt onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan; ▪ dat het geluid als gevolg van provinciale wegen hoger is dan de standaardwaarde, maar wel voldoet aan de grenswaarde. Op grond van art. 5.78u uit het Bkl kan een bestemmingsplan geluid tot aan de grenswaarde toelaten. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de voorwaarden die het Bkl daarvoor stelt; ▪ dat het gezamenlijke geluid hoger is dan 53 dB. In een later stadium zal daarom aanvullend onderzoek nodig zijn naar eventueel benodigde bouwkundige maatregelen opdat voldaan kan worden aan de eisen aangaande de binnenwaarde. Aanvullend onderzoek is pas mogelijk op het moment dat een definitieve ontwerptekening beschikbaar is; ▪ dat de nieuwe woonfunctie geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; ▪ dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.

5.5

Luchtkwaliteit

Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van

3 Akoestisch onderzoek, HMB (d.d. 8 oktober 2024)

21

de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 7,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 14,1 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 8,1 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof. Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: Tabel 2.regeling NIBM

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. In dit geval is sprake van het toevoegen van slechts één woning. De ontwikkeling valt daarom onder de 3% norm. Het initiatief draagt zodoende ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

5.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd. Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen. 22

Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies. De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening, of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege. Conclusie Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Afferden.

In de nabije omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op een afstand van 1 kilometer en betreft een paardenhouderij. Derhalve vormt het aspect geur geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

5.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan. In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een

23

omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl).

Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten.

Daarbij de kanttekening dat, ondanks niet aangegeven op de externe risicokaart, het plangebied is gelegen op korte afstand van de N271, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. De veiligheidsregio heeft derhalve reeds hierover advies uitgebracht, er kan gebruik worden gemaakt van de standaard motivering EV (toxisch scenario). Dit advies is er verwerkt in deze paragraaf, zie onderstaand. Bereikbaarheid Het plangebied is zowel vanuit zuidelijke richting bereikbaar via de Eckeltsedijk, als ook vanuit noordwestelijke richting, via de Dorpsstraat. Bluswatervoorzieningen Rondom het plangebied zijn voldoende primaire en secundaire bluswatervoorzieningen aanwezig. Brandweerzorgnorm De opkomsttijd van de brandweer is niet berekend. Gezien de afstand tot brandweerkazerne Bergen kan gesteld worden dat er wordt voldaan aan de normtijd van acht minuten voor een woonfunctie. Advies

24

Plaats op een makkelijk te bereiken plaats een noodknop waarmee de mechanische ventilatie installatie kan worden uitgezet, zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt aangezogen. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast worden geplaatst (Dit is overigens reeds verplicht vanuit het BBL); Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.8

Trillingen

Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Water

Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige en meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ‘ruimte maken voor water’. Naast de kans op meer wateroverlast neemt ook de kans op langdurige periodes van droogte toe. 5.9.1 Waterschapsbeleid; Waterschap Limburg In het waterbeheerplan (WBP) en de Waterschap verordening van het Waterschap Limburg staan de regels van het Waterschap Limburg. Waterbeheerprogramma (WBP) Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022 2027:  Programma Waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. Het afgekoppelde regenwater zorgt voor minder vervuilende riool overstorten. Het verbetert de doorstroming en daarmee de kwaliteit van stadswateren. Doordat een groot deel van het water lokaal infiltreert in groenstroken en tuinen, wordt voorkomen dat oppervlakkig afstromend regenwater onderweg vervuild raakt en zo het ontvangende oppervlaktewater belast.  Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. Zo zorgt bijvoorbeeld verdamping in de stad voor minder hittestress. Daarmee zijn de sponswerking van de gebouwde omgeving en de kwaliteit van het oppervlaktewater vergroot.

Ook op dit gebied moet samengewerkt worden om werk met werk te kunnen maken (efficiency), om instrumenten van derden te benutten teneinde onze eigen opgave te realiseren (zoals omgevingsplannen) en voor de inpassing in de omgeving.  Waterkwaliteit en ecologie: het water binnen de gemeente moet schoon zijn en wateren zijn natuurlijk ingericht.

25

We maken een stevig begin met de (bron)aanpak van de problemen met medicijnresten en opkomende stoffen (zoals PFAS en microplastics) in het oppervlaktewater. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Voor het plangebied is vooral klimaatadaptatie van belang. Om de klimaatverandering een stap voor te blijven, is nu het moment om de plannen gereed te hebben en te starten met de uitvoering. Daarom is klimaat adaptief denken en handelen de basis van al het werk van het Waterschap en dat verwacht zij ook van haar partners. De speerpunten zijn:  Samen klimaat adaptief inrichten van stad en land;  Aanpakken grootste wateroverlastknelpunten;  Risico gestuurd peilbeheer en onderhoud;  Elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van regenwater inmiddels vanzelfsprekend. De voorkeursvolgorde bij afkoppelen is vasthouden - bergen - afvoeren, waarbij infiltreren in de bodem voorgaat op lozen op oppervlaktewater. Ook opvangen en gebruiken voor huis en tuin is een duurzame oplossing. In klei- en lössgronden en in sterk hellend gebied vraagt infiltreren een grotere inspanning. In kleine tuinen is dan vaak te weinig ruimte. Gezamenlijke centrale infiltratievoorzieningen in de wijk kunnen dan een oplossing bieden. Vanzelfsprekend geldt bij afkoppelen en infiltreren dat dit geen overlast elders mag veroorzaken. Ook belangrijk is de kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Alleen met het doorlopen van de trits schoon houden - scheiden - zuiveren is lozen op de bodem of op watergangen acceptabel.

Waterbeheerprogramma (WBP) Per 1 januari 2024 is de Waterschap verordening Waterschap Limburg in werking getreden. In de Waterschap verordening staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunning plichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld. 5.9.2 Gemeentelijke beleid Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022’. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L).

Het gemeentelijk rioleringsplan dat vastgesteld is voor ingang van de Omgevingswet, blijft namelijk gelden totdat de periode is verstreken waarvoor het plan is vastgesteld. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) blijft gelden tot en met het jaar 2025. Het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) heeft dezelfde juridische status als het water & rioleringsprogramma, afgekort WRP. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in Omgevingswet (Ow), die sinds 2024 in werking is getreden. Deze wet beschrijft het brede pakket aan zorgtaken van de gemeente. Eén van die verplichtingen betreft het opstellen van een gemeentelijke Water en rioleringsprogramma, afgekort WRP (ex artikel 3.14 Ow). In het WRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Ow is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd. Op basis van artikel 2.16 Ow heeft de gemeente een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater.

26

Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022: In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m2 kunnen bergen. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel. Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd. De doelstellingen voor de komende planperiode zijn: 1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. 2. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). 3. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. 4. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij: ▪ Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen ▪ Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 6.

Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Afvoercapaciteit: Om gezondheidsrisico’s van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken. Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat: • De riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt) De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in een schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater. Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico’s voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog).

Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot. Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transport kosten (lager energieverbruik gemalen). Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst. Hemelwater (artikel 2.16 lid 1 onder a sub 1 Omgevingswet): • De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren / bedrijven als voor het openbaar gebied. Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden Limburg: 27

▪ ▪ ▪ ▪

▪ ▪ ▪

Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform Besluit bouwwerken leefomgeving; Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht. Bij nieuwbouwplannen worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. De voorziening dient over voldoende berging te beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico’s zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit de straat de woning kan bereiken. In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van hemelwater.

Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken.

Klimaat: De gemeente Bergen richt zich op: ▪ Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water. Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn. ▪ Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt. ▪ Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie. ▪ Toepassen van water passeerbare verharding bij parkeervoorzieningen. ▪ Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig) ▪ Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn. De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden. De provincie stelt het beschermingsniveau vast.

Wijziging omgevingsplan Als het omgevingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elke wijziging van het omgevingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse functies. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw ‘grondwaterneutraal’ te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden. Beheer rioleringsgegevens bij nieuw aanleg De revisiegegevens van nieuw aangelegde riolering zullen uiterlijk twee weken na de oplevering van een nieuwbouwproject worden verwerkt. Hiermee voldoet de gemeente aan de regels van WIBON. De beheergegevens zijn actueel.

28

5.9.3

Huidige situatie

Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak Het plangebied is thans in gebruik als tuin behorende bij de naastgelegen woning. Er is, behoudens een kleine schuur (55 m²) aan de voorzijde, geen bebouwing aanwezig. Aan de achterzijde is tevens nog verharding (100 m²) aanwezig.

100 m²

55 m²

Afbeelding 7 Huidige situatie, verharding en bebouwing

Ligging van beschermingszones en reserveringsgebieden Er liggen geen beschermingszones of reserveringsgebieden in het plangebied, omdat er geen oppervlaktewater in het plangebied is. Huidige verwerking hemelwater Het hemelwater wordt dat neerslaat op de bestaande bebouwing en erfverharding wordt op eigen terrein geïnfiltreerd. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het projectgebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 1,5 - 10 m/dag. Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit De woning Dorpsstraat 73 is reeds aangesloten op het gemeentelijke rioleringssysteem. Aanwezig oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Wel is er thans een vijver aanwezig binnen het plangebied, dit betreft echter een private, decoratieve vijver in eigendom van initiatiefnemers.

29

Afbeelding 8 Uitsnede leggerkaart

Grondwatertanden en maaiveldhoogte Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als beekeerdgronden bestaande uit grof zand. Het plangebied is relatief vlak NAP ligt op 13,5 -14,5 meter. De gemiddelde hoogste grondwaterstand bedraagt ± 2 – 2,5 m -mv. 5.9.4

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave

Beschrijving plan Toekomstige uitbreiding totale bebouwing: 308 m² Totale verharding wegen (onderverdelen in: wegen, voetpaden, parkeerplaatsen) 159 m². ▪ Oppervlakte oprit: 109 m²; ▪ Oppervlakte verharding tuin: 50 m² Het hemelwater dat valt op nieuwe verharding zal conform het beleid niet aangesloten worden op het rioleringsstelsel maar op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Ontwerp nieuw watersysteem Hemelwater Bij de woning worden infiltratiekratten aangelegd. In het kader van onderhavige ontwikkeling is een infiltratieberekening4 opgesteld. De positionering van de infiltratievoorziening zal worden uitgewerkt op het definitieve bouwplan. Oppervlakte oprit aan te sluiten op infiltratievoorziening. Overige terreinverharding vloeit af naar en infiltreert in de tuin op eigen terrein. Afvalwater 4 Infiltratieberekening (kenmerk: 23-058)

30

De nieuwe woning wordt aangesloten op het aanwezige gemeentelijke rioleringssysteem. Grondwater Het plan heeft naar verwachting geen invloed op de grondwaterstand nu de hoogste gemiddelde grondwaterstand zich op 2 – 2,5 m onder maaiveld bevindt. Waterkwaliteit & beheer Gezien er slechts één nieuwe woning wordt gerealiseerd is het aannemelijk dat de bestaande gemeentelijke riolering deze geringe toename goed kan verwerken. De infiltratiekratten zijn dusdanig van inhoud dat ze een bui van T=100 kunnen bergen, derhalve zijn deze afdoende voor normale buien alsook extreme buien.

5.10 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Conclusie Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd. 5.11.1 Flora en fauna In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna5 uitgevoerd. Op basis hiervan kan concluderend gesteld worden dat: Algemene in opgaande vegetatie broedende vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan.

Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Vleermuizen: verstoring vliegroutes en foerageergebied De laanbomen aan de Eckeltsedijk fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen

5 Quickscan flora en fauna, Faunaconsult (d.d. 17 juli 2024)

31

vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen of rood licht. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht; deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.11.2 Natura2000 - Stikstof Regels omtrent stikstofdepositie zijn geregeld in artikel 22.20 Ow.

Hierin staat vermeld dat de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven geleden tot bij een koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is, mits uitgesloten kan worden dat een project geen merkbaar c.q. negatief effect heeft voor wat betreft de stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura2000-gebieden. Een mogelijk negatief effect komt voort door verzuring en/of vermesting, van het initiatief, op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOX of NH3 ), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Stikstofdepositie kan plaatsvinden, afhankelijk van het beoogde project, gedurende de (ver)bouw-/aanlegfase, sloopfase en gebruiksfase. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Maasduinen, ligt op circa 50 meter van het plangebied. In het kader van onderhavige ontwikkeling zijn de bouw- en gebruiksfase van belang.

Gebruiksfase Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer, derhalve vindt de uitstoot van stikstof in het geval van de nieuwe woning uitsluitend plaats door verkeer van en naar de locatie. Het is niet uitgesloten dat sfeerverwarming gebruikt kan worden, hiervoor wordt een factor van 0,5 kg NOx per jaar opgenomen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van de: ▪ Functie: koop, huis, vrijstaand; ▪ Gebiedstype: schil centrum in weinig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 8,6 verkeersbewegingen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Sinds oktober 2024 dienen ook koude starts opgenomen te worden in de AERIUS berekening. Conform de handreiking koude start van BIJ12, worden de koude starts per woning op 2 per dag geschat. Derhalve wordt er uitgegaan van 2 koude

32

starts per dag. Koude start vindt plaats in de eerste 10 tot 30 seconden na het starten van de auto, onderzoek wijst uit dat voertuigen dan nog niet of nauwelijks van hun startlocatie zijn vertrokken. De emissie van de koude start zal dan ook hoofdzakelijk plaatsvinden rondom de startlocatie van het voertuigen en niet op wegen met doorgaand verkeer, derhalve wordt deze bron uitsluitend op de oprit geprojecteerd. Bouwfase Ook tijdens de bouw is sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.). Emissies ten gevolge van de bouw van een woning kunnen sterk variëren afhankelijk van bouwlocatie tot bouwlocatie afhankelijk van de gebruikte technieken, materialen, bodemgesteldheid, grondverzet, type woning, etc. Er wordt uitgegaan van kengetallen, de uitstoot van NOx tijdens de bouw van een woning bedraagt gemiddeld 3,0 kg, inclusief bouwrijp maken en de benodigde voertuigbewegingen. Dit is inclusief bouwverkeer en andere werkzaamheden zoals heiwerkzaamheden. Er is weliswaar geen sprake van heiwerkzaamheden, maar er wordt uitgegaan van een worst-case scenario.

Conform de handreiking koude start van BIJ12, is er sprake van een koude start als een voertuig langer dan 2 uur heeft stilgestaan. Voor wat betreft het midden -zwaar verkeer is het aannemelijk dat deze materialen komen leveren en daarna weer vertrekken. Er is derhalve enkele sprake van koude starts bij licht verkeer, en dat is op het moment van vertrek aan het einde van de dag. Derhalve wordt er uitgegaan van 75 koude starts gedurende de hele bouwfase. Tevens is ook het tijdelijk gebruik van het bijgebouw als woning gedurende de bouw van de hoofdwoning opgenomen in de berekening, dit betreft uitsluitend verkeersbewegingen van en naar de woning. Bodemsanering In het kader van onderhavige ontwikkeling is ook bodemsanering aan de orde. De vervuilde grond dient weg te worden gegraven, het gaat om circa 250 m³. Dit betekent dat er 10 vrachtwagens aan vervuilde grond vervoerd dienen te worden. Derhalve zijn hiervoor 20 zware verkeersbewegingen opgenomen. De grond zal ook weer aangevuld dienen te worden. Hiervoor zijn eveneens 20 zware verkeersbewegingen opgenomen. De vrachtwagens worden geladen en rijden dan direct door, hiervoor is dan ook geen sprake van koude starts. Daarnaast staat er gedurende 1,5 week een graafmachine (60 uur) op de locatie om de grond af te graven.

Conclusie Als gevolg van de werkzaamheden aan de Dorpsstraat 73 in Afferden vinden tijdelijke depositietoenames plaats in een klein deel van het Natura 2000-gebied 2000- Maasduinen. In de aanlegfase bedragen deze eenmalig maximaal 0,12 mol N/ha/jaar. In de gebruiksfase zijn de maximale depositietoenames 0,03 mol N/ha/jaar. Derhalve is een voortoets stikstof6 uitgevoerd. Op basis het van uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat de bouw en gebruik van de woning niet leidt tot significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Maasduinen, ook niet in cumulatie met eventuele andere vergunde projecten. De bouw en het gebruik van de woningen kan plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen van de Omgevingswet. 5.11.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van 6 Voortoets stikstof, Kleijberg Ecologie (kenmerk: KE136-01)

33

het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden. Conclusie Het plangebied is niet gelegen op gronden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland.

5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. 5.12.1 Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de bruidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische waarden. Dit betekent dat bij een bodemingreep waarbij de bodem dieper dan 40 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien het te verstoren oppervlakte meer dan 250 m² bedraagt. De locatie is echter niet voorzien van een aanduiding (dubbelbestemming) conform het vigerende omgevingsplan.

34

Afbeelding 9 Uitsnede archeologische beleidskaart (geel; plangebied)

Verwacht wordt dat met de realisatie van de nieuwe woning op deze locatie deze ondergrenzen niet worden overschreden (oppervlakte circa 165 m²). Daarom is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Daarmee is geborgd dat als toch een bodemingreep plaatsvindt waarbij de ondergrenzen worden overschreden alsnog een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.12.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl (art. 5.130) zijn instructieregels opgenomen omtrent het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Deze gaan over: ▪ Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ▪ Verplaatsing van beschermde monumenten; ▪ Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; ▪ Aantasting van de omgeving van een beschermd document; ▪ Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; ▪ Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De Provincie Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’.

Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op omliggende of nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart zijn een nabij het plangebied geen waardevolle objecten gelegen. Het aspect cultuurhistorisch vormt dan ook geen belemmering in het kader onderhavige ontwikkeling.

5.13 Verkeer en parkeren

35

Het realiseren of toevoegen van functies zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. 5.13.1 Verkeer De nieuwe woning zal worden ontsloten via de Dorpsstraat. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie. Gekeken wordt naar de schil centrum in een niet stedelijk gebied. De nieuwe woning zal op basis daarvan 7,7 – 8,5 motorvoertuigen per etmaal genereren. Gezien het profiel van de weg zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen door slechts één nieuwe woning goed kunnen verwerken. 5.13.2 Parkeren Om de nieuwe parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Bergen. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen gemeente Bergen (L) (mei 2023). De kern Afferden wordt conform de nota getypeerd als rest bebouwde kom. Op basis daarvan dienen per woning (koop, vrijstaand) 2,3 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Op eigen terrein kan worden voldaan aan deze parkeernorm, er zijn 3 parkeerplaatsen aanwezig.

Afbeelding 10 Parkeerplaatsen

5.14 Duurzaamheid Conform artikel 1.3 sub a Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gaat daarbij om het beschermen van de gezondheid maar ook het bevorderen van de gezondheid (sport, beweging, positieve gezondheid). In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b.

doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor 36

burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. In onderhavige motivering wordt onderbouwd waarom er in het kader van onderhavige ontwikkeling sprake is van een goede fysieke leefomgeving.

5.15 Gezondheid Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd. 5.15.1 Endotoxinen Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken.

Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gelegen op een ruime afstand, de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij is zelfs gelegen op minimaal 1,5 kilometer afstand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15490271/1