Toelichting Rijksweg 23a en 25a VA
Tekst van het document
Keur 2019 Per 1 april 2019 is er een nieuwe keur in werking getreden. In de keur staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Voor de meest voorkomende vergunningplichtige activiteiten zijn er beleidsregels. In deze beleidsregels staat met welke criteria een vergunningsaanvraag wordt beoordeeld.
30
Volgens artikel 1.12 Uitvoeringsregels van het Keur van het Waterschap blijkt dat het waterschap het bevoegd gezag is vanaf 10 hectare. Het totale oppervlak van het plangebied is 7.700 m². Daarom is niet het Waterschap, maar de gemeente bevoegd gezag. Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022’. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente Bergen het Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L). De wettelijke basis van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is vastgelegd in drie wetten. De taken en verplichtingen die de gemeente op het gebied van riolering heeft, zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm artikel 10.33).
Een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer betreft het opstellen van een gemeentelijk rioleringsplan (GRP). In het GRP moet inzichtelijk zijn gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud hiervan gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging en/of verbetering. In de Wet milieubeheer is ook de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van afvalwater vastgelegd. De Waterwet is sinds 2009 in werking getreden en beschrijft het brede pakket aan zorgtaken van de gemeente. Vanuit de Waterwet heeft de gemeente een zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 In artikel 3.8 van de verordening wordt bepaald dat in nieuwbouw geen aansluiting op het openbaar riool gerealiseerd mag worden, tenzij er een hemelwatervoorziening is. Deze hemelwatervoorziening moet 60 liter per m² kunnen bergen. Uitgangspunt is dat als er een bui valt van 60 mm (is 60 liter per m2) dit geen afstroming veroorzaakt naar belendende percelen (inclusief de openbare ruimte). Al het hemelwater wordt vastgehouden op het eigen perceel. Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen (L) Ambitie en doelen In het nieuwe GRP wordt het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd.
De doelstellingen voor de komende planperiode zijn: 1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd afvalwater. 2. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren). 3. Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied.
31
4. Zorgen voor het transport van het ingezamelde water naar een geschikt lozingspunt; hierbij: - Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem, grondwater voorkomen - Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord). 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 6. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Afvoercapaciteit: Om gezondheidsrisico’s van rioolwater te beperken en wateroverlast te voorkomen, dient de gemengde riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken om een regenbui te kunnen verwerken. Het rioolstelsel moet dan ook hydraulisch op orde te zijn, wat betekent dat de riolering als systeem (theoretisch) voldoet aan de hydraulische norm (bui 09 Leidraad Riolering, een bui die eens per 5 jaar voorkomt) De gemeente Bergen blijft inzetten op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering, daarnaast blijft zij ook particulieren stimuleren om af te koppelen. Met afkoppelen wordt het hemelwater van de gemengde riolering afgehaald en het systeem gescheiden in een schoon- en vuilwatersysteem. Het totaal aangesloten hemelwater op de gemengde riolering wordt hiermee verkleind en daarmee de kans op het intreden van vuilwater in gebouwen en het overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater.
Door afkoppelen neemt dan ook de kans op gezondheidsrisico’s voor mens en natuur af. Daarnaast biedt (grootschalig) afkoppelen een economisch voordeel voor de waterschappen door een kleiner aanbod van afvalwater (minder investering) en aanvoer van een constanter debiet en kwaliteit van afvalwater (zuiveringsrendement gaat omhoog). Tevens wordt de betrokkenheid van inwoners en het gevoel van verantwoordelijkheid ten aanzien van klimaatadaptatie hiermee vergroot. Bijkomend economisch voordeel voor de gemeente zijn minder transport kosten (lager energieverbruik gemalen). Het intensief afkoppelen zorgt voor meer berging in het stelsel en dit creëert meer ruimte voor de zwaardere buien in de toekomst. Het afvoeren van rioolvreemd water (Rioolvreemd water is water van een andere herkomst dan dat in dit type riool voor hoort te komen, zoals drainagewater en grondwater in een vuilwaterriool of vuilwater in een hemelwaterriool. Ook intredend oppervlaktewater via overstorten valt onder rioolvreemd water) dient zoveel mogelijk voorkomen te worden daar dit ten koste gaat van de werking van de riolering en zuivering. Alleen indien op grond van klachten foutieve aansluitingen worden vermoed, wordt dit onderzocht. Het preventief opsporen van foutieve aansluitingen zonder dat daar aanwijzingen voor zijn, beschouwt de gemeente niet als doelmatig.
Hemelwater (artikel 3.5 Waterwet): De verantwoordelijkheid voor de afvoer van hemelwater ligt in beginsel bij de burger. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem, bergen in
32
bijvoorbeeld een vijver of afvoeren naar oppervlaktewater. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Nieuwbouw (zowel uitbreiding als inbreiding) Voor nieuwbouw (en herbouw) geldt dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. De gemeente hanteert de volgende beleidsregels voor zowel particulieren/ bedrijven als voor het openbaar gebied. Deze ontwerpnormen zijn conform afspraken uit het samenwerkingsverband Noord en Midden-Limburg: - Bij nieuwbouw dient het regen- en afvalwater altijd gescheiden aangeboden te worden, conform bouwbesluit 2012; - Bij ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak, dient altijd overleg te worden gepleegd met gemeente, waterbeheerders en initiatiefnemer via de watertoets; - In nieuwbouwwijken is afkoppelen verplicht. Bij bouwplannen met een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 worden door de gemeente een programma van eisen, randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor de waterhuishouding vastgesteld; - Bij inbreidingslocaties dient in eerste instantie het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd te worden.
De voorziening dient over voldoende berging te beschikken, waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie ontstaat; - Bij alle nieuwbouw of uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico’s zijn bij een extreme bui gelijk aan 84 mm; - Bij alle bouwplannen dienen de bouwpeilen op 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit de straat de woning kan bereiken. - In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen afvalwater, is het niet toegestaan om hemelwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteit en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van hemelwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken. Klimaat: De gemeente Bergen richt zich op: - Het bovenstrooms treffen van maatregelen om benedenstrooms overlast en/of hinder te voorkomen van afstromend water. Afstromend water kan hierbij zowel hemelwater als vuilwater zijn. - Het afkoppelen en vasthouden van hemelwater op locaties waar het niet tot overlast of schade leidt.
- Groenvoorzieningen inzetten als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en banden eventueel de verlagen. - Een aandachtspunt hierbij is de relatie met strooiroutes en de hogere beheer en onderhoudsfrequentie. - Toepassen van waterpasseerbare verharding bij parkeervoorzieningen. 33
-
Het zo veel mogelijk vervangen van niet-functionele verharding door groen (waar doelmatig) Waar doelmatig speeltuinen inzetten voor waterberging, aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn.
De opgave van het waterschap is om te voldoen aan een beschermingsnorm van 1x per 100 jaar voor bebouwde kernen voor wat betreft inundaties uit het regionale oppervlaktewatersysteem (Nationaal Bestuursakkoord Water). Afhankelijk van een maatschappelijke kosten-baten afweging kan een lagere bescherming worden geboden. De provincie stelt het beschermingsniveau vast. Bestemmingsplanfase Als een bestemmingsplan wordt gewijzigd, dient er een Watertoets uitgevoerd te worden. Bij elk nieuw bestemmingsplan wordt de grondwatersituatie meegenomen in de waterparagraaf. De benodigde maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen worden daarbij vastgelegd in regels voor diverse bestemmingen. De gemeente staat geen bebouwing toe op locaties waar dit vanuit het watersysteem tot schade leidt of beperkingen geeft aan het natuurlijke watersysteem. Het gaat daarbij niet alleen om regels ten aanzien van zetting en drooglegging, maar ook ten aanzien van drainagesystemen en ontwateringsdiepte. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw ‘grondwaterneutraal’ te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden. Beheer rioleringsgegevens bij nieuw aanleg De revisiegegevens van nieuw aangelegde riolering zullen uiterlijk twee weken na de oplevering van een nieuwbouwproject worden verwerkt. Hiermee voldoet de gemeente aan de regels van WION. De beheergegevens zijn actueel.
5.2.2
Huidige waterhuishoudkundige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak Bij onderhavig plangebied is sprake van bestaande bebouwing en verhardingen, zie figuur 1, 3 en 4. Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden. Het plangebied ligt niet binnen beschermingszones of reserveringsgebieden. Huidige verwerking hemelwater Hemelwater afkomstig van daken wordt grotendeels geloosd op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit Het (bedrijfsmatige) afvalwater wordt geloosd op het riool. Aanwezig oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.
34
5.2.3
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie en waterbergingsopgave Beschrijving plan De beoogde situatie ziet toe op een bestendiging van de feitelijk aanwezige situatie. De bouwmogelijkheden die aanwezig zijn binnen de bestemming ‘Bedrijf’ zullen door de wijziging naar de bestemming ‘Wonen’ komen te vervallen. De totale hoeveelheid verharding zal niet toenemen. Ontwerp nieuw watersysteem Hemelwater In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak niet toe. De totale bouwmogelijkheden binnen het plangebied nemen af. Dit heeft een positieve invloed op de hemelwaterafvoer in het plangebied. Er is meer ruimte om water direct te infiltreren in de grond. Aanvullend zal de hemelwaterafvoer van de bestaande loods worden afgekoppeld van het gemeentelijke rioleringssysteem. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om het hemelwater op eigen terrein op te vangen en te laten infiltreren in de grond. Daarnaast is sprake van een zeer goede bodemdoorlatendheid (figuur 13).
Figuur 13: Bodemdoorlatendheid met plangebied rood omcirkeld.
Afvalwater Het afvalwater zal, net als in de huidige situatie, worden geloosd op het rioleringsstelsel. Er wordt geen toename van de hoeveelheid afvalwater verwacht. Grondwater
35
Gezien de kleinschalige ontwikkeling en het feit dat de bouwmogelijkheden worden beperkt, is er meer ruimte om water op te vangen en te bergen. Dit heeft tevens een gelijkblijvend dan wel positief effect op het grondwater. Waterkwaliteit & beheer Gezien de kleinschaligheid en de locatie van onderhavige ontwikkeling zullen er geen negatieve effecten optreden ten aanzien van de waterkwaliteit en beheer.
5.2.4
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.
Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Omdat de ontwikkeling niet in nieuwe, bouw- en/of aanlegmogelijkheden voorziet, zal er geen verstoring van flora en fauna plaatsvinden. Het aspect flora en fauna zal dan ook niet voor een belemmering van de ontwikkeling zorgen.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een 36
beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform het bestemmingsplan en de gemeentelijke archeologische beleidskaart (figuur 14) is het plangebied gelegen binnen een gebied met een hoge, tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde (dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 3 en 5’). Dit betekent dat er, in het gebied met waarde 3, bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en over een oppervlakte van meer dan 250 m2 een archeologisch onderzoek moet worden verricht. Voor het gebied met waarde 5 geldt deze onderzoeksplicht bij een diepte van 40 centimeter en een oppervlakte van 2.500 m2.
Figuur 14: Archeologische beleidskaart gemeente Bergen met plangebied blauw omcirkeld
Omdat de ontwikkeling geen nieuwe bouwactiviteiten of werkzaamheden voorziet, zal er geen verstoring van de gronden plaatsvinden. De geldende dubbelbestemming zal in het nieuwe bestemmingsplan onveranderd worden overgenomen. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
37
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal.
Figuur 15: Uitsnede kaart met landschappelijke elementen met plangebied blauw omcirkeld
Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Conform de kaart met Landschappelijke elementen van de gemeente Bergen (figuur 15) is langs de Rijksweg een tweezijdige bomenrij aanwezig van 100 jaar of ouder. Onderhavige ontwikkeling zorgt niet voor aantasting van deze bomenrij. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit Er worden geen functies toegevoegd of veranderd waardoor het aantal verkeersbewegingen toeneemt. De bedrijfswoningen worden immers in de huidige situatie al gebruikt ten behoeve van een woonfunctie. De omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast zal de loods enkel worden gebruikt voor ondergeschikte kleinschalige opslag. Deze functie heeft een lage tot geen verkeersaantrekkende werking. Hierdoor kan gesteld worden dat de omliggende infrastructuur deze wijziging kan verwerken. 38
5.6.2
Parkeren Er vindt een herziening plaats van de aanwezige gronden en hun bestemming. Conform de Nota Parkeernormen van de gemeente Bergen dient parkeren op eigen terrein plaats te vinden. In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied twee woningen en een bedrijf aanwezig. De totale parkeerbehoefte binnen het plangebied in de huidige situatie bedraagt 7,35 parkeerplaatsen. In onderstaande tabel is de berekening van de parkeerbehoefte weergegeven. Parkeernorm Aantal / oppervlakte Vrijstaande 2,3 2 woning, koop Bedrijf, 1,1 250 m2 arbeidsextensief/ bezoekersextensief Totale parkeerbehoefte huidige situatie
Parkeerbehoefte 4,6 2,75
7,35
In de beoogde situatie zijn er enkel twee reguliere woningen aanwezig. De parkeerbehoefte van het bedrijf komt daarmee te vervallen. Voor vrijstaande koopwoningen in de rest van de bebouwde kom geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Dit is inclusief parkeren voor bezoekers. De totale parkeerbehoefte in de beoogde situatie bedraagt 4,6 parkeerplaatsen. Aangezien de parkeerbehoefte afneemt en binnen het plangebied voldoende ruimte aanwezig is om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren, kan worden gesteld dat het aspect parkeren geen belemmering zal vormen voor de ontwikkeling.
39
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Binnen het plangebied wordt gebruik gemaakt van de bestaande bouwmogelijkheden. In die zin is er geen sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro in samenhang met artikel 6.2.1. onder a Bro. Doordat er in het kader van de beoogde ontwikkeling geen aanpassingen in de openbare ruimte nodig zijn, is er geen sprake van verhaalbare kosten, waardoor volgens artikel 6.2.1a, aanhef en onder b van het Bro geen verplichting tot kostenverhaal geldt.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de terinzagelegging is de omgeving op de hoogte gesteld van onderhavige ontwikkeling middels de omgevingsdialoog. Een verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage IV bij deze toelichting. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Rijksweg 23a, 25a en Berkstraat Bergen‘ is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. Naar aanleiding van de zienswijze is het plan op enkele punten aangepast. Voor een overzicht van de wijzigingen en een samenvatting van de zienswijze wordt verwezen naar bijlage V.
40